Horizontaliteit ipv verticaliteit

Afbeelding

Jacques de Visscher, Toewijding. Voorbij autonomie en zelfbeschikking. Hommage aan Cornelis Verhoeven, Annalen van het Thijmgenootschap, Jrg. 99, nr. 4 Nijmegen 2011  (Valkhof Pers) p. 78-97

HOOFDSTUK 4

De andere dimensie van het leven

‘De tweede gang der machtige Natuur, het hoofdgerecht op ’s levens feest’

De slaap behoort tot de passieve dimensie van ons bestaan. Over die slaap schrijft Shakespeare lyrisch en veelbetekenend:

Sleep, that knits up the ravell’d sleave of care

The death of each day’s life, sore labour’s bath,

Balm of hurt minds, great Nature’s second course,

Chief nourisher in life’s Least (Macbeth11.2:36-39a).

Macbeth vermoordt zijn koning en gast tijdens diens slaap. Heiligschennis is dat, want naast die moord op de goede oude Duncan doodt hij, de strijdlustige held van de voorbije dagen, ook de slaap, het zinnebeeld van de machteloosheid en de onschuld. Macbeth maakt van zijn verticale overmacht misbruik om, zich vooroverbuigend, de neerliggende slapende naakte Duncan te overvallen en van het leven te beroven. De activiteit en het geweld van de verticaliteit halen het op de passiviteit en de zwakheid van de horizontaliteit. Dat gebeurt meer.

Wat Shakespeare over de slaap schrijft, kunnen we verruimen en opentrekken naar de sfeer van het pathische,van de receptiviteit voor het andere, van de rustige verwerking van het voorbije. Zij is ook “great Nature’s second course” en niet het minst “chief nourisher in life’s feast”, niet alleen de tweede – na een inleidende of voorbereidende- gang die de genereuze natuur ons op de feestdis van het leven biedt. Ze is echter vooral de helende dimensie,het heilzame geschenk par excellence dat ons gemoed zo deugd doend weet te voeden. In die passieve sfeer grijpen we niet zozeer op het leven in, maar zijn we voor de omgeving ontvankelijk, zoals ons gemoed in die begunstig de momenten wanneer “sommige rozengeuren zwevend door de vochtige avondlucht de eigenschap hebben onze neusvleugels te verwijden”.(27)[1]

Het is niet uitsluitend in de slaap dat we van de drukke activiteiten herstellen, ook in het rustgevende dagdromen en mijmeren komen we tot inkeer en rust. Het freudiaanse buiten beschouwing gelaten, is er een dromen dat vrij is van het activistisch fantaseren, het construerend bedenken van utopieën, waarin we onze grenzen te buiten gaan en de werkelijkheid naar onze hand willen zetten. Er is daarentegen een dromen als mijmeren dat ons de gelegenheid geeft langer bij de dingen halt houden, te overwegen wat nu ter zake is of, gewoon, te verwijlen in “een wijze van waarnemen die niet in functie staat van enige drang tot ingrijpen of enig gevoel van verantwoordelijkheid ten opzichte van hetgeen waargenomen wordt”(GB64).We zeggen soms ‘stilstaan’, maar voor die stilte, voor dat oponthoud hoeven we in de fysieke betekenis van het woordniet op beide voeten te blijven staan, ook niet perse te gaan liggen. Van belang is dat we in geest en gemoed de activistische houding (de verticaliteit) kunnen opschorten om bij de omgeving te mijmeren (de pathische horizontaliteit).We beseffen dit tijdens die ‘nutteloze’ wandelingen die geen kilometervretende prestaties zijn om onze lichamelijke conditie berekend en meetbaar op peil te houden, ook tijdens die uren dat we ons de tijd gunnen om ons na de maaltijd loom te voelen, en om tijdens een siësta op de bank te liggen dommelen zonder echt te slapen(IN 42)of op een stadsterras bij een frisse chardonnay naar de mensen te kijken. En waarom maken we geen beter gebruik van ons bed? In bed kruipen we toch niet alleen maar om erin te slapen, om er te gehoorzamen aan de nacht, om te zwichten “voor de goddelijke macht van de duisternis” (GG46). We kunnen er ons  – overdag –  in verschuilen,zoals kinderen dat onder het bed doen. Daarvoor hoeven we niet angstig of depressief te zijn. Afgezien van het feit dat het bed die ideale plek is om er  niet alleen in momenten van slapeloosheid – ongestoord te lezen, kunnen we erin wegdromen om er het ontplooide van de drukke werkdag weer tot zijn plooien te laten komen, en dit tot we voelen dat onze oogleden loodzwaar worden en we zullen inslapen.“Sore labour’s bath, halm of hurt minds”, zoals Shakespeare schrijft. Tijdens onze verticale waakzame tijd lopen we kleine kneuzingen op, vermoeien we ons of werken we hardnekkig door tot we niet meer weten waar ons hoofd staat en we niet meer durven twijfelen aan wat we als gemakkelijke vanzelfsprekendheden aannemen. Kennen we niet pas dan de verdwazing van en door het activisme wanneer de vermoeidheid ons velt of ons toch tot enige ‘horizontaliteit’ dwingt? In bed relativeren we onze zelfstandigheid. Dat lukt ons niet zo maar. Er is immers een drift om door te zetten waardoor we niet bereid zijn onszelf enige vermoeidheid te gunnen. Soms hebben we een of ander ‘ziek zijn’ nodig om te beseffen dat onze zelfstandigheid ons parten speelt, ons bedriegt en ons een dure tol doet betalen. Het gaat dan niet zozeer om een of andere kleine fysieke kwaal die ons enig ongemak bezorgt waarvoor we een arts roepen die ons dringend – technisch – moet genezen. Het gaat veeleer om onze blinde vlek,waartegen geen enkele biopolitiek iets vermag. In deze voor meditatie ontvankelijke sfeer ontdekken we – misschien – wat er aan de hand is.

