Transparant

Als een klein beekje
dat zijn weg zoekt
tussen de bemoste stenen
word ik ook
rustig
helder
en transparant

Taigu Ryohan

Waartoe zijn wij op aarde? Waarom leven we, wat valt er te halen, wat te bereiken en hoe zal de eindafrekening zijn als die afrekening plaats zal vinden? En vindt die wel plaats? Het zijn moeilijke vragen. In een lezing over somberheid en de kracht van melancholie als inspiratiebron in de kunst en in het leven van kunstenaars verwijs ik naar een boeiend boek van Giovanni Rizzuto, Bergen en rivieren. filosofische meditaties naar aanleiding van een koan. In dit werk staat hij stil bij de ervaring van de werkelijkheid vanuit de mystiek, het boeddhisme en zenboeddhisme. Begrippen als leegte, het niets, innerlijke leegte, verlichting komen voorbij. Misschien is het wel zo dat als je jezelf gedragen weet door een inzicht, bijvoorbeeld het inzicht en de ervaring (die dan samenvallen) dat je deel uitmaakt van een groter geheel en dat je leven en je handelingen daarin passen, dat je dan (pas) je leven als zinvol kunt ervaren. Zo werken, zo vermoed ik, ook religies. Als je jezelf hebt toevertrouwd aan een dergelijk wereldbeeld, als dit beeld dragend in jou wordt, leg je een weg af die binnen deze context van je gevraagd wordt. En het volgen van die weg geeft je meteen een houvast, vaste grond onder je voeten. Niet dat je dan geen moeilijkheden of geen twijfel kent. Maar het afleggen van de weg zal je leren wat de diepte en wat de inhoud van het wereldbeeld is en of je ook in de allermoeilijkste omstandigheden overeind blijft. Een Japanse zen-monnik die zijn leven grotendeels doorbracht in de natuur als kluizenaar schrijft:

I watch people in the world

Throw away their lives lusting after things,

Never able to satisfy their desires,

Falling into deeper despair

And torturing themselves.

Even if they get what they want

How long will they be able to enjoy it?

For one heavenly pleasure

They suffer ten torments of hell,

Binding themselves more firmly to the grindstone.

Such people are like monkeys

Frantically grasping for the moon in the water

And then falling into a whirlpool.

How endlessly those caught up in the floating world suffer.

Despite myself, I fret over them all night

And cannot staunch my flow of tears.

Taigu Ryohan

Ook dat is werkelijkheid: we verliezen ons in onze verlangens en we raken steeds verder weg van onze innerlijke kern. Een kern die in statu nascendi de mogelijkheid bevat, zo vermoed ik, om gered, verlicht, verlost te worden. Als je tenminste de opvattingen van veel boeddhisten en zenboeddhisten mag geloven. Maar het gaat niet alleen om kennis, om inzicht, om filosofische of religieuze voorstellingen. Tokusan schrijft:


“Hoe groot je kennis van diepzinnige filosofie ook is, hij is als een haar in de oneindige ruimte. En hoe belangrijk je ervaring in wereldse zaken ook is, het is als een waterdruppel die valt in een onpeilbare diepte.”


Tokusan (782-865)

Zo kun je ook naar de kosmos kijken waarin onlangs een zwart gat gefotografeerd kon worden. Een omtrek van miljarden kilometers, onvoorstelbaar. Wat is de aarde, wat is ons melkwegstelstel, wat zijn wij in deze immense wereld van proporties die ons voorstellingsvermogen absoluut te boven gaat.
Rizzuto die Tokusan aanhaalt, citeert ook een joods verhaal over het zoeken en vinden van een schat. De schat waarnaar we op zoek zijn, is niet ver weg. Dat is de moraal van dit verhaal. We denken misschien dat we weet ik wat moeten ondernemen om dicht bij onszelf te komen, bij onze ware aard, bij ons diepste innerlijk, bij de bevrediging van ons verlangen naar geluk. Onze consumptiemaatschappij presenteert ons vele ‘aanbiedingen’ om die weg van en naar het geluk te vinden, maar ik vermoed dat al deze routes eerder het tegendeel opleveren. Waarom? Omdat geluk, omdat diepgang, omdat zinvolheid niet iets is wat je zo maar even kunt bereiken door het een en ander te doen (of te denken). Er zit een moment van genade in, dat wil zeggen: het valt je toe. Natuurlijk heb je zelf ook een aandeel in het proces, op je krent blijven zitten levert helemaal niets op, soms moet je op weg, moet je het aandurven om risico’s te nemen, om je ziel op het spel te zetten…. Maar de ervaring van genade blijft en is fundamenteel. Er valt veel te winnen, dat leert dit verhaal dat Rizzuto ons in een eigen versie aanbiedt:


“Vele jaren geleden woonde er in Krakau een arme jood genaamd Eisik, die op een nacht in een droom de raad kreeg om naar Praag te gaan. Daar zou onder de Koningsbrug een schat begraven liggen die hij moest opgraven en meenemen naar huis. Pas toen de droom tweemaal teruggekomen was, besloot hij naar Praag te gaan. Toen hij daar was aangekomen vond hij makkelijk de Koningsbrug.
Maar daar stond, dag en nacht, een schildwacht en hij was bang dat hij door de wacht gearresteerd zou worden als hij onder de brug begon te graven. Wat moest hij doen? Hij begon op enige afstand van de brug te zoeken. Toen werd hij ondervraagd door de schildwacht die dat direct had gezien, en hij vertelde hem zijn droom. De schildwacht lachte hem aanvankelijk uit. Maar toen werd hij ernstig en vertelde de jood dat hij een soortgelijke droom had gehad. Hem was gezegd dat er in Krakau een schat lag achter de oven in het huis van een vrome rabbijn, genaamd Eisik. Nauwelijks had de rabbijn zijn naam horen noemen of hij nam afscheid van de schildwacht en spoedde zich naar Krakau. Thuisgekomen vond hij direct de schat in zijn eigen kamer achter de oven.”

Zijn dromen bedrog? Welke waarheid bevatten onze eigen dromen? Een mens zou je ook een vat vol geheimen en vol mogelijkheden kunnen noemen. Niet alles is reeds bekend en soms moet je iets meemaken om daarachter te komen, opdat zich openbaart wie je bent, wat je wilt en wat je kunt. Volgens mij werkt het misschien zo: Wat erin zit kan eruit komen, wat er niet in zit, komt er ook niet uit. Misschien is dat wel zo met ons leven, met onze kwaliteiten die we met ons mee dragen, met de mogelijkheden die wij met onze geboorte en onze lichamelijkheid hebben ontvangen.
Het is in mijn ogen leerzaam om buiten de vertrouwde kaders te kijken, om ook eens kennis te maken met een wereldbeeld dat je nog niet kent. Zo spreekt mij het Taoïsme en zenboeddhisme aan omdat deze stromingen, deze wereldbeelden, op een andere wijze omgaan met de transcendente werkelijkheid dan bijvoorbeeld het christendom dat verwijst naar God en Gods zoon, Jezus van Nazareth. Taoïsme en zenboeddhisme spreken me ook aan omdat de kunstenaars in deze traditie geraakt zijn door de natuur, het landschap, waarin zij zich bevinden en dat ze uitdrukken in hun werk (als het ware zonder het perspectivisme dat onze westerse kunst kenmerkt). De mens bevindt zich in het geheel van het landschap en is niet uitgangspunt, niet bron, niet norm, niet bepalend voor de waarneming ervan, maar hij gaat erin op en is deel ervan. Dat houdt in dat de houding ten aanzien van de natuur allereerst gekenmerkt wordt door bescheidenheid en niet door een meesterschap over. We zijn deel ervan en we zijn (zeker) niet de baas.
Rizzuto laat zich inspireren door de gedachten van de Japanse monnik Dogen die veel heeft geschreven over zijn meditatieve praxis, zijn beleving van de werkelijkheid en de wijze waarop die werkelijkheid kan worden uitgedrukt. Dogen gaat uit van zijn eigen ervaringen waarin verlichting centraal staat en van het feit dat het leven daarna gewoon door gaat. Verlicht of niet, het toilet moet worden gepoetst.
Dogen neemt ook stelling tegen de praktijk waarin meditatie wordt ingezet om verlichting te bereiken, iets wat in het Westen soms wordt gepraktiseerd, ook door veel studenten. Mediteren om verlicht te worden werkt in zijn ogen averechts. Rizzuto schrijft hierover:

“Dogen baseert zijn meditatieve praxis op de verlichting in plaats van de verlichting op meditatie. Hij doet dit om teleologisch en causaal denken te vermijden. Wanneer we meditatie bewust of onbewust opvatten als middel om de verlichting te bereiken, maken we ons er schuldig aan. We laten ons dan verleiden door een denken in tegenstellingen zoals oorzaak en gevolg, middel en doel, heden en toekomst.
Dit dualistisch denken staat de uiteindelijke realisatie eerder in de weg dan dat ze haar bevordert. In al zijn geschriften is Dogen uiterst waakzaam om niet in de valkuil van het dualisme te vallen. Deze valkuil bespeurde hij overal, zelfs bij geëerde en beroemde zenpatriarchen. Daarom beschouwt Dogen zazen alleen (shikan-tanza) als de meest geëigende methode van meditatie:

Zet alle zorgen opzij en stop met alle activiteiten. Denk niet in termen van goed en kwaad. Laat je niet leiden door voorkeur en afkeer. Stop alle beweging van het bewustzijn en het oordelen over opkomende gedachten en gevoelens. Maak je geen illusies een Boeddha te worden.

Tijdens het zitten moeten we alleen maar zitten, zonder wat dan ook te willen of te doen. Zelfs het tellen van de ademhaling is overbodig. Wat blijft er dan over? Niet-denken, of zoals Abe zegt: non-thinking. Dat is een moeilijk te bevatten denken dat thinking en not-thinking overstijgt. Het is een absolute ontvankelijkheid waarin we onze gedachten niet meer achterna lopen, maar laten voor wat ze zijn. Dit vereist geduld. Wanneer we deze ontvankelijkheid realiseren, zal blijken dat de verlichting of uiteindelijke waarheid, evenals de schat uit de parabel, er altijd al was als matrix of ruimte waaruit we denken en handelen. Maar door onze dualistische en onderscheid makende bril die overal causale en doelgerichte verbanden legt, ontsnapt ze telkens aan het zicht. Dit is het geval wanneer we denken dat de verlichting ergens in de toekomst ligt of dat bepaalde handelingen en praktijken haar kunnen bewerkstelligen. Hoe serieus en toegewijd we ook zijn, dit denken gaat voorbij aan het simpele feit dat de schat waarnaar we op zoek zijn onder ons eigen huis begraven ligt. De verlichting is in het hier en nu, overal en altijd al aanwezig. Dogen raadt ons daarom aan om zazen te beoefenen zonder oogmerk, doel of verwachting. Alleen maar zitten, niets meer maar ook niets minder.” (einde citaat)

Alleen maar zitten, het lijkt makkelijker dan het is. Non-Thinking, bereik je volgens mij ook niet zo snel met mindfullness omdat de inner voice, de innerlijke dialoog, moeilijk uit te zetten is. We zitten gevangen in ons dualisme, onze dualistische benadering van de werkelijkheid omdat we ons vastklampen aan het onderscheid, het verschil, het ego dat wij blijven onderscheiden van de rest. Stel dat we zouden kunnen loslaten, ook onze gedachten, al onze taal, onze woorden en beelden, stel dat we niets zouden kunnen denken, niets voelen, niets ervaren, niets zijn…is dat mogelijk? Bestaat dit? Of kunnen we niet zonder beelden en verwoording van onze ervaringen om onszelf te vinden en terug te vinden in de werkelijkheid? Zouden we misschien verdrinken als we geen woorden en geen beelden, geen ego en geen zelf meer zouden hebben?
Dogen draait het om, Rizzuto wijst erop dat Dogen uitgaat van de ervaring van verlichting zelf en dan is taal, dan zijn woorden en beelden vormen van expressie die deze verlichting die niet onderscheiden is van het dagelijkse leven stem geven:

“Dogens anti-instrumentele opvatting beperkt zich niet tot meditatieve handelingen, want elke vorm van expressie beschouwt hij als de directe uitdrukking van verlichting. Expressie wordt zeer ruim gedefinieerd. Zij heeft betrekking op alle menselijke handelingen, zowel taal en kunst als lopen, slapen of eten. Maar niet alleen de mens, de hele werkelijkheid drukt zich uit of het nu bergen en rivieren, de seizoenen, of de zang van vogels betreft. Alles is expressie, maar expressie waarvan? We hebben eerder gezien dat Dogens filosofie van de expressie een positieve waardering van taal inhoudt. Wat dit betreft, neemt hij een uitzonderingspositie in binnen het boeddhisme.
Het boeddhisme heeft een instrumentele opvatting van communicatiemiddelen zoals taal. Dat wil zeggen dat taal een handige manier is om te verwijzen naar een werkelijkheid, of dat nu een tafel, stoel of de verlichting is. Wanneer we bij deze werkelijkheid of waarheid zijn aangekomen, heeft taal zijn taak vervuld en kan hij worden weggelegd. Taal is als de vinger die naar de maan wijst. Hebben we de maan gezien, dan is de vinger niet meer nodig. Voor Dogen zijn symbool en gesymboliseerde hetzelfde. Vanuit zijn consequente toepassing van het principe van nondualiteit is dit begrijpelijk. Net als het meditatief moment samenvalt met de verlichting, zo geldt dit ook voor symbool en werkelijkheid. Taal is voor hem een directe expressie van de boeddhanatuur.
Dit heeft belangrijke gevolgen. Want taaluitingen komen zo veel dichter op de huid te zitten van de werkelijkheid die de mystiek pretendeert te ontsluiten. Kim merkt op dat ondanks dat Dogen de onuitsprekelijkheid van de uiteindelijke ervaring benadrukt, dit bij hem niet leidt tot een zwijgen zoals bij ‘Wittgenstein. Deze zegt in een beroemde passage uit zijn Tractatus dat we moeten zwijgen over datgene waarover we niets kunnen zeggen.”

We kunnen dus spreken, ons uitdrukken, maar als we niet verlicht zijn moeten we niet de illusie koesteren dat onze woorden en onze beelden overeenstemmen met de werkelijkheid als zodanig. Dogen zet ons op een ander been. De landschapsschilderkunst in Japan laat ons dat zien: de kunstenaar drukt zijn ervaring van transcendentie uit – zijn werk is een getuigenis van zijn ervaring van transcendentie, niet van zijn ego en zijn opvattingen en visie. De kunstenaar die het best in staat is deze transcendentale werkelijkheid te verbeelden zodat ook anderen dit kunnen ervaren geniet de meeste waardering. Het ego van de kunstenaar, de handtekening op het werk, is irrelevant. Rizzuto schrijft:

“Onuitsprekelijkheid nodigt voor Dogen juist uit tot een oneindige wil tot expressie, bijvoorbeeld in een schilderij of een gedicht. Er bestaat echter een grens aan deze drang om zich artistiek te uiten. Want expressie mag niet voortkomen uit onze eigen beperkte wil, maar alleen uit een wil die om zo te zeggen van ‘buiten’ komt. Hoe minder onze wil en kleine ego interfereren, hoe meer we realiseren dat al onze uitingen expressies zijn van de boeddhanatuur.”

Deze gedachten van Rizzuto over Dogen en zijn opvattingen over leven en verlichting illustreren op een andere wijze het gedicht van Taigu Ryohan waarmee ik begon. Mijn leven is als een beekje, tussen de bemoste stenen, stromend naar zee. Beschenen door de zon, kabbelend, rustig, helder en transparant. Mijn leven dat de kosmos weerspiegelt en dat zo deel uitmaakt van die kosmos. De kosmos werkt in mij en transcendeert mijn relatieve bestaan in verandering. Ik ben doorgeefluik, ik weerspiegel de kosmos, het transcendente, het goddelijke is in mij en om mij heen. Wat zou je nog meer willen? Daar kan toch geen kapitaal tegen op?

Als een klein beekje
dat zijn weg zoekt
tussen de bemoste stenen
word ik ook
rustig
helder
en transparant

John Hacking
12 april 2019

Citaten uit: Rizzuto, Giovanni, Bergen en rivieren. filosofische meditaties naar aanleiding van een koan, Rotterdam 2011, (Asoka), pag. 120-122