Gij hebt de eeuwigheid in ons hart gelegd

“Gij hebt de eeuwigheid in ons hart gelegd,- sindsdien zijn wij onverzadigbaar geworden: Ons oor heeft nooit genoeg van het horen, ons oog komt niet uitgekeken, ons hart wordt niet verzadigd van liefde. Het zoeken is ons lot, het vinden ons een zegen.

Wij ervaren wel dat alles zijn uur en tijd heeft: een tijd van geboorte, een tijd van sterven, een tijd van zwijgen en een tijd van spreken, een tijd van bij elkaar zijn en een van scheiding en alleen zijn. Maar wij kunnen het niet omvatten. Wij meten het niet in heel zijn omvang van het begin tot het einde. Zoals wij ook de weg van de wind niet kennen of de weg van het leven in de moederschoot. 

Toch hebben wij geprobeerd – alle eeuwen door en waar ook ter wereld – het onuitsprekelijke uit te spreken, het onzegbare een naam te geven, uw oneindigheid voor de geest te halen. Geef dat wij ons hart te luisteren leggen open voor dit grote geheim en open voor elkaar, onze diepste wensen.”

Anoniem

Soms word je getroffen door een uitspraak, een woord, een beeld in een gedicht. Het zet aan tot overpeinzing, het raakt je en houd je bezig, het is in jou gezaaid en dan gaat het ontkiemen. Je vindt nieuwe woorden, nieuwe beelden, je verdiept, je vervluchtigt, je verbreedt, je verkent wat je aantreft, het werkt in jou. Zo is dat ook soms met verdriet. Anderen reiken je woorden aan om je eigen gevoel een stem te geven. Eerst had je die niet, woorden ontbraken, de pijn was te hevig, woorden vond je niet. Je kon er nauwelijks over spreken. Zeker niet tegenover anderen die niet wisten wat er door je heen ging. En dan tref je op een gedicht, een woord van een ander dat jouw gevoel in de kern raakt. Dan kom je thuis, dichter bij je verdriet, dichter bij je pijn. Opeens kan dat woord je dragen, het geeft je houvast, een staf in je hand om op te leunen, als je verder gaat op je weg door de woestijn.

Zo werkt bij mij de uitspraak over God als ik hem persoonlijk toepas op mezelf: “Jij hebt de eeuwigheid in mijn hart gelegd”. Sindsdien ben ik onverzadigbaar, steeds weer op zoek, wandelend, verkennend, onderzoekend om sporen van die eeuwigheid ook in de wereld aan te treffen. God in de wereld, tekenen van zijn aanwezigheid, zijn transcendentale sacrale realiteit. Theotopie, plekken, plaatsen waar God aan het licht kan treden. Een theotopos, een plek waar God ervaar kan worden – mits, ja mits, wij er voor open staan. Als er geen hindernissen zijn, als er geen bezwaardende omstandigheden zijn die ons hart gevangen houden. God in de wereld en Gods oneindigheid, zijn eeuwigheid – (wat een oneindigheid is) – in ons hart. 

Waarom zou je God in de wereld zoeken, waarom een theotopos opsporen als God al in je hart te vinden is in de vorm van oneindigheid en eeuwigheid? Is dat te weinig, die eeuwigheid, die oneindigheid, dat onvervuld verlangen dat steeds verder, steeds meer wil? Is het feit dat wij verlangende wezens zijn te weinig bewijs, te weinig houvast, te weinig bevredigend? Kijk in je hart en ontdek je eigen diepte, zou de uitnodiging kunnen luiden, maar kunnen we dat? Durven we diep in ons hart te kijken. Zijn we misschien bang dat het verlangen, het nooit te vullen verlangen ons zal verslinden, opslokken, verblinden? Is het misschien niet alleen oneindigheid en eeuwigheid die in ons hart is gelegd maar ook de diepte en de leegte van een niets, een afgrond? Een diep van binnen weten dat er geen echt houvast, geen echt vaste grond onder je voeten is? Dat het verlangen, het oneindige onvervulde verlangen naar eeuwigheid, zelf nooit zal aankomen omdat er niets is waar het kan aankomen? Verschuilt Gods eeuwigheid, zijn oneindigheid zich achter of misschien wel precies in de leegte van het Niets? Theotopos, theotopie gelijk aan Niets?

Eeuwenlang geven wij taal aan ons verlangen, zoeken wij woorden om oneindigheid en eeuwigheid zichtbaar, ervaarbaar te maken. De taal zet ons in de ‘voorruit’ om telkens weer nieuwe werelden te verkennen. Religies, godsdiensten zijn daar een voorbeeld van. Ze zijn de nieuwe velden met woordduidingen, betekenissen, pogingen om dit oneindige eeuwige stem te geven. En naast de taal de religieuze praxis. Door het doen ontstaat het beleven, door het uitvoeren krijgen de woorden leven, zin en betekenis. “Wij zullen doen en horen” zegt het volk aan de voet van de Horeb waar God is verschenen in zijn ontmoeting met Mozes. Doen en dan pas horen. Door het doen gaan wij horen, gaan wij verstaan, en staan we waar wij willen staan. 

God in de wereld, komt pas echt in de wereld, zo vermoed ik, in ons hart. Daarbuiten is hij nauwelijks te vinden. En als hij in ons hart werkt kan dat ook tot uiting komen in onze gedachten en in onze daden. Dat is de enige plek. Niet in de tempel, niet in een gebouw, niet in een symbool of in een voorwerp, want dat zou afgodendienst betekenen. Dan zou God worden vastgelegd, verankerd in iets vergankelijks. Per definitie als onwaar. Daarom is God in het Niets ook een garantie. Een garantie en een zekerheid die God vrijwaart van ons opdringerig zoeken naar zekerheid en houvast. Terwijl we diep van binnen weten, als we echt in ons hart durven kijken, dat leegte, dat Niets ons leven omgeeft en dat wij pas daardoor iets kunnen zijn en iets kunnen worden. Het Niets wordt (N)iets in ons en in onze manifestatie zijn we vergeten dat wij voortkomen uit het Niets en terugkeren in het Niets. 

Onze tijdelijkheid, onze tijdelijke beelden en woorden, onze gebaren en onze daden zijn eindig. Dus niet eeuwig, niet goddelijk, niet oneindig. Maar ons eindige bestaan rust in de palm van de oneindige hand, onze tijdelijke aanwezigheid kan er alleen maar zijn, als er een eeuwigheid omheen bestaat. De filosoof Martin Heidegger noemde dat ‘Das Sein’, het Zijn dat alles draagt en dat vanuit ons bestaan (ons ‘Dasein’) niet te vatten is. Een soort van oergrond, basis, of in de woorden van Friedrich Nietzsche, die andere Duitse filosoof waar Heidegger veel van heeft geleerd, het Niets, de Leegte. Voor Nietzsche bestond de grote uitdaging van het menszijn erin om in confrontatie met die Leegte, dat Niets, het uit te houden als mens. Zonder terug te vallen op religie, op betekenissystemen, op houvast in deze wereld. Je bent je eigen houvast midden in de leegte en in de oneindigheid. 

Maar wat is er dan niet mooier dat die eeuwigheid in jouw hart is gelegd waardoor je verlangen is aangewakkerd en je vol geestdrift aan de slag gaat om die eeuwigheid aan den lijve te ervaren: “Ewigkeit im Augenblick”, de eeuwigheid in het ogen-blik, in het hier en nu, en in het oog van de ander die je aankijkt en waarmee je deze wereld mag bewonen en gestalte mag geven.

John Hacking 

29 oktober 2020

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.