Een treffend voorbeeld hiervan evoceert Le lit, een kleine novelle, waarvan Guy de Maupassant de kunst uitstekend beheerste. Aan het woord is een levenslustige vrouw -bedlegerig door een voorbijgaande ongesteldheid – ineen brief aan haar vriend, een kapelaan. In haar eeuwenoud bed denkt ze aan de jonge moeder die er haar kind heeft gebaard, ook aan de geliefden die er de tederheid hebben leren kennen als ze elkaar voor het eerst voelen,huid tegen huid in deze levenstabernakel (tabernacle de la vie); ze denkt echter ook aan de dood en aan allen die tot God hun laatste adem hebben opgezonden, misschien in angst of in vreselijke wanhoop, misschien in een pijnlijke doodsstrijd of in serene gelatenheid. Le lit, c’est  l’homme, zo besluit ze, en maakt daarbij de bedenking dat Jezus dan toch niet zo menselijk is want op stro geboren en aan het kruis gestorven, scheen hij geen bed nodig te hebben; daarentegen heeft hij aan de schepselen “hun sponde van zachte rust gelaten”.(28)[2]

In bed gebeurt nog iets meer. Vrij van onmiddellijke praktische taken kunnen we er, zoals op een bank of in een sofa voor de open haard, ook mijmeren “dat niet tot doel heeft bepaalde conclusies te bereiken, maar alleen beoogt de verloren intimiteit met de dingen te herstellen” (IV 155).Vanuit het activisme lijkt dit zinloos,alleen vergeten we hierbij dat dit ritardando in het denken tussen verleden en toekomst bemiddelt en bijgevolg elementaire noodzakelijkheid is. Het kan helen en ons ontvankelijk houden voor wat ons overkomt. Voor het mijmeren is er enige luciditeit en rust nodig. Zulke stille momenten zijn ook aanwezig in die mijmering waarin we vrij kunnen associëren, de dingen in hun relativiteit (in hun weefsel van relaties) ontdekken. Zo’n mijmering verruimt ons besef van en onze betrokkenheid op de dingen; zij kan het kleine met het grote verbinden. Ze suggereert een creatieve sfeer ‘onder’ onze eigenlijke lucide ervaring die een reflectie nodig heeft om haar als ervaring te onderkennen, vandaar dat “we alleen kunnen bestuderen wat we eerst gedroomd hebben”,schrijft de wetenschapsfilosoof Gaston Bachelard die eraan toevoegt dat de wetenschap zich eerder uit een mijmering (rêverie )ontwikkelt dan uit objectieve evidenties.(29)[3]

Kan het bed waarin we ons terugtrekken de plaats zijn waar we piekeren en onze onrust koesteren, ongestoord herinneringen oproepen en ons verdriet verwerken, het is ook de plaats van de introspectie, van het bezinnende denken en het overwegen met zichzelf, ook van het bidden. Misschien wordt er in onze geseculariseerde tijd zelfs meer in bed gebeden dan in de kerken of in de traditionele bedeplaatsen.

Natuurlijk houden we geen pleidooi voor de slapeloosheid die ongelukkige mensen beroven van elke levensvreugde omdat ze weten dat ze, nooit uitgerust, zich met lage rugpijn de komende dagen alleen maar zwaarmoedig zullen voortslepen. We kunnen echter wel vermoeden dat sommige mensen in hun bed te weinig wakker liggen en zichzelf nooit de gelegenheid gunnen na te denken. Het is dus niet zo vanzelfsprekend dat alleen de verticale houding op waakzaamheid aanspraak kan maken en dat de horizontale of neerliggende houding slechts het zinnebeeld van de loutere of zelfs lege passiviteit, van het oblomovisme zou zijn.

De horizontale houding is nu niet uitsluitend de positie voor de slaap om voor de daaropvolgende ochtend opnieuw ‘jong, fris en krachtig’ de problemen van de nieuwe dag aan te kunnen. Horizontaliteit vooronderstelt ook dat we oog hebben voor wat zich rondom ons afspeelt en dat er een horizon is die aan onze omgeving grenzen stelt. Op zich is dat al een bron van verwondering en een uitnodiging tot beschouwelijkheid waarin we bijvoorbeeld overwegen waar we aan toe zijn. Daarom kunnen we hier spreken van een hogere vorm van mentale waakzaamheid, van een levende aandacht. We kijken en luisteren met het innerlijke of tweede oog en oor naar wat we in ons bestaan als werkelijkheid ervaren en waarvoor we ons dankbaar gestemd weten. Voor dit beschouwen gebruiken we ook ‘contemplatie’, dit passieve denken dat zich openstelt” voor het geschenk, voor het inzicht, dat geen product is van een denkend presenteren, en voor de werkelijkheid die anders is dan verwacht kan worden”(RL,154).

