Rust

Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.

Matteüs 11:28-30 

Werkelijk rust? Wat is werkelijke rust? Bestaat dat wel in een maatschappij die gekenmerkt wordt door een voortdurende onrust omdat alles in beweging is? Het citaat uit het evangelie van Matteüs lijkt te zinspelen op een rust nadat het harde werken, de pijn en de zorgen voorbij zijn. De weg van Jezus volgen, zijn juk opnemen, een zacht juk, een lichte last en de rust ligt klaar voor jou. Is het zo makkelijk? Ervaren we het het volgen van de weg van Jezus veelal ook niet als een zware last omdat bijna het onmogelijke van ons wordt gevraagd? Hoe kun je dan rust vinden, rust zelfs in het volgen van zijn weg. Een weg die haaks staat op veel wat in deze samenleving van je geeist wordt en gevraagd. Klaar staan voor je naaste, niet jezelf voorop stellen, het goede kiezen en doen, de juiste weg bewandelen, dat wil zeggen in het spoor dat God heeft uitgezet via zijn geboden en zijn regels. Ook dat is al niet makkelijk. En er is veel meningsverschil, veel discussie over die geboden, die regels, dat spoor. Ware het zo gemakkelijk dan zouden we in een andere wereld leven. Het is niet alleen een kwestie van onwil of niet willen volgen van die geboden dat de wereld eruit ziet zoals ze nu is. Het is misschien zelfs ook wel een gevolg van het feit dat de vervulling van die geboden en regels een opgaaf zonder einde is. En toch houdt Jezus zijn volgelingen voor dat ze als ze die weg volgen rust zullen vinden. 

Ligt het dan aan ons, durven wij ons niet overgeven, zijn we te wantrouwig, te bang om hieraan toe te geven en alles op alles te zettten en te volgen?

De profeet Jeremia drukt die keuze zo uit: Dit zegt de HEER: Ga op de kruispunten staan, denk na, kijk naar de oude wegen. Welke weg leidt naar het goede? Sla die in, en vind rust. Maar zij zeggen: ‘Dat doen wij niet.’

Jeremia 6:16

Durven wij de goede weg in te slaan die ons wordt voorgehouden en waarvan we weten dat die in overeenstemming is met de route van Jezus en de regels en geboden uit de Schrift? De psalmen laten er geen twijfel over als ze zeggen:

De HEER is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets. Hij laat mij rusten in groene weiden en voert mij naar vredig water.

Psalm 23:1-2 

Alleen bij God vindt mijn ziel haar rust, van hem komt mijn redding.

Psalm 62:2 

Dat is dus een kernzin die ook bij Augustinus veel indruk heeft gemaakt en die dat zelf eeuwen later volmondig durft te onderschrijven. Uiteindelijk vind je ziel rust in de Heer, bij God. Alle onrust is voorbij – alle haast en onzekerheid, alle gejakker en alle zorgen zijn voorbij. Dat klinkt in de trant van de woorden van Jezus die misschien impliciet verwijst naar deze psalm. Maar we kennen rust ook uit de rust op de zevende dag van de schepping, de sabbat, het hoogtepunt van het scheppingswerk. Het boek Hebreeën zegt hierover met klem:

Er wacht het volk van God dus nog steeds een sabbatsrust. En wie is binnengegaan in zijn rust, vindt rust na zijn werk zoals God na het zijne. Laten we dus alles op alles zetten om te kunnen binnengaan in die rust, en zo voorkomen dat ook maar iemand dit voorbeeld van ongehoorzaamheid volgt en te gronde gaat.

