Vragen

– Der Durst ist unser Los

Edmond Jabès, Das Buch der Fragen, pag. 64


Het lot van de mens is verlangen. Als wij de woorden van de Franse schrijver Edmond Jabès mogen geloven. Verlangen. Verlangen waarnaar? Waartoe? En wanneer treedt het op? Zijn er ook momenten zonder verlangen? Verlangen naar aandacht. Verlangen naar kennis, verlangen naar bewustzijn. Verlangen naar liefde, een leven vol geluk. Verlangen naar de dood, verlangen naar een einde als het leven tegenzit. Verlangen. Het blijft fascineren hoe het verlangen een mens kan vormen, hoe het verlangen een mens kan doen handelen. Ten goede, ten kwade. Verlangen naar bezit, naar rijkdom, naar macht. Meestal levert dat veel ellende op. Verlangen naar goedheid, naar solidariteit, naar rechtvaardigheid. Vaak levert dat veel frustratie op en het zijn de sterke schouders die de (negatieve) tegenwerking kunnen dragen. Die volhouden – volhouden tot het bittere einde. Bitter is dit einde als de adepten van de macht, van de machtigen hun negatieve handwerk omzetten in moord, in het uitroeien van tegenstanders, van vreemdelingen, tot ongewenste mensen verklaarde anderen. Het woord mensen ontbreekt dan. Men kiest dan gewoonlijk voor beledigende termen – aanhakend bij het dieren- of het insectenrijk. Het eeuwenoude racisme, de uitroeiing van de Joden tijdens en ook voor de Tweede Wereldoorlog, de pogroms, de verdrijving uit de steden, de inrichting van getto’s, de sluimerende haat en afgunst, het zijn zoveel tekenen van een op domheid gestoeld handelen. Dom omdat men denkt dat het eigen volk, het eigen land, de eigen soort, de eigen familie, het eigen geloof, de eigen identiteit, de eigen persoonlijkheid – van beter kaliber zijn, bijzonder, hoogstaand, meer waardevol, het beschermen waard tegenover hen die als dreiging worden ervaren. Als je jezelf ziet als beter, meer waard, zijn er altijd anderen die minder, minder waard zijn in je ogen. Ook dat is een vorm van domheid. Want waarop is je oordeel gebaseerd? Op de kleur van je huid? Op de afkomst? Op je achtergrond? Op je familie, je land, je religie, je groep waar je toe behoort?

Inzetten op je eigen zogenaamde ‘meerwaardigheid’ is veronachtzamen dat je zelf ook een keer dood zult gaan, dat je eigen bewustzijn en je kennis ook maar heel beperkt is, dat je ook zomaar ziek kunt worden en kunt sterven, net als al die andere stervelingen. Het is een domheid waarvoor een hoge prijs wordt betaald.

Edmond Jabès cirkelt in zijn boeken rond de thema’s als: de waarheid en het recht, de liefde, de hoop en de taal (en het schrift), het bewustzijn van je eigen situatie, de relatie tot God en het overstijgende en de uitroeiing van de Joden in de Tweede Wereldoorlog. Dat doet hij in denkbeeldige dialogen (tussen Yukel en Sarah), in denkbeeldige gesprekken die plaatsvinden door rabbijnen. Rabbijnen die hij introduceert maar die nooit hebben bestaan. Zo kopieert hij de Talmoed, als boek van vragen, als nooit eindigend proces van blijven vragen en navragen, van dialoog en gesprek over alle thema’s die relevant zijn in een mensenleven. De auteur en de lezer als getuige starten met hoop en eindigen vaak met twijfel, zo stelt Jabès:

(Die ersten Satze eines Werkes sind immer mit Hoffnung beladen; unterwegs schmeichelt der Zweifel sich ein und treibt Knospen. Die doppelte Verzweiflung steht am Ende; die des Schriftstellers und die des Zeugen.)