De contemplatie ontkent onze zelfstandigheid niet, integendeel. Hoewel wij haar niet als het einddoel van onze beschouwelijkheid, van onze dromerijen en mijmeringen opvatten, schakelen we haar ook niet uit. We onderkennen eerder haar bezieling dan haar gedrevenheid. We zien haar, ontegensprekelijk aanwezig in de luciditeit van ons denken, in dienst van iets dat zij niet zelf produceert, met name ontvankelijkheid voor invallen, voor inzichten, verbonden met de verwondering en het kunnen verwijlen. We vooronderstellen of ontdekken die ontvankelijkheid in onze dromerijen en mijmeringen die we helemaal niet kunnen berekenen of programmeren. De contemplatie past in de bereidheid om tot ons te laten komen wat we zelf niet beslissen, construeren of uitlokken. In dit oponthoud van de activistische bedrijvigheid ontvouwt zich een openheid die ons toelaat te kunnen wachten wat naar ons toekomt. Toont zich hier geen wijsheid van het afwachten waarin we niet zozeer aan onze zelfstandigheid verzaken,maar waarin we eerder haar eigenmachtigheid opschorten opdat deze geen hinderpaal zou vormen voor het andere dat we zelf niet kunnen bedenken? Dit hoeft anderzijds niet met zich mee te brengen dat we het oponthoud eindeloos zouden aanhouden. Dat zou ons opnieuw in de zwaarmoedigheid of de wereldverloochening van het oblomovisme storten.

Een blinde vlek

Afwachten en verwijlen, dromen en mijmeren, nadenkenen stilstaan bij de dingen – hoe eenvoudig en gemakkelijk het ook moge lijken – zijn een voor een houdingen, zelfs activiteiten, waartoe we niet zo maar besluiten, integendeel. Ingekleed in talloze anekdotes, situaties en verhalen domineert immers één idee onze oriëntatie in de wereld:’zelfstandig zijn’ en daarin ongehinderd volharden. Deze idee maakt dat we niet onmondig blijven, maar altijd een antwoord klaar (zouden moeten) hebben op vragen en bevelen van de buitenwereld. Deze idee ligt aan de basis van de remedies tegen onze kwetsbaarheid, van onze verdediging tegen de afgunst van anderen en, in de geest van de Franse Revolutie, van onze eis erkend te worden als volwaardige burgers die assertief hun rechten opvorderen.

Ligt nu de eindeloze duurzaamheid in de lijn van onze spreekwoordelijke verticaliteit, die ononderbroken zelfstandigheid is, zoals gezegd, een onmogelijkheid. Niettemin houden we vast aan haar evidentie en willen we er niet aan tornen, omdat ons leven anders absurd zou zijn. Bijnader toezien blijkt die hardnekkige zelfhandhaving een blinde vlek te verbergen (CG127-138). Door juist zo rechtlijnig en trots vast te houden aan onze zelfstandigheid, hebben we geen oog voor iets dat niet minder wezenlijk is voor ons bestaan, de dimensie die we met Shakespeare “Chief nourisher in life’s feast” noemen. We laten ons verblinden als we ons niet realiseren dat ons compromisloos handhaven van de zelfstandigheid zinloosheid creëert. Dat is de paradox: om het zinloze te vermijden, creëren we zinloosheid, althans als we ‘zelfstandigheid’ als onze regulatieve idee vooropstellen, als we menen onszelf te kunnen poneren en als we autonomie opschroeven tot een absolute waarde. Hoe meer we die zelfstandigheid ernstig nemen en we haar hardnekkig als criterium nemen voorons menswaardig bestaan, hoe zinlozer we ons leven maken. Waarom? Om de heel eenvoudige, maar o zo moeilijk te aanvaarden en niettemin triviale reden dat we ons leven niet zelf op gang brengen en dat het eindigt – twee hoedanigheden die met de ‘evidentie van de zelfstandigheid’  in tegenspraak zijn.

Kunnen we ons nu over die vanzelfsprekendheid, die al te ernstige zelfstandigheid heen zetten? Zijn we bereid beslissende en vruchtbare vraagtekens te plaatsen bij die dominante en universeel geachte idee dat zelfstandigheid gelijkstaat met menselijke waardigheid? Kunnen we die idee als dominante idee opgeven en haar vervangen door de relativerende idee “dat niets minder onze eigen keuze is dan ons leven zelf’ (GB68) en dat het “op de eerste plaats van begin tot einde een geschenk is”(RV174)? Gemakkelijk is dat niet, want zodra wij ons door onze zelfstandigheid laten leiden, onderwerpen we ons ook aan haar manipulerende eisen. Ze heeft immers een eigen agenda, een eigen logica, een eigen retorica. Gehoorzamen we haar en haar alleen, dan zwichten we voor wat zij tiranniek wil: doorzetten, doorzetten, doorzetten koste wat het kost. Langs welke sluwe omwegen ook, zij wil zichzelf eindeloos continueren om niet op haar uiteindelijke weerloosheid te botsen, om met zichzelf niet in tegenspraak te zijn. Vanuit zichzelf kan zij zichzelf door niets laten hinderen.’Niet doorzetten’ behoort niet tot haar logica. In haar ijverig conservatisme en trouw aan haar beginsel, eigenmachtigheid, wil ze zichzelf zijn en zichzelf blijven. Bovendien kent ze niet alleen de drang of drift om zich te handhaven en te bewaren (conatus essendi),ze wil ook, als een heel jaloerse godin, oorzaak van zichzelf zijn (causa sui). Zij bepaalt wat absurd of zinloos is: datgene wat strijdig is met haarbestaansvoorwaarde, haar zelfbeschikking. Zij is inderdaad een eergierige godin die geen afvalligheid verdraagt. Zijn we haar trouw dan beloont ze ons met de aantrekkelijke vooruitzichten van onze emancipatie, progressie en vervolmaking, zij belooft het einde van onderdrukking, onderwerping en slavernij. Zij verdraagt geen huichelarij, geen inconsequentie, geen schipperen, geen toegevingen aan (andere) hogere machten. Zij gaat de (andere) goden te lijf en motiveert ons om de natuur te onderwerpen opdat die ons zou dienen. Ze is zo aantrekkelijk en verleidelijk als ze ons aanzet alles in het werk te stellen om lijden en dood uit te roeien en ons belooft dat het ons zal lukken ook, want elk teken van onomkeerbare vergankelijkheid zou wijzen op haar uiteindelijke onmacht. Van uit zich zelf kan zij onmogelijk aanvaarden dat haar project tot mislukken is gedoemd. Nog eerder wil ze dat we, omwille van onze zelfbeschikking, zelfmoord plegen.

