Fragmenten uit een Grote oorlog

Fragmenten uit: levenshorizonten.com/teksten/wereldbeeld-als-lichaam/

DSCN6531

Kanonnenvlees

“We are the Dead. Short days ago

we lived, felt dawn, saw sunset glow,

loved and were loved, and now we lie

in flanders fields.”

John Mccrae[i]

Het lichaam telt in de oorlog niet mee. Hoewel het lichaam van miljoenen wordt ingezet om oorlogsdoelen te bereiken is het lichaam zelf niks waard.[ii] Tenminste zolang er genoeg voorraad is aan menselijk vlees en mensen die niet massaal verzet plegen tegen deze dwang om te vechten[iii]. Ook in de Eerste Wereldoorlog werden soldaten in veewagens naar het front gebracht. Daar werden zij “rücksichtlos”  ingezet om afgeslacht te worden. Verhalen over de blindheid van de leiding om hele legers in het vijandelijk vuur te laten lopen voor een terreinwinst van enkele kilometers maken duidelijk dat mensen, in dit geval soldaten niet als personen met een bepaalde waarde en als onvervangbaar worden beschouwd, maar integendeel als ‘kanonnenvlees’, een term uit deze periode.[iv] Door artillerie in stukken geschoten, ijzer tegenover vlees.[v]

Een ander citaat van een overlevende uit deze film zegt: ”In het eerste anderhalf uur vielen er 30.000 doden en gewonden. “het idee van een massale dood moet er blijkbaar ingehamerd worden voordat je het snapt.”[vi] Daarnaast stierven er tallozen na de slag aan hun verwondingen, het hospitaal is het tweede slachtveld. Een feit dat niet altijd belicht wordt in beschrijvingen van die periode.

Het lichaam van de eigen mensen telt in dit denken niet mee, maar ook het lichaam van de tegenstander is een overbodige last. Een soldaat drukt dit helder uit bij het begin van een aanval vanuit de loopgraaf: “Ze hadden niet gezegd, ‘geen gevangenen’, maar dat was wel wat van ons verwacht werd.”[vii] De soldaten ervoeren dat zelf vaak anders. Henri Barbusse, een Frans soldaat schrijft over zijn ervaring in de loopgraaf:

“We onderscheiden delen van lijnen, bestaande uit reeksen van deze menselijke punten die uit de holle lijnen komen en onder de afschuwelijke, stormachtige hemel over de vlakte bewegen. Het is nauwelijks te geloven dat elk van die minuscule stippen een huiverend, kwetsbaar en in de ruimte totaal machteloos wezen van vlees en bloed is, vol ondoorgrondelijke gedachten, oude herinneringen en ontelbaar veel beelden; dit gedwarrel van mensen die even klein zijn als de sterren aan de hemel is verbluffend. Arme medemensen, arme onbekenden, het is jullie beurt om aan te rukken! Een andere keer zal het onze beurt zijn. Morgen zijn wij misschien aan de beurt om te voelen hoe de hemel boven ons hoofd uiteenbarst of de aarde onder onze voeten opensplijt, om bestookt te worden door het wonderlijke leger van projectielen en opgejaagd door orkaanstoten die honderdduizend maal krachtiger zijn dan een gewone orkaan.” [viii]

“Het zijn landbouwers en arbeiders die je onder hun uniform herkent. Het zijn ontwortelde burgers. Nu staan ze klaar en wachten ze op het signaal van de dood en het moorden; maar wanneer je hun gezichten tussen de verticale strepen van hun bajonetten aandachtig bekijkt, zie je dat het gewoon mensen zijn. Een ieder weet dat hij zijn hoofd, zijn borst, zijn buik, zijn hele lichaam, helemaal naakt, naar de vooraf op hem gerichte geweren gaat brengen, naar de houwitsergranaten, naar de opeengestapelde en gereedliggende handgranaten, en bovenal naar de ordelijke en bijna onfeilbare mitrailleur- naar alles wat daarachter in vreselijke stilte op hem wacht, voordat hij de andere soldaten tegenkomt die hij zal moeten doden. Ze staan niet zoals bandieten onverschillig tegenover het leven en zijn niet zoals wilden door woede verblind. Ondanks de propaganda waarmee ze worden opgehitst, zijn ze niet opgewonden. Ze staan boven iedere driftimpuls. Ze zijn niet dronken, lichamelijk noch geestelijk. Bij volle bewustzijn, in de kracht van hun leven en kerngezond staan ze daar opeengepakt om zich voor de zoveelste keer in die soort krankzinnigenrol te storten die elke man door de waanzin van het mensdom wordt opgedrongen. Je ziet wat er aan dromen, angst en gedachten aan afscheid achter hun stilzwijgen, hun onbeweeglijkheid schuilgaat, achter het masker van kalmte dat op bovenmenselijke wijze hun gelaat bedekt. Het is niet het type helden zoals men zich die voorstelt, maar hun offer heeft meer waarde dan degenen die hen niet gezien hebben ooit zullen kunnen beseffen.”[ix]

Heldenmoed, opoffering en meer van die uitspraken gingen al gauw in de oren van de soldaten klinken als gruwel. Omdat zij midden in de vuurlinie lagen en de generaals vaak kilometers achter het front opereerden kreeg je een soms totaal verschillende perspectieven op de oorlogssituatie. Louis Barthas, een eenvoudige tonnenmaker, zoals hijzelf zegt, schrijft:

“Op het rapport las men ons de dagorder voor van de grote slachter van 16 april, generaal Nivelle. De inhoud moest aan de troepen, dat wil zeggen de slachtoffers, de dag vóór de aanval worden meegedeeld. Tussen andere dwaasheden stond ‘dat het uur van het offer was geslagen en dat er niet meer aan verloven hoefde te worden gedacht’. Helaas! Al bijna dertig maanden lang had elke dag wel voor iemand het uur van het offer geslagen en wat betreft de verloven: ondanks alle bevelen dachten de poilus van ’s morgens tot ’s avonds aan niets anders. Al het andere was bijzaak. Het voorlezen van dit patriottische gewauwel wekte geen enkele geestdrift op. Integendeel, het demoraliseerde de soldaten. Zij zagen daarin een gruwelijke dreiging met nieuwe ellende, grote gevaren en een vreselijke dood in het vooruitzicht. En dat voor een zinloos offer, want geen mens geloofde nog in de goede afloop van deze nieuwe slachting.

