Verlichting en transparantie

Verlichting en transparantie

Het tweede deel van het scheppingsverhaal in de hof van Eden lees ik als een verlichtingsverhaal: er wordt licht geworpen op de mens, zijn houding ten aanzien van de wereld (met planten en dieren, de bodem en de voorwaarden om te kunnen bestaan) en de onderlinge menselijke relaties, de houding ten aanzien van zijn eigen zelf en zijn ontdekte naaktheid, zijn eindigheid en zijn sterven en zijn houding ten aanzien van God. Er wordt licht geworpen op de mens en zijn aard. De mens wordt verlicht en krijgt inzicht in zijn (naakte) bestaan en de moraliteit, dat wil zeggen de omgang met de geboden die hem zijn opgelegd en de onderliggende relaties tussen goed en kwaad (in denken, voelen en handelen). Moreel gedrag dat zijn oorsprong vindt in dat ene verbod te eten van de boom in het midden van de hof van Eden. De overtreding van dit gebod maakt de weg vrij om met nieuwe kennis en nieuwe inzichten het leven aan te gaan in de wereld, in een vijandige omgeving (de bodem) die omwille van de overtreding is vervloekt. Door de kennis van goed en kwaad door het eten van de vrucht van de verboden boom, een vorm van internalisering van de wereld en van het inzicht met betrekking tot de wereld, komt de mens op een nieuw niveau van bewustzijn ten aanzien van de wereld, ten aanzien van zijn relatie met zijn partner, ten aanzien van zichzelf en ten aanzien van God zelf. En hij gaat beseffen dat zijn leven eindig is, beperkt, kortstondig. De dood wordt een gewaarwording en deze mens ontdekt dat zijn partner de belofte inhoudt van toekomst door het kunnen krijgen van een nageslacht.


Wij gaan dood vanaf het moment

dat wij een vermoeden hebben van het bestaan van de dood,

vanaf het moment dat zijn onbeschaamde vlaag ons raakt,

vanaf het moment dat wij voor het eerst aan hem denken.


De rest is details en krantenknipsels.

De scheiding tussen

die eerste gedachte aan de dood

en de laatste en de opheffing er van,

is een toevallig en heimelijk ritueel.


Leven is sterven.

De rest is gedramatiseerde uitvlucht.

Overigens

is het verschil tussen levenden en doden

altijd gering geweest.

Heel vaak

alleen een verschil in registers.


Is de afstand die er bestaat tussen twee namen

wellicht al voldoende

om naar iets anders over te gaan?

Roberto Juarroz

vertaling Mariolein Sabarte Belacortu

Levende in onwetendheid in de hof van Eden, voordat zij wisten dat ze naakt waren, vielen de mens en zijn vrouw (Ish en Isha) eerder samen met de wereld. De naakter dan naakte slang – hoe transparant kun je zijn – werpt een vraag op en weet reeds het antwoord. De vrouw die het gebod uit de 2e hand heeft via haar man, geeft volmondig antwoord en maakt van het eetverbod ook een aanraak-verbod. Zien staat centraal, de naakte slang verwijst naar de boom die dan opeens wel heel aantrekkelijk wordt en de vrucht ervan wordt onweerstaanbaar. “Dan ziet de vrouw: 1. dat de boom goed is om te eten; 2. en dat hij een lust voor de ogen is, en 3. begeerlijk, de boom, om inzicht te verwerven. Verlangen wordt hunkering en hunkering wordt smachten. Zij en haar man zullen zijn als goden. Hoezo goden (Elohim = meervoud)? Zijn die er dan ook naast God? Of klopt deze vertaling niet en staat er God? Zijn als God? Wat wil dit verhaal ons zeggen, om welke kernen draait het en wat staat eigenlijk op het spel? Jonathan Sacks schrijft in zijn commentaar op Genesis het volgende als hij: rabbi Joseph Soloveitchik citeert: 

“Het meest fundamentele principe is dat de mens zichzelf moet scheppen.” (Joseph B. Soloveitchik, Halakhic Man, Engelse vertaling uit het Hebreeuws van Lawrence Kaplan, (Philadelphia: Jewish Publication Society, 1983), p. 109.) (pag. 25)

Dit scheppingsverhaal in Genesis levert daarvoor de blauwdruk. Maar voordat dit duidelijk wordt maakt het boek eerst een omtrekkende beweging en wordt het verhaal verteld over de kosmos en de plaats van de mens in dit universum en op deze aarde. Sacks schrijft:

“Het boek der boeken opent met het begin van alle begin: de schepping van het heelal en het leven. Het verhaal wordt verteld vanuit twee verschillende invalshoeken: eerst als kosmologie (het ontstaan van de materie), vervolgens als antropologie (de geboorte van de mensheid). Het eerste verhaal (Genesis 1:1-2:3) legt de nadruk op harmonie en orde. God schept het heelal in zes dagen en zegent de zevende als een dag van heiligheid en rust. Het tweede verhaal (Genesis 2:4-3:24) richt de aandacht op de mensen, niet als biologische soort maar als personen-in- relatie. God boetseert de mens, ziet dat ‘het niet goed is dat de mens alleen is’ en vormt dan de vrouw. De slang verleidt hen, zij zondigen en worden uit de hof verbannen.” (pag. 21)

Genesis bevat de verhalen over het begin maar en Genesis zou je kunnen beschouwen als een soort reisverhaal. Heel duidelijk wordt dat later bij een figuur als Abraham die onderweg ontdekt wie hij is en waar hij voor staat in relatie tot God. Sacks merkt echter op:

“Maar Genesis is meer dan dit. Als we het alleen zo lezen, lopen wehet risico de volle draagwijdte er van te missen. Volgens Maimonides is het essentieel dat resjiet niet ‘begin’ betekent in de zin van ‘het eerste van een chronologische volgorde’ (Rambam, Guide to the Perplexed (Moree Nevoechim) boek II, hoofdstuk 30). Daarvoor gebruikt het bijbelse Hebreeuws andere woorden. Resjiet duidt op het meest kenmerkende element, het deel dat staat voor het geheel, het fundament, het principe. Genesis heeft de basis gelegd voor het jodendom. Zij bevat een visie op het mens-zijn onder de soevereiniteit van God.”(pag. 12)


Ik werd gewekt door een woord tussen mijn lippen,

een woord dat zichzelf leek uit te spreken.

Zouden sommige woorden misschien

over voldoende autonomie beschikken

om zelf het initiatief te nemen,

de juiste organen te verbinden

en de helling van de klank te beklimmen?


En zou een van die woorden zich misschien

ook niets aantrekken van de normale formaliteiten,

voorbijgaan aan de fonetiek

en zichzelf voortbrengen, op eigen houtje?


Wellicht komt er morgen een ander woord,

dat nog door niemand is uitgesproken,

om mijn lippen te openen van buitenaf.

Dan zal ik voorgoed verliezen

het vluchtige beheer over mijn stilte

en de bedrieglijke controle over mijn stem.

Roberto Juarroz

vertaling Mariolein Sabarte Belacortu

Berg Horeb

Sacks stelt dat dit niet zo eenvoudig is als het klinkt want in de loop der eeuwen heeft men tot op de dag van vandaag verschillend gedacht over dit verhaal. Sacks stelt dat het geen mythe is, geen geschiedenis die gebeurtenissen opsomt, en ook geen theologie. Want Genesis gaat volgens hem in de eerste plaats over mensen in hun relatie tot God en niet in de eerste plaats over God. Hij noemt de theologie in dit boek bijna altijd impliciet en niet expliciet. Dat laatste maken wij er soms van, zeker als we met overtuiging stellen dat we weten wie en wat God is en hoe Hij zich manifesteert. Sacks noemt Genesis een vorm van filosofie in de vorm van verhalen. Via het woord wordt de relatie met God zichtbaar gemaakt, via het woord wordt licht geworpen op de mens en op God die hem schept. Daarom durf ik dit verhaal ook een soort van eerste “Verlichting” in de geschiedenis van de mensheid te noemen: de mens ontdekt de zin van zijn bestaan op deze aarde onder de hand van God. Verhalen die ons uitnodigen om na te denken over het leven, ons persoonlijke leven in het licht van eindigheid en eeuwigheid, waarin wij net als de mensen in de verhalen een voortzetting zijn van die lange geschiedenis van God met mensen. Sacks zegt:

“De weg is lang en moeilijk. Geen van de verhalen van Genesis eindigt met een eenvoudig ‘en zij leefden nog lang en gelukkig; Want dit zijn geen kinderverhalen. Ze zijn door en door volwassen. Ze vertellen ons dat de reis de moeite van het maken waard is – geen enkele andere kan daartegen op – maar dat de reis niet met ons begint noch met ons eindigt. ‘Het is niet aan jou om de opdracht te voltooien, maar je bent evenmin vrij om je afzijdig te houden.”(pag. 20) 