Blijven we de godin van de zelfstandigheid onvermoeibaar trouw, gaan we zolang op in de bedwelmende aura van haar glansen schittering, die ons de ‘onsterfelijkheid nu’ (en niet na lijden en dood) belooft, houden we vast aan die zichzelf bestendigende zelfstandigheid, dan koesteren we ook de genoemde blinde vlek. Verstrikt door de charmes van de godin die we als geen ander vereren, hebben we zelfs niet het minste vermoeden dat er een blinde vlek is. Leven naar de idee van onze volstrekte zelfstandigheid lijkt op de ernst van de reus die niet weet dat hij oplemen voeten staat en toch breedsprakig volhoudt dat aan zijn heerschappij geen einde komt. Het zijn niet de beleidvoerders die ons het potsierlijke hiervan onthullen, wel de eeuwenoude artistieke en literaire verbeelding, van de tragedies van Aischylos en Sophokles tot de novellen van Kafka en de films van Fellini. Zij tonen ons tot welke donquichotterieën we in staat zijn als we die blinde vlek niet onderkennen.

Het is zo moeilijk existentieel weet te hebben van die blinde vlek. Ze is immers een onvermijdelijk product van onszelf, van de opvoeding in de activistische cultuur waartoe we behoren. Zonder project van de zelfstandigheid, kennen we geen menselijk bestaan, dat leert ons dagelijks leven ons, dat betogen de moderne pedagogie en de ontwikkelingspsychologie, dat houdt de humanistische bevrijdingsideologie ons voor. Is die zelfstandigheid een langzaam en moeilijk proces, waarvan we een aantal verworvenheden onmogelijk kunnen missen willen we ooit volwassen worden, het ingaan tegen de onwrikbare agenda, logica en retorica van dit project is niet minder moeilijk. Dit is begrijpelijk, want onze opgang tot volwassenheid leert ons voortdurend – en kan niet anders dan gebieden – dat aarzelen, falen, passief zijn, week en weerloos zijn, ons bestaan absurd maken, met als gevolg dat we angst kennen als we onze kwetsbaarheid en sterfelijkheid onder ogen moeten zien. We moeten, ach,zo vaak op onze hoede zijn.

De verleiding is dan groot om de blinde vlek toe te dekken en om onze hoop te stellen op de genoemde biopolitiek die onze levensloop wil controleren en met een flink aantal jaren kan verlengen, die gelooft dat we – alweer zo zelfstandig – maakbaar zijn (causa sui),dat we lijden en pijn kunnen uitroeien. We menen dat al onze problemen een oplossing moeten krijgen. We verhullen de blinde vlek in onze bewondering voor onwaarschijnlijke sportprestaties, virtuoze economische en financiële manipulaties,voor ‘artistieke stunts’ zoals deze van de Australische’ performance kunstenaar’ Stelarc, die elektronisch geleideprothesen aan zijn lichaam voegt en zich, aan draden verbonden tussen flatgebouwen, hoog boven straten te kijk geeft. Via computer games achten we ons onoverwinnelijk en zijn trots als we iemand met vele jaren overleven.

Afleren

Het getuigt niet van gezond verstand als we elke vorm van verbetering van ons levenslot als misplaatste vooruitgang zouden voorstellen. Er is in de loop van de geschiedenis zoveel gebeurd wat we niet willen missen, omdat het zo waardevol is. Bovendien willen we niet terug naar een tijd die ons vandaag volstrekt oncomfortabel lijkt. Enige kritische waakzaamheid gebiedt ons echter niet al te naïef te zijn en toch te twijfelen aan de zo vaak geponeerde vanzelfsprekendheid dat we, dankzij ‘technowetenschappelijke vooruitgang’, onze zelfstandigheid almaar door uitbreiden. Enerzijds is zij ons dierbaar, maar anderzijds zadelt ze ons op met een blinde vlek en leven we in een ontkenning waarvan we nauwelijks vermoeden dat zij er is. Als we zondermeer zweren bij de idee van de zelfstandigheid komen we niet in het reine met onze eindigheid en sterfelijkheid.

Dit thema van de verblinding is niet nieuw. Hoe groot, inventief, zelfs moedig en sluw de held in de antieke mythen en tragedies is  – daarin verpersoonlijkt hij onze aspiraties -, hij blijft kwetsbaar en weerloos. Met deze held betalen we de onvermijdelijke tol als we argeloos voorbijgaan aan onze eindigheid en sterfelijkheid. De goden houden niet van onze schranderheid, daarom verleiden ze ons om meer te doen dan we eigenlijk aan kunnen. Ze laten ons met groot genoegen in de val trappen. Zoals Oidipous kunnen we bij de sfinx onze wijsgerige intelligentie demonstreren. In een handomdraai (of eventueel in een traktaat) lichten we het wezen van de mens toe, maar tegelijk blijven we verblind als het om ons eigen bestaan gaat. Zolang de blinde vlek ons geen pijn doet, hebben we geen vermoeden dat we ons op een dwaalweg begeven, maar zolang wij niet het minste vermoeden van een blinde vlek hebben, doet de verblinding ons ook geen pijn – en leren we niet af. Hebben we, als tragische held, de goden nodig die ons op de proef stellen? Komen we slechts dan pas tot inzicht en worden we wijs als de goden ons eerst hebben doen lijden?