Onze leiders daarentegen schenen geen ogenblik te twijfelen aan de nederlaag van de Duitsers. De meest minutieuze voorbereidingen bewezen zelfs dat ze op een lange achtervolging van de vijand rekenden. Elke soldaat kreeg voor een paar dagen rantsoenen en veldflessen met vier liter drank, een paar dozijn granaten en enkele honderden patronen zonder dat men zich afvroeg of de soldaat zo’n last of overlast wel kon dragen.”[x]

Een begrip dat in Wereldoorlog Een exact uitdrukt hoe de situatie van vier jaar lang stellingen-oorlog werd ervaren is het begrip “Niemandsland”, het gebied tussen de loopgraven van vriend en vijand. Om dit niemandsland te veroveren, een plek die voortdurend veranderde door de aanvallen en de beschietingen, werden miljoenen mensen opgeofferd, werd hun vlees gevoerd aan mitrailleurs en kanonnen. Reeds na een paar weken was aan het begin van de oorlog duidelijk dat menselijk vlees niet bestand is tegen een regen van kogels en granaten. Daarvoor is het te zwak. Toch duurt het vier jaar voordat een einde van de oorlog in zicht komt. Vanuit het standpunt van het menselijk lichaam is dit onbegrijpelijk en grenst het aan waanzin. Deze ellende van de oorlog is niet te beschrijven want het verstand slaat op tilt.[xi]

In het voorjaar van 1914 voordat de oorlog op 18 juli uitbarstte liepen jonge mannen door de straten van Berlijn en Parijs. Ernst Jünger, een Duitse auteur schrijft hier in romantische termen over waarin de dood op het slagveld verheerlijkt wordt als een van de mooiste vormen van sterven:

“Wir hatten Hörsäle, Schulbänke und Werktische verlassen und waren in den kurzen Ausbildungswochen zu einem grossen, begeisterten Körper zusammengeschmolzen. Aufgewachsen in einem Zeitalter der Sicherheit, fühlten wir alle die Sehnsucht nach dem Ungewöhnlichen, nach der grossen Gefahr. Da hatte uns der Krieg gepackt wie ein Rausch. In einem Regen von Blumen waren wir hinausgezogen, in einer trunkenen Stimmung van Rosen und Blut. Der Krieg musste es uns ja bringen, das Grosse, Starke, Feierliche. Er schien uns männliche Tat, ein fröhliches Schützengefecht auf blumigen, blutbetaubten Wiesen. “ Kein schöner Tot ist auf der Welt…” Ach nur nicht zu Hause bleiben, nur mitmachen dürfen!”[xii]

Deze verheerlijking van de oorlog als een middel om grootste dingen te beleven, als geboorteplaats voor de “nieuwe mens” zoals veel fascisten later zullen beweren als de oorlog al lang is afgelopen, komt uit de mond van iemand die het zelf heeft meegemaakt. Het boek van Ernst Jünger “Stahlgewitter” beschrijft die periode. De titel is goed gekozen: stormen van staal. Daar is een mens niet tegen bestand. Alleen de verheerlijking van het krijgsgeweld slaat de plank helemaal mis want de werkelijkheid zou veel gruwelijker worden dan de fantasieën van een gymnast die net de schoolbanken heeft verlaten. Toch houdt Jünger dit een heel boek vol en lijkt het alsof de oorlog ook een spannend avontuur is waarin alleen de echte helden overleven als ze maar hard en wreed genoeg zijn om het allemaal te doorstaan.[xiii]

Het offensief van de Duitsers liep al snel vast in Frankrijk en Duitsland raakte verstrikt in een tweefronten oorlog door ook Rusland aan te vallen. De slag aan de Somme, de slagen rond Verdun en Ieper en de talloze slagen in het oosten en op andere plekken in Europa en soms daarbuiten spreken nog steeds tot de verbeelding en leveren een stroom aan boeken en films op. De slag bij Verdun werd door de Duitsers een “Abnutzungskrieg” genoemd, namelijk een manier van vechten om de vijand te laten doodbloeden zo omschreef het plan van de Duitse generaal Falkenhagen het. Maar naast de talloze Franse en geallieerde soldaten die er sneuvelen vielen er net zoveel Duitse slachtoffers. “La Voie Sacrée”, de heilige weg die richting Verdun voerde, waarop het Franse materieel en de soldaten werden aangevoerd, als een soort levenslijn, een belangrijke ader, wordt sinds die tijd heilig genoemd omdat deze operaties zovele mensenlevens hebben gekost. De dood van de talloze dieren waaronder paarden maken daar nog geen deel van uit. Een getuige die het overleefde vertelt over de verovering en verdediging van de beroemde/beruchte heuvel 304 in de buurt van Verdun:

“Aan beide kanten werd er als kannibalen gevochten met een wreedheid die misschien wel erger was dan bij de invasie van de barbaren in lang vervlogen tijden. “Vae Victis!” Wee degenen die bij heuvel 304 levend in handen van de vijand vielen; elk gevoel van menselijkheid was verdwenen. Zelf heb ik een luitenant op Duitse hospikken die een gewonde droegen zien schieten. Een soldaat die de moed had kritiek te leveren op de schandelijke daad van de luitenant kreeg als antwoord: ‘Ach wat! De Duitsers zouden hetzelfde hebben gedaan.

Op het afgesproken tijdstip barstte van onze kant de aanval los en bij verrassing maakten de Zoeaven zich zonder veel tegenstand van het kleine fort meester. De rode lichtkogels trokken een bloedig spoor in de nacht. Onmiddellijk daarna veranderde heuvel 304 in een vulkaan. Duitse batterijen van zwaar kaliber beschoten onophoudelijk het aanvalsdoel. Maar tegelijkertijd schoten ze ook andere kanten uit. Onze hoek bleef rustig, als een eiland in een woeste zee.

Het bombardement maakte het fort onhoudbaar voor de Zoeaven die zich met zware verliezen moesten terugtrekken. De bataljonscommandant en alle compagniescommandanten van de Zoeaven werden buiten gevecht gesteld. Kapitein Barbier van de 3e compagnie van ons regiment moest de leiding overnemen van wat er nog restte van het bataljon. Kapitein Barbier was een man met het postuur van Hercules. In het dagelijks leven was hij professor in ik-weet-niet-wat. Ondanks zijn hoge opleiding had hij helaas een bekrompen en wonderlijke opvatting over zijn rol als leider. Hij beschouwde soldaten als minderwaardige schepsels die je zonder respect kon behandelen, zoals een herder zijn schapen of een dresseur zijn meute honden. Kapitein Barbier was dan ook niet geliefd bij zijn manschappen die hij ruw bejegende, grof uitschold en voor het minste vergrijp strafte. In het regiment kreeg hij de bijnaam ‘de Bruut’. Maar je kon hem bij verschillende gelegenheden geen gebrek aan moed verwijten. Vanuit de eerste rangen wierp hij krachtig en opmerkelijk handig zijn handgranaten.”[xiv]

Herinnering aan de doden

“Het is zo donker dat enkel de woorden licht zijn.”

