Poëzie en werkelijkheid

L1210173

Poëzie en Werkelijkheid

 

Motto:

Wegen des schwarzen Spiegels, der uns stets beschützt, weil die Poesie im Mittelpunkt des Menschen steht, konnte Octavio Paz in einem sehr frühen Interview behaupten: “Jede grosse Poesie muss sich mit dem Tod auseinandersetzen und eine Antwort auf den Tod sein.” Ich, der ich nicht an Antworten glaube, bevorzuge zu denken, dass die Poesie eine Anwesenheit vor dem Tod ist.

Uit: Roberto Juarroz, Poesie und Wirklichkeit. Poesía y realidad

Aus dem argentinischen Spanisch van Juana und Tobias Burghardt

Stuttgart 2010 (Edition Delta) p. 104

 

 

Toen Roberto Juarroz in 1986 in Argentinië een rede hield ter ere van zijn opname in de  Academia Argentina de Letras besprak hij de relatie tussen poëzie en werkelijkheid. Voor hem is poëzie misschien wel de allerhoogste vorm van werkelijkheid omdat ze werkelijker is dan werkelijk. Dat mag misschien vreemd in de oren klinken maar de ruimte waarin poëzie geschreven wordt en de ruimte die beschreven wordt beoogt niets anders dan de ervaren werkelijkheid weer te geven op poëtische wijze. De waarheid die hieraan ten grondslag ligt is de waarheid van de dichter en deze dichter maakt net zo goed als elke waarnemer aanspraak op werkelijkheid. Voor Juarroz is dichten niet vrijblijvend. Het veronderstelt een hoge mate van betrokkenheid en toewijding. Omdat het over ‘hemel en aarde gaat’ kan er niet lichtzinnig over gedaan worden. Hemel en aarde en hun relatie vertegenwoordigen voor de dichter het geheel van dit bestaan en de bestemming van ons menszijn. Deze religieuze terminologie mag vreemd klinken maar voor Juarroz is poëzie een vorm van religie die inzet om hemel en aarde dichter bij elkaar te brengen. Niet vanuit een kerkgenootschap maar vanuit een individueel ervaren opdracht. Juarroz noemt deze inzet en zijn poëtische werk daarom vertikaal. Dat wil zeggen gericht op de hemel.

Juarroz zegt hierover het volgende:

 

Die Poesie ist die wahre laienhafte Resakralisierung der Welt. Und das, obwohl der Dichter fühlt, dass sein Reich auch nicht von dieser Welt ist. Aber er weiss auch, dass es auch nicht von einer anderen Welt ist. Ihm bleibt also kein anderer Weg, als eine neue Welt zu erschaffen, die dritte. Wirklicher als die anderen ist die Welt der Poesie, die letzte Alternative der Rettung, die uns bleibt, der letzte Rückgriff unserer geheimnisvollen Notwendigkeit des Seins.”

Das bedeutet keinesfalls, andere Ansichten und Glauben nicht zu achten oder eben zu ignorieren, ganz im Gegenteil. Novalis hielt die Poesie nicht umsonst für die ursprüngliche Religion der Menschheit. Einige von uns glauben, dass man diesen Ursprung wiedergewinnen muss, um weitermachen zu können. Das geschieht allein durch jene Achse, durch die Poesie, das Erzittern und die Vertikalität der Transzendenz, natürlich unverschlüsselt, der Unendlichkeit, natürlich namenlos, des Heiligen, natürlich ohne Theologie. …

Das alles verlangt  gleichzeitig  nach dem, was man eine transzendentale  Meditation der  Sprache oder   über   die Sprache  nennen   könnte.  Es  gibt  keine  ganze  Poesie ohne sie. Und niemand kann eigentlich  über die Poesie ohne  jene transzendentale Betrachtung  sprechen.  Jeder authentische Dichter begründet sie  von neuem.  Nur  in ihr kann eine transzendente Poesie verwurzeln – in dem Sinne, den wir heute diesem Begriff gegeben haben. Und ich glaube, dass es eigentlich keine andere Poesie gibt, die zumindest diesen  Namen  verdient.  Andererseits ist die blosse Transzendenz für die Poesie nicht ausreichend.

