Gedichten rond de dood 3

GEDICHTEN ROND ROUW EN VERDRIET, DOOD EN LEVEN
(bijgewerkt 2017)

Aan Rika – Piet paaltjens
Abend – R.M. Rilke
Abschied – R.M. Rilke
ACHTERGELATEN H. Michaelis
Afscheid – Adriaan Morriën
Als de dageraad aanbreekt
ALS JUDITH LACHT – Moshe Dor
Als we na de dood opstaan – José Angel Valente
ANTWOORD EN VERZOENING – Octavio Paz
BEGOOCHELING – Edmund Blunden
Begraafplaats – Hans Groenewegen
Bij het graf van mijn moeder – Frans Hopfenbrouwers
Bittgedanke, dir zu füssen – smeekgedachte, voor jou neergeknield

De boom – Klaus Rifbjerg
Bomen – Eugenio Montejo
Buddha – R.M. Rilke
CANCIÓN DEL SAUCE – José Emilio Pacheco
Canto – alejandra pizarnik
De dood – Patty Scholten
De dood van mijn moeder – Frans Hopfenbrouwers
DE GESTORVENE – Ida Gerhardt
De getrooste dood – SIMON VESTDIJK
De huif – Frans Hopfenbrouwers
DE KEUKEN – Maurice Careme
De mensenvriend – KEES STIP
De ploeger – A. Roland Holst

Kerkje van Fransum – CO Jellema
De profundis – V. Trakl
DE STAD ALS SCHEEPSWRAK – Amal Dunqul
De Tuinman en de dood – P.N. van Eyck

Zondagmiddag – P. Rodenko
DE VAL – Esther Jansma
de zeer oude zingt  LUCEBERT
DE ZIEL – Adam Zagajewski
Denkend aan een niet te noemen – Marina Tsvetajeva
Dennenbossen – Jana Beranová
Die Angst – Alejandra Pizarnik
Die letzte Unschuld – Alejandra Pizarnik
Die Zeit hat Furcht Song – Alejandra Pizarnik
Die zuurte streelt mijn hart – José Angel Valente
Dit is het verschil met lijsters en hanen – G. Van der Graft
Een boom op de heuvel – Ivon Tzanev
EEN WIND STILTE WAAIT – Breyten Breytenbach
EENZAAMHEID – Alfonsina Storni
El miedo – Alejandra Pizarnik
ergens moet het zijn – J.C. van Schagen
Erinnerung – R.M. Rilke
Father dead blues – Allen Ginsberg
GRAF – Stéphane Mallarmé
Herbsttag – R.M. Rilke
HERFST – Rainer Maria Rilke
HERSENSPOELING – Hans Verhagen
Het brandende wrak – Geerten Gossaert
Het doet je goed
HET EINDE – Mark Strand
Het grote feest is om, de tafellakens … – G Mandelinck
Het kind
HOE KAN ik ademen – H. Michaelis
HOTELKAMERS
Iemand zegt me
Ik heb van-nacht mijn kussen nat geweend – J.C. van Schagen
Ik wil je iets nalaten
IK zou GRAAG SLAPEN – Juan Ramón Jiménez
In een huis – H. Arp
IN MEI – Adam Zagajewski
Into the West – Annie Lennox