Tristan Tzara[xv]

Tot op de dag van vandaag zijn deze plaatsen waar hevig werd gevochten een soort oorlogsmonument geworden. Tallozen trekken erheen om de plaatsen te bekijken. Familieleden van oud-strijders, toeristen, allen die geïnteresseerd zijn in deze plaatsen. Zij hebben op de een of andere wijze een aantrekkingskracht. De mijn van Vauquois kan hier model voor staan. Ik heb de loopgraven daar gezien en de enorme gaten die in de bodem zijn geslagen door mijnen. De reisgids: “Velden van weleer. Reisgids naar de Eerste Wereldoorlog” schrijft het volgende hierover waardoor een beeld ontstaat van de situatie:

“In dit dorpje gaat de route links (D212) naar Vauquois en de gelijknamige Butte (borden  volgen bij binnenkomen Vauquois links de heuvel op). Boven op de heuvel lag het oude dorp, meteen in 1914 zonder strijd door de Duitsers ingenomen. Het was de Fransen er alles aan gelegen de heuvel te heroveren: vanwege zijn strategische ligging ten opzichte van de spoorlijn St. Menehould-Verdun die in het kader van de omsingeling van Verdun doorlopend door de Duitsers werd bedreigd, maar vooral omdat hier aan de Aire, in tegenstelling tot de dichte ravijnen en bossen van de Haute Chevauchée waar het moreel van de poilus naar de mening van de generaals maar weg kwijnde in de verdediging, de vertrouwde tactiek van de stormaanval weer kon worden beproefd.

Zonder steun van de artillerie, zonder succes en met massale verliezen werden de Fransen dan ook vanaf eind oktober ’14 tot en met februari ’15 keer op keer vergeefs de Butte de Vauquois opgestuurd. Op 1 maart lukte het de hoofdstraat van het dorp te bereiken, maar verder hielden de Duitsers stand, ingegraven aan de noordkant, de Fransen aan de zuidkant, de loopgraven op een steenworp afstand van elkaar. Het was de stellingen-oorlog in optima forma; geen van beide partijen kon zich ook maar een meter verplaatsen en, gezien het gedeelde bezit van deze tot as geblakerde heuvelrand, was de strategische waarde ervan inmiddels nihil. In de loop der tijd werd door beschietingen en branden het leven langzaam maar zeker onmogelijk en geleidelijk verplaatste de oorlog zich onder de grond, waar beide legers woonden en elkaar met explosieven in diepe mijnschachten bestookten.

André Pézard, die bijna anderhalf jaar op de Butte de Vauquois doorbracht, beschrijft een abri 15 meter onder de grond. Iedereen die niet een loopgraaf hoefde te bemannen aan de rand van de heuvel, vertoefde er, geplaagd door berichten van het hoofdkwartier dat elk contact met de werkelijkheid had verloren. ‘Er is,’ zo luidde een typisch stukje nonsens, ‘een rijdende veldkeuken verdwenen, nr. 264, type Egrot, met voortrein nr. 53, type Lauroura. Verantwoording af te leggen bij het bureau van de luitenant-kolonel, en wel vóór 14 juni.’

Ondertussen had op 14 mei een reuzenmijn (van de Duitsers) een groot deel van de rand waar Pézard en zijn mannen zaten, eenvoudig weggeblazen, een gat van 32 meter diep achterlatend. Na 1916 werd het er rustiger en gold meer het motto ‘leven en laten leven’. Als er weer wat in de lucht zou vliegen, werd de overkant van tevoren gewaarschuwd: ‘Hé, psst, heute Nacht, bums! …’ waarna men zijn maatregelen kon nemen.

Onder aan de Butte de Vauquois bewaren de boeren hun hooi in de oude bunkers. Bovenop is er een met gras begroeid maanlandschap dat tegenwoordig als een monument in stand wordt gehouden door de Amis de Vauquois. Met behulp van het Franse leger en nos amis allemands worden de hellingen gerestaureerd, loopgraven hersteld en opgehoogd met echte zandzakken en blockhauser en abri’s uitgegraven en hersteld. Met enige regelmaat geven de Franse amis rondleidingen door een deel van het in totaal 15 km lange netwerk van mijnschachten en tunnels, waar het verbijsterende ondergrondse wooncomplex van de Duitsers zich bevond, compleet met kamers, keukens en warmwaterinstallaties.

Destijds waren de officiersverblijven gemeubileerd en lag er parket op de vloer, alles gestolen uit de verlaten dorpen in de buurt. Boven op deze akelig kale heuvel is het eenzaam en stil. Wat hoopjes steen is alles wat nog over is van het oude Vauquois. De top is veranderd in gigantische kommen (in totaal dertien enorme mijnkraters), tientallen meters in doorsnee, met zwarte randen, gevuld met resten prikkeldraad, Spaanse ruiters, oud roest, en brokken steen waar ooit de kerk stond. Het is één van de meest indrukwekkende ‘natuurmonumenten’ van het westelijk front. ‘Glocke von Vauquois,’ zongen de Duits soldaten, “Du läutetest so rein”:

“Ludest so viele dereinst zum Beten ein

Glocke von Vauquois, Du läutest nicht mehr

Um dich herum is alles tot und leer.”[xvi]

Door de concentratie op nieuwe oorlogsmachines en bijbehorende techniek (vliegtuig, tank, gas[xvii], radiotelegrafische verbinding), medische behandelingen, het oplossen van problemen op logistiek gebied enzovoort komt de hele maatschappij in dienst van de oorlogsmachine te staan. Onvoorstelbaar zijn de voorraden die nodig waren om een grote slag voor te bereiden, om soldaten en materieel aan te voeren. Peter Barton gaat in “Passendale” daar uitgebreid op in.[xviii] Met behulp van oude foto’s, kaarten, stafmateriaal, en heel veel brieven en verslagen reconstrueert hij de veldslagen. De Franse soldaat Barthas verwondert zich meerdere malen over het feit dat aan de oorlog maar geen einde komt door munitiegebrek. Barthas schrijft:

“Eén ding staat vast: met elk offensief verrijkten zich de munitiefabrikanten. Hier lag voor verschillende miljoenen francs aan munitie. Anatole France schrijft terecht: ‘Men denkt te sterven voor het vaderland maar men sterft voor de industriëlen.’

