Lichaam en digi-taal

Wat geeft nog houvast in een digitale wereld? De analoge beleving van het lichaam? Wat is een eindig lichaam in een durende tijd van ‘digitaliteit’? Al duizenden jaren ontberen wij eigenlijk een filosofie van het lichaam die recht doet aan onze lichamelijkheid en onze kwetsbaarheid en nu de analoge wereld langzaam opgaat in de digitale wereld is het, zo vermoed ik, al niet veel beter. In de tijd van de ontdekking en latere toepassingen van het schrift en het schrijven, toen de wereld nog niet digitaal was, was het handschrift nog een uniek kenmerk van de schrijver. Toenmalige sprekers, zoals bijvoorbeeld religieuze leiders (en ook sjamanen) hadden in hun tijd een voorsprong in inzicht, kennis en toepassing op hun luisteraars. Het schrift zette dit zelfbewustzijn om in taal die gelezen kon worden en waarmee de spreker kon blijven spreken als persoonlijkheid. Een zekere mate van uniciteit hangt hiermee samen zoals blijkt uit het werk van de grote (literaire, religieuze en filosofische) auteurs in onze geschiedenis. Maar in een digitale wereld is er geen sprake meer van uniciteit want wat zouden de unieke kenmerken moeten zijn van een data-producent als deze data verzamelingen digi-taal zijn in verschillende combinaties en (bijna oneindige vormen van) ordeningen? 

Het lichaam heeft nog unieke kenmerken zoals bijvoorbeeld de vingerafdruk. En ook het DNA van elk mens is verschillend. Maar de ontdekking van de structuur of de code van het DNA laat al zien dat vanuit een digitale benadering er alleen een verschil is in volgorde van elementen. Die combinaties bepalen vervolgens het unieke karakter van elk mens met betrekking tot zijn lichamelijkheid. Maar zo gauw een computer het menselijk DNA in kaart brengt is het lichaam als het ware overgeleverd aan de digitale wereld. En nu kan op onderdelen worden ingegrepen in het menselijk genoom door de toepassing van nieuwe technieken zoals Crispr-cas (wat volgens Wikipedia staat voor: CRISPR is een afkorting van Clustered Regularly Interspaced Short  Palindromic Repeats en is een belangrijk onderdeel van het bacteriële verdedigingsmechanisme tegen virussen. CRISPR’s zijn korte segmenten van herhaalde codes in het DNA, die de bacterie gebruikt om een nieuwe virusaanval te herkennen en af te slaan. Samen met het enzym Cas9  vormen ze de basis voor de populaire CRISPR-Cas technologie, die gebruikt kan worden voor het gericht bewerken van het genoom van een organisme. bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/CRISPR)

Voor de filosoof Nietzsche was duidelijk dat de wereld zelf weinig of geen houvast bood en dat er ook geen echte levensdoelen meer waren. Alle verklaringen en aangeboden oplossingen vanuit de filosofie of religie om een zinvol bestaan te leiden beschouwde hij als zinloos en illusoir. Hij zocht een oplossing in het bestaan en activiteit van de menselijke wil zoals ook Schopenhauer daarin geloofde. De wil tot macht als een fundamenteel streven van de mens. Maar daarmee bleef hij hangen op het psychologische vlak en dat bracht hem uiteindelijk niet verder. Als schrijven en denken, spreken en rationaliseren, reflecteren en vasthouden wat je hebt bedacht in taal en geschriften, een vorm van verdubbeling van de wereld is, een ‘wereld opnieuw’ nu in de vorm van taal, een wereld die als het ware door de beschouwer, schrijver is heengegaan, en nu in een nieuwe vorm aan het licht wordt gebracht, dan zijn de pogingen van Nietzsche, Nietzscheaanse verdubbelingen van de wereld, maar leveren ze uiteindelijk niet op, waar de auteur naar op zoek is. Misschien is dat wel een van de redenen dat Nietzsche in de afgrond van de waanzin viel, het ‘niets’ heeft hem opgeslokt omdat het ‘niets’ sterker was dan zijn rationele kracht om dit ‘niets’ te bezweren. Het ‘niets’ zou je kunnen opvatten als het besef dat alles maar dan ook alles zonder zin is, zinloos, en dat geen enkel iets tot houvast en zinvolheid leidt. Nihilisme in zijn uiterste vorm. Er zijn geen ankerpunten, er is geen vaste bodem onder je bestaan en alles wat we bedenken en aanbieden vanuit de filosofie of de religie zijn mooie dromen maar geen werkelijkheid waarin we ons aan op kunnen trekken uit dit moeras van betekenissen. 

Heidegger, die andere Duitse filosoof voorspelde al dat de cybernetica de filosofie zou gaan aflossen: in een digitale wereld reageren systemen op elkaar vanuit hun digitale bestaan en ontwikkelen computers nieuwe strategieën om de wereld digitaal te verdubbelen. Zal de machine, de computer in de naaste toekomst in staat zijn om zoals in het menselijk bewustzijn, de wereld te duiden en terug te koppelen zodat er sprake kan zijn van een soort van zelfbewustzijn? De vraag is natuurlijk of er bewustzijn en een terugkoppeling op de wijze van menselijk bewustzijn nodig is. Misschien is dat wel helemaal overbodig en wordt dit op een andere wijze opgelost. 