Metamorphoses – Karyn Lu
Je bent daar
Je plotselinge aanwezigheid
Je zoenen zijn zoeter dan …
KIND – M. Vasalis
Kom – STIJN VRANKEN
KRACHT – Adam Zagajewski
Kringen in het water
La última inocencia – Alejandra Pizarnik
LANDSCHAP – Roland Jooris
Lange afstand
LIED OVER DE SPIEGEL – Jaroslav Seifert
LIED: IK HEB EEN STEEN VERLEGD – Bram Vermeulen
Ligstoel 1
LISBETH, 23 JAAR, IN MEMORIAM – Lars Norén
Meine einstige Grabschrift Karl May
Memoria – Renée van Riessen
Midwinter – t. Transströmer
MIJN LEVEN DE DODE – Paul Eluard
Misschien in het dorstige, donkere, haastige
MISSCHIEN – Wen Yiduo
Nachthimmel und Sternenfall – r.m. Rilke
Nalaten
Necip Fazil Kisakürek HET STRAND
Nereïden – M. Mesdag
O verduisterd gelaat – G. van der Graft
Olm – S. Plath
OMSLAG – Anna Enquist
Ontij – Hans Groenewegen
Ontwerp voor een grafschrift
Op de sterfdag van mijn moeder – Frans Hopfenbrouwers
Op ONZE BEGRAFENIS – Kostas Mantis
Oude begraafplaats in het bos
OUDER WORDEN – Johanna Kruit
PHOENIX II – M. Vasalis
RAAM – Homero Aridjis
ROMEN DROMEN – Judith Herzberg
Rouw om het jaar – Albert Verwey

Ik heb bericht ontvangen – Toon Tellegen
Rouwproces – Frans Hopfenbrouwers
SCHOENEN – Su Shaolian
SOLDATEN – Bosco di Courlon
SONG OF THE WILLOW
SONORE CELLO’S – Abraham Sutzkever
STERFBED – Jean Pierre Rawie
STILTE snijdt de pijn – B. Wirix
Testament – Zbigniew Herbert
The fear – alejandra pizarnik
The last innocent – alejandra pizarnik
Thebe – Gerrit Achterberg
Tijdstip – Nicolas Ouwehand
TRACHT DE VERWONDE WERELD TE BEZINGEN – Adam Zagajewski
Vertrouwd – Frans Hopfenbrouwers
Verwachting – Nicolas Ouwehand
VERZOEK AAN DE SCHILDER – Anna Enquist
WATERGRAF – Wilma Stockenström
Waterspiegel – Annette v.d. Bosch
We zijn als – Giuseppe Ungaretti
Weggaan – Rutger Kopland
Wegzehrung – G. Grass
Wenn irgendwann verflossen sind – Robert Louis Stevenson
Wie kan niemand zijn – Henk Pröpper
Wij zijn als doden, wij weten – G. van der Graft
Wijken voor de trage zon die naar de avond – José Angel Valente
Winterbomen – S. Plath
WOESTENIJ – Y. Themelis
Woningloze – J.J. Slauerhoff
Zelfportret in zwarte lijst – Pieter Boskma
Zes zinnen – Anton Ent
Zes zinnen – Anton Ent
Zes zinnen – Anton Ent
Zes zinnen – Anton Ent
Zes zinnen – Anton Ent
Zes zinnen – Anton Ent
Zijn jas Rutger Kopland
Zo vallen de woorden mij – G. van der Graft
Zo zal het zijn
Zu Abend mein Herz – Trakl

img_0212

KRACHT

De kracht die trilt
in de takken van de bomen
en in het sap van de planten
woont ook in verzen
maar dan tot rust gekomen

De kracht die schuilt
in de kus en in het verlangen
zit ook in een vers
maar dan verstild

De kracht die groeit
in de dromen van Napoleon
en hem laat uitrukken tegen Rusland en de sneeuw
is ook aanwezig in verzen
maar dan onbewogen

Adam Zagajewski

TRACHT DE VERWONDE WERELD TE BEZINGEN

Tracht de verwonde wereld te bezingen.
Gedenk de lange junidagen,
de wilde aardbeien, de druppels roséwijn.
De brandnetels, die steevast door ballingen
verlaten panden overgroeiden.
je moet de verwonde wereld bezingen.
je aanschouwde stijlvolle jachten en schepen;
één had een lange reis voor de boeg,
anderen wachtte enkel het zilte niets.
je zag vluchtelingen op weg naar nergens,
je hoorde de beulen een lied van vreugde zingen.
De verwonde wereld hoor je te bezingen.
Gedenk de ogenblikken waarop jullie samen waren
in een witte kamer, het gordijn bewoog.
Keer in gedachten terug naar het concert toen de muziek losbarstte.
In de herfst raapte je eikels in het park
en bladeren dwarrelden over de littekens van de aarde.
Bezing de verwonde wereld
en de grijze, door een lijster verloren veer,
en het zachte licht, dat dwaalt en verdwijnt
en weerkeert.