Vrijheid in verantwoordelijkheid, zo zou je de menselijke opdracht kunnen samenvatten. God schenkt ons die vrijheid om in verantwoordelijkheid deze vrijheid in te zetten om iets van deze aarde te maken, opdat elk mens tot zijn recht komt. De zin van mijn bestaan is een bijdrage te leveren aan ons gezamenlijk mens zijn op deze aarde. En daartoe hebben wij als mensen in tegenstelling tot de dieren alle mogelijkheden: wij kunnen ons aanpassen, we we kunnen veranderen, we kunnen transformeren. Onze mogelijkheden lijken schier oneindig. We hebben zelfs geen ‘vastgelegde God’ (in dogma’s of theologische definities) hiervoor nodig, als fundament onder ons handelen, als argument voor ons gelijk. Hoewel natuurlijk in de geschiedenis van de mensheid niemand zo vaak misbruikt is, niemand zo vaak voor het eigen karretje gespannen is als God. Het scheppingsverhaal is in die zin transparant naar de opdracht van de mens. God zelf blijft eigenlijk buiten beeld, het licht dat op God valt blijft beperkt tot wat Hij zegt, allereerst in Genesis 1 als begin van alles, en later tegen de mens als deze rondwandelt in de tuin. Al die woorden over God, van God en met God, verwijzen niet terug naar een vaste kern waarover de mens dan via zijn kennis, zijn weten zou kunnen beschikken. God blijft als het ware ongrijpbaar voor ons menselijk verstand. De Verlichting in Genesis blijft beperkt tot de mens die inzicht krijgt in zijn eigen bestaan. Het is God die hiervoor de aanzet geeft en die de mogelijkheid schept, maar Hij is zelf geen object van die verlichting. Sacks wijst op een paradox in het verhaal als hij schrijft:

“Wij kennen allemaal het gezegde dat God de mens geschapen heeft ‘naar zijn beeld, als zijn gelijkenis’. We staan zelden stil bij de paradox. Als er een ding is dat telkens weer benadrukt wordt in de Tora is het dat God geen beeld heeft. Vandaar het verbod op het maken van een beeld van God. Want God gaat elke voorstelling, elke categorisering te boven. ‘Ik zal zijn wat Ik zal zijn,’ zegt Hij tegen Mozes als deze Hem naar zijn naam vraagt. Alle beelden, vormen, begrippen en categorieën zijn pogingen om af te bakenen en te definiëren. God kan niet afgebakend of gedefinieerd worden; elke poging daartoe is afgoderij. ‘Beeld’ moet dus verwijzen naar iets heel anders dan het bezit van een specifieke vorm. Fundamenteel in Genesis 1 is dat God de natuur te boven gaat. Daarom is Hij vrij, niet ingeperkt door de natuurwetten. Door mensen te scheppen ‘naar zijn beeld’ gaf God ons een gelijksoortige vrijheid en zo schiep Hij het enige wezen dat zelf tot scheppen in staat is. Het verhaal over God in het eerste hoofdstuk van de Tora is zonder precedent. Het geeft een visie op de menselijke persoon en diens vermogen zichzelf te transformeren, en ook dat is zonder precedent.” (pag. 26)


Het materiaal waarvan de woorden worden gemaakt

en de specie die het bijeenhoudt

hebben mij stukje bij beetje

een geheim en eenzaam ritme geleerd.


Zo heb ik geleerd dat elke constructie muziek is

en dat elke muziek wordt gemaakt met blikken.

De blik van een woord is zijn betekenis,

tussen de trillende oogleden van een verlies.


Want wij kijken niet naar de woorden:

zij kijken naar ons

en misschien nog voorbij ons,

oogknipperend in een geheim en eenzaam ritme.


Misschien vind ik morgen een woord

dat nergens meer heen kijkt

en ook niet met zijn ogen knippert.

Een woord dat naar zich laat kijken.

Roberto Juarroz

vertaling Mariolein Sabarte Belacortu

Het inzicht dat de mens verwerft draait dus in een grote boog terug naar zijn eigen bestaan. Misschien is dat wel het grootste mysterie dat door dit scheppingsverhaal als een vorm van filosofie aan het licht wordt gebracht. Sacks ontdekt in zijn analyse nog drie belangrijke stappen in de wijze waarop God zijn schepping aan het licht brengt en wat ook voor ons menselijk handelen en het inzicht in onze existentie van belang is. Het is de taal die wij spreken en de macht van het woord dat tot onze beschikking staat als wezens geschapen naar Gods beeld. Sacks schrijft over de schepping doormiddel van het woord: 

“’En God zei: Er moet zijn … en er was … En God zag dat het goed was; Zo ontvouwt zich het revolutionairste en tegelijk invloedrijkste scheppingsverhaal in de geschiedenis van de menselijke geest.” (pag. 28)

“Daarom bevat het eerste hoofdstuk van Genesis een les. Het vertelt ons hoe we scheppend kunnen zijn, namelijk in drie fasen. De eerste is de fase waarin we zeggen: ‘er moet zijn’. De tweede fase is die van ‘en er was’. De derde fase is zien ‘dat het goed is; Zelfs een vluchtige blik op dit scheppingsmodel leert ons iets dat diepzinnig is en indruist tegen onze intuïtie: niet de wetenschap of de technologie als zodanig is echt scheppend, maar het woord. Het woord geeft vorm aan alles wat is.” (pag. 29)

“Het scheppingsverhaal aan het begin van de Tora is al een voor­afschaduwing van de joodse openbaringsleer: God openbaart zich aan de mensheid niet in de zon, de sterren, de wind of het onweer, maar in en door woorden – heilige woorden die ons tot Gods partners in het bevrijdingswerk maken.  ‘En God zei: er moet zijn … en er was’. Deze tweede fase van de schep­ping is voor ons de moeilijkste om te verwezenlijken. Het is één ding om een idee te hebben, het is iets anders om het uit te voeren.” (pag. 30)


Ik droom nu zelfs van de woorden.