Hebreeën 4:9-11 

Rust ligt dus in concrete al binnen handbereik als we zoals op de sabbat de rust binnengaan en op die dag ook daadwerkelijk rusten, dat wil zeggen niet werken, niet bezig zijn met de zorgen van alledag om ons brood en ons levensonderhoud te verdienen. De sabbat is een feestdag, telkens weer, een dag om na te denken, te studeren, stil te staan bij de wijsheid van God en bij de teksten die zijn overgeleverd. Opdat we zo houvast vinden in ons leven. Houvast en een vorm van vertrouwen die wortelen in deze rust en deze overgave. We hoeven niks, we moeten niks, we kunnen ook niks. We laten de rust aan ons gebeuren. We zien vanzelf wat dat oplevert maar het gaat niet om prestaties of om winst, niet om een uitkomst of de verwerkelijking van een plan of vooropgezette bedoeling. We laten de rust in en aan ons werken. Tot rust gekomen komen bij onszelf. 

Een andere auteur die eeuwen later leeft, heeft de rust die de wijsheid heeft gevonden en die beschreven wordt in het boek Wijsheid van Jezus Sirach, uitgebreid ter sprake gebracht in een preek. Meister Eckhart neemt die rust die de wijsheid (hier in de ikvorm) vond tot uitgangspunt. Het citaat luidt iets uitgebreider: 

Ik diende hem in zijn heilige tent, zo kreeg ik een vaste plaats op de Sion. In de geliefde stad gaf hij me een rustplaats, over Jeruzalem kreeg ik zeggenschap. Ik wortelde te midden van dat glorierijke volk, het gebied van de Heer werd het mijne.

Wijsheid van Jezus Sirach 24,10-12

Eckhart schrijft hierover in zijn preek:

“Deze woorden staan geschreven in het Boek der wijsheid. Die willen we dit keer zo uitleggen alsof de eeuwige wijsheid met de ziel praat en zegt: ‘Ik heb in alle dingen rust gezocht.’ Waarop de ziel antwoordt: ‘Die mij geschapen heeft, heeft in mijn tent gerust.’ Dan zegt de eeuwige wijsheid weer: ‘In de geheiligde stad is mijn rust.’ Als men mij om een afdoende verklaring zou vragen voor wat de Schepper bedoelde met het scheppen van alle schepselen, dan zou ik zeggen: rust.  Zou men mij vervolgens vragen wat de Heilige Drievuldigheid in al Haar werken ten enenmale zoekt, ik zou zeggen: rust.  Zou men mij ten derde vragen wat de ziel in al haar bewegingen zoekt, ik zou zeggen: rust.  Zou men mij ten vierde vragen wat alle schepselen in hun natuurlijke verlangens en bewegingen zoeken, ik zou zeggen: rust.”

Eckhart spreekt over de liefdeskracht van God en over de ontvankelijkheid van de ziel alsof dat bijna vanzelfsprekende dingen zijn. Als de psalm zegt dat alleen bij God mijn ziel rust vindt dan is dat voor ons modernen niet vanzelfsprekend. Hoe zeer Augustinus gegrepen hierdoor was is nog geen garantie ervoor dat wij hetzelfde kunnen en mogen ervaren. Diezelfde spanning komt ook aan het licht bij het zachte juk van Jezus. Ligt het probleem helemaal aan onze kant: dat wil zeggen, dat als ik die rust niet ervaar dat een kwestie is van een gebrek aan overgave? Zoek ik niet hard genoeg naar God, faal ik, kom ik tekort, raak ik nog niet eens aan de grens van mijn trachten omdat ik gewoon niet hard genoeg durf te vertrouwen? Eckhart ziet dat anders. Hij beschrijft dat de ziel hoe dan ook door God wordt aangemoedigd. Hij schrijft in zijn preek:

“In de eerste plaats moeten we opmerken en bespeuren hoe het goddelijke gelaat van de goddelijke natuur de hele ziel dol en buiten zinnen maakt van verlangen daarnaar en dat het de ziel tot zich trekt. Want God smaakt de goddelijke natuur, dat wil zeggen: rust, zo goed en die bevalt Hem zo, dat Hij haar uit zich naar buiten heeft gebracht om het natuurlijke verlangen van alle schepselen te prikkelen en naar zich toe te trekken. Niet alleen zoekt de Schepper Zijn eigen rust doordat Hij die uit zich naar buiten gebracht en in alle schepselen gelegd heeft, maar Hij zoekt ook alle schepselen weer naar zich toe te trekken als in hun eerste oorsprong, dat is: rust. En ook heeft God zichzelf in alle schepselen lief. Zoals Hij in alle schepselen Zijn eigenliefde zoekt, zo zoekt Hij in hen ook Zijn eigen rust.”

