Sprakeloos water

Selectie uit: Sprakeloos water. Spiegel van de moderne jiddische poëzie. Samengesteld en vertaald uit het jiddisch door Willy Bril, Amsterdam 2007 (Meulenhof)

Wat is nog desolater
dan sprakeloos
water

Malke Cheifets-Tuzman

IK ZAG EEN ZWALUW

Ik zag een zwaluw in zijn vlucht
en dacht, zij zal daar altijd zweven.
Een roos zag ik, in volle pracht
en meende zij :zal eeuwig leven.

Ik zag in het veld een boom
en dacht, hij zal daar altijd staan.
Eens spon ik mi i een droom
en dacht, mijn droom zal niet vergaan.

Ik ben die zwaluw, aangeschoten,
De boom, door stormen neergebogen,
de bloem, ruw van de struik gebroken,
de droom met uitgebluste ogen.

Diep in mijn hart weeklaagt de wind
met zeven jammerende stemmen,
maar ik ben hoopvol als een kind
bereid om alles, alles lief te hebben.

Dora Teitelbaum

The poet asks:
Tell me the truth, oh, shoes,
Where disappeared the feet?
The feet of pumps so shoddy,
With buttondrops like dew —
Where is the little body?
Where is the woman, too?
All children’s shoes — but where
Are all the children’s feet?

(A Vogn Shikh – A Wagon of shoes uit 1942)

Abraham Sutzkever 1913-2010

JIDDISCH
Moet ik opnieuw bij het begin beginnen?
Moet ik als Abraham
uit broederschap de afgoden aan gruzels slaan,
moet ik mij hertalen laten bij mijn leven?
Moet ik mijn tong herplanten
en wachten tot zij zal veranderen
in voorvaderlijke rozijntjes met amandelen?
Wat een ontaarde
grappen
preekt mijn broeder-dichter met de bakkebaarden:
als zou mijn moedertaal ras naar de knoppen gaan.
Wij zullen zeker hier bij de Jordaan
over honderd jaar nog discussiëren.
Want één vraag blijft mij intrigeren:
als hij nauwkeurig weet waar
de Berditsjever bede,
waar Jehoash’ lied
en Kulbaks zang
afglijden
naar de ondergang
laat hij mij dan ook de plek aanwijzen
waarheen de taal te gronde gaat.
Bij de Klaagmuur soms?
In dat geval zal ik daar staan
mijn muil zal ‘k opensperren
als een leeuw,
in fakkel en flambouw zal ik mij hullen,
opslorpen mijn ondergaande taal,
opslorpen en alle generaties wekken met mijn brullen!

‘jullie spartelen maar wat. kalfjes. jullie willen. achenebbisj, niet naar de slachtbank. nebbisj! geslacht worden jullie toch!’ -chaim nachman bialik, hebreeuwse dichter, tegen zijn jiddisch sprekende tegenstanders

Abraham Sutzkever 1913-2010

OLIFANTEN BIJ NACHT
Olifanten bij nacht, als logge geesten die zich op de rij afkomen baden in een meerzijn geen olifantenzij dragen slechts een maskerIk, de jager van de nachtdie heeft aanschouwd hoe sterrenveranderen in antilopen –ik loerde eens tussen het struikgewas bij een rivier naar zevenmaanbeschenen olifantendie naar de oever kwamen
Een ogenblik sloeg elk van hen het water gade, of er niemand was die keeken deed daarna het olifantenmasker afde oren, tanden, en de lange slurftotdat zich voor mijn ogen zeven meisjes toondenZeven meisjes klieven met hun borst het waterwelven zich als toverstralenzwemmen, zwemmen
Ik wist: zij zullen weldra teruggaan, en zich hullenin oren, slurven om weer olifant te wordenEn stiller dan een slang besloop ik hun vermommingnam één masker mee, verstopte mij opnieuwEn toen de zeven meisjes, in paarlemoeren floerszich weer tot olifant vermomdenontbrak voor één een masker, en zij bleefnaakt zitten op een steen, met bibberende ledeneenzaam, onbemind, in ongenade
En ik, de jagerben met haar getrouwd, een meisje zonder masker

Abraham Sutzkever

SIBERIË

Zonsondergang over ijsblauwe wegen.
Zoete halfslaapkleuren in het gemoed.
Een kleine hut licht op in ’t dal
met schemersneeuw bestoven.
Wonderwouden wuiven op de vensterruiten,
toversleden rijden tingelend rond.
Op het platje koeren duiven, koeren
Mijn gezicht naar buiten. Onder het ijs,
Gegroefd door flonkerende kirstallen
Rimpelt de Irtisj, als in een droom zo waar.
Onder stilgevallen hemelkoepels
ontluikt een wereld een kind van zeven jaar.