Adam Zagajewski

DE ZIEL

Jouw naam mogen wij niet meer gebruiken.
Wij weten intussen dat jij niet te vatten bent,
anemisch, zeer breekbaar en verdacht
van mysterieuze vergrijpen tijdens je jeugd.
Wij weten dat jij hier niet mag verblijven,
noch in muziek, noch in bomen bij zonsondergang.
Wij weten – dat is ons ten minste verteld dat
jij helemaal niet bestaat, nergens.
En toch horen wij voortdurend jouw vermoeide stem
in een echo, in een klacht, in de brieven die Antigone ons schrijft
vanuit de Griekse woestenij.

Adam Zagajewski

VERZOEK AAN DE SCHILDER

Mijn arsenaal van klank en taal
bestaat in tijd. Zij niet. Ik vraag

uw hulp. Als ik haar met mijn warme
hand, zo zwaar van bloed, wil raken

is er niets. U heeft een vlak met veertien
kleuren, een penseel van vossenhaar –

streel haar te voorschijn, groene schaduw
bij haar oor en in haar hals een zweem

van oud ivoor. Maak haar een plaats
in vezels van uw doek. Roep mij

dan binnen. U staart uit het raam.
Ik blijf op anderhalve meter staan.

Zij kijkt mij aan.

Anna Enquist

KOM

Nergens bestaat nooit. Alleen hier en nu
lijkt het als twee druppels op geen idee waar.
De straten lopen vol, maar voelen bodemloos.
Dat kan, daar is maar een man voor nodig.

Die ontbreekt. In deze stad van iedereen,
in dit heelal van – o god – mogelijk niemand.
Zo weinig van wat zou kunnen gebeuren,
gebeurt, schreef een schilder eens.

Hoe doe je dat toch? Hoe haal je adem
uit dezelfde lucht waaruit op een ochtend
ook een geliefde werd gehaald? Werd gehold.
Is gehold.

Misschien gebeurt er veel meer dan wat kan.
Misschien vormt de tijd met z’n handen ooit
een kom, waarin alles past.

(Bij de verdwijning van de Baskische Hodei Egiluz)

STIJN VRANKEN

Nereïden

Licht van onze dagen
Wij geven je uit handen

Dat de waternimfen je onthalen op een teder feest
Dat zij je stil ontdoen van je omhulsel
De draden van degene die je bent geweest
langzaam afwikkelen

Licht van onze dagen
Wij geven je uit handen

Dat zij je daar beneden blijven aanzien
totdat je slaakt een eerste zucht
je ogen opent en verwonderd
in een nieuwe huid ontwaakt

Mariët Mesdag

Testament

Ich vermache den vier elementen
was ich zur kurzen verfügung hatte

dem feuer – meine gedanken
möge das feuer blühen

der erde die ich zu sehr geliebt
den körper das taube korn

und der Iuft die worte und gesten
die sehnsuchtdas heißt nutzlose dinge

was übrigbleibt
ein wassertropfen
mag zwischen himmelund erde
kreisen

mag es durchsichtiger regenfall sein
farnkraut des frosts flocke des schnees

mag es den himmel niemals erreichend
zum jammertal meiner erde
zurückkehren treu als reiner tau
geduldig die harte scholle zu rühren

bald geb ich den elementen zurück
was ich zur kurzen verfügung hatte

ich kehre nicht wieder zur quelle der ruhe

Zbigniew Herbert

Wenn irgendwann verflossen sind,
gezählt die Jahre mein,
erheb ich mich vom Schreibtischstuhl
und reich die Hand Freund Hein.
Grabt tief ein Grab, legt mich hinein
unterm Himmel voll Sternenschein,
gern lebte ich, gern ließ ich’s sein,
grabt tief ein Grab, legt mich hinein.