Ik kan niet slapen door de woorden.

Ze geven me klopsignalen vanachter het decor,

subversieve personages

die zelfs het doek verscheuren

om het stuk altijd te wijzigen.


De woorden wachten niet.

Hoe lang zullen ze meegaan?

Het zijn net druppels bloed

die op de tekst vallen

en soms ook in de kantlijn.

Maar ze hebben niet genoeg aan de figuren van de dag,

het verlichte waken tussen leven en dood.


De tekst is oneindig

en de kantlijn eveneens.

Misschien zou de tekst in de kantlijn moeten staan.


De droom is een verlaten 

of althans beschikbaar gebied

voor de noodzakelijke binnenkomst van het woord.

Roberto Juarroz

vertaling Mariolein Sabarte Belacortu

Sacks benadrukt dat het de menselijke wil is die de tegenstellingen kan overbruggen als projecten mislukken, als de mens faalt en niet slaagt in zijn opdracht. De wil is in de Tora heilig omdat deze de brug vormt van wat ‘moet moet zijn’ naar ‘en er was’. Verbeelding is werkzaam in de eerste fase van het scheppingsproces, zoals dat ook in de kunst tot uiting komt, de wil is nodig om het beeld om te zetten in daad, in een voorwerp, een object, een toestand die gewenst wordt. Dat kan natuurlijk mislukken maar dat is geen reden om het dan ook maar op te geven. Franz Rosenzweig, een Joodse filosoof, zegt dan ook dat de mislukking de liefde bij krachten houdt. Dan zal pas echt blijken hoe groot je liefde werkelijk is als ze voortdurend wordt teleurgesteld. Voor cynisme is geen plaats. Cynisme legt zich neer bij de mislukking, het is teleurgesteld idealisme, misschien wel overmoed die tot mislukken gedoemd is. Sacks zegt vervolgens:

“De wil is de brug van er moet zijn naar en er was. Maar wat te denken van de derde fase: ‘En God zag dat het goed was’? Van de drie fasen is deze het moeilijkst te begrijpen. Wat betekent het als we zeggen dat ‘God zag dat het goed was’? Het is overbodig te zeggen ‘dat het goed was; want wat maakt God dat niet goed is? Het jodendom is geen gnosticisme en ook geen oosterse mystiek. Wij geloven niet dat deze geschapen, zintuigelijk waarneembare wereld slecht is. Integendeel, we geloven dat zij het domein is van zegen en goedheid. Misschien wil de zin ‘En God zag dat het goed was’ ons dit leren: dat we het religieuze leven niet moeten zoeken in mystieke extase of het nirwana door ons terug te trekken uit de wereld met haar conflicten. God wil dat we deelnemen aan de wereld, de gevechten aangaan, haar vreugde proeven en haar pracht vieren.” (pag.31)

Precies omdat de mens in deze wereld zijn leven gestalte moet geven samen met andere mensen, in relatie met alle anderen, komt het aan op onze eigen instelling en onze eigen inzet. Het gaat niet erom dat je excellent moet zijn, dat je moet beantwoorden aan bepaalde standaards om mee te tellen, zoals dat in een maatschappij waar verdienste hoog staat aangeschreven geldt. Afgelopen maandag zond Radboud Reflex een gesprek uit met de politiek filosoof Michael Sandel, die een boek geschreven heeft met de titel: The Tyranny of Merit. What’s become of the common good?  Daarin wijst hij op het feit dat de tegenstelling tussen zogenaamde ‘winnaars en verliezers’ in de samenleving en de globale wereld steeds groter worden en dat de kloof bijna onoverbrugbaar wordt. Ze spreken ook al lang niet meer dezelfde taal en communiceren wordt daardoor steeds lastiger. Met alle gevolgen voor de democratisch processen en een gedeelde gezamenlijke waarheid waarop de samenleving moet rusten. De winnaars beweren dat het hun verdienste is dat ze aan de top staan, de verliezers hebben gewoon niet goed genoeg hun best gedaan. Een blinde vlek hebben de winnaars voor de positieve omstandigheden waarin ze opgroeienden en het geluk dat ze hadden om zover te komen. Mijn persoonlijk idee is ‘dat niemand echt rijk en invloedrijk kan worden met werken alleen’. Corruptie, machtsspelletjes, uitbuiting van anderen, manipulatie, vriendjespolitiek en andere negatieve gedragingen liggen net zo goed aan de grondslag van extreme rijkdom en de bijzondere machtspositie die sommigen innemen in de samenleving. Autocratische presidenten van sommige landen zijn hier een goed voorbeeld van.