Om dit denken van Eckhart enigzins te kunnen plaatsen en mee te voltrekken is wat uitleg nodig. 

Michel Dijkstra bespreekt in “In alle dingen heb ik rust gezocht. De weg naar eenheid van Meister Eckhart en zenmeester Dōgen” het thema Godsgeboorte bij Eckhart. Hij schrijft over Eckhart, ik citeer:

“Hij stelt dat de mens de keuze heeft tussen twee levenshoudingen. Hij kan zich puur op zijn status als schepsel richten en zo een opvatting van God ontwikkelen als iemand die oneindig ver van hem verwijderd is. Op die manier leeft hij als een wezen dat naar Zijn evenbeeld is geschapen, maar hier verder niet op reflecteert.  De mens heeft echter ook de mogelijkheid om zich te richten op zijn intellect voor zover dat Gods evenbeeld vormt. Wie zijn geest losmaakt van het aardse, laat de Zoon of het goddelijke Woord in hem geboren worden. Zo werkt God in hem en wordt de mens, die naar Gods beeld is geschapen, tot beeld Gods. Het naar Gods beeld betekent dus zoveel als een aanleg of vermogen om beeld Gods te zijn; dat vermogen wordt door de Godsgeboorte in de ziel gerealiseerd. Hoewel Eckhart deze ommekeer een ‘lijden’ of ‘ondergaan’ van God noemt, impliceert dit concept geen passiviteit: de ziel stelt zich actief open voor het goddelijke. Het begrip ‘Godsgeboorte’ onderstreept hierbij ‘het nieuwe begin’ dat voor de gelovige in dit proces opengaat.” 

Eckhart wil dus dat de ziel zich actief opent voor God en als ze dat doet is ze al bij God en ervaart zij de passie die van God komt. Ligt het probleem dan zo bij ons dat wij de ziel niet genoeg open stellen, dat we teveel zijn afgeleid, niet geopend voor het goddelijke dat reeds in ons werkzaam is? Te veel op het aardse gericht, te weinig op wat er echt toe doet. Teveel onrust en onrustigheid en geen rust om tot en bij onszelf te komen? Dijkstra stipt dit aan als hij schrijft:

“In het wijsheid-commentaar benadrukt Eckhardt dat de mogelijkheidsvoorwaardenvoor deze geboorte ‘rust’ en ‘stilte zijn’ of zwijgen zijn. Poëtisch merkt hij op dat dit wonder plaats-vindt ‘als de werk-en doeloorzaak zwijgen’ omdat zij bij het geschapene horen. Kenmerkend voor deze door Aristoteles gecategoriseerde oorzaken is dat het veroorzaakte buiten de veroorzaker wordt geplaatst, behalve bij levende (natuurlijke) dingen. Dit proces van uitwendige veroorzaking heet in de eckhartiaanse terminologie ‘uitstromen of ebullitio. Hieronder valt ook de schepping van alle dingen door de goddelijke bron. De geboorte van God in de ziel vindt echter volgens de zogenaamde vormoorzaak plaats: het gaat hier namelijk om voortbrenging zonder dat het voortgebrachte buiten de voortbrenger wordt geplaatst, een proces dat Eckhart doorgaans als ‘borrelen’ of bullitio betitelt. Dit is tevens de manier waarop de Zoon binnen de drie-eenheid wordt voortgebracht: het model voor de godvormige ziel.” 