Edmond Jabès, Das Buch der Fragen, pag. 56

Die twijfel komt ook ter sprake als wij op zoek zijn naar kennis. Voor Jabès is het belangrijk in het  zoeken naar waarheid dat de weg open blijft en door blijft gaan, dat er geen einde komt aan de einder waar slagbomen je tegenhouden omdat de waarheid is bereikt, omdat het vragen ophoudt. Voor Jabès is de vraag en het antwoord een koppel dat telkens verder danst. Het vragen komt nooit ten einde, elk antwoord roept nieuwe vragen op. Zou dat niet zo zijn, houdt het vragen op na een antwoord dat zichzelf als definitief beschouwt, dan is dat de dood in de pot: einde oefening, caput mortuum, (dat ook een pigment is en dat vooral populair was om kleding van religieuze hoogwaardigheidsbekleders mee te kleuren). Hoe Jabès denkt en schrijft over de vraag en het vragen, blijkt uit dit citaat:


Auf jede Frage antwortet der Jude mit einer Frage.

Reb Lema

Mein Name ist eine Frage, und meine Freiheit liegt in meiner Neigung zum Fragen.

Reb Eglal


– Die Hoffnung liegt im Wissen, sagte Reb Mendel. – Aber nicht alle seine Schüler stimmten mit ihm überein.

– Dann müssten wir uns noch darüber verständigen, welchen Sinn du dem Wort »Wissen« gibst, sagte der älteste van ihnen.

– Wissen ist Fragen, sagte Reb Mendel.

– Was werden wir van diesen Fragen haben? Was werden wir von all den Antworten haben, die uns dazu bringen werden, andere Fragen zu stellen, da doch jede Frage nur aus einer unbefriedigenden Antwort entstehen kann? sagte der zweite Schüler.

– Das Versprechen einer neuen Frage, sagte Reb Mendel.

– Es wird aber doch wohl ein Augenblick eintreten, fuhr der älteste Schüler fort, wo wir mit dem Fragen werden aufhören müssen, sei’s weil auf unsere Frage keine Antwort mehr gegeben werden kann, sei’s weil wir unsere Frage nicht mehr ausdrücken können, wozu also anfangen?

– Du siehst, sagte Reb Mendel, dass es auf der Spitze der Schlussfolgerung stets eine entscheidende Frage gibt, in der Schwebe.

– Fragen stellen, fuhr der zweite Schüler fort, bedeutet, den Weg der Verzweiflung einzuschlagen, werden wir doch nie wissen, was wir zu lernen suchen.

– Wirkliche Erkenntnis liegt darin, jeden Tag zu wissen, dass man letztlich nichts lernen wird; denn das Nichts ist ebenso Erkenntnis, da es die Kehrseite des Alles ist, wie die Luft die Kehrseite des Flügels ist.

– Unsere Hoffnung ist der Flügel der Verzweiflung, denn wie sonst kämen wir voran? antwortete Reb Mendel.

– Der Verstand, sagte der dritte Schüler, ist gefährlicher als das Herz, das sich nur über sein eigenes Schlagen beugt. Wer von uns kann behaupten, dass er im Wahren ist?

– Nur die Hoffnung, im Wahren zu sein, ist wirklich. Wahrheit ist Leere, antwortete Reb Mendel.

– Wenn die Wahrheit, die im Menschen ist, Leere ist, fuhr der älteste Schüler fort, sind wir nur Nichts in einem Körper von Fleisch und Haut. GOtt, der unsere Wahrheit ist, ist auch er Nichts?

– GOtt ist eine Frage, antwortete Reb Mendel, eine Frage, die uns zu IHm führt, der Licht ist, durch uns, für uns, die wir nichts sind.

Unsere Versammlung dieses Abends geht ihrem Ende entgegen. Die Geschichte, die ich euch versprochen habe, liegt in eurem Gedächtnis. Unser Durchgang durch Bündnis und Betrug, durch Seele und Hände ohne Echo hat uns auf  Bedeutungsvollen Umwegen zu unseren Augen geführt. Was sie sehen werden, wird von ihnen verstanden und beurteilt gemäß dem, was sie gesehen haben. Wahrheit und Gerechtigkeit sind beide ein unbestechlicher Blick: der schuldlose Blick des Kindes. Und die Freiheit ist auf der Spitze.