Het was onbegrijpelijk dat de Duitsers nog nooit één enkel kanonschot op het munitiedepot hadden gelost en dat nog geen enkel vliegtuig ooit een bom had laten vallen die het hele depot in de lucht had laten springen. En toch lag het depot op de route van de Duitse vliegtuigen die dikwijls overvlogen om Châlons-sur-Marne en Mourmelon te bombarderen. Je zou bijna denken dat er in deze vernietigingsoorlog der volkeren een stilzwijgende overeenkomst bestond om de munitie van de tegenpartij te sparen.”[xix]

Utopie in plaats van realisme

Zonder het Roergebied met zijn voorraden aan steenkool om ijzererts te smelten had bijvoorbeeld Duitsland nooit een oorlog kunnen beginnen op deze schaal. In de grote wapenfabrieken konden kanonnen worden ontworpen die een vuurkracht bezaten die nog nooit vertoond was. Tegen de forten rondom Verdun werden deze ingezet nadat ze eerder al de Belgische forten hadden bestookt. De economische voorwaarden om een oorlog te kunnen voeren en voortzetten worden in veel oorlogsdocumentaires verwaarloosd. Eerder wordt aandacht gegeven aan de ideeën van wat ik maar zal noemen ‘oorlog-ophitsers’ zoals Von Bernardi waarover Barbara Tuchman schrijft: “Oorlog, verklaarde hij, is een biologische noodzakelijkheid. Hij vervult een rol bij de uitvoering der natuurwetten, met name bij die van de wet, die de strijd om het bestaan beheerst. Volken, zei hij, moeten vooruitstreven of ten ondergaan. Stilstaan is niet mogelijk…”[xx]

Tuchman beschrijft ook het feit dat er bij sommigen wel een bewustzijn bestond ten aanzien van de duur van een langere oorlog omdat die pas afgelopen zou zijn als de grondstoffen en het potentieel aan mensen volledig uitgeput zou zijn.[xxi] Maar zo schrijft zij: “Maar het is tegen de natuur der mensen – en in het bijzonder tegen die der generale staven – logische conclusies uit eigen voorspellingen te maken. Een vormeloze, niet-begrensde conceptie van een oorlog was geen basis om wetenschappelijke plannen op te bouwen. Dat ging alleen met de orthodoxe, overzichtelijke en eenvoudige oplossing, die de korte oorlog met zijn beslissende veldslag was […] De mensen zijn trouwens – en dat geldt niet alleen voor 1914, maar voor alle tijden – meestal geneigd zich niet voor te bereiden op het allerergste, zelfs indien dat niet tot de onmogelijkheden schijnt te behoren.”[xxii] Tuchman beschrijft ook de wijze waarop bekende grootheden uit die tijd aankeken tegen deze oorlog toen hij nog niet was losgebarsten. Een zeker utopisch werkelijkheidsvreemd verlangen komt hier aan het licht.

“De mensen aanvaardden de oorlog vanuit verschillende gevoelens en denkbeelden. Onder de oorlogvoerenden waren er, die als socialisten en pacifisten in hun hart de oorlog verwierpen. Anderen, zoals Rupert Brooke, heetten hem welkom. ‘Nu Gode dank gebracht, die ons Zijn uur heeft gesteld,’ schreef Brooke in zijn gedicht ‘1914’, en hij was zich van geen godslastering bewust. Voor hem was het een tijd om

Als zwemmers, die in zuiver water springen,

blijde zich af te wenden van een wereld,

oud, koud en moe geworden…

Eer is weergekeerd…

En adeldom woont opnieuw in ons hart,

Wij hebben ons erfdeel mogen aanvaarden.

In Duitsland werden soortgelijke ontroeringen gevoeld. Volgens Thomas Mann zou de oorlog ‘een zuivering, een bevrijding en een ontzaglijke verwachting’ zijn. ‘De overwinning van Duitsland zal de overwinning van de ziel over het getal betekenen. De Duitse ziel is gekant tegen het pacifistische ideaal van de beschaving, Want is de vredestoestand geen element van burgerlijke corruptie?’ Dit concept, een weerspiegeling van de Duitse militaristische theorie ‘Oorlog adelt’, lag dicht in de buurt van de verrukkingen van Rupert Brooke en het werd door heel wat respectabele lieden, onder wie Theodore Roosevelt, verdedigd. In 1914 was er, met uitzondering van een paar Balkan-oorlogen, dus in het randgebied, voor meer dan een generatie geen grote oorlog geweest en naar de mening van een enkele waarnemer was de opgeluchte houding in de zomer van 1914 althans gedeeltelijk toe te schrijven aan een ‘onbewust gevoelde verveling jegens de vrede.’ Terwijl Brooke glorieerde in zuiverheid en adeldom zag Thomas Mann een meer positief doel. De Duitsers zijn, aldus Mann, de meest ontwikkelde, orde- en vredelievende van alle volken en daarom verdienen ze ook de meest machtige te zijn. Zij mogen heersen. Zij mogen een ‘Duitse vrede’ doen ontstaan uit ‘wat volkomen gerechtvaardigd een Duitse oorlog wordt genoemd.’”[xxiii]

“Voor de Fransen was het voldoende, dat hun erfvijand aan de grenzen stond. Maar toch werden ook hier de ‘ontzaglijke verwachtingen’ gevoeld. Bergson geloofde, dat, hoewel de uiteindelijke overwinning van de Geallieerden ‘verschrikkelijke offers zou eisen, het resultaat toch zou zijn, naast ‘de verjonging en vergroting van Frankrijk, de zedelijke regeneratie van Europa. E n dan, als eenmaal de werkelijke vrede is bereikt, zullen Frankrijk en de mensheid hun opmars voortzetten naar waarheid en gerechtigheid.’”[xxiv]

Al deze verwachtingen die getekend zijn door optimisme en een drang om te overheersen kleuren het wereldbeeld van de toenmalige actoren. Je zou van iemand als de filosoof Henri Bergson en de schrijver Thomas Mann anders verwachten omdat zij wereldfaam hebben verworven met hun denken en hun werk. Dat is voor mij een bewijs des te meer hoe sterk overtuigingen kunnen zijn als mensen geen echte voorstelling hebben van de gruwelijkheden in de oorlog en de pijn en het verlies dat geleden wordt. Ik vermoed dat ze heel andere geluiden hadden laten horen als ze met vooruitziende blik zich hadden kunnen voorstellen hoe het is om zelf een aantal maanden in een modderige loopgraaf vol ratten en doden te moeten doorbrengen.