Robert Louis Stevenson

Meine einstige Grabschrift

Ich war ein Dichter, ernst und heiter,
Das Schicksal spielte mit mir frech;
Mein ganzes Leben war nichts weiter,
Als nur ein großer- Klumpen Pech!

Karl May

Wegzehrung

Mit einem Sack Nüsse
will ich begraben sein
und mit neuesten Zähnen.
Wenn es dann kracht,
wo ich liege,
kann vermutet werden:
Er ist das,
immer noch er.

Günther Grass

Der Verlachte Tot. Heitere Grabinschriften, Nekrologie und Mementos, Zürich 2015 (Manesse Verlag)

In een huis
hadden alle bewoners dezelfde droom.
Ze droomden
dat ze dagelijks kleiner zouden worden
en tenslotte zouden sterven.
Uit voorzorg vertimmerden zij daarom
hun doodkisten tot doodkistjes
en droegen die steeds
onder de arm.
Daar deden zij goed aan.
Of schoon het kleiner worden eerst
niet de moeite waard was
en zo onregelmatig voortschreed,
ja, zelfs verscheidene malen stokte,
overtrof het plotseling iedere verwachting.
Op een mooie dag
ontwaakten de bewoners van het huis
waarin allen dezelfde droom gedroomd had den
klein als poppen
en pasten precies in hun doodkistjes.

Hans Arp

SOLDATEN
Bosco di Courlon, juli 1918

We zijn als
in de herfst
aan de bomen
de bladeren

Giuseppe Ungaretti

Denkend aan een niet te noemen,
Vreemd onvindbare fortuin,
Liep ik langs papaverbloemen. En
onthoofdde heel de tuin.

Zo zal eenmaal aan de rand
Van een dorre zomerwei
De dood met verstrooide hand
iemand het hoofd afslaan: mij.

Marina Tsvetajeva

EENZAAMHEID

Ik zou mijn hart zó
Het dak op kunnen gooien:
het rolde dan
ongezien weg.

Ik zou mijn pijn
kunnen uitschreeuwen
tot mijn lijf zou breken:
dat zou dan verglijden
in de stroom van de rivier.

Ik zou op het platte dak
de zwarte dans van de dood
kunnen dansen:
de wind zou mijn dans
meevoeren
.
Gaf ik de vlam in mijn borst vrij spel,
dan kon ik die
laten tollen
als een dwaallicht:
de straatlantaarns
zouden hem doven.

Alfonsina Storni

MIJN LEVEN DE DODE

In mijn verdriet niets dat beweegt
Ik wacht en geen mens komt
Overdag noch ’s nachts
En ook nooit meer wat ik zelf was

Mijn ogen zijn gescheiden van jouw ogen
Zij raken hun vertrouwen raken hun licht kwijt
Mijn mond is gescheiden van jouw mond
Mijn mond is gescheiden van het plezier
En van de zin in de liefde en de zin in het leven
Mijn handen zijn gescheiden van jouw hand en
Mijn hand en laten alles los
Mijn voeten zijn gescheiden van jouw voeten
Zij verzetten geen stap er zijn geen wegen meer
Zij kennen mijn gewicht niet meer noch de rust

Ik kan mijn leven een einde zien nemen
Samen met het jouwe
Mijn leven in jouw kracht
Die ik oneindig dacht

En de toekomst mijn enige hoop is mijn graf
Net als het jouwe omringd door een onverschillige wereld

Ik was je zo na dat ik het koud heb bij de anderen.