Pag. 117-118

Uit: Jabès, Edmond, Das Buch der Fragen.


Deze denkbeeldige dialoog laat zien dat wij niet zoveel in handen hebben en als we al denken dat we de waarheid in pacht hebben, dat we iets zeker weten, dan wordt dat als het ware uit onze handen geslagen. Zo eindigen we bij het niets, de leegte, de twijfel, het zweven in het vacuüm. Maar we zweven, we vliegen, we worden gedragen zoals de vleugels gedragen worden door de wind. En onder ons de afgrond, het ravijn waarin we kunnen vallen als we ons vastgrijpen aan een waarheid die we als absoluut beschouwen. Zolang we durven twijfelen, blijven vragen, blijven we zweven, worden we gedragen. De hoop houdt ons levend en houdt ons op weg. Onze vragen zetten de route voor ons uit. Zodra we denken dat we zijn aangekomen is niet alleen de weg ten einde maar ook ons leven. Onze als absoluut opgevatte waarheid is een dodelijke waarheid: eerst voor hen waarvan we denken dat ze onze waarheid bedreigen, en dan voor onszelf als we ten onder gaan aan onze eigen waarheid. Zoals we muren bouwen om ons land, ons continent af te schermen tegen zogenaamde indringers, vluchtelingen, ongewenste vreemdelingen, en dan vergeten dat deze muren de muren worden van onze eigen gevangenis, zo is het ook met onze waarheden. Ze sluiten ons op, maken ons klein, lafhartig, bekrompen, onmenselijk.

Jongeren die vluchten uit onmenselijke omstandigheden zoals vervolging en oorlog, uit armoede en uit een land met een corrupte leiding, een land zonder kansen op een menswaardige toekomst, worden door velen als ongewenst beschouwd. Waarom? Op welke wijze vormen ze een bedreiging? Voor ons bezit? (Komen we om van de honger?) Voor onze identiteit? Deze jongeren maken vaak lange onmenselijke tochten om hun droom te verwezenlijken: een toekomst zonder armoede en geweld, een toekomst om zichzelf te kunnen verwezenlijken. De documentaire Shadow Game (NPO2doc.nl) uit 2021 waar een aantal jongeren op hun tocht door Oost-Europa wordt gevolgd maakt dit zichtbaar. En ook het geweld dat ze onderweg tegenkomen, Kroatische politieagenten die hen genadeloos in elkaar slaan, beroven, martelen met elektroshocks, nog net zo onmenselijk als ten tijde van Wereldoorlog Twee, waar dit soort agenten deel uitmaakte van de fascistische en vooral wrede terreurgroepen die geen enkel pardon kenden met hun Joodse landgenoten en de partizanen die tegen de Duitse bezetting streden.

Deze jongeren laten zien waartoe ze in staat zijn, welke vreselijke omstandigheden zij willen overwinnen. We zouden ze met open armen moeten ontvangen want ze tonen duizend maal meer moed en durf dan al die populistische schreeuwende politici, al die rechts radicale aanhangers van anti-humane ideologieën die alleen maar in grote groepen hun mond durven opentrekken en actie ondernemen. Die op een laffe en achterbakse manier opvanghuizen voor vluchtelingen s ’nachts in brand steken, die met knuppels gewapend, grenzen willen bewaken om onschuldigen in elkaar te slaan, zoals de grenswachten nu laten zien aan de grens tussen Polen en Wit-Rusland. Die op straat met velen één vluchteling molesteren. En dan alles ontkennen als ze later worden opgepakt: “Het was niet zo bedoeld”.