Misschien is het ons gegund dat we onze blinde vlek ontdekken als de zelfstandigheid ons een kater bezorgt. In ons onbehagen stellen we vast dat we al te lang in de roes van de vrijheid hebben geleefd, maar toch niet zo autonoom zijn als we ons voorstellen. We kunnen niet nalaten onszelf te poneren en met onze eigenmachtigheid te imponeren, maar uiteindelijk moeten we leren rekening houden met het onwrikbare feit dat we zelf al geponeerd zijn (CG 132).Onze levensloop is voorwaardelijk – de fameuze condition humaine – en laat zich niet tot een eigenhandig ‘levensproject’ omtoveren. We herinneren ons uit onze puberteit en uit de soms al te lange postpuberteit, deze heldhaftige periodes van grootse plannen en verwachtingen, hoe weerbarstig onze omgeving kan zijn. We herinneren ons ook die moeilijke tijd waarin we, wat ouder geworden, moeten vaststellen hoe de werkelijkheid zeker niet altijd aan onze wensen wil tegemoet komen en hoe we bovendien rekening moeten houden met hoe we zelf in elkaar steken.

Leren we uit onze mislukkingen en ontgoochelingen? Dat is een gemeenplaats van het gezond verstand, maar ook een eeuwenoude wijsheid, een ‘vertaling’ van pathei mathos (leren uit beproeving of lijden), een centrale gedachte in de Agamemnoon van Aischylos. In de wat archaïsche vertaling van P.C. Boutens:

Zeus die paden tot verstand

Stervelingen leidt,

Die door lijden leering

Wettig wijdt:

In den slaap nog weegt op ’t hart

Angst van wroegings eeuwigwakkre smart,

Zelfs de onwilligen bereikt bezonnenheid,

Wel geld van god die zelf door worstling

’t Statig stuurgestoelt bezeten houdt. (30)[4]

Deze gedachte verliezen we niet uit het oog als we in onze stille angsten hopen dat onze kinderen in hun zoektocht naar vrijheid en zelfstandigheid niet al te veel onherroepelijke dwaasheden uithalen waardoor ze hun toekomst verkwanselen. Dat die jongeren moeten inzien dat ze voor elke verovering en vooruitgang ook nog een tol dienen te betalen, daaraan denken we als opvoeders niet zo vaak,want de zelfstandigheid in de ontplooiing van al onze mogelijkheden is nu eenmaal ook ons ideaal en dus zo heilig.

‘Door lijden leering’ – daarmee begint vandaag geen enkel pedagogisch traktaat. Dat is ‘veel te negatief’, zo zal het wel luiden in de kringen van de antiautoritaire vernieuwde pedagogiek van het altijd aanmoedigen, van het steeds optimistisch blijven, van het ophemelen van elk succesje, en van het ontkennen en verontschuldigen van elke negativiteit. De idee van ‘opvoeding zonder verbod’, ‘spelend leren’ en ‘onderwijs zonder autoriteit of selectie’ getuigt van idealisme en leidt tot ‘alles moet kunnen’ en tot de idee dat elk pogen een dialectisch moment vormt inde niet aflatende groei in de zelfstandigheid. Dit idealisme,”de hardnekkigheid waarmee men zich verzet tegen wat voor de hand ligt” (RV 96), versterkt de blinde vlek voor de schaduw van de werkelijkheid.

Moeten we, parallel met de leerschool van de vrijheid, niet ook een leerschool van de onvrijheid voorzien? Dat klinkt niet fraai, niettemin moeten we toch nagaan of we niet, naast het vele dat we leren, veel dienen af te leren. We lopen rechtop, maar mogen we zo in de euforie leven dat we niet zien dat we ook falen, vallen en dus van tijd tot tijd (en zelfs uiteindelijk) moeten gaan liggen? Natuurlijk begint de opvoeding niet met ‘afleren’ en verbieden. We kunnen kinderen, die hun eerste stappen zetten, niet voortdurend overvallen met de waarschuwing dat ze zullen struikelen. Heel lang wachten we hiermee echter niet,zoals we het ook niet eindeloos uitstellen hen op een gegeven ogenblik de moederborst te weigeren, van hen te eisen dat ze zindelijk worden, hun werkwoorden correct vervoegen en ‘alsjeblief ‘ en ‘dankjewel’ zeggen. Kinderen wekken, bij elk succes, de indruk dat ze veel of zelfs alles aankunnen. We zijn geen opvoeders als we ze tot kleine helden promoveren en ze in de waan laten dat falen niet voor hen is.

‘Door lijden leering’ is ook een pedagogisch beginselen het principe bij uitstek om de blinde vlek te ontdekken. Dat onderkennen de meeste culturen die nog aandachtschenken aan geïnstitutionaliseerde initiatierituelen waarin beproevingen een niet te onderschatten rol spelen. Tot die beproevingen behoren onder meer het beangstigen,het pijnigen van de initiandi. De novicen krijgen zware lasten opgelegd. Ze gaan de confrontatie aan met de wereld van de doden en van de voorouders, van de goede en dekwade demonen, van de seksualiteit en het enigma van de vruchtbaarheid, opdat de opgroeiende jongens en meisjes de kinderlijke goedgelovigheid van hun eigen almacht zouden afleren. Voor onze cultuur van zelfstandigheid en rationele transparantie van de werkelijkheid, die ook nog de ‘mortaliteit’ huldigt, is zo’n inwijding in de geheimen van het heilige van die andere wereld, onttrokken aan de eigenmachtigheid van de stervelingen, in strijd met de moeilijk verworven inzichten van de Verlichting, en bijgevolg louter bijgeloof, onzin en zelfs onomwonden sadisme. Wij menen daarentegen dat de wetenschappelijke biologie en psychologie zulke primitieve praktijken al lang hebben ontmaskerd en dat lijden en dood absurd zijn. Daarom zijn rituele initiaties onverantwoorde handelingen (‘middeleeuws’) die de ongerepte psyche van het kind belasten of traumatiseren.

