Romantiek tegen nihilisme

SUEÑO PODEROSO

¿Cuál es la gloria de la vida, ahora
que no hay gloria ninguna,
sino la empobrecida realidad?
¿Acaso conocer que el desengaño
no te ha arrancado ese deseo hondo
de vivir más?

La gloria de la vida fue creer
que existía lo eterno;
o, acaso, fue la gloria de la vida
aquel poder sencillo
de crear, con el. claro pensamiento,
fiel eternidad.
La gloria de la vida, y su fracaso.

MACHTIGE DROOM

Wat is de luister van het leven, nu er
helemaal geen luister is,
maar slechts verarmde werkelijkheid.
Misschien het weten dat de desillusie
je niet dat diepe verlangen heeft ontnomen
om nog langer te leven?

De luister van het leven was te geloven
dat het eeuwige bestond;
of, misschien, was de luister van het leven
die simpele kracht
om met heldere gedachte,
de eeuwige trouw te scheppen.
De luister van het leven, en zijn afgang.

F. Brines, vert. G. Droogenbroodt

Sinds Friedrich Nietzsche is het thema nihilisme meer dan actueel ook al hebben we dat misschien niet meteen in de gaten. Paul van Tongeren schrijft in zijn inleiding op het boek “Het Europese nihilisme. Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren” dat Nietzsche een catastrofe voorspelt (ook voor onze tijd) die hij aanduidt met deze term. Maar Nietzsche heeft de term niet bedacht en de verschijnselen waren al lang voor hem zichtbaar in de samenleving. Van Tongeren onderzoekt nauwkeurig de vele definities en betekenissen van het begrip bij Nietzsche. Hij beschrijft de ontwikkelingsgang van Nietzsches denken en, ik citeer,

hoe deze zijn eigen en echte vraag pas ontdekt wanneer (of in de mate waarin) zijn denken zelf-referentieel wordt, dat wil zeggen: wanneer hij niet langer zelf buiten spel blijft in zijn praktijk van alles ter discussie te stellen. Zolang hij zijn kritiek nog beperkt tot de wetenschappelijke, filosofische, culturele, maatschappelijke en andere gedaanten van metafysica, moraal en religie die hij buiten zich waarneemt en waar hij zich tegenover plaatst, verschilt hij niet fundamenteel van allerlei andere critici, die uiteindelijk, met de tijd die ze bekritiseren, voorbijgaan en vergeten worden. Werkelijk oneigentijds en radicaal wordt zijn kritiek, wanneer ze zich ook op hemzelf en op zijn eigen kritiek richt; wanneer het vragen zijn eigen ‘vraagwaardigheid’ ontdekt en inziet dat het zelf ter discussie gesteld moet worden en daardoor elke grond onder zich voelt verdwijnen en alle houvast verliest. (Pag. 198)

Nietzsche staat voor een afgrond die hij zelf door zijn denken heeft geschapen. Hij kan niet meer terug, er is geen weg terug naar een veilig bestaan (bijvoorbeeld onomstotelijke waarheden buiten hemzelf waar je je aan kunt vastklampen of een God die zekerheid biedt) want dat is voor hem illusoir geworden in zijn denken. Het idee van de eeuwige wederkeer en de “Übermensch” zou je pogingen kunnen noemen om aan dit besef van de afgrond voor je voeten te ontsnappen. Hier begint, zo van Tongeren de echte tragiek:

Die tragedie bestaat erin dat de denker het strijdperk wordt waarop de ‘waarheidsdrift’ het gevecht aangaat met haar eigen vooronderstelling, namelijk het leven en de leugens of illusies die dat leven nodig heeft: ‘de uiteindelijke vraag wordt hier gesteld [ … ] en voor het eerst wordt geprobeerd deze vraag experimenteel te beantwoorden. In hoeverre kun je de waarheid incorporeren? -dat is de vraag, dat is het experiment.’