Abraham Sutzkever

POËZIE

Een donker-violette pruim,
de laatste aan de boom,
de huid vliesdun, als een pupil zo teer,
waarop des nachts de dauw
liefde, droombeeld, onrust blust
waarnaar bij de eerste morgenster
de dauw ontstijgt –
dat is poëzie. Betast haar zo
dat op haar huid geen vingerafdruk blijft.

Abraham Sutzkever

IK LIG IN EEN KIST

Ik lig in een kist –
als in een mantel van hout,
ik lig.
Laat het een schip zijn
op woelige baren,
laat het een wieg zijn.

En hier,
waar het lichaam van tijd
afscheid neemt,
roep ik je, zusje,
stem uit de verte.

Hoe kan in een doodskist
een lijf plotseling rillen?
Jij komt.
Ik herken je pupillen,
je adem,
je licht.

Zo is dus de richtlijn:
Heden hier,
Morgens ginds,
En nu – in een kist
Als een mantel van hout,
Mijn woord blijft zingen.

Abraham Sutzkever

TER HERINNERING AAN MIJN SIAMESE KAT

Mijn Siamese kat stoof weg naar haar geliefde
of misschien wel naar haar man,
alsof ze uit een vlammende gevangenis ontsnapte.
En het zo verbijsterend snel
dat mijn zegen haar niet in kon halen.

Wie gunde haar die vreugde niet? Werd in de rekening
die niemand kan begrijpen, niet een fout gemaakt?
De uitwisser van levens hulde zich op tijd
in rubber banden
en mijn kat bleef op het asfalt achter, platgewalst.
De uitwisser van levens waste zelfs zijn handen
niet. Hij had bijtijds in het meedogenloze stads-
verkeer een schuldige voorhanden
en mijn kat bleef liggen, levenloos,
met open, half bewusteloze ogen.

En toen ik haar des avonds kleedde in een hemd
en haar een wieg groef in ons aller aarde,
kwam aangesprongen haar geliefde of haar man
en zag ik voor het eerst een kattenweduwnaar.

Abraham Sutzkever

EEN GRASHALM UIT PONAR
Ik heb een brief uit mijn thuisstad in Litouwen,
van iemand die de charme van haar jeugd nog heeft bewaard.
Ingesloten heeft zij al haar liefde en haar rouwen:
een grashalm uit Ponar.

De grashalm met een zieltogende glans,
belichtte de gezichtjes van elk letterpaar.
En boven die gezichten, in fluisterende as:
de grashalm uit Ponar.

Die grashalm is mijn wereld nu, mijn huis in miniatuur,
kinderen spelen er viool op een regeltje van vuur.
Zij spelen er viool, de dirigent is legendaar:
de grashalm uit Ponar.

Nimmer zal ik van die grashalm uit mijn thuisstad scheiden,
de langverbeide goede aarde heeft een plekje voor ons beiden.
Dan heb ik voor de Opperheer een klein cadeautje bij me:
de grashalm uit Ponar.

Abraham Sutzkever

KLAAGZANG VAN EEN JONGE WEDUWE
Sinds jij niet in mijn armen bent heb ik geen sterren nodig,
leef ik op de vreugdeloze wereld met twee zielen.

Ons kind kreeg niet de kans om uit te zingen: mama –
gebleven is het half in jou en half in mij. Voor immer!
Liefste, evenals de zon in zee
verkleinde zich de wereld, slechts mijn liefde
wordt in die verkleining stadig groter.

Men zegt: ‘k ben mooi. Als jij zou zeggen: lelijk
zou dat liever zijn geweest dan mooi.
Wanneer ik maïs eet lijkt het
of ik je lippen proef.
Je herken ik
in de stormig rode os.
In het brullen van de leeuw
voel ik je machtige begeerte.
Sinds jij niet in armen bent heb ik geen sterren nodig.

