Wereldverkenning – de verhouding tot de wereld

„Het idee dat ik in de loop van mijn leven in de natuurwetenschap heb geïnternaliseerd, voor wat het waard is, is dat elk mens maar één klein onderdeel vormt van de mensheid, zowel in tijd als in ruimte, en dat die mensheid zich bevindt op een kleine planeet in een willekeurig sterrenstelsel en dat de generaties na ons via bio-engineering of kunstmatige intelligentie of wat voor nieuwe technologie dan ook, dingen zullen ontdekken en zullen doen waarbij wat wij nu doen zal afsteken als kinderspel.” 

Frank Wilczek, in een interview in de NRC

Eigenlijk is de wereld elke dag nieuw. Elke ochtend kan een openbaring zijn van een wonder: de nacht die langzaam plaats maakt voor het aarzelende licht. Maar als de wekker afloopt en je moet je haasten om op tijd op je werk te komen via een route die over drukke wegen leidt, is die verwondering meestal afwezig. 

Eeuwenlang heeft de mens zijn weg in de wereld gezocht. Toen er nog geen haast was om op je werk te komen, toen het huis nog een dak van bladeren was of een grot, was de wereld en de relatie met de wereld anders. Er was ook geen werk. Er was hoogstens proberen te overleven. En als de dagen donker waren en de nachten lang waren de muren van de grot uitstekende plaatsen om dieren af te beelden. Er was tijd om werktuigen te maken om dieren te vangen en te doden. Er was tijd voor verhalen, er was tijd voor elkaar. Archeologen stellen dat de groepsgrootte toen uit 30-40 mensen bestond, een situatie die tweehonderd duizenden jaren heeft aangehouden. Pas toen de mens sedentair werd, en er landbouw ontstond, het begin ook van kleine dorpen en later steden, kwam daar verandering in.  Maar dat is pas 5000-6000 jaar geleden. De historicus Philipp Blom legt in een podcast Future Affairs (NRC) uit dat het 10.000 vrouwen geleden is sinds het begin van de mens. 300 vrouwen geleden sinds de eerste culturen ontstonden, 100 vrouwen geleden tot aan de tijd van de Romeinen, 10 vrouwen geleden tot aan de tijd van de Verlichting en drie generaties geleden dat onze maatschappij een kapitalistische groei-economie werd waarin groei het heilige adagium werd om de ontwikkelingen te bevorderen. 

Sinds de bijbelse scheppingsmythe gesproken heeft over de aarde te onderwerpen, is het eigenlijk misgegaan. Die uitspraak staat volgens Blom aan de basis van het verhaal dat aanmoedigt om zoveel mogelijk uit de aarde te halen en om de wereld op onze wijze vorm te geven als een groei-economie. Maar de gevolgen zijn groot en intens. Wij zijn nu op een punt beland waarin een echte historische omwenteling heeft plaatsgevonden met nefaste gevolgen. Als wij het verhaal van het heersen over de aarde niet veranderen zal het slecht met ons aflopen.

In de middeleeuwen nam men het model van Aristoteles over om het handelen te beschrijven in theoria, praxis en poiesis. Poiesis is het handwerk, het maken van dingen die als zodanig niet in de natuur voorkomen maar die wel nodig zijn in de maatschappij en die meestal bloed, zweet en tranen kosten. Dat was dus het werk van de opkomende gilden die tegelijk met de universiteiten ontstonden. Praxis was in dit model niet het handwerk maar het handelen om tot resultaten te komen, bijvoorbeeld het voorgaan in een veldslag, het voeren van een rechtszaak, het discussiëren om je gelijk te halen. Theoria, anders dan onze huidige vorm van theorie die gericht is op het toetsen en bevorderen van praktische handelingen, wetenschappelijke modellen en voorspellingen, is in dit model pure beschouwing, een zaak van de geest. Vanuit een verwonderde houding nadenken over de schoonheid van de kosmos, de regelmaat van de omloop van de sterren, de schoonheid en de goedheid en als hoogste trap de beschouwing van God. 

De universiteiten werden vanuit dit model ingedeeld. Het Trivium (grammatica, retorica en logica) en het Quadrivium (aritmetica, geometrie, muziek en astronomie) vormden samen de filosofie als de theoria. Daarnaast waren er de theologie (voor het heil van de ziel), de medische wetenschap, (voor het heil van het lichaam) en de rechtswetenschap (voor het heil van de wereld). De wereld van de poiesis was een totaal andere wereld waar wel lezen, schrijven en rekenen werd geleerd, maar boekenwijsheid was nergens voor nodig. Zo ontstond er dus een scheiding in de maatschappij en een verheven voorstelling van de universitaire wereld en haar bewoners. 