Van Tongeren noemt dat laatste ook de kernproblematiek van het nihilisme.
De denker die de waarheid zoekt, ontdekt dat die wil tot waarheid zijn oorsprong vindt in zijn eigen bewustzijn – dit streven maakt deel uit van zijn wezen en zijn denken. Maar daarmee is nog geen antwoord gevonden, geen houvast ontdekt. Want dan zou je jezelf aan je eigen haren uit het moeras kunnen trekken, als dat antwoord in je eigen denken ligt opgesloten. Integendeel, het moeras sleurt je naar beneden, steeds verder de onzekerheid in. In je denken, hoe hard je ook je best doet, is geen fundament voor je waarheid-zoeken, geen antwoord op je waarheid-streven te vinden.
Misschien is het feit dat je zoekt, en dat je streeft, dat je verlangt naar waarheid en daarmee naar houvast, de enige waarheid: de mens als verlangend wezen. Verlangend naar een bodem onder zijn bestaan, een als zinvol ervaren bestaan.
Daarmee is het nihilisme ook in onze tijd alom aanwezig want we weten steeds minder (niet alleen bij onszelf, als wij in ons eigen denken te rade gaan, maar ook in de maatschappij) wat waar en wat niet waar is, wat zinvol is en wat niet. Zeker met het oog op het vele geweld, de onzin, het lijden, de onrechtvaardigheid in ons bestaan. Gruwelijke oorlogen, vreselijk geweld, racisme, discriminatie, egoïsme zonder voorbehoud, mensen die zich van hun slechtste kant laten zien en waar Arthur Schopenhauer over zegt:


Gobineau hat den Menschen l’animal méchant par excellence [das recht eigentlich böse Tier] genannt, welches die Leute übelnehmen, well sie sich getroffen fühlen; er hat aber recht: denn der Mensch ist das einzige Tier, welches andern Schmerz verursacht, ohne weitern Zweck als eben diesen. (Pag. 119)


Het begrip Fakenews is een symptoom van de onzekerheid, het wantrouwen in uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek eveneens. De opkomst van een kunstmatige en virtuele werkelijkheid en de mogelijkheden die dat schept maken dit verlangen naar waarheid alleen maar moeilijker. Waarheid ontglipt ons, er is en er zijn geen garanties. Niet in ons eigen bestaan, niet in ons eigen denken, en niet buiten ons.

In 1847, bijna veertig jaar voor de geestelijke instorting van Nietzsche, trekt Gustave Flaubert met een vriend langs de Loire en door Bretagne. Na zijn leven is een half verslag van deze reis gepubliceerd. Flaubert verwondert zich in een dorp in de Bretagne hoe devoot mannen en vrouwen knielen en bidden in een klein kerkje. Geloof en overgave aan dat geloof geeft hen houvast. In tegenstelling tot wat Flaubert zelf gelooft en denkt. Napoleon en de Franse Republiek hebben we dan al weer een tijd achter ons. En ook de vervolging van priesters en de devaluatie van de religie en de rol daarvan in de samenleving. Maar ondanks dit verzet tegen de kerk en haar vertegenwoordigers zijn de Duitse filosofen in die tijd rond 1800 toch voorzichtig met hun kritiek op het geloof want voor je het weet ben je zonder baan. De Franse repressie van religieuze instituties en uitingen is niet in heel Europa nagevolgd.
Tijdens Napoleon maakt vooral Friedrich Hegel furore en hij trekt volle collegezalen in tegenstelling tot Arthur Schopenhauer die onbekend is en die niets moet hebben van de (abstracte) ideeën van Hegel die hij Hegelei noemt. Vol venijn en met een zekere ironie zegt hij, dat het resultaat van dit denken niet meer is dan een zeepbel, ik citeer:


Was die Schreiberei unserer Philosophaster so überaus gedankenarm und dadurch marternd langweilig macht, ist zwar im letzten Grunde die Armut ihres Geistes, zunächst aber dieses, dass ihr Vortrag durchgängig in höchst abstrakten, allgemeinen und überaus weiten Begriffen bewegt, daher auch meistens nur in unbestimmten, schwankenden, verblasenen Ausdrücken einher schreitet. Zu diesem aerobatischen [seiltänzerischen] Gange sind sie aber genötigt, weil sie sich hüten müssen, die Erde zu berühren, wo sie, auf das Reale Bestimmte, Einzelne und Klare stossend, lauter gefährliche Klippen an Philosophen and Philosophieprofessoren treffen würden, an denen ihre Wortdreimaster scheitern konnten. Denn statt Sinne und Verstand fest und unverwandt zu richten auf die anschaulich vorliegende Welt, auf das eigentlich und wahrhaft Gegebene, das Unverfälschte und an sich selbst dem Irrtum nicht Ausgesetzte, durch welches hindurch wir daher in das Wesen der Dinge einzudringen haben – kennen sie nichts als nur die höchsten Abstraktionen wie Sein, Wesen, Werden, Absolutes, Unendliches usf., gehen schon van diesen aus und bauen daraus Systeme, deren Gehalt zuletzt auf blosse Worte hinauslauft:, die also eigentlich nur Seifenblasen sind, eine Weile damit zu spielen, jedoch den Boden der Realität nicht berühren können, ohne zu platzen. (Pag. 29-30)

Schopenhauer is bekend geworden als de filosoof van een pessimistische levensinstelling en zijn scherpe kritiek op collega’s en op overheden (waaronder ook de kerk) en velen, waaronder ook Nietzsche, zijn sterk door hem beïnvloed. Schopenhauer is zelf wel nog overtuigd van het zoeken naar de waarheid maar van religie en van religieuze zekerheden moet hij niet veel meer hebben, en hij geeft dan ook af op collega’s die wel nog in God geloven en die zelfs in hun filosofie bespreken:

Die Philosophieprofessoren hatten von alters her ihren speziellen Beruf darin erkannt, das Dasein und die Eigenschaften Gottes darzulegen und ihn zum Hauptgegenstand ihres Philosophierens zu machen. Daher, wenn die Schrift: lehrt, dass Gott die Raben auf dem Felde ernährt, ich hinzusetzen muss: und die Philosophieprofessoren auf ihren Kathedern. Ja, sogar noch heutigen Tages versichern sie ganz dreist, das Absolutum (bekanntlich der neumodische Titel für den lieben Gott) und dessen Verhältnis zur Welt sei das eigentliche Thema der Philosophie, und dieses naher zu bestimmen, auszumalen und durch zu phantasieren sind sie nach wie vor beschäftigt. Denn allerdings mochten die Regierungen, welche für ein dergleichen Philosophieren Geld hergeben, aus den philosophische Hörsälen auch gute Christen und fleissige Kirchengänger hervorgehen sehen. (Pag. 33)

Voor Schopenhauer is er een natuurkracht die in alles en iedereen werkt en waarvan hij zichzelf de ontdekker noemt, namelijk de Wil. De wil moeten we hier niet verwarren met “iets graag willen (hebben/zijn)”, dat is slechts buitenkant, een slap aftreksel. De Wil is voor Schopenhauer fundamenteel. Nietzsche zal daar later aan toevoegen dat deze Wil een Wil tot macht is. Naast de kracht van de wil die de hele kosmos doortrekt is er het menselijk kennen, maar dat kennen berust op de lichamelijkheid van de mens. Het is niet een manifestatie van bijvoorbeeld een abstracte Geest zoals bij Hegel. Schopenhauer schrijft:


,,Die Welt ist meine Vorstellung” – dies ist eine Wahrheit, welche in Beziehung auf jedes lebende und erkennende Wesen gilt; wiewohl der Mensch allein sie in das reflektierte abstrakte Bewusstsein bringen kann: und tut er dies wirklich, so ist die philosophische Besonnenheit bei ihm eingetreten. Es wird ihm dann deutlich und gewiss, dass er keine Sonne kennt und keine Erde; sondern immer nur ein Auge, das eine Sonne sieht, eine Hand, die eine Erde fühlt; dass die Welt, welche ihn umgibt, nur als Vorstellung da ist, d.h. durchweg nur in Beziehung auf ein anderes, das Vorstellende, welches er selbst ist. – Wenn irgendeine Wahrheit a priori ausgesprochen werden kann, so ist es diese: denn sie ist die Aussage derjenigen Form aller möglichen und erdenklichen Erfahrung, welche allgemeiner als alle andern, als Zeit, Raum und Kausalität ist: denn alle diese setzen jene eben schon voraus … Keine Wahrheit ist also gewisser, von allen andern unabhängiger und eines Beweises weniger bedürftig, als diese, dass alles, was für die Erkenntnis da ist, also diese ganze Welt, nur Objekt in Beziehung auf das Subjekt ist, Anschauung des Anschauenden, mit einem Wort, Vorstellung. (Pag. 35)