Abraham Sutzkever

PLAATS EN TIJD

Ik vlieg binnen in een volle autobus:
een bijenkorf zonder koningin. De bijen
zoemen mensentaal. Ik heb geen status, dus
vind ik geen zitplaats om mij neer te vlijen.

Nou ja, ik ga maar hangen aan een lus
‘k heb in een bijenkorf geen eigen honingraat
totdat een aardig meisje, met verholen lust
onder haar zomersproetjes, mij haar plaats afstaat.

‘k Zit opgepropt, hoor uit haar mond mijn vonnis:
zo oud als een woestijnfossiel ben ik, een baard
heb ik van wel een kilometer, ik lijk precies
een afgeleefde beer. Toch zeg ik haar:
‘Jij, in minirok van achttien jaren,
ik dank je voor je plaats, vergeef mij het ongerief
en schrik niet van het aanbod van een halve gare:
beschik over mijn tijd indien het je belieft.’

Abraham Sutzkever

Liederen uit mijn dagboek: 1974

Wie zal blijven, wat zal blijven? Blijven zullen winden,
blijven zal de blindheid van een blinde.
Blijven zal het handschrift van de zee -een regel schuim slechts,
Blijven zal een wolkje, dat zich in een boomtop heeft gehecht.

Wie zal blijven, wat zal blijven? Eén lettergreep volstaat
om weer te groenen als het gras van den beginne.
Blijven zal een fiedelroos om haar zelfs wille
en zeven van het gras zullen haar verstaan.
Meer dan alle sterren de hemelpolen
Blijft de ster die in een traan wil wonen.
Ook een druppel wijn zal blijven kleven in een kroes.
Wie zal blijven? God zal blijven. Is dat niet genoeg?

Abraham Sutzkever

SONORE VIOLONCELLEN

Nee, wij zijn niet aan het einde,
ons begin is nog innig-dichtbij,
wij zetten onze voettocht naar elkander
voort, en de nieuwe horizon is vrij.

Wij zullen vast elkander weer ontmoeten
in een spiegel: daarachter in het gras
zullen sonore cellotonen sproeien
en de spiegel zal niet zijn van glas.

Niet van glas maar van een weefsel
vertrouwd en onvervreemdbaar waar:
daarachter ligt een nieuw beleven
en de dood zal hangen aan een haar,

Is het dan mogelijk dat wij ons vergissen
dat ons mooiste uur toevallig was?
Zal een blinde worm dat uur wegknagen,
blijven er slechts scherven in het gras?

Nee, wij zullen vast elkander weer ontmoeten
als voorbestemde klanken in een rijm.
Sonore cellotonen zullen sproeien
over witte wouden van oneindigheid.

Abraham Sutzkever

DUIVEN SPREKEN JIDDISCH

Duiven spreken Jiddisch.
Ik heb het zelf gehoord.
Peinzend
zenden hun woorden
naar de aarde
om een korrel graan te vinden –
dan koeren zij -als dichters -in het Jiddisch
naar een sprankje morgenlicht.
Ik praat met hen
en met een Jiddisch woord
streel ik hun vogelvlucht.

Rivke Basman

LATEN WE ZEGGEN

Laten we zeggen
wij ontmoeten elkaar
op internet.
Daar leven wij
virtueel.
Laten we zeggen
dat het nooit voor ons
te laat zal worden
elkaar te vinden
alleen op internet.
Zonder een streling,
zonder gebaar
zonder mij,
zonder jou.
Te laat zal het nooit worden.
Laten we verhuizen
naar internet.

Rivke Basman

IN HET HART VAN BARNSTEEN

In het hart van barnsteen
Rusten honingsporen –
Mi8ljoenen jaren worden niet oud
In het hart van barnsteen
schuilen een blad en een bij
en een parel
zo groot als een traan.

Rivke Basman

KINDEREN PRATEN OVER DOOD

Kinderen praten lachend
over dood
als over een ver land
zo praten kinderen over dood
met een bloempje in de hand.

Nu sta ik bij de klare poort
van mijn jaren
en koester aan mijn oor
iedere glimlach
die ik verloor.

Nu sta ik bij de klare poort
van dat verre land
en zoek het bloempje
in mijn hand.

Rivke Basman

DON QUICHOTE

Op donkere lege wijzerplaten
wentelen fosforescerende wijzers,
als armelui die kloppen
aan de deur van vervallen huisjes.