Sacks put uit zijn eigen ervaring om deze derde fase in het proces beeldend te beschrijven. Een citaat waarmee ik wil afsluiten en dat voldoende zeggingskracht heeft in het licht van dit scheppingsverhaal: een verhaal waarin de mens het begin van zijn eigen opdracht mag herkennen: deelnemen aan en voorzetten van Gods scheppingswerk. 

“Voor mijn werk heb ik gevangenissen en instellingen voor jonge delinquenten bezocht. Veel van de mensen die ik daar ontmoette waren in potentie goed. Zij hadden, net zoals u en ik, dromen, verwachtingen, ambities en idealen. Zij wilden geen crimineel worden. Hun tragiek was dat zij vaak afkomstig waren uit slecht functionerende gezinnen in moeilijke omstandigheden. Niemand nam de tijd om voor hen te zorgen, hen te ondersteunen, en hun te leren hoe zij zich staande konden houden in de wereld, hun te leren dat ze konden bereiken wat ze wilden door hard werken en geloof in eigen kunnen, in plaats van door geweld en overtredingen. Wat ze misten was een elementair gevoel van zelfrespect, van eigenwaarde. Niemand had hun ooit verteld dat zij goed waren. Zien dat iemand goed is en dat ook zeggen, is een scheppende daad – een van de grote scheppende daden. Misschien dat er een paar mensen zijn die onverbeterlijk slecht zijn, maar dat zijn er maar weinig. Bijna iedereen bezit een positieve en unieke kern, die helaas al te gemakkelijk wordt gekwetst en die alleen tot ontwikkeling komt als deze in het zonnetje wordt gezet door de complimenten van een ander. Het goede in anderen zien en ervoor zorgen dat zij zichzelf zien in de spiegel van onze waardering, helpt iemand zich optimaal te ontwikkelen. De Talmoed zegt: ‘Iemand die ervoor zorgt dat anderen goeddoen is groter dan degene die zelf goeddoet.’ Als we anderen helpen te worden wat zij in potentie zijn, brengen we in hun ziel de scheppingskracht tot leven. Dit gebeurt niet door kritiek of afwijzing, maar door het goede in anderen op te sporen en hen te helpen het te zien, het te herkennen, het zich eigen te maken en het te leven. En God zag dat het goed was; Ook dit is een onderdeel van het scheppingswerk, het subtielste en mooiste van allemaal. Wanneer wij de goedheid in iemand erkennen, doen we meer dan die goedheid scheppen: we helpen de goedheid scheppend te worden. Dit is wat God voor ons doet en Hij roept ons op hetzelfde voor anderen te doen.” (pag. 30-31)


Als wij onze gedachten konden tekenen

zoals een tak zich tegen de hemel aftekent,

streek er misschien iets op ze neer

zoals een vogel op een tak.


Wij torsen een substantiële fout:

wij hadden concretere materie moeten zijn

in het tastbare net dat ons omhult.


En om ons tekort te kunnen dragen

tekenen wij deze dolende beelden

als takken tegen de hemel.

Roberto Juarroz

vertaling Mariolein Sabarte Belacortu

John Hacking 

19 maart 2021


Bron: Sacks, Jonathan, Genesis. Boek van het begin, Middelburg 2020, (Skandalon)

https://www.ru.nl/radboudreflects/terugblik/terugblik-2021/terugblik-2021/21-03-15-the-tyranny-merit-conversation-with/

Juarroz, Roberto, Vertikale poëzie. Een keuze uit verticale poëzie I t/m XIII. Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu, Amsterdam 2002 (Wagner & Van Santen) (ook op http://mystiekfilosofie.com)

berg sinaï

Bijlage: Genesis 1-3:

1 ¶  Sinds het begin is God schepper,–  van de hemelen en de aarde.

2  De aarde 

is woestheid en warboel geweest, 

met duisternis op het aanschijn van de oervloed,– 

maar adem van God reeds 

wervelend over het aanschijn van het water.

3 ¶  Dan zegt God: kome er licht!– 

en er kómt licht.

4  God ziet het licht aan: ja, het is goed! 

Zo brengt God scheiding aan 

tussen het licht en de duisternis.

5  God roept tot het licht ‘dag’ 

en tot het duister heeft hij geroepen ‘nacht’; 

er komt een avond en er komt een ochtend: één dag. 