Intussen blijven we moeite hebben met de ambivalenties van ons bestaan. We verdringen de dubbelzinnigheidbij het rechtop lopen en ‘immer vooruit’ kijken. We zijn submanisch in onze ambitie en toekomstplannen. We raken echter ook bedroefd, we weten wat pech is en lopen ontgoochelingen op. We willen gezondheid en vitaliteit, maar minder kwetsbaar en sterfelijk zijn we daarom niet. Aanspraak maken op ambitie, deugdzaamheid, oprechtheid en vitaliteit passen zo goed in wat we vandaag het leerproces van de zelfwaardering noemen. Vragen we ons daarentegen ooit af hoe geloofwaardig en rijk een leven is zonder droefheid en lijden? Moet pijn bij het verlies van een geliefde ‘ondraaglijk’ heten? Kunnen we achteraf bij hoogen bij laag beweren dat we geen droefheid hadden willen kennen? Kunnen we überhaupt met iemand in alle ernst omgaan als die niet in het minst van droefheid weet heeft?

Een cultuur die uit angst om op het absurde en het zinloze te botsen in haar beschaving en opvoeding geen ambivalenties of negatieve ervaringen weet te aanvaarden en te onderkennen, is gedoemd om zoals de gevangenen inde grot van Plato (Politeia 514a-52od; zie ook MG) zichzelf wijs te maken dat ze geen gevangenen zijn en dat ze ook niet met een blinde vlek zitten. Zo’n cultuur beantwoordt haar angst met nog meer productie om de productie, meteen nog hogere omzetsnelheid en transport, met nog meergrensverleggende sportprestaties, met meer gedachteloos vertier, meer seksualiteit zonder tederheid en nog meer consumptie van opwekkende, roesverwekkende en verdovende middelen, met meer obsessionele biopolitiek, met meer erkenning van zichzelf en meer miskenning van lijden, ouderdom en dood. We staan hier ver van de pedagogische structuur die ruimte schept voor een initiatie in de negatieve componenten van het bestaan. Natuurlijk is er niets tegen productie, seksualiteit, sport, vermaak en zelfwaardering. Maar in de context waarin geen ethiek en geen instanties ingaan tegen de mateloosheid en miskenning van de ambivalenties gaan we voorbij aan wat eveneens tot onze werkelijkheid behoort: geboren worden ensterven vormen een geheel in de levensloop, met het welbehagen van onze lichamelijkheid gaat lijden gepaard, op onze jeugdigheid volgt ouderdom. Uit angst voor het andere raken we hysterisch en inflatoir ‘jong, fris en krachtig’, en willen we ‘immer vooruit’, zoals het klinkt in sommige jeugdliedjes die de vurige volharding en de onverzettelijke wilskracht aanwakkeren. In zo’n cultuur is het bestaan ’uitzichtloos lijden’.

Geen afleren zonder beschouwelijkheid

Cornelis Verhoeven herinnert ons aan de manier waarop ons besef van de eigen onmacht een blinde vlek onthult:

Vanzelfsprekendheden worden doorbroken door een schrijnend gevoel van verwondering over een situatie die wij niet voor het eerst zien, maar voor het eerst met andere ogen zien, of waarvan wij zelfs maar vermoeden dat ze, door welk oog dan ook, heel anders gezien zou kunnen worden. De blik, die even ontregeld was, kan ineen nieuw spoor komen en een nieuwe structuur scheppen of hij kan in beschouwing blijven verwijlen bij een chaos van mogelijkheden (CG134).

Hoe komen wij tot inzicht in de crisis? Niet door een of andere schoolse of rationele programmering van onze bedrijvigheden, maar door wat ons overkomt en ons tot scepsis – een ander woord voor beschouwelijkheid – en verwondering aanzet. Dit vooronderstelt een passiviteit waarin we onderhevig zijn aan wat we niet zelf bepalen en aan wat zich dus aan onze zelfbepaling onttrekt. Is dat nu niet juist datgene waaraan de cultuur van de actie geen plaats wil geven, de blinde vlek van de zelfstandigheid?

Er zijn redenen om aan te nemen dat vroeg of laat onze gecultiveerde verticaliteit van binnenuit openbarst. De onoverkomelijkheid van onze eindigheid die, als we haar verloochenen, ons in tegenspraak met onszelf plaatst, brengt zoiets op gang. We kunnen de illusie koesteren dat we onszelf toebehoren, hoewel er in onze levensloop nooit een moment geweest is waarop we ons onszelf hebben toegeëigend – we zijn niet de oorzaak van onszelf en hebben ons bestaan niet gemaakt. In de zelfmoord, de daad die bij uitstek onze zelfbeschikking moest bevestigen, lukt ons dat minder dan ooit. Lijden, dat in de eerste plaats de passiviteit van het onderhevig zijn aan het andere betekent en niet altijd met hevige pijn gepaard hoeft te gaan, kan onze blinde vlek relativeren. Dit geschiedt wanneer het ons gegeven is dat we het lijden in de context van onze levensloop kunnen plaatsen, dat we in de nabijheid kunnen vertoeven van anderen die ons troost brengen en dat we, tenslotte, het lijden in gelatenheid aanvaarden in onze spiritualiteit en verwondering. Negeren we die passiviteit of kunnen we haar niet aan, dan dreigt de verbittering en de verblinding. Dan doemt ook het gevaar op van de gewelddadige tegenreactie die een einde stelt aan de passiviteit die het andere laat zijn zoals het is en die voor de niet te manipuleren werkelijkheid ontvankelijk blijft. We hebben er al op gewezen dat zelfmoord en actieve euthanasie (nogmaals, duidelijk te onderscheiden van de palliatieve zorg) tot dit geweld behoren.