Paul Eluard

BEGOOCHELING

‘Landschap met loopgraaf, onder een moederende maan’ –
Zoiets kán ontroeren. Wanneer bedauwde halmen dansen
of ons strelen als we sluipen langs hun zanderige bedding. Of
Ais boven onze kop een kruisbeeld melkwit licht vangt en wij
Muziek menen te horen – en zelfs een drieste vogel die veraf
In een bogerd luider kwettert dan hier de IJzer durft te klateren.
Ze bestaan, die ogenblikken. Reken mij niet aan dat ik ze noem

En dat ik niet verbloem dat zulke schoonheid zich rap wreekt.
In de stoffelijke overschotten die, vanaf het eerste krieken,
Onze vrees weer wekken. Kijk! Het Niemandsland herrijst, als
Met een vork uit grijze inkt getild: grachten, kraters, puin. En
Daar: het puikje van de vijand! Dat kruim van bom en brein
En branie … Eerst vaag en zacht: gestalten tussen dier en engel?
Pas dan, in volle licht: ach nee, het zijn maar sloddervossen van
De Dood, die in de prikkeldraad hangen te wiegen en te wachten
Op weereen nieuwe nachtvermomming van Moedertje Maan.

Edmund Blunden

DE KEUKEN

De keuken is zo stil
Een restje kille regen
Maakt van de rust een zegen
Die zondag in april.

De lente leunt naar binnen,
Lacht als zij in de kast
Die glanst zoals het past
Haar spiegelbeeld ziet glimmen.

De stoelen staan verlegen
De tafel slaapt weer in
De kroppen sla gaan wegen
De dauw hangt er nog in.

En amper opgeschrikt
Door ’t klokje, stille hoeder,
Hoor je het hart van moeder
Dat in de kamer tikt.

Maurice Careme

MISSCHIEN

een begrafenislied
Misschien ben je echt moe van het huilen,
misschien wil je even slapen- misschien laat
dan de uil niet krassen,
kikvorsen niet kwaken,
vleermuizen niet vliegen.

Het zonlicht mag je wimpers niet beroeren,
de koele wind mag niet langs je voorhoofd strijken,
niemand mag jou wakker maken.
Laat een parasol van dennenloof je
beschutten terwijl je slaapt.

Misschien hoor je de wormen de aarde omwoelen,
wortels van jonggras water opzuigen,
misschien zijn zulke klanken voor jou
mooier dan vloekende mensenstemmen.

Knijp nu je ogen stijf toe,
dan zal ik je laten slapen, ik laatje slapen;
ik zal je zachtjes met gele aarde toedekken
en geld van papier laten neerdwarrelen.

Wen Yiduo

WOESTENIJ

Buiten ons sterven de dingen.

Uit de nacht hoor je waar je ook gaat een fluistering
Bijna komen uit de straten die je niet betrad,
Uit de huizen die je niet binnenging,
Uit de ramen die je niet opende,
Uit de rivieren die je niet naderde in dorst,
Uit de schepen die je niet bevoer,

Buiten ons sterven de bomen die we niet leerden kennen.

De wind gaat door kaalgeslagen bossen.
De dieren sterven uit naamloosheid, en uit stilte de vogels.

De lichamen sterven gaandeweg uit verlatenheid.
Samen met onze oude kleren in de linnenkast.
De handen sterven die we niet aanraakten, uit eenzaamheid.
De dromen, die we niet zagen, uit gebrek aan licht.

Buiten ons begint de woestenij van de dood.

Y. Themelis

LIED OVER DE SPIEGEL

Zing dan! Waarover?
Zing waarover je wilt,
wat op het puntje van je tong ligt.
Maar begin.

Over de avond misschien en over de lamp/
en ook over de waaier.
En als je uit de grand van je hart wilt,
zing dan over de liefde.

Tot slot over de dood
op het moment dat hij je
zijn zwarte spiegel aanreikt.
Begin maar!

Maar alsjeblieft, verwissel de dingen niet.
De avond en de lamp,
de liefde met de waaier,
en ten slotte de spiegel, en de dood.

