Transcendentie

demonen
Winter in America is cold

Kunst kan een toegang zijn tot de hemel. Een vorm van oneindigheid die met menselijke middelen kan worden geduid (via de taal van het gedicht) of aangeraakt (via de beeldende kunsten of via muziek). Ook al geloof je niet in een transcendentale werkelijkheid (achter of onder de werkelijkheid als zodanig), valt jouw werkelijkheid samen met datgene wat je met je zintuigen kunt waarnemen, dan nog kun je gegrepen worden door de overweldigende schoonheid van een natuurfenomeen. Bij het aanschouwen hiervan kan er van alles door je heen geen. Je kunt je onderdeel voelen van een immens landschap aan je voeten. Je kunt je klein en nietig voelen, je kunt helemaal op gaan in wat zich aan je ogen ontvouwt. Dat is overstijgend en dat gevoel, of beter, die ervaring noem ik een transcendente ervaring omdat ze je uittilt boven het alledaagse. Schoonheid en waarheid hebben het vermogen je op te tillen. Uit boven de routine, uit boven de sleur van alledag. Uit boven de misère die je misschien in je leven kunt ervaren.

Een van mijn inspiratiebronnen in de kunst is eeuwenoude techniek om landschappen te schilderen in de Oosterse (China/Japan) traditie. Deze landschappen spreken me niet alleen aan omdat ze verwijzen naar het mysterie van het bestaan maar ook omdat ze expliciet hier naar op zoek zijn. François Cheng, de Franse filosoof en kalligraaf, beschrijft dit prachtig in een van zijn meditaties over de schoonheid. Hij zegt:

Het landschap dat het penseel van de kunstenaar op een schilderij laat ontstaan, kan hooghartig zijn of gekweld, compact of ijl, badend in licht of van duisternis doordrongen. Het komt er echter op aan dat dit landschap de dimensie van louter voorstelling overstijgt en dat het zich openbaart als een verschijning, een komst.

De komst van een aanwezigheid – niet in de figuratieve of antropologische betekenis van het woord- die je kunt aanvoelen of voorvoelen, de aanwezigheid van de goddelijke geest zelf. Deze aanwezigheid, met inbegrip van al haar onzichtbare eigenschappen, stemt overeen met het xiang-wai-shi-xiangof ‘beeld over de beelden heen’ van de Chinese theoretici. Het staat ook dicht bij datgene wat in de Chanspiritualiteit als een illuminatiewordt ervaren. Wanneer je bij het zien van een natuurtafereel – een bloeiende boom, een vogel die met een schreeuw opvliegt, een zonne- of manestraal die een moment van stilte verlicht – opeens de overzijde van het tafereel bereikt, dan heb je het scherm van de verschijnselen overschreden.

Je ondergaat de indruk van een vanzelfsprekende aanwezigheid die in haar geheel, onverdeelbaar, onverklaarbaar en toch onmiskenbaar naar je toekomt. Ze openbaart zich als een vrijgevige gave die ervoor zorgt dat alles als bij wonder daar is, een gave badend in een licht met de kleur van de oorsprong, die een oerlied neuriet van hart tot hart en van ziel tot ziel.

François Cheng, Over schoonheid pag. 126-127

Voor Cheng, en ik stem daar graag mee in, wordt transcendentie zo concreet ervaarbaar. Rainer Maria Rilke heeft weet van die ervaring. Hij is zich ook ervan bewust dat deze wijze van ervaren niet zonder meer deelbaar is. Er is en er valt nikt te bewijzen, maar er bestaat wel zoiets als: Denn unsichtbare sind unsägliche Himmel über der inneren Landschaft. Onzichtbaar, talloze hemelen boven het innerlijk landschap. Het is als met een droom. Met andere ogen en met andere vormen van gewaarworden laat deze soms onuitwisbare indrukken achter. De slaap is een mysterie. Je eraan overgeven, dromen die je slaap bevolken, het is niet enkel een kwestie van hersenactiviteit die in statistieken en tabellen kan worden weergegeven. Want al die techniek zegt niks over de inhoud, niks over de betekenis van de droom en het effect dat de droom op jou kan hebben. Misschien zijn dromen daarom wel de meest ‘normale’ en de meest voorkomende vormen van transcendente ervaringen ook al worden ze zo niet geduid.

In de traditionele Oosterse schilderkunst streeft men naar een aanraking met het oneindige, het transcendente binnen handbereik. Dat klikt eenvoudiger dan het is. Nodig is vooral een open geest, los van elk oordeel en elk vooroordeel. Maar nodig is ook overgave, zichzelf volledig overgeven aan de werkelijkheid die je omgeeft en die je draagt. Jouw identiteit, je ego, je zelfbewustzijn dat vaak houvast zoekt in zekerheden, in vaststaande overtuigingen, in onderscheidingen, in jij tegenover hij, in ik tegenover al het andere, is van voorbijgaande gaande aard. Het is illusie in contact met het transcendente. Maar hoe kun je in contact komen met het transcendente als de voorwaarde hiervoor loslaten is, en als het eindresultaat loslaten is? Zit je dan niet opgesloten in een onmogelijke cirkel? François Cheng duidt dit proces zo aan:

De nagestreefde oneindigheid is wel degelijk on-eindig. Het beeld van een ontrold Chinees schilderij, dat wordt voortgezet door de leegte, maakt dat duidelijk. In deze door de adem bezielde leegte schuilt een wachten, een luisteren dat bereid is een nieuwe komst te ontvangen, die op haar beurt een nieuwe verstandhouding aankondigt.