Sinds die tijd heeft de wetenschap een enorme vlucht gemaakt. Was het onderwijzen van de geometrie nog gekoppeld aan de kennis over een wereld die alsmaar groter werd, en die met behulp van kaarten werd verkend, inmiddels spreken wij over een universum dat wij kunnen bestuderen tot bijna aan het begin van het ontstaan ervan. De natuurkundige Frank ‘Wilczek spreekt in een interview voor de NRC over de kerngedachten in de natuurkunde en hij beschrijft dat er maar heel weinig nodig is om een dynamische kosmos te maken: 

“Zoals dat er volop ‘spul’ is – volop tijd, ruimte, materie en energie – om een kosmos te maken, maar dat het ingrediëntenlijstje zelf juist kort is. Of dat er maar heel weinig natuurwetten nodig zijn om daarmee een onmetelijke, dynamische kosmos te ‘maken’, terwijl die natuurwetten tegelijk faliekant tekortschieten om de lokale rijkdom in variatie, zoals op aarde, te verklaren.”

Dat is een beetje onze situatie. We hebben de hele wereld in beeld, gekolonialiseerd, in gebruik genomen om onze behoeftes te stillen en onze economie te laten groeien. We gaan de ruimte in en om de aarde draaien honderdduizenden kleine stukjes ruimtepuin die afkomstig zijn van satellieten die vernietigd zijn. Het is wachten op ernstige ongelukken. We zijn meesters geworden in het uitvinden en toepassen van technieken maar we slagen er niet in een consistent en humaan verhaal te houden over het hoeden van de aarde als een kostbaar bezit. Ook een verhaal dat recht doet aan de toekomstige generaties. We zouden volgens Blom met een nieuw verhaal zeker 7 generaties vooruit moeten kijken. Dat dit verhaal nodig is staat buiten kijf. De onmetelijke kosmos zou ons eigenlijk bewust moeten maken van onze situatie hier op aarde. Wilczek is zelf heel positief over onze positie als mens in deze ruimte, de tekst in de NRC zegt: 

“Ergens halverwege het boek rekent hij uit hoeveel beelden en gedachten een gemiddelde mens in een leven kan oproepen en ontwikkelen. Het zijn er al gauw één tot honderd miljard en dat laat zich, al doet Wilczek dat in het boek zelf niet, vergelijken met het aantal sterren in de Melkweg. „Ik heb niet nagezocht of het al eens eerder is uitgerekend, maar voor mijzelf was het een openbaring”, zegt hij nu. „Het toont prachtig wat Walt Whitman dichtte in ‘Lied van mezelf’: ik ben groot; ik bevat veelvouden.”

Wilczek stelt dat ook de natuurwetenschap ons kan helpen om een nieuw verhaal te vertellen maar dan moeten we ons ook realiseren dat de wereld die wij nu kennen absoluut anders kan worden en dat de inzichten uit bijvoorbeeld de kwantummechanica ons hele wereldbeeld op hun kop hebben gezet. De tekst zegt:

“Neem het feit dat mensen nooit zonder ingrijpen kunnen waarnemen. Het is een stelling uit de natuurkunde, zoals Wilczek wat droogjes constateert. „Maar die bevat ook”, zegt hij vervolgens, „een stuk wijsheid om in het achterhoofd te houden op andere domeinen. Observeren is nooit iets passiefs en gaat altijd samen met wisselwerking. De beste manier om iets te leren is dus door ermee in wisselwerking te treden, maar terwijl je dat doet verander je het. Het loont om over die spanning tussen observatie en interactie na te denken.”

Dat betekent in feite dat als wij anders naar onze wereld en onze samenleving durven te kijken met oog op de toekomst, met oog voor het behoud van de aarde, met het oog op een duurzame en rechtvaardige ontwikkeling ervan, dus een nieuw verhaal, dan ontstaat er een wisselwerking tussen onze observatie, onze waarneming en ons handelen. Dan kunnen wij vanuit een nieuwe verstaans-horizon en ervaren urgentie stappen zetten om het tij te keren. Niet de mammon als leidraad, niet de beurskoersen en de handel die alles tot handelsobject maakt, ook het water en de voedselvoorziening (ten koste van de armere landen), niet de groei van bitcoins en andere fictieve virtuele goederen (digitale kunst) vanuit het verlangen snel rijk te worden, maar het welzijn van alle mensen, zonder onderscheid. Een verhaal waarin elk mens op zijn talenten wordt aangesproken en niet op zijn consumeer-gedrag. Een mens die volwaardig mag meetellen in de samenleving en die niet is afgeschreven als waardeloos, als hopeloos en enkel nog goed genoeg om te consumeren. Als het geld blijft regeren gaat de wereld ten onder. Dat is het verhaal dat nu langzaam zichtbaar aan het worden is. De keuze is dus God (= het heil van alle mensen) of de mammon. Een goed begin kan morgen 1 januari (in het nieuwe jaar) al worden gemaakt. 

John Hacking

31 december 2021

bronnen:

der blaue reiter. Journal für Philosophie. 46. Ausgabe – 2020, Leben lernen. Über die Erziehung des Menschen, pag. 31-32

Frank Wilczek, in een interview in de NRC:

https://www.nrc.nl/nieuws/2021/12/30/zelfs-in-het-licht-van-de-sterren-is-niemand-onbeduidend

Phillip Blom in de podcast Future Affairs:

https://www.nrc.nl/nieuws/2021/09/08/future-affairs-a4046602