Met de avond komt de liefde,
zoals je weet.
Ze klopt, treedt binnen, dimt het licht
en vult de hele nacht.

Bij het weggaan fluistert ze
van achter de waaier: Misschien.

De dood komt legen de ochtend,
in de spiegel legt hij duisternis.
Even is het stil,
je hoort je eigen adem
en als je dan in angst opkijkt,
zegt hij: Nee.

Jaroslav Seifert

DE GESTORVENE

Zeven maal om de aarde te gaan,
als het zou moeten op hand en voeten;
zeven maal, om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde te gaan.

Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die Ene doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan
Zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

Ida Gerhardt

HOTELKAMERS

In de berookte lampen, in de berookte lampen
Van de nauwe hotelkamers brandt een erbarmen.

In de verweerde spiegels, in de verweerde spiegels
Blijft een geheime spiegeling van elk passerend gezicht.

Op de gebroken tafels, op de gebroken tafels
Vormen de neergeworpen l<Ieren een gewurgde man.

In de smerige gangen, in de smerige gangen
Slepen de sloffende pantoffels geheimen mee.

In de wonden van nagels, in de wonden van nagels
Slaat de polsslag van de smart op de kale muur.

Tussen de plafonds, tussen de plafonds
Hoort men de tijd het hout wegknagen.

Ween om hen die stierven zander stem of vriend
In de hotelkamers, in de hotelkamers

Necip Fazil Kisakürek

HET STRAND

Allen zijn ze weggegaan
Raaskalde de stem in de ontvanger.
En daarna, betweterig: – Ze komen nooit terug -.

Maar vandaag
op dit nog onbekend stuk strand
die vlekken zon … Tekens
van wie nooit vertrokken is?
Hoe zwijgen ze als jij je afwendt, onverschillig.

De doden zijn niet wat van dag
tot dag vergooid wordt, maar die
vlekken niet-bestaan, kalk of as,
klaar om beweging te worden of licht.
Twijfel
niet,-de zee bekleedt me met haar kracht
ze zullen spreken.

Vittorio Sereni

SONORE CELLO’S

Nee, wij zijn niet aan het einde,
ons begin is nog innig – dichtbij,
wij zetten onze voettocht naar elkander
Voort, en de nieuwe horizon is vrij.

Wij zullen vast elkander weer ontmoeten
in een spiegel: daarachter in het gras
zullen sonore cellotonen sproeien
en de spiegel zal niet zijn van glas.

Niet van glas maar van een weefsel
vertrouwd en onvervreemdbaar waar:
daarachter ligt een nieuw beleven
en de dood zal hangen aan een haar.

Is het dan mogelijk dat wij ons vergissen,
dat ons mooiste uur toevallig was,
zal een blinde worm dat uur wegknagen
en blijven er slechts scherven in het gras?

Nee, wij zullen vast elkander weer ontmoeten
als voorbestemde klanken in een rijm.
Sonore cellotonen zullen sproeien
over witte wouden van Oneindigheid.

Abraham Sutzkever

ANTWOORD EN VERZOENING

dialoog met Francisco de Quevedo

1
Is daar iemand? Geen levende ziel die antwoord geeft?
Zijn woorden rollen voort, geëtste bliksemflitsen
in jaren die eerst rotsen waren en nu nevel zijn.
Het leven geeft nooit antwoord.
Het heeft geen oren, het luistert nooit naar ons;
het zegt ons niets, het heeft geen tong.
Het gaat niet voorbij, het blijft niet achter.
Wij zijn het zelf die spreken,
wij zijn het die voorbijgaan
terwijl wij onze woorden horen rollen
van echo tot echo en van jaar tot jaar
door een eindeloze tunnel.