In de opmars door België laat het Duitse leger zich ook kennen als een terreurmachine. Vermeende ‘terroristen’, dat waren in Duitse ogen Belgen die vanuit een hinderlaag op soldaten schoten op zogenaamd verondersteld bevel van de Belgische regering, die zelf nog slechts een klein deel van het land in handen had, werden opgepakt en doodgeschoten. In veel steden en dorpen werden talloze onschuldigen op basis van slechts geruchten geëxecuteerd. In kleine Belgische plaatsje Blegny staat een monument dat aan deze tijd herinnert. Op het monument een foto  van de executie van vier personen waaronder twee verre familieleden uit deze eerste maanden van de oorlog.[xxv]

De omstandigheden waarin door velen gevochten werd zijn onvoorstelbaar. De natuur hielp een handje mee om de loopgraven in poelen des doods te veranderen. Ongedierte, ratten, luizen, water en modder. Als je de verhalen leest is het onvoorstelbaar dat deze oorlog op deze wijze 4 jaren heeft geduurd. Carl Heller, een Duitse soldaat schrijft uitgebreid over deze omstandigheden:

“Schoenen of laarzen had bijna niemand meer aan. Ze waren door het water totaal uit elkaar gevallen en in het slijk blijven steken. Door het koude water waren onze ledenmaten verstijfd en verkleumd en telkens moesten we op andere plaatsen kruipen om niet in het slijk om te komen. Verschillende makkers die de kracht niet meer hadden zich buiten de modder te houden, werden vastgezogen. Anderen schreeuwden om hulp en moesten dan met vereende krachten op andere plaatsen worden getrokken om niet weg te zakken, tot ook deze helpers door uitputting daar niet meer toe in Staat waren. Iedereen was wanhopig. Waarom werden we niet afgelost? Waarom gaven we dit vervloekte en verzopen land niet prijs? Onze luitenant trachtte ons te troosten door te zeggen dat we een lange periode van rust zouden krijgen zodra we weer naar ‘achteren’ zouden gaan. Maar wie zou daar ooit nog komen? Zouden we hier al niet binnen enkele dagen allemaal dood zijn? We meenden het niet te kunnen uithouden, maar hoeveel kan een mens verdragen? Hoeveel kan hij, zonder het te weten doorstaan!

Bij de vijand was het natuurlijk hetzelfde. Ook daar bewogen zich naast de kuilen – in plaats van erin – groteske, vormloze, levende leembonken heen en weer. Geschoten werd er niet meer, zelfs niet meer door de artillerie. Er speelde zich hier een geweldige tragedie af. Onmachtig en tot werkeloosheid gedwongen, lagen de vijanden uitgehongerd en ziek tegenover elkaar, in bedwang gehouden door het water. Men kon elkaar niet meer onderscheiden. Door onze overjassen met daarop een dikke en taaie gele leemlaag, kregen we een tweemaal zo grote afmeting. Gezichten en handen zaten vol slijk en we konden bijna niet meer zien door het water dat in onze ogen liep en deze ontstak. Ook in oren, neus en mond drong het binnen en deed ons soms bijna stikken. Dag en nacht regende het maar door en de waterplassen werden steeds groter en dieper. Alles was verzonken in de weke grond. Geen geweer of handgranaat was meer te gebruiken. Wat zouden we kunnen doen als de vijand plotseling zou aanvallen? Maar dat konden ze immers niet, dat waren toch ook slechts mensen! Integendeel, deze ellende had ons dichter bij elkaar gebracht. Enkelen van ons waren naar hen toe gekropen om iets te eten te krijgen, maar waren slechts met een kleinigheid teruggekomen. Ze hadden zelf ook niets.

Eigenaardig, hier, waar allen in hetzelfde gevaar en in diezelfde ellende verkeerden, waar de dood niet direct van de vijand kwam, werden de vijandelijkheden gestaakt, ja, hielpen we elkaar als dat kon, om dan straks, als de watersnood voorbij was, weer doodsvijanden te zijn! Na twee dagen kregen we weer een stukje brood en iets van conservenvlees dat met grote moeite door de corveemannen was aangevoerd. Ook van hen kwamen er velen om tijdens hun tocht naar ons toe.

Hoelang, hoe eindeloos lang waren de dagen en nachten in deze verschrikkelijke omgeving. We dachten ten slotte over niets meer na. Half bewusteloos en suf lagen we daar en wachtten op onze aflossing die echter nog steeds niet kwam opdagen. Om toch iets naar binnen te krijgen, kookten we soms met de grootste moeite op een doosje harde spiritus een beetje troebel leemwater. Maar dit koken duurde erg lang en telkens viel het bakje water om of zakte het kooktoestelletje weg. Iemand plaatste zijn toestelletje op het opgezwollen gezicht van een gesneuvelde soldaat, maar het hoofd zakte weg en het water viel er af. Vloekend drukte hij het hoofd met beide handen vast in de modder en zette er toen de spiritus en het water weer op.

Eindelijk, eindelijk kwam de aflossing en konden we teruggaan, tenminste zij die nog konden lopen. De anderen moesten achterblijven en gingen jammerlijk te gronde. Nu moesten de reserves in het water gaan liggen om tegen de verdrinkingsdood te vechten. Meer dan de helft was onderweg al in het moeras blijven steken, zo werd ons verteld. Wat hadden deze arme mensen toch gedaan dat ze zulke vreselijke ontberingen, zulk een ontzettende nood moesten lijden? Zouden ze ginds in de rustige, veilige steden, ook maar enig idee hebben van de grote ellende die we hier aan het front moesten meemaken? Nee, dat was onmogelijk. Dat kon je ook niet overbrengen, de mensen zouden het niet begrijpen en nog minder geloven. Ze lazen daar de kranten en bekeken de foto’s in de geïllustreerde bladen en vormden zich daaruit een beeld van de oorlog. Oh, wanneer zou toch eens de vrede komen? We hadden de hoop op vrede eigenlijk al opgegeven. We konden ons er geen voorstelling meer van maken hoe het zou zijn om geen soldaat meer te zijn, maar vrije mensen in huiselijke kring, en om zonder gevaar te kunnen leven.”[xxvi]