Rovers hebben de cijfers
Uitgerukt met de uren ineen –
de wijzers willen wijzen
en weten niet waarheen.

Op zo’n wijzer wil ik rijden
als Don Quichote op zijn paard –
ik ga in een rommelkist zoeken
naar een schild, een lans en een zwaard.

Alexander Spieglblat

KLEUR

De kleur van dingen is het verstilde licht
dat op Gods gezicht te glanzen lag,
bij de eerste avondschemer
na de zesde scheppingsdag.

Kleur is de spraak die God heeft gegeven
aan alles wat naar hem verlangt,
bij de eerste avondschemer
na de zesde scheppingsdag.

Kleur is de grenslijn die God aanbracht
om de dag te scheiden van de nacht,
zodat ik geen zier te begrijpen vermag
van de zesde scheppingsdag.

Alexander Spieglblat

IN IEDERE BOOM

In iedere boom
sluimert het vuur
dat hem eens zal verteren.
De bloesem
is het gebed
van de boom
voor zijn eigen
as.
Toorn niet,
God, vanwege
mijn onbehouwen
exegese.

Alexander Spieglblat

STILTE

Ik schilderde
met duisternis-inkt
op strakgespannen
stilte
als op een
zwarte kaft.

Zo schildert misschien
de regen
bij nacht
op donkere
waterspiegels.

De dageraad
verrees
als een frisgewassen meid
en goot
bekkens met licht
over iedereen uit

Alexander Spieglblat

DRUIVEN

Op een hete namiddag
in een verhit gesprek,
hebben druiven
mij hun droom toevertrouwd –
zij willen geplukt worden.
Een gewoon druivenverlangen,
Van gewone lekkere druiven.
zij willen graag in trek zijn,
zij willen niet beschaamd
aan de wijnstok blijven hangen.

Heet zijn de dagen, de tijd verstrijkt
en een druivendroefte
wasemt zwijgend van alle ranken.
De zon troost het druivenvolk
Hij heeft zoiets vaker gezien-
en werpt het vurige knipoogjes toe.
Blozen, blozen de blauwe druiven
en de witte verbleken, verbleken.
Achter een waas van druiventranen
glanzen druivenogen met een stille gloed.

Rochl Fishman

LIEDEREN VOOR MIJN VERJAARDAG

Tranen
Voor tranen moet een reden zijn
maar lachen
doe je vanzelf.
In de vroegte omdat het ochtend is,
’s avonds omdat de nacht begint.
Tranen eisen rekenschap
wat huil je, wat huil je mijn kind? –
Maar je lach mag tomeloos
tomeloos als de wind.

Rochl Fishman

Goede leermeesters

Goede leermeesters heb je,
misschien word je toch nog een mentsj,
al zit je nooit op je stoel
en lach je vaak op het verkeerde moment.

Mogelijk
wist je het al eerder –
maar de berg Gilboa
heeft je pas goed geleerd
te zwijgen,
Gilboa bij nacht.
Ademen heb je geleerd
in een lenteweide.
Bomen na de regen
hebben je gewezen
tranen af te schudden.
Lang, o lang geleden,
ik herinner mij niet meer
of het de zee was
of de eerste sneeuw
of enkel een zonsondergang
die glunderde uit de verte
toen jij je eerste droomstapjes zette.

Misschien word je toch nog een mentsj!

Rochl Fishman

OMZEE MIJ

Omzee mij,
doorgolf mij
en
ook al zand je mij weg,
oor een schelp
waar herinnering trommelt,
waar parelt je stern.

Rochl Fishman

IN DEN BEGINNE

In den beginne
was er de zon.
De Emek is
een lachrimpeltje
van de zon.
Alle granaatappels
zijn haar borsten.
En alle druiven
haar vingertoppen.
De nagels van haar voeten
doornen in het veld.
De knokkels van haar opgeheven vuist
De Gilboa.

Als de zon
haar vlechten losknoopt
en haar zwarte haren
over haar kussen spreidt-
wordt het nacht.
Maar wij weten:
haar roze oortje
dat zich spitst
onder de sprei vandaan,
is de dageraad
opnieuw
een begin.

Rochl Fishman

En U, Nebbisj…

Ik verstop mij in huis –van de dag maak ik nacht.
Ik sluit alle vensters
doof alle lampen
schuil weg
in de kast.
Kiekeboe!