Hetgeen wij leven noemen
is in onszelf te horen, het spreekt met onze tong
en kent zichzelf door ons.
Als we het beschrijven, zijn wij ervan de spiegel, vinden wij het uit.
Uitvinding van een vinding; het schiep ons
Zonder te weten wat het schiep,
wij zijn een denkend toeval.
Schepsel van spiegelingen,
door ons geschapen toen wij eraan dachten,
dat omlaag start in denkbeeldige afgronden.
Diepe gronden, doorschijnendheden
waar niet het leven stroomt af verzinkt, maar het idee ervan.
Steeds is het elders, steeds is het anders,
het heeft duizend gestalten en geen een,
nooit beweegt het, nooit staat het stil,
het wordt geboren om te sterven, en bij het sterven wordt het geboren.

Is het onsterfelijk, het leven? Vraag dat niet
omdat je dan niet weet wat leven is.
Wij weten het wei degelijk:
ook het leven moet eens sterven,
het zal teruggaan naar het begin, de traagheid van de oorsprong.
Einde van gisteren, vandaag en morgen,
verdamping van de tijd
en van het niets, zijn keerzij.
En daarna- is er wei een daarna,
zal de oervonk wei de schoot
der werelden ontsteken,
eeuwig herbegin van de domme wenteling?
Geen levende ziel die antwoord geeft, die weet heeft.
Wil weten dat te leven is zich uit te leven.

2
Heftige lente, meisje dat ontwaakt
in een groen bed, met doornen bewaakt;
boom van de middag, zwaar van appelsienen;
jouw kleine zonnetjes, vruchten van frisse schitter,
die de zomer legt in transparante manden;
de herfst is streng, zijn koude licht
wet zijn mes aan de rode ahorn;
januari en februari: hun baarden zijn van ijs,
hun ogen zijn saffieren die aprillaat smelten;
de golf die zich verheft, de golf die weer gaat liggen,
verschijningen – verdwijningen
in de kringloop van het jaar.

AI wat wij bekijken, al wat wij vergeten,
de harp van de regen, het teken van de zonnestraal,
de snelle gedachte, de spiegeling die vogel werd,
de tafels van het voetpad tussen krommingen,
het huilen van de wind
dat het voorhoofd van de bergen priemt,
de maan op zijn tenen op het meer,
uitwaseming van tuinen, de nachtelijke hartenklop,
het tentenkamp van sterren in de verbrande woestenij,
de strijd van spiegelingen in de witte zoutpan,
de bron en zijn alleenspraak,
het langzaam adem en van de uitgestrekte nacht
en de rivier die haar omvat, de pijnboom onder de avondster
en de golven op zee, standbeelden van een moment lang,
de wolkenkudde die door de wind gehoed wordt
in sluimerende dalen, de toppen en ravijnen,
de tijd die rots geworden is, ijstijden,
de tijd die rozen en plutonium maakt,
de tijd die maakt terwijl hij uiteenvalt.

De mier, de olifant, de spin en het lam,
hoe vreemd is onze wereld met zijn aardse schepselen
die geboren worden, eten, doden, slapen, spelen, paren
en in stilte weten dat ze moeten sterven;
onze wereld van de mens, die vreemde en die naaste,
het dier met ogen in zijn handen,
dat het verleden doorboort en de toekomst doorvorst,
met zijn histories en lotgevallen:
de extase van de heilige, de sluwheid van de booswicht,
de gelieven en hun vreugden, ontmoetingen en onenigheden,
de slapeloosheid van de grijsaard die zijn vergissingen telt,
misdadig en rechtvaardig: een dubbel raadsel,
de Vader van de volkeren, zijn urnengaarden,
zijn galgenvelden en zijn gedenknaalden van skeletten,
de overwinnaars en de arme sloebers,
de lange tijd van het zieltogen en het kort moment van zaligheid,
de bouwer van woningen en die ze verwoest,
dit vel dat ik vol schrijf lettervoor letter
en dat jij verstrooid doorkijkt,
zij allemaal, dat alles, ze zijn
een schepsel van de tijd die aanvangt en afloopt.