Heel mijn denken, al mijn kennen is dus Vorstellung, en daarmee afgeleid van datgene waartoe ik in staat ben in mijn waarneming van de wereld door mijn waarnemingsorganen en mijn verstand om woorden, betekenis te geven aan mijn waarnemingen. In Schopenhauers tijd was de “onttovering” van de wereld een feit. Er waren geen echte geheimen meer. De religie had voor velen zijn glans verloren en het middeleeuwse vertrouwen op een God die de samenleving bestuurde bestond niet meer. Het is de tijd van het begin van de industriële revolutie, de opkomst van de slavenarbeid in de fabrieken, het begin van de moderne tijd zoals wij die nu kennen als kapitalistische samenleving. Rüdiger Safranski heeft een boek over deze periode geschreven waarin hij de opkomst van de romantiek beschrijft die een vorm van verzet is tegen deze ontwikkelingen. Hij legt ook een verband met onze tijd en met het nihilisme in onze eeuw. Hij schrijft:


Aber einige war man sich darin, dass gegen die Wüste der Entzauberung nur wieder die zauberischen Geheimnisse helfen. Und so wird vollends deutlich, wogegen die Romantiker eigentlich kämpfen, wenn sie das Geheimnis verteidigen: Es ist die Gefahr des modernen Nihilismus. Über lange Zeit hin brauchte das Geheimnis keine besondere Verteidigung. Man war, solange die empirische Erforschung der äusseren Wirklichkeit noch nicht so weit entwickelt war, vom Unerklärlichen, Dunklen, Numinosen geradezu eingehüllt. Solange die Versicherungssysteme durch Wissen, Technik und Organisation noch rudimentär waren kam es vor allem darauf an, soviel wie möglich vom Geheimnis zu lüften, im übrigen aber sich das Geheimnisvoll-Göttliche irgendwie gewogen zu machen. Wenn moderne Gesellschaften beginnen, besser für die Sicherheit zu sorgen, wird naturgemäss die religiöse Bindung schwächer. Dann erst kann das Bedürfnis aufkommen das Geheimnis verteidigen zu wollen, aus dem einfachen Grunde, weil es nicht mehr so bedrohlich ist. In dieser Situation wird etwas anderes bedrohlich, nämlich die Sinnlosigkeitsgefühle und die Langeweile angesichts eines vermeintlich taghell ausgeleuchteten, versicherten und reglementierten Lebens. Dann ist nicht mehr Gott für die Sicherheit, sondern ein Gott gegen die Langeweile gefragt. (Pag. 207)

Zinloosheid en verveling zijn volgens Safranski in de tijd van de romantiek de grote bedreigingen waar de mens aan bloot staat. Het geheim en de religieuze zekerheid hebben afgedaan en over blijft het naakte bestaan. De romantici kunnen echter niet zonder een God die de wereld niet op de een of andere wijze draagt en ons behoedt voor de leegte van ons bestaan. Alleen maar werken, eten en slapen kan niet de bedoeling zijn van dit bestaan. Wat heeft het leven dan voor zin als het enkel consumeren en verteren is?
Safranski zegt dat de romantici uit angst om uit de wereld te vallen door de ervaring van zinloosheid en van verveling – of later zoals Nietzsche waar de afgrond aan zijn voeten oprijst – een God hebben geschapen die hen hiertegen moet beschermen. Maar dat is een romantische God:


Dieser Gott gegen die Langeweile ist der romantische. Die Romantiker brauchen einen ästhetischen Gott. Nicht so sehr einen Gott, der hilft und schützt und die Moral begründet, sondern einen Gott, der die Welt wieder ins Geheimnis hüllt. Nur so lässt sich das grosse Gähnen angesichts der bis zum Nihilismus entzauberten Welt vermeiden. Die Romantiker, und das macht ihre Modernität aus, waren metaphysische Unterhaltungskünstler in einem sehr anspruchsvollen Sinn, denn sie wussten nur zu genau: Unterhalten oder genauer: unter-gehalten werden müssen die Absturzgefährdeten. So aber empfanden sich die Romantiker: als absturzgefährdet, und das macht sie zu unseren Zeitgenossen. Das vormoderne Bewusstsein konnte sich nicht verstellen, aus der Welt zu fallen. Irgendein Jenseits gab es immer. Erst die Moderne sieht sich ohne metaphysischen Rückhalt mit der Endlichkeit konfrontiert, sie weiss sich nicht mehr selbstverständlich von einem sinngesättigten Kosmos getragen. Das Ungeheure der Räume, in denen man sich selbst als Atom verliert; das Rauschen der Zeit; die Gleichgültigkeit der Materie gegenüber unserem Sinn suchenden Bewusstsein, die anonymen Mechanismen des gesellschaftlichen Lebens -alles dies gibt wenig Halt, es könnte einen lähmen oder in die Verzweiflung abstürzen lassen -wenn nicht etwas dagegen aufgeboten wird. Alltäglich sind es Arbeit und Gewohnheit, die den Blick verengen und die deshalb auch schützen. Den Romantikern ist das zu wenig, gegen die drohende Langeweile setzen sie die schöne Verwirrung, die sie das “Romantisieren” nennen.
Aber die ironische Romantik weiss auch: Das Romantisieren ist eine Verzauberung durch den Irrealis. Und darum deckt die Romantik dort, wo sie am meisten romantisch ist auch ihr Betriebsgeheimnis auf – dieses ironische >Als ob<. (pag. 207- 208)

Romantiek als poging om het nihilisme te bezweren. Maar het is een hopeloze poging die “als ob” geen verlossing brengt van de ervaren leegte in het bestaan en het ontbreken van waarheid en dus een houvast. Ik vermoed dat al die stromingen die ook politiek en maatschappelijk een antwoord willen geven op deze fundamentele onzekerheid eerder gekenmerkt worden door een zeker romantisme (verlangen naar een herstel van bijvoorbeeld een roemrijk verleden), zoals communisme (met als gevolg staatsdictatuur), fascisme en in het voetspoor daarvan het huidige rechtsextremisme, racisme en uiteindelijk genocide als uitingsvormen, dat al deze antwoorden niet voldoen. De verwerkelijking van de doelen die worden gesteld kosten miljoenen en miljoenen het leven omdat ze niet mee willen gaan in dit antwoord. Romantiek die uitloopt op zeeën van bloed en die het nihilisme alleen maar versterken. 27 januari 1945 werd Auschwitz bevrijd en dit voorbeeld van volkerenmoord en genocide maakt meer dan welk ander idee ook zichtbaar dat het opleggen van alles bepalende antwoorden als poging om waarheid te funderen uiteindelijk verkeert in het tegendeel. En velen, heel velen betalen dan een verschrikkelijke prijs. Als religieuze overtuiging en geloof in de goedheid van mensen niet vergezeld gaan van concrete daden is het een waarheid voor spek en bonen. Dat leert ons het nihilisme. Alleen een mens kan het tegendeel met zijn eigen leven laten zien. Nietzsche is dat niet gelukt. De uitdaging ligt nu bij onze voordeur. Ook als je wel nog gelovig bent en vertrouwt op God.

John Hacking
28 januari 2021

Bronnen:

Brines, Francisco, Het geluid van de wereld. el ruido del mundo. Gedichten van Francisco Brines. Keuze en vertaling: Germain Droogenbroodt, Point 46, 10e jrg. 1998, (Point International)

Tongeren, Paul van, Het Europese nihilisme. Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren, Nijmegen 2017 (Vantilt)

Schopenhauer, Arthur, Welt und Mensch. Eine Auswahl aus dem Gesamtwerk von Arthur Hübscher, Stuttgart 1980, (Reclam)

Safranski, Rüdiger, Romantik. Eine deutsche Affäre, München 2007, (Carl Hanser Verlag)