Gruwelijk zijn de ervaringen als een loopgraaf wordt veroverd die eerder verloren ging of die aan de vijand toebehoorde. Carl Heller beschrijft dit terugkijkend op die periode:

“Ik werd met een groep mannen meegesleurd en vond een ingestorte ingang van een onderstand die door een vleugelmijn weer was opengeslagen. Door de nauwe spleet vluchtte ik naar binnen, gevolgd door anderen. In de donkere ruimte viel ik over lichamen heen, lijken, die er God weet al hoe lang lagen en al tot ontbinding waren overgegaan. Ik kroop naar het einde en bleef daar liggen. Steeds meer mensen volgden en ten slotte lagen we man aan man in dat afgrijselijke hol, in dit walgelijke en stinkende massagraf, om ons te beveiligen tegen het onheil dat we zagen aankomen en waartegen niemand meer de kracht en de wil had zich te verdedigen. Dicht opeengepakt lagen al die opgejaagde en angstige mensen daar, die niet meer konden denken, maar door het instinct geleid voor het gevaar waren weggekropen in deze akelige dodenspelonk. Ik voelde de onstuimig bonkende hartslag van een makker die bovenop me lag. Er werd geen woord gesproken. Iedereen lag bewegingloos en luisterde sidderend naar weer een nieuwe beschieting. We hoorden de granaten van onze eigen batterijen  weer naar de Engelse linies suizen, om die wederom stormrijp te maken. We hoorden ook het vreselijke gevecht dat op enkele meters van ons vandaan plaatsvond. Daar ging het man tegen man. Elk moment kon de vijand ons hier ontdekken en ons met een enkele handgranaat doden of levend begraven. Bevend en sidderend kropen we zo dicht mogelijk tegen elkaar, als om bescherming bij elkaar te zoeken. Ik had mijn hand op het hoofd van een dode liggen en was niet in staat ze weg te trekken. Als door een magneet vastgehouden, lag ze daar op zijn haar, dat koud en nat aanvoelde. Hoelang we daar hebben gelegen, weet ik niet meer, we waren in een soort halfslaap geraakt, in een versufte half bewusteloze toestand, veroorzaakt door de benauwde en bedwelmende lijkenstank. Op een gegeven moment werden we geroepen en werktuigelijk, onzeker en aarzelend kropen we een voor een naar buiten, waar we door een officier werden afgesnauwd. We kregen bevel ons gereed te houden, Want er zou een nieuwe aanval worden uitgevoerd. De Engelse stelling werd inmiddels weer kapot- en stormrijp getrommeld. Ik liep enkele  meters en ging op een hoop zand zitten. Als we weer zouden aanvallen, zou onze bataljonsstaf, als die er dan tenminste nog was, van daaruit voorgaan.

Ik zag een allerverschrikkelijkst toneel in dat kleine stukje loopgraaf. De bodem was bedekt met lijken en daar liep iedereen overheen alsof her een vloerkleed was. Wat verderop waren mannen bezig ze eruit te gooien. Ze waren niet meer van nut, hinderden de anderen en daarom werden ze een voor een over de rand geworpen. Ze zagen er vreselijk uit, halfbedolven onder de overal ingestorte gang, verscheurd en bloedend, met wilde en verwrongen gelaatstrekken, getuigden deze mensen van het ontzettende drama dat zich hier had afgespeeld.

Een Engelsman leunde half tegen enige schanskorven en grijnsde me met een verschrikkelijk gelaat aan. Zijn hoofd was gekloofd. Een diepe spleet scheidde zijn voorhoofd van het achterhoofd. Terwijl het laatste een bloederige, vormloze en weke massa was, was het gezicht niet gekwetst. Alleen de ogen waren eruit verdwenen. Zijn geweer lag naast hem. In zijn rechterhand hield hij nog een bloederige houweel vast, een der eigenaardige hakwerktuigen die de Engelsen als schanstuig gebruikten. Een Rode-Kruissoldaat kwam naast me zitten. Als in een droom mompelde hij steeds maar: ‘Oh God!, oh God!’ en zich plotseling tot mij richtend vroeg hij of ik wat te drinken had. Ik gaf hem mijn fles, die hij tot de laatste teug leegdronk en toen weggooide. Het was alsof deze dronk hem weer bij zinnen bracht. Hij vroeg wanneer het er weer op los zou gaan. ‘Om drie uur,’ antwoordde ik. ‘Oh God, dan gaat het weer net zo! Denk jij dan dat het zal lukken om die Engelse onderstanden stuk te trommelen? Daar zitten ze met hun maaimachines zo veilig als het maar kan en als onze artillerie het vuur verder naar voren legt, dan komen ze te voorschijn om ons te ontvangen. Die daar achter, kunnen makkelijk commanderen, laten ze zelf eens naar voren komen, dan zal hun het “volhouden” wel vergaan. “Uithouden en volhouden” dat is het enige wat ze nog kunnen zeggen. En wij hebben onze mond te houden. Laten ze nu toch eens andere troepen naar voren sturen! Wij hebben toch gedaan wat we konden! Urenlang heb ik gewonden door het vuur gedragen en nu ben ik totaal op. Telkens als ik een gewonde achter had afgeleverd, werd ik meteen weer teruggestuurd. Raakte ik maar eens gewond! Maar je zult zien, als dat gebeurt, is deze verwonding zo zwaar dat ik er kapot aan ga!’ Zwijgend keek hij voor zich uit.”[xxvii]

[i] Buelens, G., (samenstelling en inleiding), Het lijf in slijk geplant. Gedichten uit de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen 2008, (Ambo/Manteau) p. 218

[ii] Vgl. “ Het Oostenrijkse leger had een soortgelijke stelregel. Volgens de regels van 1911 zouden de fuseliers van de infanterie ‘zonder steun van de andere wapens, ook in de minderheid overwinnen als [ze] maar taai en moedig waren’. Die visie was alle Europese legers eigen, de ideologische exponent van de ‘geest van het offensief, niet alleen gebaseerd op beloften maar ook op een analyse van het karakter van recente gevechten, met name in de Russisch-Japanse oorlog. Het was aanvaard dat een hoog niveau van vuurkracht hoge verliescijfers met zich meebracht, en men geloofde nog steeds dat de bereidheid grote verliezen te accepteren de overwinning zou brengen.” in: Keegan, J., De eerste wereldoorlog. 1914-1918. Vertaald door Bab Westerveld, 2006 (Olympus) p. 182