Om haar te bereiken is de kunstenaar altijd bereid pijn en verdriet te doorstaan. Hij is bereid gebrek en verlies te lijden, totdat hij helemaal wordt verteerd door het vuur van zijn handeling, totdat hij zich laat opzuigen door de ruimte van zijn kunstwerk. Hij weet dat de schoonheid niet zomaar iets is wat wordt gegeven. Zij is de hoogste gave van het deel dat werd geschonken. Voor de mens ten slotte betekent zij niet zozeer een verworvenheid, als wel een eeuwige uitdaging.

François Cheng, Over schoonheid pag. 127-128

Het transcendente als doel, het oneindige aanraken, kost dus veel inspanning en vergt veel loslaten. Het is een proces waar je jezelf in bevindt en waar je misschien aarzelend en zoekend je weg moet vinden. Niemand kan het voor je doen, je zult zelf de noodzakelijke stappen moeten zetten. In de poëzie tracht de dichter met woorden en beelden een weg te vinden, hij of zij baant een route door het riet (de werkelijkheid en veelheid aan betekenissen) met zijn poëtisch bootje, en al roeiende komt hij uit bij nieuwe horizonten. Nieuwe vormen van betekenis, nieuwe vergezichten, nieuwe ervaringen die de werkelijkheid weer op een andere wijze blootleggen en aan het licht brengen. Zoals het gedicht in de lente van E.E. Cummings:

IN DE LENTE

in

de Lente komt (geen
mens
vraagt naar zijn naam)

een reparateur
van dingen

met onstuimige
vingers (met
geduldige
ogen) her

-nieuw-

en herstellen wat
wij al
-licht zouden
hebben weg-

gegooid (en wiens

water
-sprankelende bloem-
zachte vogel
-rappe stem liefheeft

kinderen
en zonlicht en

gebergte) in april (maar
mocht hij
Glimlachen) komt wie

niemand zal kennen

Cummings, E.E. (ed.: Firmage, G.J.): Complete Poems, 1904-1962. New York 2016, p. 701 uit: https://gedel.nl/vertalingen/e-e-cummings/

Wie komt er in de maand april die niemand zal kennen? Wie is de reparateur die komt herstellen wat wij wellicht zouden weggooien omdat het stuk is? Deze vragen worden in dit gedicht niet beantwoord. Maar ze geven wel te denken. Wat is lente, wat is een nieuw begin, wat is herstel en wat is het nieuwe wat niemand kent? Het oneindige, het eeuwige, het transcendente zit in dezelfde categorie. Het valt buiten ons verstaan, we kunnen het met onze rationaliteit nauwelijks vatten, en toch kunnen we er een glimp van opvangen. De liefde, de schoonheid, de verrukking, de glans en kracht van de waarheid, de diepte onder ons bestaan, de ziel die in ons binnenste brandt als een vuur, als een vonk, als een lichtend baken, het zijn allemaal vormen en uitdrukkingen om iets van die oneindige transcendente kracht die ons kan dragen zichtbaar maken. Ook Rilke die ik boven al kort aanhaalde wist hiervan als hij deze ervaring in een gedicht vorm geeft: Aber die Liebenden gehn über der eignen Zerstörung ewig hervor; denn aus dem Ewigen ist kein Ausweg. De eeuwigheid kent geen uitweg, de liefde blijft, sterk als de dood, het oneindige draagt het eindige. Wat zou je kunnen tegenhouden – waarvoor zou je bang zijn – het oneindige is binnen handbereik.

Siehe, ich wusste es sind solche

Siehe, ich wusste es sind

solche, die nie den gemeinsamen Gang

lernten zwischen den Menschen;

sondern der Aufgang in plötzlich

entatmete Himmel

war ihr Erstes. Der Flug

durch der Liebe Jahrtausende

ihr Nächstes, Unendliches.


Eh sie noch lächelten

weinten sie schon vor Freude;

eh sie noch weinten

war die Freude schon ewig.


Frage mich nicht

wie lange sie fühlten; wie lange

sah man sie noch? Denn unsichtbare sind

unsägliche Himmel

über der inneren Landschaft.


Eines ist Schicksal.

Da werden die Menschen sichtbarer.

Stehn wie Türme. Verfalln.

Aber die Liebenden gehn

über der eignen Zerstörung

ewig hervor; denn aus dem Ewigen

ist kein Ausweg. Wer widerruft

Jubel?

Rainer Maria Rilke, 23.9.1914, Irschenhausen

kijk en luister ook: https://binged.it/2vkOJnl

John Hacking

24 januari 2020

Bron: François Cheng, Over schoonheid. Vijf meditaties, Kapellen 2008 (Pelckmans, Klement) pag. 93-128

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.