De beschouwelijkheid die in de passiviteit gedijt, houdt het geweld op afstand, gaat in tegen het activisme en de loutere verticaliteit. Het al besproken afleren is in dit perspectief niet louter negatief; want uiteindelijk een leerschool in de geweldloosheid die gepaard gaat met het beoefenen van de beschouwelijkheid als die “wijze van waarnemen die niet in functie staat van enige drang tot ingrijpen”(GB64). Zij staat ook niet in functie van een verantwoordelijkheid ten aanzien van dingen die zich aan onze eigenmachtigheid onttrekken. Zij beoefent daarentegen de deugd van de bedachtzaamheid, verdraagt het stilstaan bij de dingen en bijgevolg ook een verwijlen in het uitstel. Ze laat zich niet verleiden tot de ijver van het ‘doorzetten’. We kunnen daarentegen dat aangename deemoedige gevoel kennen

dat wij uiteindelijk de belangrijkste dingen niet zelf maken of veroveren, maar dat wij die cadeau krijgen, dat we er in hogere mate de verbaasde en kleine getuigen van zijn dan de trotse bewerkers. Ik meen, dat dit gevoel van zeer elementaire aard kan zijn,dat het niets te maken heeft met willoze onderworpenheid aan hogere machten of aan menselijke willekeur en dat mensen die het helemaal niet kennen of het negeren, iets heel elementairs missen, het gevoel voor een verhevenheid buiten ons die ons klein maakt en die elke behoefte aan macht moeiteloos weerlegt (DW97).

Deemoed is als het ware het bed waarin de beschouwelijkheid zich kan ontvouwen. Het is zelf geen voorwerp van studie of onderzoek naar het menselijk gedrag. We constateren dit gevoel slechts in de beschouwelijkheid waarin we ook onze weekheid vaststellen, aan de macht verzaken en geen gehoor geven aan het verwijt dat we, door te aarzelen of te verwijlen bij wat gegeven is, onze slaagkansen laten verloren gaan en ‘onduidelijkheid’ creëren.

Dit staat haaks op de politieke praktijk die het activisme niet schuwt en er niet voor terugschrikt het geweld ‘er bij’ te nemen als een niet te vermijden neveneffect van een ‘beschavend optreden’. Deze praktijk meent over een ‘vrijkaartje’ te beschikken omdat ze van zichzelf zegt dat ze ‘politieke verantwoordelijkheid’ neemt en bijgevolg meent dat ze niet hoeft stil te staan bij de ellende die ze veroorzaakt. Als ze ons met de gedachte overweldigt dat we geen passiviteit en scepsis – het ‘niets doen’ – mogen aanvaarden of dat we het ‘dreigend onheil’ onmiddellijk met wortel en al moeten uitroeien, dan kunnen we ons veel ‘veroorloven’. Ook hier is de pure activiteit “puur geweld,

(…) een manier van ingrijpen in situaties waarin denkenen doen of model en realiteit restloos geïdentificeerd worden”(CG135).

De onderkenning van de blinde vlek,dankzijde waarschuwing van het (soms toch heel pijnlijke) lijden, zet ons aan tot beschouwelijkheid en “is daarom van zo essentieel belang, omdat zij ons ervan weerhoudt restloos te geloven in de wijze waarop wij de wereld structureren en zo in geweld vervallen” (CG135). Is dit niet het centrale en massieve thema van de mateloosheid van de grote tragedies,zoals de antieke drama’s van Aischylos en Sophokles, het grootse oeuvre van Shakespeare, met hun uitlopers in hedendaagse films zoals die van Roman Polanski? Het gaat om de hybris (overmoed), om de afwezigheid van elke zinvoor verhoudingen, die in de ‘geweldige’ architectuur tot schaalverlies leidt. Het gaat ook om de megalomanie in de economische en financiële middens. Het gaat tenslotte om de waanidee van het afgedwongen universalisme die koste wat het kost de menselijke eenheid tot stand wil brengen. (31) [5]Alzo ontkent de moderne activistische mens zijn pathische dimensie, dat wil tegelijk zeggen zijn eindigheiden sterfelijkheid. Verhoeven verwoordt de actualiteit van deze tragedie als volgt:

In de pure activiteit, het blinde activisme, waarvan de grondstellingen zijn dat alles gedaan kan worden wat gedacht kan worden, dat alles gedaan moet worden wat gedaan kan worden en dat het altijd beter is iets te doen dan niets te doen, wordt deze vruchtbare beperking (van de blinde vlek) ontkend. Zij is puur geweld doordat zij elk uitstel en elk middel afwijst: geweld is onmiddellijkheid (CG135).

De gedachte dat we iets dienen af te leren, is wellicht zo oud als de mensheid. De richtlijnen om ons van allerlei geestelijke gebreken, ingevingen van de duivel of gewone zwakheden te bevrijden zijn talrijk. We treffen ze aan in Freuds neuroseleer en Marx’ kritiek op de burgerlijke ideologie, in Spinoza’s stellingen over de menselijke knechtschap (Deservitute humana) en in de aanbevelingen van de stoïcijnse scholen, in alle religies – en dus niet alleen de christelijke – die hun aanhangers oproepen zich te zuiveren van wat de wereld in lichaam en ziel onrein maakt.