Een ‘borrelende kracht’ opborrelend uit God, God niet verlatend, niet tegenover God, maar in God. Dat betekent dat de ziel in God is en dat God in de ziel is. Godsgeboorte is dus een altijd al een voldongen feit. De ziel in ons heeft er weet van en leeft van hieruit. Ware dit niet zo, we zouden geen levend wezen zijn. God in ons borrelend en wij als ziel in God deel van dit proces. Deze metafoor van stromen, borrelen, uitstromen komt ook terug in delen van de Kabalah waar God uitstroomt in zijn scheppingsproces. Maar dat is een andere context. Eckhart blijft bij het thema rust dat op diverse niveau’s wordt nagestreefd. Hij zegt in zijn preek: 

“In de tweede plaats zoekt de Heilige Drievuldigheid rust. De Vader zoekt rust in Zijn Zoon doordat Hij alle schepselen in Hem uitgegoten en gevormd heeft, en Zij beiden zoeken rust in de Heilige Geest doordat deze van hen beiden is uitgegaan als een eeuwige, onmetelijke liefde.”

Het thema rust is dus eigenlijk de manier waarop de schepper werkt in zijn schepping: het procesmatige, het borrelende, heeft rust, vindt rust, zoekt rust, in wat is voortgebracht. Het moge duidelijk zijn dat dit poëzie is, en niet een beschrijving van een feitelijkheid. Dat zou ook veronderstellen dat wij weten wie en wat God is en hoe Hij werkt. Dat zou hybris zijn. We blijven hiermee onbekend maar op poëtische wijze probeert Eckhart een tipje van de sluier op te lichten en woorden en taal te kiezen om dit proces te duiden en om de relatie God-ziel gestalte te geven. 

Hij schrijft over de ziel die rust zoekt:

“Ten derde zoekt de ziel rust in al haar krachten en bewegingen, of de mens dat nu weet of niet. Hij doet nooit een oog open of dicht zonder daarmee rust te zoeken: af hij wil iets van zich afwerpen wat hem hindert, af hij wil iets naar zich toe halen waarop hij kan rusten. Bij alles wat de mens doet gaat het om die twee dingen. Ik heb al vaker gezegd dat de mens voor geen enkel schepsel ooit liefde zou kunnen voelen of er vreugde aan beleven als daarin niet Gods gelijkenis aanwezig was. Wat ik liefheb is datgene waarin ik Gods gelijkenis het meest herken, en in de schepselen is niets zo aan God gelijk als rust. In de derde plaats moeten we onderkennen hoe de ziel dient te zijn waarin God rust. Zij moet rein zijn. Waardoor wordt de ziel rein – door zich aan geestelijke dingen te houden wordt zij omhoog geheven; en hoe hoger zij wordt opgeheven, des te zuiverder wordt zij in haar aandacht; en hoe zuiverder zij wordt in haar aandacht, des te krachtiger wordt zij in haar werken.” 

Eckhart grijpt in zijn preek ook terug op denkbeelden van andere theologen om zijn punt te maken. Rust vinden in de God als deel van het proces waarin de ziel zich bevindt kan al makkelijk plaatsvinden als je in je dagelijks leven rust nastreeft en je niet door alles en iedereen gek laat maken. Heel concreet zegt Eckhart, de theoloog Anselmus citerend:

“Anselmus zegt tegen de ziel: Trek je een beetje terug uit de onrust van uiterlijke werken.’  Voorts: ‘Vlucht en verberg je voor de storm van inwendige gedachten die ook onrust brengen in de ziel’  En als derde: ‘Voorwaar, de mens kan God niets welgevalligers bieden dan rust.’  Aan vasten en bidden en allerhand kastijding hecht God geen waarde en heeft Hij helemaal geen behoefte in tegenstelling tot rust.  God heeft niets nodig dan dat men Hem een rustig hart geeft; dan verricht Hij in de ziel zodanig verborgen goddelijk werk dat geen schepsel daaraan iets kan bijdragen of daarbij kan toekijken; zelfs de ziel van onze Heer Jezus Christus kan daar geen inkijk in hebben. De eeuwige wijsheid is zo fijn en teer en zo stralend, dat zij het niet verdraagt dat enig schepsel zich daarin mengt waar alleen God in de ziel werkt; daarom kan de eeuwige wijsheid het niet verdragen dat ook maar enig schepsel daarbij toekijkt. Onze Heer zegt: ‘Ik wil mijn vriendin in de woestijn leiden en wil tot haar hart spreken’, dat wil zeggen: in de eenzaamheid, ver van alle schepselen.  Ten vierde zegt Anselmus dat de ziel moet rusten in God. Goddelijk werk kan God in de ziel niet verrichten, want alles wat in de ziel komt is bemeten. Iets is bemeten wanneer het iets in zich sluit en iets buitensluit. Maar zo is het niet met goddelijke werken gesteld: die zijn onbemeten en zijn sluitend ongesloten volgens goddelijke openbaring.”

Zolang wij hier op aarde leven en levende wezens zijn worden we gekenmerkt door onrust die ons beheerst. Ons lichaam stuurt ons, leidt ons, wijst ons de weg, maar doet ons ook afwijken van wat goed voor ons is. Ons lichaam is het schip waarin het zelf koers zet naar een horizon, maar als dat zelf geen weet heeft van de innerlijke krachten die het zelf dragen en in leven houden, de krachten van de ziel, vaart het schip een onbestemde koers, van hot naar haar, van lust naar verlangen, van bevrediging naar ontevredenheid en steeds meer en steeds iets anders willen. De aarde geeft de ziel geen houvast. Het zelf zonder besef van de ziel verdrinkt in zijn eigen zelvigheid en weet geen koers te houden, zeker niet als het zelf gelooft in zijn eigen almacht. 

Eckhart heeft een einddoel in gedachten: de vereniging van de ziel met God:

“Zo is het ook met de ziel: wanneer zij geheel verenigd wordt in God en gedompeld in de goddelijke natuur, dan verliest zij al haar hindernissen en zwakheid en onstandvastigheid en wordt in een goddelijk leven helemaal vernieuwd en wordt in al haar zeden en deugden geordend naar goddelijke zeden en deugden, zoals men kan waarnemen aan het licht: hoe dichter de vlam bij het kousje brandt, des te donkerder en grover is ze; naarmate de vlam hoger boven het kousje uitsteekt, is ze lichter. Naar mate de ziel hoger boven zichzelf is uitgestegen is zij zuiverder en helderder en kan God des te volmaakter Zijn goddelijk werk in haar als in Zijn eigen gelijkheid verrichten.”

Nochmaals, het is eerder de taal van de dichter dan van de theoloog die zijn lezers voorhoudt hoe het in elkaar zit. Eckhart verpakt zijn gedachten in een preek. Een overweging die, zoals alle overwegingen, ook altijd gericht is aan jezelf en niet alleen aan de toehoorders. Dat is ook wat in deze tekst plaatsvindt: al verkennend en aan de hand van richtingwijzende citaten en uitspraken proberen een weg te zoeken in dit doolhof van opvattingen en opgaves. Maar het thema rust is bij uitstek een thema dat heel dicht op de huid ervaren kan worden als we zelf de tijd maar nemen om rustig te worden, rust te vinden en rust toe te laten in ons leven. Wie weet voor welke stormen we dan bespaard blijven omdat onze geest rustig is en geen water te hoog is.

John Hacking 

5 april 2020 Palmzondag

Meister Eckhart, Over God wil ik zwijgen II. Preken, Groningen 2001 (Historische uitgeverij) 

Dijkstra, Michel, In alle dingen heb ik rust gezocht. De weg naar eenheid van Meister Eckhart en zenmeester Dōgen, Nijmegen 2019, (Vantilt) Pag 110-111