Heidegger schreef in 1967 in zijn Atheense voordracht Die Herkunft der Kunst und die Bestimmung des Menschen dat de wetenschappelijke wereld een cybernetische wereld wordt, een wereld die bestuurd wordt door de verzameling, ordening en terugkoppeling van informatie of data. Armin Nassehi schrijft in zijn boek Muster. Theorie der digitalen Gesellschaft, waar deze verwijzing uit voortkomt (pag. 83) dat sturing, controle en terugkoppeling van informatie alleen mogelijk is als alles in data, in informatie, kan worden omgezet. Dat is precies wat in een digitale wereld plaatsvindt: alles is data. Data worden met data vergeleken, informatie met informatie, de referentie, zo Nassehi, is dan niet meer de gerepresenteerde wereld (zoals wij die analoog kennen), maar het wisselvallige spel van informatie die voortdurend op zichzelf betrokken wordt. De wereld is als het ware buiten spel gezet, onze analoge wereld is in een nieuwe verdubbeling als digitale wereld alleen maar bezig met zichzelf: cybernetica als inhoud en als vorm.

In dit Heideggeriaanse denken wordt het gevaar geschilderd van het verdwijnen van het onderscheid tussen machine en mens, met andere woorden, de mens zoals wij die tot nu toe hebben gekend verdwijnt. De Nietzscheaane Übermensch was een mens die het nihilisme en de zinloosheid van het bestaan zou moeten kunnen aanvaarden en overwinnen. Misschien vermoedde Nietzsche toen al dat hij tot deze ‘kunstgreep’ over moest gaan om überhaupt nog een houvast te hebben in deze wereld. Hoe zou het zijn als Nietzsche in onze tijd zou hebben geleefd, wat zou hij hebben gezegd en gedacht over onze digitale wereld? Vanuit digi-taal gedacht is elke vorm van oplossing, elke vorm van zingeving, elke filosofie niet meer en niet minder een verzameling data die ook heel anders geordend kan worden met heel andere conclusies. Als filosofie cybernetica is geworden is de filosofie zoals wij die kennen vanaf de oude Grieken ten einde. Reflectie is dan een zinloze oefening want waarom zou de ene gedachte beter zijn dan de andere? Los van het concrete menselijke bestaan en de existentiële condities waarin de mens zijn leven samen met anderen gestalte geeft, is de digitale benadering van de wereld en de samenleving een vorm van willekeur en indifferentie. Het maakt dan allemaal niets uit. 

Maar biedt het concrete menselijke bestaan, het lichaam, het menselijk bewustzijn, en voor mijn part de ‘ziel’ een houvast in deze digitale wereld? Een rem op de indifferentie van de systemen en de innerlijke cybernetica? Kortom is er nog een houvast? Ik heb het zelf van de mens (wat ook een vorm van construct is, dat ontstaat in een proces van taal (inner-voice) en zelfbewustzijn) gebonden aan het lichaam genoemd: het lichaam is de woonplaats van dit zelf, een auto-topos, een autotopie. In een netwerk van verbindingen is dit zelf een auto-nodus, een zelf-knooppunt dat in verbinding staat met andere knooppunten. Zo bekeken is het analoge zelf reeds opgelost in een digitaal zelf als knooppunt in een systeem of in een verband van systemen. Vanuit het digitale domein bekeken is ook het zelf in het lichaam, de autotopie, reeds een verdubbeling van de wereld in de vorm van zelfbewustzijn dat herkent dat het in de wereld als (zich)zelf functioneert met en in een lichaam. Een zelf dat niet automatisch vastligt, maar dat zich ontwikkelt en kan ontwikkelen naar mate het zich zelf beschouwt en vorm geeft. Dagboeken schrijven bijvoorbeeld kan dit zelf helpen bij deze ontwikkeling en zelf-exploratie. In het schrijven neemt het zelf als het ware afstand van zichzelf en ontdekt zo nieuwe mogelijkheden, nieuwe stukjes wereld waar het deel van uitmaakt en die het op deze wijze verdubbelt. Het zelf is zijn eigen project. Tot aan het besef en de ervaring van een naderende dood, waarna het zelf zich meer en meer zal terugtrekken uit de wereld en alle aandacht voor die wereld verliest. De verdubbeling is ten einde. 

Gezien vanuit de theorie van Foucault en zijn invulling van het begrip heterotopie ontdekt het zelf in deze nieuwe en vreemde plaatsen zichzelf op een nieuwe wijze en wordt het zelf daardoor mede gevormd. De kazerne is een goed voorbeeld. Maar als autotopie en heterotopie in werkelijkheid samenvallen is er eigenlijk ook geen echt ruimtelijk onderscheid meer: het zelf ontdekt zichzelf en maakt zich het andere, het vreemde eigen. Eigenlijk is er vanuit de digitale wereld helemaal geen onderscheid meer want alles is een kwestie van data. Het digitale netwerk is overal en nergens, alle onderscheidingen vervallen. Het gaat om data produceren en consumeren. 

Zou het lichaam nog een soort van digitale grenswaarde kunnen vormen, ook in een digitale context? Een vorm van zelfbewustzijn waar de computer niet bij kan? Of kan het zelf zich nu pas echt digitaal gaan waarnemen en vormen, en wordt het helemaal een ‘Quantified Self’? En wordt de mens uiteindelijk gevormd naar de maatstaven van een samenleving die via brein-stimulatie en psychofarmaca of zelfs gene-editing de persoon in het juiste model of patroon creëert? 

De toekomst zal het uitwijzen in hoeverre wij lichamelijk en geestelijk zullen veranderen in deze digitale wereld. 

John Hacking

19 augustus 2020

Bron:

Nassehi, Armin, Muster. Theorie der digitale Gesellschaft, München 2019, (C.H. Beck)