Interessant blijft Sokrates’ uitspraak in Plato’s Phaidoon (67e) dat de filosofie een oefening in het sterven is. Zoiets zullen we vandaag in geen enkele filosofie faculteit horen, tenzij in de afscheidsrede van een hoogbejaarde professor die zich wat laat herinnert dat filosofische problemen geen formele of wetenschappelijke problemen zijn en durft vertellen dat de sterfelijkheid ter sprake brengen wijsgeriger is dan de analyse van een of andere transcendentale logica. Sokrates’ gedachte ontdoet de filosofie van haar zelfstandigheid, duidt op een praktische houding, en pleit voor “een poging de dood in te bouwen in het eigen leven”, zonder hiermee de dood te willen sturen. We doen onszelf tekort als we voor de werkelijkheid van onze uiteindelijke onmacht een blinde vlek koesteren. De onderkenning van die onmacht is niet louter negatief:

Onze onmacht betekent ook dat wij overweldigd kunnen worden door bewondering of enthousiasme. Zwichten kan een elementair genoegen zijn (…). Oefenen in de dood is geen verbeten training voor een toer die wij nooit zullen maken, maar een geduldige aandacht voorde elementaire betekenis van passieve waarden. In onze cultuur zijn die weinig in tel, want die cultuur is activistisch (RV173).

Oefenen in sterven is een ander woord voor ‘afleren’, ‘reinigen’, ‘versterven’, zoals het in de christelijke traditie heet,het laten sterven van wat niet ter zake is. Een woord dat in populariteit nog minder hoog scoort is ‘ascese’, wat duidt op uitstel. Op het eerste oog is uitstellen een actieve daad, tegelijk niet de dwaaste strategie om ruimte te creëren voor bedachtzaamheid. In een opschorting van de actie storten we ons niet hals over kop in een overhaast compromis, in het genot of in het geweld. Ascese is tevens onthechting van het onmiddellijke en creëert een passiviteit waarin we eigen macht temperen en initiatief verschuiven naar later. Wat we op die manier uitstellen stimuleert alweer de beschouwelijkheid, het wordt “voorwerp van toegespitste aandacht” (DW411) die zelfs enige discipline vergt. Ook dat is ascese, “de tucht waaraan wij ons onderwerpen om ons te concentreren op een zaak die de moeite waard belooft te zijn” (GB38) en tegelijk een aanzet is tot de toewijding.

Afkortingen[6]


[1] 27 M. Proust, De kant van Swann (in de vertaling van Th. Cornips). Amsterdam: De Bezige Bij 209, p.283.

[2] 28 G. de Maupassant, Contes et nouvelles I.Parijs: Gallimard (Pléiade),2006, pp.381-384( in de vertaling: Verhalen 1881-1882, Amsterdam: Veen 1998, pp. 74-77).

[3] 29 G. Bachelard, Psychoanalyse van het vuur (in de vertaling  van A. Bakker). Meppel-Amsterdam: Boom 1990, p.29.

[4] 30 P.C . Boutens,Het treurspel van AGAMEMNOON (Aischylos). Rotterdam: W.L. & J. Brusse 1930, pp. 14-15.

[5] 31 Zie: L. Kolakowski, The Myth of Human Self-Identity, in: L. Kolakowski & S. Hampshire (red.).The Socialist Idea. Londen: Weidenfeld and Nicolson1974, pp.18-35.

[6] werk van Cornelis Verhoeven

CG –Een cultuur van het geweld. Kritische essays. Leende:Damon 2000

DW -Dierbare woorden. Beschouwingen over de woordenschat. Budel: Damon 2002

GB -Het gewicht van de buitenstaander. Bilthoven: Ambo 1972

GG -Het grote gebeuren. Utrecht Ambo 1966.

IV – Inleiding tot de verwondering (1967). Leende: Damon 1999

L -Het leedwezen. Beschouwingen over troost en verdriet, leven en dood. Bilthoven: Ambo1971.

MG –Mensen in een grot. Beschouwingen over een allegorie van Plato. Baarn: Ambo 1983.

R – Register. Bedenkingen over woordjes en glossen .Amsterdam: Van Gennep1995-

RL -Rondom de leegte (1965). Best: Damon1998.

RV -De resten van het vaderschap. Beschouwingen over de levensloop. Bilthoven: Ambo1975.

VB – Een vogeltje in mijn buik. De taal van Neeltje en Daan. Leende: Damon2000.

ZE -Zakelijkheid en ethiek (met C. Eijsbouts). Bilthoven: Ambo1971.

ZS – Zijn en staan. Metaforen van aanwezigheid. Leende:Damon1999.

 

2 gedachten over “Horizontaliteit ipv verticaliteit

  1. Een artikel dat eigenlijk door een ieder gelezen moet worden. Het stelt kritische vragen aan de “waan” en de dominantie van onze huidige cultuur met zijn grote nadruk op zelfstandigheid, eigenmachtigheid, persoonlijke vrijheid en zelfontplooiing. Het relativeert dit alles en laat de waarde(n) zien van beschouwelijkheid, het leren (af)wachten en het leren omgaan met de kwetsbaarheid en eindigheid van het leven. Hierbij kan een grote rol weggelegd zijn voor de verschillende religies.

    Like

  2. Geen mooiere hommage in te denken aan C.Verhoeven
    en alleen dat boeit,wat te denken geeft .

    Like

Reacties zijn gesloten.