[iii] Vgl. Erasmus die ironisch schrijft: “ Is niet de oorlog de bron van alle heldendaden en het veld van eer? En wat is er nou dwazer dan om willekeurige redenen zo’n strijd aan te gaan waarvoor beide partijen altijd meer ellende dan goeds van komt? Degenen die sneuvelen, komen zoals de inwoners van Megara, niet in het verhaal voor. En als de ijzeren linies tegenover elkaar staan opgesteld, en ‘schor der hoorns hun signaal laten schallen’ wat – als ik het vragen mag – is dan de rol van wijze mannen die uitgeput van het studeren, bloedeloos en futloos staan te reutelen? Je hebt gewillige dommekrachten nodig met een maximum aan moed en een minimum aan intelligentie…” in Erasmus, Desiderius, Lof der Zotheid of De Dwaasheid gekroond. Een pronkrede, Amsterdam 2005 (Athenaeum-Polak & Van Gennep) p. 41

Vgl. ook Haasis, Helmuth G., Spuren der Besiegten, 3 Bd., Reinbeck bei Hamburg 1984 (Rowohlt) die op zoek gaat naar de sporen van de overwonnenen in de geschiedenis, zij die geen tekenen meer hebben nagelaten omdat ze verslagen werden en/of uitgeroeid zoals zoveel tegenstanders.

[iv] Vgl. “Haig was zelfs geen toeschouwer. Hij had niets gezien, niets gehoord, behalve het verre kanongebulder. Zelf had hij niets ondernomen, maar er was voor hem dan ook niets te zien of te doen. Zelfs een van zijn jonge officiers, luitenant Rickman, zag na het binnendringen van de Duitse stellingen van zijn Accrington Pals alleen nog ‘het glinsteren van de zon op hun driehoeken’, de metalen identificatieplaatjes op hun ransel. Tussen de manschappen en hun commandanten, hoog en laag, was het ijzeren gordijn van de oorlog neergelaten dat hen scheidde alsof ze op verschillende werelddelen leefden.

Hoge commandanten hadden natuurlijk wel het oorlogsmateriaal om de kloof te overbruggen: de talloze kanonnen die achter de linies stonden opgesteld. Maar de middelen om het vuur van de artillerie te richten op de stellingen van de vijand die hun soldaten doodde, hadden ze niet. In vroegere oorlogen zagen de kanonniers de doelen met het blote oog; in latere oorlogen trokken de artilleriewaarnemers, uitgerust met radio, óp met de infanterie en leidden de artillerie mondeling en aan de hand van kaarten” in: Keegan, J., De eerste wereldoorlog. 1914-1918. Vertaald door Bab Westerveld, 2006 (Olympus) p.346

[v] “’De artillerie was de grote nivelleerder,’ schreef soldaat E. Atkinson van het 1st West Yorkshire Regiment dat van begin af aan in Frankrijk had gevochten. ‘Niemand kon meer dan drie uur ononderbroken trommelvuur verdragen zonder volkomen suf en afgestompt te raken. Als [de mof] drie uur op je inbeukt, ben je voor het oprapen als hij komt. Het werkt ongeveer als een narcose.” in: Keegan, J., De eerste wereldoorlog. 1914-1918. Vertaald door Bab Westerveld, 2006 (Olympus) p. 436

[vi] Vgl. Vgl. World War 1. 1914-1918 the great war and the shaping of the century, (7 x 50 min), BBC 2006

[vii] Vgl. World War 1. 1914-1918 the great war and the shaping of the century, (7 x 50 min), BBC 2006

[viii] Barbusse, H., Het vuur, Amsterdam Antwerpen 2004 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 273

vgl. ook: “Ze bezaten niets; niet eens hun eigen lichaam, dat uitsluitend nog een instrument voor de oorlogvoering was,-en keken van de verwoestingen en ellende op naar een lege hemel en van een lege hemel weer naar de stilte in hun eigen hart. Ze waren naar het laatste eindpunt van de hoop gedwongen, en toch legden ze hun handen op elkaars schouders en zeiden met hartstochtelijke overtuiging dat het allemaal goed zou komen, hoewel ze nergens in geloofden behalve in zichzelf en elkaar. De opeenvolging van werkploegen, exercities en inspecties leidde hun gedachten nauwelijks af, zozeer was gehoorzaamheid een gewoonte geworden” in: Manning, F., Geslacht, Amsterdam Antwerpen 2001 (Uitgeverij de Arbeiderspers)p. 324

[ix] Barbusse, H., Het vuur, Amsterdam Antwerpen 2004 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 300

[x] Barthas, L., De oorlogsdagboeken van Louis Barthas (tonnenmaker) 1914-1918, Amsterdam 2000 (Bas Lubberhuizen) p. 378

[xi] Vgl. “In deze emotionele crisis, waarin de grens van zijn uithoudingsvermogen werd bereikt, verdwenen alle gradaties waarin tegengestelde gevoelstoestanden worden onderverdeeld en waren de uitersten niet meer van elkaar te onderscheiden. Hij kon het verlangen niet meer scheiden van de angst die het in toom hield; de kracht van zijn hoop streefde ernaar de wanhoop die hem onderdrukte te evenaren; vastbeslotenheid kon alleen maar gemeten worden aan de hand van de angst en de problemen die erdoor werden overwonnen. Alle bekrompen, onbeduidende maatstaven voor het gewone leven verdwenen in de botsing tussen deze conflicterende tegengestelden. Men kon uitsluitend proberen er een evenwicht tussen te handhaven, dat ieder moment werd verstoord en doorbroken.”  p.337

“En Bourne vroeg zich af waarom de doden toch een verwijt aan het adres van de levenden waren. Ze waren zo stil, zo onverschillig, de doden. p. 350 in: Manning, F., Geslacht, Amsterdam Antwerpen 2001 (Uitgeverij de Arbeiderspers)

[xii] Jünger, E., In Stahlgewittern. Auswahl aus dem Werk in Fünf Bänden, Stuttgart 1994 (Klett-Cotta) p. 7

[xiii] Vgl. Jünger, E., In Stahlgewittern. Auswahl aus dem Werk in Fünf Bänden, Stuttgart 1994 (Klett-Cotta) p. 96: “ Ich machte hier, und während des ganzen Krieges eigentlich nur in dieser Schlacht, die Beobachtung, dass es eine Art des Grauens gibt, die fremdartig ist wie ein unerforschtes Land. So spürte ich in diesen Augenblicken keine Furcht, sondern eine Hohe und fast dämonische Leichtigkeit; auch überraschende Anwandlungen eines Gelächters, das nicht zu bezähmen war.” en p. 238: “ Im Vorgehen erfasste uns ein berserkerhafter Grimm. Der übermächtige Wunsch zu töten beflügelte meine Schritte. Die Wut entpresste mir bittere Tränen. Der ungeheure Vernichtungswille, der über der Walstatt lastete, verdichtete sich in den Gehirnen und tauchte sie in rote Nebel ein. Wir riefen uns schluchzend und stammelnd abgerissen Sätze zu, und ein unbeteiligter Zuschauer hätte vielleicht glauben können, dass wir von einem Übermass an Glück ergriffen seien.”

