Wereld en zelf, zelf en wereld (2)

De begrippen zelf en wereld zijn abstracties. Toch heb je een concreet beeld van jezelf en van de wereld. Je verstaat je zelf. Je verhoudt je tot jezelf; kortom je hebt een vorm van zelf-verstaan uitgedrukt in een zelfverhaal. En je hebt een beeld van de wereld, een wereldbeeld dat voortdurend aan verandering onderhevig kan zijn omdat de wereld nu eenmaal verandert. Zelf en wereld zijn twee polen in de beleving van de werkelijkheid waarin je jezelf manifesteert en waardoor je bepaald wordt. De verleiding is vaak groot om deze wereld te accepteren zoals ze is, zoals je haar dagelijks ervaart. Je past je aan. Je zoekt je weg. Maar is dat genoeg? Geeft dat voldoende bevrediging, kom je wel genoeg tot je recht? Dit soort vragen zijn belangrijk omdat ze de kwaliteit van je leven bepalen en de wijze waarop je je leven gestalte geeft in deze wereld, als zelf, als mens, als medemens.

Denk zelf! Denk zelf na! Denk na over wie je bent, hoe je zo geworden bent en wat je verder nog wilt zijn. Ben je tevreden met wie je bent? Heb je vrede met de levensweg die je tot nu toe hebt afgelegd. Kun je leven met de verhalen die je vertelt over wie je bent en hoe je zo geworden bent. Ben je tevreden met jezelf, met het zelf dat je geworden bent? Want jouw zelf is grotendeels een verzameling ervaringen die je in verhaalvorm aan jezelf en aan anderen vertelt. Dat ben ik, dit ben ik, zo ben ik. Het eindresultaat ligt niet vast want je bent voortdurend in verandering omdat je voortdurend nieuwe dingen meemaakt. Ervaringen en ontmoetingen die je vormen en die je bepalen en je inzichten kleuren. Je gevoelens en emoties, je gedachten en je oordelen staan daar niet los van.

Ervaringen aan de grenzen van je bestaan werpen misschien een schaduw op je leven: je wordt ernstig ziek, een dreiging van de dood in je bestaan. Je verliest dierbaren, je ervaart veel pijn en verdriet. Hoe ga je dan verder, hoe wil je verder en kun je dat wel? Of is je zelf-verstaan dan zo aangetast dat je even geen uitweg ziet? Geen toekomst, geen voortgang? Een lange donkere tunnel waarin je het gevoel kan bekomen dat je hem helemaal alleen moet doorlopen. De wereld waarin je je bevindt is opeens dan een stuk donkerder, minder hoopvol, je ervaart minder (naïef) vertrouwen in de dingen (en de mensen).

Als je nu in een situatie zou moeten leven (zoals zovelen momenteel op plekken in de wereld) van voortdurende oorlogshandelingen, leef je op de toppen van je kunnen, sta je voortdurend onder stress en is de druk van de wereld om je heen levensgroot – je probeert met alles wat je in je hebt het hoofd boven water te houden, te overleven. De grenzen van je bestaan in deze wereld worden dan elke dag heel concreet. Je zelfverhaal zal een heel andere kleur hebben dan het verhaal van iemand die in vrede opgroeit en die nog nooit de dreiging van een oorlog heeft meegemaakt.

Sinds de middeleeuwen is er veel in de wereld veranderd. De wereld zelf is volslagen anders geworden. Niet meer God, zijn woorden, neergelegd in geschriften, is voor velen de maatstaf voor het handelen en denken, maar de mens zelf is de nieuwe maatstaf van alle dingen geworden. De filosoof Michael Andrick beschrijft in een boek dat onze samenleving analyseert, met de titel “Erfolgsleere. Philosophie für die Arbeitwelt”, de leegheid van onze jacht naar succes. Niet meer de hemel als einddoel staat centraal maar het hier en nu. Werken als centrale bezigheid om te kunnen leven en te kunnen genieten. De aarde heeft de plek van de hemel vervangen als focus van ons handelen. Niet meer werken om straks na onze dood in de hemel te komen, maar werken om er beter van te worden en te stijgen op de maatschappelijke ladder. Hij schrijft over deze ontwikkeling die heeft ingezet vanaf de middeleeuwen:

Der Ideenhistoriker Hans Blumenberg sagt vom Übergang zur Neuzeit: »Das Mittelalter ging zu Ende, als es innerhalb seines geistigen Systems dem Menschen die Schöpfung als >Vorsehung< nicht mehr glaubhaft erhalten konnte und ihm damit die Last seiner Selbstbehauptung auferlegte. « Diese Entwicklung bahnte sich an im Entstehen der nominalistischen Philosophie des Spätmittelalters – in einem Denken, das die Sprache als rein menschlich-konventionell versteht: Unsere Begriffe sind einfach Namen (nomina), also Benennungen der Dinge. Darin liegt die damals revolutionäre Vorstellung, dass vom Menschen gewählte Bezeichnungen die begriffliche Ordnung unseres Denkens stiften – und nicht Gottes Schöpfungsakt am Anfang der Welt.

Der existenzielle Haltverlust des Spätmittelalterlichen Menschen zeigt sich nach dieser Überlegung darin, dass der Sprache als Brücke zwischen Denken und Welt nicht mehr unbesorgt (naiv) getraut wird. Unsere Begriffe dessen, was im Bewusstsein erscheint, gehorchen keinem natürlichen Gesetz, sondern bloß menschlicher Willkür; aller Anschein von Autorität und Dauer in unserem Sprechen und Denken ist demnach allein dem Gewicht der Tradition, dem einfachen Wiederholen bestimmter sprachlicher Konventionen durch viele in vielen Generationen geschuldet. Wir stiften nun die Ordnung, die wir in der Welt sehen. (pag. 38)

De taal die vroeger een brug kon vormen tussen denken (ook over onszelf) en de wereld heeft tegenwoordig veel van haar geloofwaardigheid verloren. God is voor velen geen houvast meer, religieuze systemen hebben voor velen afgedaan. Het zijn mogelijkheden geworden, een van de vele wegen die begaan kunnen worden maar die geen gevoel van urgentie meer oproepen, geen claim zoals in de middeleeuwen, met aan het eind straf of beloning. Taal wordt niet meer zondermeer vertrouwd. Taal, ons spreken is meerduidig, veel-zinnig en vaak ongrijpbaar geworden. Wij proberen houvast te zoeken en te vinden in de wijze waarop wij tegen onszelf en tegen de wereld aankijken. Andrick stelt dat voor velen de werkelijkheid vooral bestaat uit een arbeids-werkelijkheid. Een deelwerkelijkheid, arbeid, is zo uitgegroeid tot een beleving van werkelijkheid als totaliteit. Leven om te werken in plaats van werken om te leven. Omdat in onze maatschappij sterk de nadruk wordt gelegd op een werkzaam en productief leven heeft dat nogal wat consequenties voor de wijze waarop we hiermee omgaan als arbeider. Passen we ons aan, gaan we volledig mee in het systeem, of zoeken we toch een eigen weg en willen we vrij zijn, vrijer dan in de structuren van een opgelegd arbeidsmodel. Andrick schetst in zijn boek dat velen in onze maatschappij de weg kiezen van het conformisme: ze passen zich aan en stellen geen vragen (meer), als ze er maar beter van worden (financieel, beroepsmatig, stijgen in aanzien etc.) Hij schijft over deze (typische) houding:

Konformistisch sein ist somit eine komplizierte, kraftraubende Sache und keineswegs der berühmte »Weg des geringsten Widerstands«. Man versucht dabei, auf möglichst glaubhafte Weise ein für andere simuliertes Innenleben nach außen zu kehren. Genau dies ist das in jeder Gesellschaft für uns vorgesehene Programm: Abschaffung des eigenen Nachdenkens zugunsten eines vorauseilenden, über fremde Erwartungen spekulierenden Gehorsams. Dies ist der Weg zur Verkümmerung unseres Selbst, zur Abschaffung unserer eigenen, wertenden Perspektive auf die Welt.