6 ¶  Dan zegt God: 

kome er een gewelf in het water,– 

kome er scheiding 

tussen water en water!

7  Dan maakt God 

het gewelf 

en brengt hij scheiding aan 

tussen de wateren onder het gewelf 

en de wateren 

boven het gewelf; 

zo komt het tot stand.

8  God roept tot het gewelf ‘hemel’; 

er komt een avond en er komt een ochtend: tweede dag. 

9 ¶  Dan zegt God: 

dat de wateren onder de hemel te hoop lopen naar één oord, 

en zichtbaar worde het droge!– 

en zo komt het tot stand.

10  God roept tot het droge ‘aarde’ 

en tot de ophoping van de wateren heeft hij geroepen ‘zeeën’; 

God ziet het aan: ja, het is goed!

11  Dan zegt God: 

laat de aarde groen doen groeien, 

een gewas dat zaad zaait, 

een vruchtdragend geboomte 

dat vruchten maakt naar zijn soort 

met daarin zijn zaad over de aarde!– 

en zo komt het tot stand.

12  En de aarde brengt al wat groen is naar buiten, gewas dat zaad zaait naar zijn soort 

en geboomte dat vruchten maakt met daarin zijn zaad, naar zijn soort; 

God ziet het aan: ja, het is goed!

13  Er komt een avond en er komt een ochtend: derde dag. 

14 ¶  Dan zegt God: 

kome er: lichten aan het gewelf van de hemel 

om scheiding aan te brengen 

tussen de dag en de nacht; 

komen moeten die er als tekenen en samenkomsttijden, 

voor dagen en jaren;

15  komen moeten ze als lichten aan het gewelf van de hemel 

om licht te brengen over de aarde!– 

en zo komt het tot stand.

16  God maakt 

de twee grote lichten: 

het grote licht voor het beheer van de dag, 

het kleine licht voor het beheer van de nacht, 

en ook de sterren.

17  God geeft ze aan het gewelf van de hemel 

om licht te brengen over de aarde,

18  om te beheren de dag en de nacht, 

om scheiding aan te brengen 

tussen het licht en de duisternis; 

God ziet het aan: ja, het is goed!

19  Er komt een avond en er komt een ochtend: vierde dag. 

20 ¶  Dan zegt God: 

laten de wateren wemelen 

van het gewriemel van bezield leven,– 

en laat er gevogelte vliegen over de aarde, 

over het aanschijn van het gewelf, de hemel!

21  En God schept 

de grote gedrochten,– 

en alle levende ziel die rondkruipt, 

waarvan de wateren zijn gaan wemelen, in hun soorten, 

en elke gevleugelde vogel in zijn soorten; 

God ziet het aan: ja, het is goed!

22  Dan zegent God hen, en zegt: 

draagt vrucht, weest overvloedig, 

vult het water in de zeeën, 

en ook het gevogelte zij overvloedig op aarde!

23  Er komt een avond en er komt een ochtend: vijfde dag. 

24 ¶  Dan zegt God: 

brenge de aarde naar buiten: bezield leven in z’n soorten, 

vee, kruipend gedierte en wat in het wild leeft op aarde 

in z’n soorten; 

en zo komt het tot stand.

25  God maakt wat in het wild leeft op aarde in z’n soorten, 

het vee in z’n soorten 

en al wat over de bloedrode grond kruipt in z’n soorten; 

God ziet het aan: ja, het is goed!

26 ¶  Dan zegt God: 

laat ons een mens,–  een roodbloedige, maken naar ons beeld en 

als onze gelijkenis,– 

laten zij neerdalen bij de vissen van de zee 

en de vogels van de hemel, 

bij het vee en bij alles op de aarde, 

en bij alle kruipsel dat rondkruipt over de aarde!

27  God schept de mens naar zijn beeld, 

naar het beeld van God heeft hij hem geschapen; 

mannelijk en vrouwelijk heeft hij hen geschapen.

28  Dan zegent hij hen, God, 

en hij zegt tot hen, God: 

draagt vrucht, weest overvloedig, vervult de aarde en bedwingt haar!– 

en daalt neer 

bij de vissen van de zee en de vogels van de hemel, 

bij alle leven dat rondkruipt over de aarde!

29 ¶  God zegt: 

zie, geven zal ik u al het zaadzaaiend gewas  op het aanschijn van heel de aarde 

en alle geboomte waaraan boomvruchten zaad zaaien,– 

voor jullie zal het er zijn als eten!–

30  en voor al wat in het wild leeft op de aarde en alle vogels van de hemel en al wat er rondkruipt over de aarde 

waarin een levende ziel zit 

zal al het groen van gewas er zijn als eten!– 

en zo komt het tot stand.