[xiv] Barthas, L., De oorlogsdagboeken van Louis Barthas (tonnenmaker) 1914-1918, Amsterdam 2000 (Bas Lubberhuizen) p. 254

[xv] Buelens, G., (samenstelling en inleiding), Het lijf in slijk geplant. Gedichten uit de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen 2008, (Ambo/Manteau) p. 25

[xvi] Brants, C., en K., Velden van weleer. Reisgids naar de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam 1997 (Nijgh en van Ditmar) p. 201-202

[xvii] Vgl. het effect van het ingezette gas: “Maar in april hadden de Duitsers een dodelijke stof in voorraad in de vorm van chloor, een ‘blaartrekkend’ middel dat het celweefsel beschadigt, een overproductie van longvocht teweegbrengt en de dood tot gevolg heeft. Het was een nevenproduct van de Duitse verfindustrie die in handen was van IG Farben, dat praktisch een wereldmonopolie had op deze producten. Carl Duisberg, directeur van IG Farben, had eerder het probleem van het Duitse munitietekort aangepakt met zijn succesvolle onderzoek naar de synthetische bereiding van nitraten, een elementaire bestanddeel van hoogexplosieve stoffen en in organische vorm, alleen verkrijgbaar uit hulpbronnen onder geallieerde controle. Hij werkte tevens samen met industrieel chemicus Fritz Haber, hoofd van het Kaiser-Wilhelm-Institut te Berlijn, voor de ontwikkeling van een middel om chloor in grote hoeveelheden in de vijandelijke loopgraven te laten neer- dalen. Experimenten met gasgranaten waren mislukt (hoewel later gas-granaten met een andere vulling volop in gebruik waren). Het met mee-wind loslaten van chloor uit drukcilinders beloofde iets betere resultaten. Op 22 april werden er zesduizend cilinders met honderdzestig ton gas ten noorden van Ieper, tegenover Langemark, geplaatst. […] Na zwaar artillerievuur kwam om 17.00 uur van, de Duitse naar de Franse stellingen een geelgroene wolk aandrijven, en weldra strompel- den zoeaven en Algerijnse fuseliers bij duizenden, blauw in het gezicht, hoestend en naar hun keel grijpend achterwaarts. Binnen een uur was de frontlinie verlaten en was er een bres van 7 km breed in de verdediging van Ieper geslagen.” in: Keegan, J., De eerste wereldoorlog. 1914-1918. Vertaald door Bab Westerveld, 2006 (Olympus) p. 219-220

Vgl. Ook Martinetz, D., Der Gaskrieg 1914/18. Entwicklung, Herstellung und Einsatz chemischer Kampfstoffe. Das Zusammenwirken von militärischer Führung, Wissenschaft und Industrie, Bonn 1996 (Bernard & Graefe Verlag)

[xviii] Vgl. Barton, Peter, Passendale. Slagveld van Wereldoorlog 1, Tielt 2007 (Lannoo)

[xix] Barthas, L., De oorlogsdagboeken van Louis Barthas (tonnenmaker) 1914-1918, Amsterdam 2000 (Bas Lubberhuizen) p. 382

[xx] Tuchman, B, De kanonnen van augustus. De eerste oorlogsmaand van 1914, Amsterdam Antwerpen 2006 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 20

[xxi] “De oude veldmaarschalk Von Moltke heeft in 1890 voorspeld dat de volgende oorlog misschien wel zeven – of desnoods dertig – jaar zou kunnen duren, omdat de hulpbronnen van een moderne staat zo groot waren, dat hij zich na een enkele militaire nederlaag niet verslagen zou achten en de strijd niet zou opgeven. Zijn neef en naamgenoot, Schlieffens opvolger als chef van de generale staf, had ook wel eens ogenblikken, waarin hij deze waarheid erkende. In tijdelijke ketterij jegens Clausewitz heeft hij in 1906 tegen de keizer gezegd: ‘Het zal een oorlog worden tussen volken, die niet zal worden beslist door een enkele slag of veldtocht, maar door een lange, moeizame strijd met een land, dat pas het hoofd in de schoot zal leggen als de nationale kracht volledig gebroken is en zo’n oorlog zal ook ons eigen volk volkomen uitputten, zelfs als we de overwinning behalen.’ in Tuchman, B, De kanonnen van augustus. De eerste oorlogsmaand van 1914, Amsterdam Antwerpen 2006 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p.33-34

[xxii] Tuchman, B, De kanonnen van augustus. De eerste oorlogsmaand van 1914, Amsterdam Antwerpen 2006 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p.34

[xxiii] Tuchman, B, De kanonnen van augustus. De eerste oorlogsmaand van 1914, Amsterdam Antwerpen 2006 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 406

[xxiv] Tuchman, B, De kanonnen van augustus. De eerste oorlogsmaand van 1914, Amsterdam Antwerpen 2006 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 408

[xxv] Vgl. http://wereld-zelfbeeld-lichaam.canandanann.nl/lichaam/monument.htm

Vgl. een beschrijving van deze periode in: Gustave Somville, Vers Liège. Le chemin du crime. Août 1914, Paris 1915 -p. 178, 185-186, 189-194; vgl. Ook Tuchman, B, De kanonnen van augustus. De eerste oorlogsmaand van 1914, Amsterdam Antwerpen 2006 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 410-416

[xxvi] De oorlogsbrieven van Unteroffizier Carl Heller. Geschreven tijdens de Eerste Wereldoorlog. Bewerkt, ingeleid en van annotaties en kaarten voorzien door J.H.J. Andriessen, Soesterberg 2003 (Uitgeverij Aspekt) p. 183-184

[xxvii] De oorlogsbrieven van Unteroffizier Carl Heller. Geschreven tijdens de Eerste Wereldoorlog. Bewerkt, ingeleid en van annotaties en kaarten voorzien door J.H.J. Andriessen, Soesterberg 2003 (Uitgeverij Aspekt) p. 200-201