Ik kruip in een schoenendoos, ‘hardlopers-mode!’,
diep in de neus van de schoen
knijp ik mijn ogen half dicht
en ik wacht.

Plotseling flitst de Heer der heerscharen -als een filmoperator,
tovert mij zeldzame landschappen voor, onaardse wezens.
Ik noteer in het donker vlug in mijn gelige schrift
een zeeberg, een zwijn
met een cello tussen zijn poten, een haan met drie staarten …
en u, die het leest, windt zich op en stelt mij de vraag:
Wat betekent dit nou, wat is dat?

Lev Berinski

EEN NARE GEWOONTE

Nog maar even-
of ik heb Hemingways leeftijd bereikt, maar tot op heden
stortte ik niet met een vliegtuig omlaag,
jaagde niet op verfomfaaide leeuwen
in Afrika’s groene oorden,
ik heb in Italië niet
op het doodstille slagveld
mijn hart aan Catherine verloren
en tijdens congressen
trad ik niet op
met een rede van aanklacht -maar luister:
elke dag, bij mijn jacht naar de wereldomspannende roem van ‘Hemm’
of van Miro
of naar die druppel Modigliani
die doolt door mijn bloed -elke dag
of tienmaal per dag, zoals het radio-weerbericht
of zoals iemand van u de nare gewoonte heeft
in zijn neus te peuteren
blijf ik stilstaan: dan plaats ik mijn vinger tegen mijn hoofd
en beneem mij het leven …
Maar het leven is sterker dan ik.

Lev Berinski

EEN VERS VAN VERGILlUS

Sum lacrimae rerum…
Ik ben de tranen der dingen: mijn ogen, mijn schouders, mijn handwortels huilen
net zo -als bij de maagdelijke God die gekruisigd werd,
ik ben de traan van een vis op de dis die, bereid om uw maaltje
te worden, bezwijmt en weent mag u weten zonder tranen,
ik ben de harige donkere traan van de beren
in het woud; ik ben de dauw op de struik die verhakt wordt tot rijshout
om in de stad en op zandige stranden het stof te keren,
ik ben de damp van de zee en de droge woestijn, macaber
schiet het vuur uit de ogen van mijn vulkanen.
U mag mij benijden:
ik ben het lachen tot tranen, het huilen van geluk, het vergieten
van het leven in een golf; ik leer te stromen en te vlieten,
op te lossen als mist, omhoog, naar de rood-blauwe boog
boven uw hoofd-
als de aarde glimlacht en zich de ogen uitwist.

Lev Berinski

IN HET ROZIGE BAD

Mens, waarvoor deugen je twee armen -als je niet naar de hemel vliegt?

Mens, waarvoor deugen je twee paar extremiteiten
als je geen hond bent,
in het gras niet op antilopen jaagt,
als je geen muis bent -en niet wegrent
voor de kater?

Waarvoor deugt je hart, als je niet wilt delen met mij
-je bloedeigen naaste-
het beschimmelde korstje brood?

Waarvoor deugt je geslachtsorgaan -en alles wat je gegeven werd
voor je levenslange gerief?

Heer van de wereld, wat heb je aan mij hier op aarde
en de aarde in het heelal
en wat aan het heelal in je rozige oudemansfantasie,
in dat aromatische stoombad waar je in zit
en wegdommelt
en jezelf
afdroomt.

Lev Berinski

EXPERIMENTEN MET DE ELEMENTEN

Leg je de zon op de rails -de trein rijdt over hem heen
Als door een plas – tot aan de lichtende drijfstang.
Leg je de nacht op de rails, de trein rijdt erdoor
als een feestelijke duikboot -naar een eeuwig niet-zijn.

Leg je een jood op de rails -de trein zet zich schrap
tegen zijn schouder en knie -en snatert en waggelt en slaat
als een mannetjesgans
met zijn vleugels.

En de jood staat op met een glimlach: ‘Noe, rijen maar weer… hopla… ‘

Lev Berinski

MENSEN ZONDER VLEUGELS

Een mens zonder vleugels -wat is dat voor schepsel?
Het is geen dier: het loopt op twee benen.
Het is geen engel: het streeft niet naar de Schepper.
Het is geen mens: bij een mens zal toch minstens één keer per dag
of per jaar, of per leven
de ziel een kreet slaken, zich roeren, het lijf wakker schudden,
het kwade uitbannen, en in de lucht een paar vleugels uitspreiden
een paar lange, messcherpe vleugels, wit als sneeuw …

En u, die ik bedoel, kunt u soms begrijpen wat sneeuw is
of lucht, of sporen van ongeschoeide muskieten
op het herfstige water.
Of kent u slechts soep met matseballen
en wat mooi voor u is –
een rode tulp – uw maag onder de hemel.