31 ¶  God beziet het, al wat hij heeft gemaakt 

en zie, het is zéér goed!– 

er komt een avond en er komt een ochtend, de zesde dag. 

1 ¶  Voltooid worden de hemelen en de aarde en heel hun heirschaar.

2  God voltooit op de zevende dag 

zijn werk dat hij heeft gedaan; 

hij houdt sabbat op de zevende dag 

van al zijn werk dat hij heeft gedaan.

3  God zegent de zevende dag 

en heiligt die; 

want daarop heeft hij sabbat gehouden van al zijn werk, 

dat God geschapen heeft om te maken. 

4 ¶  Dit zijn de geboorten van de hemelen en de aarde toen zij werden geschapen,– 

ten dage 

dat de ENE, God, aarde en hemelen maakte.

5  Alle struikgewas van het veld 

komt nog niet voor op de aarde 

en alle gewas van het veld spruit nog niet uit,– 

want de ENE, God, heeft het nog niet doen regenen over de aarde 

en van een roodbloedige mens is er nog géén 

om de aarde van dienst te zijn.

6  Maar een damp stijgt op van de aarde,– 

en doordrenkt heel het aanschijn van de bloedrode grond.

7  Dan formeert de ENE, God, de roodbloedige mens 

van stof uit de bloedrode grond 

en blaast in zijn neusgaten ademhaling van leven; 

zo wordt de roodbloedige mens tot lijf–en–ziel in leven.

8 ¶  Dan plant 

de ENE, God, een hof in Eden,–  liefland, in het oosten; 

en zet dáárin 

de roodbloedige mens die hij geformeerd heeft.

9  Ontspruiten doet 

de ENE, God, uit de bloedrode grond 

allerlei geboomte, bekoorlijk om te zien en goed om van te eten,– 

met de boom des levens in het midden van de hof, 

ook de boom 

der kennis van goed en kwaad.

10  Een rivier trekt uit Eden naar buiten 

om de hof te drenken; 

vandaar af splitst hij zich 

en is hij vierkoppig geworden.

11  De naam van de eerste is Pisjon,– 

die is het die loopt rondom 

heel het land van de Chavila,– 

daar waar het goud is;

12  en het goud van dat land is goed; 

daar is de edelhars, en het gesteente beril.

13  De naam van de tweede rivier is Gichon, 

díe is het die loopt rondom 

heel het land van Koesj.

14  De naam van de derde rivier is Chidekel, 

die gaat ten oosten van Asjoer; 

de vierde stroom, dát is de Eufraat.

15  Dan neemt de ENE, God, de roodbloedige mens mee, 

en laat hem rusten in de hof van Eden 

om haar te dienen en haar te bewaken.

16 ¶  De ENE, God, stelt een gebod 

over de mens en zegt: 

van alle geboomte in de hof mag je eten en eten;

17  maar van de boom 

der kennis van goed en kwaad, 

daarvan zul je niet eten,– 

want 

ten dage dat je van hem eet zul je de dood sterven!

18 ¶  Dan zegt de ENE, God: 

niet goed is het dat de roodbloedige mens hier alléén is:ik maak voor hem een hulp als zijn tegenover!

19  De ENE, God, formeert uit de bloedrode grond 

al wat in het wild leeft op het veld en alle gevogelte van de hemel 

en brengt het tot de roodbloedige mens 

om te zien wat die daartegen zal roepen; 

en al wat hij daartegen roept, de mens tegen een levende ziel, dát is zijn naam.

20  De roodbloedige mens roept namen uit 

voor al het vee en het gevogelte des hemels, 

voor al wat in het wild leeft op het veld; 

maar voor de roodbloedige mens zelf 

heeft hij nog geen hulp gevonden als zijn tegenover.

21 ¶  Dan laat de ENE, God, een verdoving vallen 

over de roodbloedige mens zodat die inslaapt; 

hij neemt 

één van zijn beide zijden 

en sluit met vlees de plek daarvan af.

22  De ENE, God, bouwt de zijde die hij heeft weggenomen van de roodbloedige mens uit tot een vrouw; 

hij komt met haar tot de roodbloedige mens.

23  Dan zegt hij, de roodbloedige mens: 

zij is het nu!– 

been uit mijn gebeente 

en vlees uit mijn vlees!– 

tot haar worde geroepen ‘isja‘, – vrouw, 

want uit een iesj, – man is zij genomen!

24  Daarom zal een man 

zijn vader en moeder verlaten; 

hechten moet hij zich aan zijn vrouw, 

worden zullen ze dan tot één vlees.

25  Ze waren, zij tweeën, ongekleed, 

de mens en zijn vrouw; 

en zij schaamden zich niet.