De vluchtende jongeren vormen in mijn ogen de echte hoop voor de toekomst: door wat ze overwinnen hebben ze ons respect verdiend en een kans om hun toekomst gestalte te geven in een nieuwe context. Zij zijn de dragers van de tijd, ze dragen de tijd de toekomst binnen. Niet de verkondigers van de dood, de murenbouwers, de angstige arglistige leugenaars die alleen maar geloven in het eigen gelijk, de eigen waarheid, de eigen bubbel. De dichter Ungaretti zegt op zijn manier zo:


Agglutinati all’oggi

I giorni del passato

E gli altri che verranno.


Per anni e lungo secoli

Ogni attimo sorpresa

Nel sapere che ancora siamo in vita,

Che scorre sempre come sempre il vivere,

Dono e pena inattesi

Nel turbinío continue

Dei vani mutamenti.


Tale per nostra sorte

Ü viaggio che proseguo,

In un battibaleno

Esumando, inventando

Da capo a fondo il tempo,

Profugo come gli altri

Che furono, che sono, che saranno.

GIUSEPPE UNGARETTI


Angefügt, nahtlos, ans Heute

die Tage gestern,

die Tage morgen.


Jahre, Jahrhunderte hin, jeden Nu

das Noch-am-Leben-Sein als Überraschung,

das Immer-und-immer-Dahin des Lebens,

Geschenke, so unverhofft wie Pein,

im unaufhörlichen Wirbel

all des vergeblichen Wechsels.


So, durch unser Geschick,

meine Reise and Weiterreise,

im Handumdrehn

grab ich die Zeit aus, erfind sie

vom Grund bis zum Scheitel,

ein Flüchtling, den andern gleich,

die waren, die sind, sie sein werden.

Vertaling: Paul Celan

Pag. 300-301


Uiteindelijk staan we allemaal een keer voor de poort van de dood, trekken we aan het kortste eind. Onze eindigheid en ons besef ervan zou ons barmhartig moeten maken, begripvol, solidair met elkaar. In plaats van zoveel mogelijk binnenhalen, zoveel mogelijk verdienen, zoveel mogelijk de aarde uitputten. In plaats van hebzucht boven alles, zouden we moeten delen en verdelen. Dat de dood voor ieder komt is een grote troost. Alle smeerlappen, alle moordenaars, alle dictators, alle zeer rijken die door uitbuiting en machtswellust hun rijkdom hebben vergaard, gaan tenslotte dood. Een einde aan hun wangedrag. Een einde aan hun invloed en aan hun uitstraling. Als ze eens zouden weten, zouden beseffen hoeveel haat op hen is geprojecteerd, hoeveel woede en angst er verbonden is met de gedachten van de onderdrukten, de slachtoffers, van hun handelen, als dat besef toch eens mocht doorbreken, misschien zouden ze dan voor hun dood tot inkeer, tot omkeer komen. Maar waarschijnlijk is dat een ijdele hoop. De waarheid van alledag leert anders. De dictator komt meestal niet tot inkeer. De hel van Dante is zijn lot. En dat voor eeuwig. Maar deze literaire wensgedachte is fictie, is virtueel, net zoals ons trachten, ploeteren en zoeken op deze aarde, zoals de dichter Quasimodo schrijft:


CURVA MINORE

Pèrdimi, Signore, ché non oda

gli anni sommersi taciti spogliarmi,

sì che cangi la pena in moto aperto:

curva minore

del vivere m’avanza.


E fammi vento che naviga felice,

o seme d’orzo o lebbra

che sé esprima in pieno divenire.


E sia facile amarti

in erba che accima alla luce,

in piaga che buca la carne.


lo tento una vita:

ognuno si scalza e vacilla

in ricerca.


Ancora mi lasci: son solo

nell’ombra che in sera si spande,

né valico s’apre al dolce

sfociare del sangue.

SALVATORE QUASIMODO


DER KÜRZERE BOGEN

Lass mich, oh Herr, dass ich nicht höre,

entschwundene Jahre schweigend mich entblößen,

dass alle Pein in freien Fluss sich wandelt:

der kürzere Bogen

des Lebens verbleibt mir.


Mach mich zu Wind, der selig weht,

zu Gerstensamen oder Aussatz,

der sich in vollem Werden zeigt.