En vast ook wel de grote Arabische divan, pronkstuk van lijflijkheid
met vier zilveren bollen waarin zestien armen, zestien benen
en acht roze regenbogen zich spiegelen in het paradijs.

Ach, de shop en de sauna en het pingpongen,
medicijnen, anti-
medicijnen, anti-
antimedicijn – medicijnen om te eten en af te scheiden
en zich te verspreiden (Genesis 9:1) over de aard…

En u draaft maar, u kunt slechts twee dingen tegelijk
als een paard.

Lev Berinski

OVER GELOOF EN LEVEN
Wat weten wij ervan hoe kangoeroes of mieren
geloven in God?

Wat weten wij over racistisch gedrag
bij wolven op de besneeuwde steppe?
Wat over de bittere exploitatie in Plato’s roze droom –
en in het bloemenrijk van de bijen?
De brilslang gedraagt zich geheel volgens Darwin:
brengt elf nieuwe bloedmooie schepseltjes voort -en verslindt ze terstond.
Iran Iran bombardeert het fantastische Basra Irak
moordt meteen buiten Basra Iraniërs uit.
Swetlana heeft weer een kind van een engel? en bewijst
dat zij zeker geen slang is.
Erasmus van Rotterdam stevent met zijn Vrijheid
op Messiaanse tijden af
en rent over bruggen, sleept Luther, die schavuit,
als een pop aan de haren met zich mee.

Wat weet de Alhoge ervan hoe wordt bemind
door Erasmus en Luther op door slapende kangoeroes
en mieren in het bos of in een potje honing?

Lev Berinski

VISIOEN

Een zwarte zware zwaan zeilt roerloos langs de hemeloever.
Hij zoeft niet door de lucht, hij slaapt, is ingedoezeld.
Zijn vleugels steken schuin omhoog, zijn poten hangen rood. .
Hij hijgt niet, valt en krijst niet. Hij is dood.
Wat wil dit visioen? Naar welke doem verwijst het?
De zware zwarte zwaan zeilt voort, rechttoe rechtaan
op het oosten af, naar Mozdok, naar het hete Jerevan,
naar Birma, Singapore … wie weet … zo’n soort zwaan

Lev Berinski

ALLEEN AAN DE ROL

Het leven ontrolt zich als een brede straatweg
ver tussen groene bergen, een prachtig fietstraject.
De fietser hij trapt op beide pedalen
en kijkt stil achterom: het leven glijdt weg.

Op dagen van hels tumult, van apocalyps en raketten
vergun ik mijzelf soms een rit naar de hooimijt.
Ik luister naar het gras, naar Je zoete adem van boeketten
en hopla maar weer, de weg op, zo ver de blik reikt!

Steeds sneller, en aan het eind, bij de afslag van de rotonde
Wordt het pad een vurige pijl, die hoog boven mij hangt
En in het zwart heelal mij het land wijst waar ik zal komen.

Ik spurt vooruit – met beide handen los.

Lev Berinski

MIJN WARE GEHEUGEN

Als je ophoudt mij te strelen
zal ik je handen vergeten.
Want zodra ik ziende werd
en de wereld ontdekte, heb ik geleerd
snel te vergeten wat ik net heb beleefd.

Van kinds af aan, van nature
is mijn ware de geur.
En wat mij in jouw aanlokkelijk leek
Zal ik zoeken bij een andere deur.’

Zij zette een rug op
en van zijn schoot gewipt
is zij blazend en boos
het huis uitgeglipt.

Asla

bron: Sprakeloos water. Spiegel van de moderne jiddische poëzie. Samengesteld en vertaald uit het jiddisch door Willy Bril, Amsterdam 2007 (Meulenhof)

Een gedachte over “Sprakeloos water

  1. Klinken in het Jidisch nog mooier, maar zijn zeker in het Nederlands van Willy Bril heel goed te smaken. Mooie collectie.

    Like

Reacties zijn gesloten.