Was bleibt, ist ein allein noch außen operierender Mensch, der auf eingehende Reize umstandslos durch zweckmäßige Verarbeitung in einfachem Denken und Tun reagiert. Der Konformist exekutiert damit die bestehende Ordnung bruchlos, ohne verzögernde oder den Betrieb gefährdende Reflexion; er macht, wie Theodor W. Adorno sagt, »mit der Welt gemeinsame Sache gegen sich«. Dieser zeitlose Typus Mensch ist der Funktionär, dessen Erzählung von sich selbst schlicht und direkt durch die herrschenden Tatsachen und allgemein akzeptierten Forderungen bestimmt ist. Diese gedankenlose Klarheit ist es, die Harry Mulisch und Hannah Arendt in ihren sonst sehr unterschiedlichen Berichten über den Jerusalemer Prozess gegen NS-Verbrecher Adolf Eichmann so erschüttert. (pag. 53)

Het zelf heeft zich zo aangepast aan zijn wereld, zijn arbeidswereld, dat het ten koste gaat van zichzelf. Het zelf offert zijn vrijheid op, om zich aan te passen, om in de ogen van de ander geaccepteerd te worden, om mee te kunnen doen, om op die wijze bevrediging te vinden als radertje in het systeem. Hoe extreem dit kan ontaarden laat de Tweede Wereldoorlog zien. Zonder aanpassing van velen was Hitler in zijn Nazi-Duitsland nooit zo ver gekomen. Meelopers, jaknikkers en een ‘grotendeels zwijgende meerderheid’ die in ieder geval niet de barricaden opging om hun vrijheid te verdedigen. Een totalitair bestuurd land laat zien hoever de mechanismen van de macht en de taal die gehanteerd wordt kunnen gaan. Wit-Rusland, Noord- Korea, China, (Rusland, Polen en Hongarije zijn hard op weg om ook zo’n land te worden) zijn hedendaagse voorbeelden en moderne techniek wordt ingezet om het volk te beheersen en elke vorm van kritiek te onderdrukken. Maar dit zijn extreme voorbeelden van onderdrukking en aanpassing.

Andrick stelt dat onze moderne maatschappij bestaat uit systemen waarin mensen als arbeider gebruikt worden om bepaalde rationele doelen te halen voor het bedrijf. Kritisch nadenken, vragen stellen, ook bij de doelen van het bedrijf en de werkwijzen, wordt meestal niet op prijs gesteld. Kritisch zijn roept ongemak op. Opkomen voor je eigen welzijn,, de rol van klokkenluider vervullen, word je niet in dank afgenomen. Arbeiders worden functionarissen die probleemloos hun taken moeten vervullen zonder ‘wrijving’, d.w.z. zonder zelf na te denken. Professionaliteit is het toverwoord waarmee deze rationele instelling wordt beschreven en ‘succes’ is de worst die wordt voorgehouden. Ambitie is heilig en wie het eerst het doel behaalt dat wordt gesteld door het management, wordt als voorbeeld aan de anderen voorgehouden. In hotels zie je vaak foto’s van de medewerker(s) van de week aan de muur hangen bij de ingang: niet om hen de hemel in te prijzen, maar vooral om alle anderen hieraan te herinneren – hen te laten voelen waar het in het bedrijf om draait. Andrick schrijft over deze ontwikkeling:

Werfen wir einen Blick voraus auf das Ergebnis, zu dem wir uns dann Zug um Zug vortasten werden: Die Industriegesellschaft lost das Dasein des Menschen von der Wirklichkeit ab und zerstreut es in ein Mosaik von Arbeitswelten. Zu welchem Bild der Gesellschaft sich diese Arbeitswelten insgesamt verbinden, zeigt sich uns nirgends; außer wir investieren jahrelange Selbstreflexion und verbringen viel Zeit mit der kritischen Lektüre schwieriger Texte und der Befragung erfahrener Leute. Weder die Fähigkeit dazu noch das Privileg, seine Zeit so zu nutzen, sind weit verbreitet. Zugleich kultiviert der »Arbeitswelten-Betrieb« in unterschiedlichen Arbeitszusammenhangen eine Pseudomoral des professionellen Ehrgeizes und Erfolges, die das eigensinnige Leben des Menschen abschleifen und ihn langsam zum Funktionär wandeln kann. Funktionär sein bedeutet, als Person geistig in einem beständigen Präsenz zu leben –  in einem Selbstgespräch und Selbstverständnis ohne historische Tiefe und damit auch ohne moralisches Beharrungsvermögen, aber mit umso mehr unbesorgter Tatkraft. Dies ist der rätselhafte Zustand der informierten Unbewusstheit, oder vielleicht besser der praktischen Gewissenlosigkeit unseres industriellen Alltags. (…)

Denn zur Umwelt und zu anderen Menschen hat ein Funktionär nur insoweit ein Verhältnis, wie sie seinen Projekten dienen können; nur dass seine Projekte nicht wirklich seine Projekte sind, sondern einfach der Anforderungskatalog des Erfolges, den er gründlich von den Institutionen seiner Gesellschaft für sich übernommen hat. Wenn der Vollzug des Lebens darin besteht, im Lichte unserer Erfahrung über uns selbst nachzudenken und uns dabei weiterzuentwickeln, dann ist der Funktionär moralisch verstorben. In seiner Person wird der Mensch vom potentiellen Kritiker und Verbesserer seiner Gesellschaftsordnung zum einfachen Komplizen des etablierten Geschehens. (pag. 93-94)

Een arbeider is dus eigenlijk een soort van moderne slaaf, de slavernij bestaat in de overgave aan de eisen van de organisatie waarin je werkzaam bent, zonder dat je vragen stelt over je eigen welbevinden en of je werkzaamheden wel leiden tot een beter persoonlijk leven. Op de campus van onze universiteit worstelen velen met hun toekomst. Wat staat hen te wachten, vinden ze wel werk en in welke sector? Dit soort vragen leven bij veel studenten en net afgestudeerden. Hoever willen ze gaan om een baan te vinden, hoever willen ze zich aanpassen om eindelijk zelfstandig te kunnen gaan leven? Zijn ze zich wel bewust van wie ze zijn en wat ze eigenlijk willen? Ook de vaste medewerkers, zij die al een baan hebben op de universiteit leven in onzekerheid, want ze moeten telkens weer hun positie bevestigen door te laten zien dat ze productief zijn. Wetenschappers door het schrijven van rapporten en het publiceren van hun onderzoeksresultaten in tijdschriften en boeken, en alle anderen in bureaucratisch verankerde jaarplannen en overzichten die telkens weer door het hogere management moeten worden goedgekeurd.

Andrick pleit voor nadenken, voor stilstaan bij wie je bent en wat je wilt zijn, in welke context je wilt werken en hoe je tot je recht wilt komen. Dat gebeurt niet vanzelf, je eigen inzet, je eigen nadenken is noodzakelijk. Nadenken over je zelf is misschien wel een van de moeilijkste zaken in je leven. Waar vind je houvast, waar houd je je aan vast? Welke richtingwijzers zijn er, welke wegen zijn begaanbaar en leiden tot een goed leven?

“Je te onderhouden met jezelf, is een kunst, met andere mensen, dat is verstrooiing” (Andrej Platonow) (pag.34)

Tijd om stil te staan bij jezelf, om de verkenning te starten als je nog niet begonnen bent. Ook de wereld zal er beter van worden.

John Hacking 18 mei 2021

Bron:

Michael Andrick, Erfolgsleere. Philosophie für die Arbeitswelt, Freiburg München 2020, (Verlag Karl Alber)