Und sei es leicht, dich zu lieben

als Pflanze, die ihrem Licht entgegenwächst,

als Wunde, die das Fleisch zerfrisst.


Ich versuche ein Leben:

Ein jeder wankt ermattend

auf der Suche.


Du verlasst mich wieder: allein bin ich

im Schatten, der zum Abend sich weitet,

und keine Pforte öffnet sich dem süßen

Verströmen des Blutes.

Vertaling: Gianni Selvani

Pag. 308-309


Wat is waarheid, wat is verlangen, wat is geluk? We leven en we zoeken. We zijn een en al trachten. Soms slagen wij, soms raken we even bevrijd van onze pijn, onze onmacht, ons falen. Soms maken we kennis met geluk, met liefde, met vriendschap. Soms en meer dan dat kunnen we ons veilig en geborgen voelen, hebben we vaste grond onder de voeten. Zijn we ons bewust door wie en door wat we worden gedragen in een leven vol schommelingen en onzekerheid. ‘Soms even’ zo luidt een lied van Huub Oosterhuis, soms even…

Is dat genoeg, kunnen we hiermee verder? Weegt het op tegen alle troosteloosheid, tegen alle onmacht en twijfel, alle angst en wanhoop? Misschien is het de kracht van de innerlijke hoop, het geloof als je durven toevertrouwen aan wat komen gaat en komen kan, die ons op de been houdt. Misschien is het de onkunde, het niet weten, het niet kunnen weten, willen weten wat er morgen zal zijn. Dat we veelal blind en zonder bewustzijn onze taken vervullen, onze dagen slijten, ons leven vullen met afleiding. Dove non eri quanta pace – daar waar je niet bent – welk een vrede… impercepita – onmerkbaar, niet waargenomen…

Ons lot: een zuchten, een trachten, een en al verlangen. De weg: een zoektocht, een pogen, een niet-weten, een vragen. De verleiding: de waarheid, zeker weten, zekerheid, het eigen gelijk, het geweld. De uitdaging: de twijfel, de openheid, de solidariteit, mens-zijn, christen-zijn, hier en nu, tegen alle onzekerheid in. Of zoals de dichter Luzi dicht:

Dove non eri quanta pace: il cielo

fra gli alberi estuosi raccoglieva

la bianca offerta delle strade, un volto

riluceva nel buio delle fonti,

la midolla di miele

temperava l’angoscia dei passanti

e la beltà brillava,

spariva suddivisa tra le vie

lampanti nel silenzio ventilato.


Né memoria, né immagine, né sogno.

Il volto dell’assente era una spera

specchiata dalla prima opaca Stella

e neppure eri in lei, eri caduta

fuori dell’esistenza;

il candore affliggeva i crocevia

e non era la sera,

era la bianca verità indolente

in fondo al mio tumulto, impercepita.

MARIO LUZI


welch ein frieden dort wo du nicht warst       der himmel

sammelte für die brennenden bäume

die weißen opfergaben der straßen     ein gesicht

schimmerte im dunkel der quellen

krumen des honig-lichts

beschwichtigten die angst der wanderer

und die schönheit zerstob

verschwand     zerrissen zwischen beleuchteten

wegen            einem schweigen aus luft


keine erinnerung     keine bilder     kein traum

die abwesenheit deines gesichts war eine hoffnung

gespiegelt von dem ersten matten stern

und nicht einmal in ihm warst du     gefallen warst du

aus dem sein

etwas weißes quälte die wegkreuzungen

es kam nicht aus dem abend

es war bloss die bleiche gleichgültige wahrheit

auf dem grund meines aufruhrs

nicht wahr genommen

vertaling: Alfred Andersch

Pag. 314-315


John Hacking

16 november 2021

Bronnen:

  • Jabès, Edmond, Das Buch der Fragen. Aus dem Französischen von Henriette Beese, Frankfurt am Main 2019, (Suhrkamp)
  • Poesie der Welt, Italien, Berlin 1983 (Edition Stichnote – Propyläen)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.