Ich vermute schliesslich, dass die Poesie eine Notwendigkeit ist,  eine   fundamentale  Forderung    des   Menschseins, geäussert oder nicht. “ Wenn ich sage, was ich sage, dann  deshalb, weil mich das, was ich sage, besiegt hat”, schrieb auf  einleuchtende Weise unser  Antonio  Porchia.  “Die Wörter sind  Heiligtümer”, wie auch  der  Chassidismus bekräftigt.  Das poetische  Wort, wie der  Flügel, ist die Bedingung, um den Abgrund zu ertragen, denn ansonsten blieben allein das Schwindelgefühl und der Sturz übrig. An den Grenzen des Menschen ist die Poesie das bewegliche Ziel,  das  ihn  begleitet  und  beschützt.   Eine  unnötige Poesie ist keine Poesie. Deshalb konnte  Rilke folgendes sagen, wahrend er vor allem an die Poesie dachte: “ Ein Kunstwerk ist gut, wenn es aus Notwendigkeit entstand.

 

Zelf vind ik deze aanzet fascinerend omdat zijn woorden en zijn ideeën naadloos aansluiten bij mijn werk als landschapschilder. Met mijn abstracte landschappen doe ik niets anders dan de relatie hemel aarde benadrukken en daarom kan ik mijn werk ook vertikaal noemen, de inzet is om de relatie en de sacrale basis hieronder zichtbaar te maken.

Net als bij poëzie is de inzet groot, de ambitie hoog en het doel ver weg. Want telkens schiet je tekort, blijft het bij benadering. Wordt de afgrond zichtbaar die zich aan je voeten openbaart als je deze werkelijkheid echt wilt vormgeven en verwoorden of verbeelden.

Juarroz verwoordt dit alsvolgt:

 

Der Dichter ist ein Förderer der Risse. Die scheinbare Wirklichkeit zerbrechen oder darauf warten, dass sie Risse bekommt, um zu begreifen, was hinter dem Trugbild ist, jenseits der Scheinwirklichkeit. Dort befindet man sich fern der kultivierten Schönheit der Treibhäuser, der sentimentalen Erschöpfung, der vergnüglichen und verspielten Literatur, der hedonistischen Zuflucht, der Virtuosität oder Breitenwirkung. Man befindet sich weit entfernt vom Journalismus, der die Aktualisierung der Wahrheit vorgaukelt, von der Kritik, die für ihre Interpretationen und Wertungen versucht, die Schöpfung  einem pseudowissenschaftlichen Podium oder einem System der Mode auszusetzen. Und man befindet sich ebenso fern der wissenschaftlichen Disziplinen wie der Philologie oder Linguistik, die trotz ihrer ernsthaften Bemühungen um die Sprache niemals von der Poesie sprechen können, weil sie neben anderen Dingen jene Idee von Emerson vergessen, die Borges in einem seiner letzten Interviews, kurz vor seinem Tod, angeführt hat: “Die Sprache ist fossile Poesie.”

Oder anders gesagt: Die Poesie ist das nicht versteinerte oder unversteinerte Leben der Sprache. Ja, der Dichter ist ein Förderer der Risse, vor allem der zeitgenössische Dichter. Vielleicht ist er deshalb allein, aber nur allein kann man die Risse fördern. Er ignoriert nicht den extremen Sinn des Textes von Rabbi Joseph Ben Shalom aus Barcelona:

“Der’ Abgrund wird in jedem Riss sichtbar. In jeder Verwandlung der Wirklichkeit, in jedem Wechsel der Form, oder immer, wenn sich der Zustand von etwas verändert, wird der Abgrund des Nichts durchquert und so für einen flüchtigen und mystischen Augenblick sichtbar. Nichts kann sich verändern ohne eine Berührung mit diesem Bereich des absoluten Seins.”