1 ¶  Maar de slang is uitgekleder geweest dan al wat in het wild leeft op het veld, 

dat de ENE, God, heeft gemaakt; 

hij zegt tot de vrouw: 

echt waar dat God heeft gezegd 

‘gij zult niet eten 

van al dat geboomte in de hof!’?

2  Dan zegt de vrouw tot de slang: 

van de vrucht van het geboomte in de hof mogen wij eten!–

3  maar van de vrucht van de boom midden in de hof 

heeft God gezegd: 

van hem zult ge niet eten 

en hem niet aanraken,– 

anders zult ge sterven!

4  Dan zegt de slang tot de vrouw: 

sterven?– niks sterven zult ge!–

5  nee, God onderkent 

dat 

op de dag dat ge van hem eet 

uw ogen zullen opengaan; 

wezen zult ge als goden, 

onderkennend goed en kwaad!

6 ¶  Dan ziet de vrouw 

dat de boom goed is om van te eten, en dat hij een lust is voor de ogen 

en begeerlijk, de boom, om tot inzicht te komen; 

dan neemt zij van zijn vrucht en eet; ze geeft ook aan haar man bij haar, en hij eet.

7  Dan gaan de ogen van hen tweeën open 

en onderkennen ze 

dat ze naakt zijn, zij; 

ze naaien loof van een vijg aaneen 

en maken zich schorten.

8  Ze horen 

de stem van de ENE, God, omgaan door de hof, in de avondwind van die dag, 

en ze verschuilen zich, de roodbloedige mens en zijn vrouw, 

voor het aanschijn van de ENE, God, 

te midden van de bomen van de hof.

9 ¶  Dan roept de ENE, God, tot de roodbloedige mens en zegt tot hem: waar ben je?

10  En hij zegt: 

uw stem heb ik gehoord in de hof,– 

en ik werd bevreesd, omdat ik naakt ben, en verschool mij!

11 ¶  En hij zegt: 

wie heeft aan jou gemeld 

dat je naakt bent, jij?– 

heb je van de boom 

waarvan ik je heb geboden om daar niet van te eten, toch gegeten?

12  Dan zegt de roodbloedige mens: 

de vrouw die gij hebt gegeven om met mij te zijn, 

zij gaf mij van de boom en toen at ik.

13  Dan zegt de ENE, God, tot de vrouw: waarom heb je dát gedaan?– 

de vrouw zegt: 

de slang heeft mij verleid en ik at!

14 ¶  Dan zegt de ENE, God, tot de slang: omdat je dat gedaan hebt, 

vervloekt jij, onder alle beesten 

en onder al wat in het wild leeft op het veld; 

op je buik zul je voortgaan 

en stof zul je eten, al de dagen van je leven!–

15  en vijandschap zal ik zetten 

tussen jou en de vrouw, 

tussen jouw zaad en haar nazaat; 

hij zal jou voor het hoofd stoten, 

jíj zult hem bijten in de hiel. 

••

16 ¶  Tot de vrouw heeft hij gezegd: 

in veelvoud vermeerder ik je pijniging en je zwangerschap, 

met pijn zul je zonen baren; 

op je man richt zich je hartstocht 

en hij zal je overheersen! 

••

17 ¶  Tot roodbloedige Adam heeft hij gezegd: 

omdat je gehoor hebt gegeven aan de stem van je vrouw 

en at van de boom, 

waarover ik je had geboden en gezegd: 

‘eet van hem níet!’ 

is nu de bloedrode grond om jouwentwil vervloekt; 

in pijn zul je van haar eten 

al de dagen van je leven;

18  doornen en distels zal ze voor je laten ontspruiten,– 

en eten zul je het gewas van het veld!–

19  met het zweet in je neusgaten zul je je brood eten, 

totdat je terugkeert tot de bloedrode grond, 

want uit haar ben je genomen, 

ja, stof ben jij 

en tot stof keer je terug!

20 ¶  De bloedrode mens roept als naam voor zijn vrouw uit ‘Eva’, – levensbron, –

want zij is de moeder geworden van al wie leeft.

21 ¶  Dan maakt de ENE, God, voor roodbloedige Adam en voor zijn vrouw mantels van huid en kleedt hen aan. 

22 ¶  Dan zegt de ENE, God: 

ziehier, de roodbloedige mens is geworden als één van ons 

en heeft kennis van goed en kwaad; 

welnu, laat hij niet zijn hand uitstrekken 

en ook nog nemen van de boom des levens 

en eten zodat hij leeft voor eeuwig!

23  Zo zendt de ENE, God, hem heen uit de hof van Eden; 

om de bloedrode grond te dienen 

waaruit hij is genomen;

24  hij verdrijft de roodbloedige mens,– 

en doet hem ten oosten van de hof van Eden wonen met de cheroeviem 

en het flakkeren van het wentelende zwaard, 

ter bewaking van 

de weg naar de boom des levens.