 

Ook Roland Barthes beschrijft het fenomeen van de scheur die zich openbaart in elk teken. De afgrond die telkens zichtbaar wordt werpt je terug op jezelf en bij elk teken is deze onmogelijkheid om de werkelijkheid vast te leggen funest voor degene die dat toch wil proberen. Tevens loopt hij dan ook de kans mis om iets van het absolute, het niets in de gestalte van de afgrond te ervaren, dat gelijk staat aan een mystieke ervaring. Met andere woorden, elke poging om de werkelijkheid te verankeren in feiten en zaken die vastliggen zonder oog voor de vergankelijkheid en onmogelijkheid van ons streven is in feite zou je kunnen zeggen een vorm van heidendom, aanbidding van het ‘gouden’ kalf, doodzonde. Het is tevens een vorm van hybris en zelfoverschatting alsof wij met onze beperkte zintuigen en beperkte reikwijdte van ons bewustzijn de werkelijkheid zouden kunnen begrijpen, grijpen en bevestigen. Elke werkelijkheidsvorm bestaat niet uit een laag maar uit lagen op elkaar en al die lagen verwijzen naar en funderen elkaar. Uit de Talmoed komt een gezegde dat je aan een haar, bijvoorbeeld een bijbels begrip, een teken of woord, een hele verzameling van betekenissen naar boven kunt halen. Dit haar als verbinding tussen het ene teken en de hele wereld van de bijbel wordt vaak onderschat in de literatuur. De schrijver die deze vergissing begaat is de naam eigenlijk niet waard want hij beschrijft niet maar dicteert. Zijn dictaat wordt zijn eigen lot of ondergang want hij maakt zijn gevangenis zelf.

Deze wijze van invulling van levenszin zonder oog voor de vergankelijkheid en ongrijpbaarheid van de werkelijkheid is een zelfgebouwde kerker waaruit dan moeilijk te ontsnappen valt. Confrontatie met de eigen sterfelijkheid wordt meteen een drama omdat dit niet was voorzien in dit concept van werkelijkheid. Alles wat afwijkt van het eigen concept wordt als gevaar en als bedreiging ervaren en moet dan worden bestreden. De politiek laat dit dagelijks zien; politici zijn dus gemankeerde schrijvers of dichters die te snel en te eenvoudig de werkelijkheid denken te snappen en naar hun hand proberen te zetten.

Omgekeerd geldt dus dat vrijheid pas mogelijk wordt met het besef van de eigen eindigheid en beperktheid. Precies de zinvolle lagen in de werkelijkheid en de onderlinge verbondenheid van alle tekens, dus ook van ons mensen met elkaar als wezens op zoek naar zin, maakt vrijheid pas mogelijkheid en het genieten van nieuwe ontdekkingen op het terrein van inzicht en zin. Dat is religie: ervaren en beseffen hoe alles met alles samenhangt en hoe jij daarin een belangrijke rol kunt vervullen ook al is je streven naar verwoording verre van volmaakt. Maar de oprechte poging van de dichter om deze werkelijkheid in een kader te beschrijven, duiden, proberen aan te raken is al heel wat waard.

Werkelijkheid en menselijkheid zijn bronnen en bouwstenen voor een verstaan van onszelf – een pogen dat nooit is afgesloten en dat nooit definitief is verklaard of opgelost. Juarroz drukt dit prachtig uit in dit gedicht waarmee ik afsluit. Mooier kan ik het niet zeggen.

 

 

Usar la propia mano como almohada.

El cielo l hace con sus nubes,

ta tierra con sus terrones

y el árbol que cae

con su proprio follaje.

 

Sólo así puede escucharse

la canción sin distancia,

la canción que no entra en el oído

porque está en el oído,

la única canción que no se repite.

 

Todo hombre necesita

una canción intraducible.

 

Roberto Juarroz – poesía vertical

 

Het onvertaalbare lied

 

De eigen hand als kussen nemen.

De hemel doet dat met zijn wolken,

de aarde met haar kluiten

en de boom, die met zijn

eigen bladeren valt.

 

Alleen zo kan men het lied

zonder afstand horen,

het lied dat niet in het oor gaat,

omdat het in het oor is,

het eeuwige lied, dat zich niet herhaalt.

 

Elk mens heeft

een onvertaalbaar lied nodig.

 

John Hacking

29 februari 2016 – op schrikkeldag – dag die niet elk jaar mag bestaan!