Van geboorte tot dood sluit de tijd ons in
tussen zijn ontastbare muren,
Wij vallen omlaag met de eeuwen, de jaren, de minuten.
Is de tijd slechts een val, slechts een muur?
Een oogwenk lang zien wij soms
– niet met onze ogen, maar met ons denken dat
in een pauze de tijd tot rust komt.
De wereld gaat dan even open en vaag zien wij
het onbevlekte rijk,
de pure vormen, de voorstellingen
dit onbeweeglijk drijven
op het uur, besluiteloze stroom:
de waarheid, de schoonheid, de getallen, het idee
– en de goedheid, dat verbannen woord
in onze eeuw.
Ogenblik zonder gewicht of duur,
ogenblik buiten het ogenblik:
onze gedachten zien het, onze ogen denken het.

De driehoeken, de kubussen, de bolvorm, de piramide
en de andere geometrische figuren,
die gedacht zijn en getekend door sterfelijke blikken
maar die er zijn van v66r het oerbegin,
ze zijn de wereld die zo leesbaar is, geheimschrift van de wereld,
de grond en oorsprong van de wenteling der dingen,
de spil van de verandering, de vastheid zonder stut
die in zichzelve rust, de schaduwloze werkelijkheid.
Het gedicht, de muziek, het theorama,
het zijn onbesmeurde voorstellingen geboren uit de leegte,
gewichtloze bouwsels
boven een afgrond geconstrueerd:
in hun eindige vormen passen de oneindige vormen,
hun duistere symmetrie beheerst tevens de chaos.
Hoewel wij dat weten, zijn wij geen toeval:
het lot dat is ingelost keert terug tot de orde.
Het den ken, dat vast zit aan de aarde en
aan het uur, dat een vluchtigheid is die niet weegt,
verdraagt de werelden en hun gewicht,
wervelingen van zonnen die verkeerd zijn
tot een handvol tekens
op een willekeurig blad papier.
Wervelende zwermen
van doorschijnende evidenties
waar de ogen van het verstand
een water drinken zo eenvoudig als water.
Het rijmt met zichzelf, het heelal,
het verdubbelt zich, is tweevoudig, veelvoudig
zonder op te houden één te zijn.
De beweging, die rivier die zander eindpunt stroomt1
keert met open ogen, met domeinen van duizeling
-want er is geen boven noch onder, en veraf is wat nabij is tot
zichzelf terug
-zonder terug te keren, ineens veranderd
in een boom van rust.
De mens, die boom van bloed, die voelt, denkt, bloeit
en draagt zijn ongewone vruchten: woorden.
Het gevoelde en gedachte omarmen elkaar.
We raken zo ideeën aan: ze zijn lichaam en getal.

En terwijl ik zeg hetgeen ik zeg
vallen tijd en ruimte duizelingwekkend,
onophoudelijk omlaag. Ze vallen in zichzelf.
De mens en de nevelvlek keren weer in stilte.
Heelt het belang? Jazeker, maar het heelt geen belang:
we weten al dat het muziek is, deze stilte,
wij zijn maar een akkoord in het concert.

Octavio Paz

Op ONZE BEGRAFENIS

Een ongeletterde pope graag,
die niet weet wat hij zegt,
van wie God het niet verkeerd opvat,
naar wie Hij minzaam luistert,
naar wie Hij met een glimlach luistert,
naar wie Hij met een hand aan Zijn sikkenbaard luistert.

Kostas Mantis

ALS JUDITH LACHT

Als Judith lacht
Klapt god in zijn handen.
Als Judith huilt
kust hij haar ogen.
Een bruine eekhoorn springt op de takken van de wereld
als Judith lacht.
Al zijn nootjes waaien in een storm weg
als Judith huilt.
God zegt tegen haar:
‘Kom, Judith, laten we hinkelen. Judith, laten we
in het vakje van de dood springen, goed?’
Dat zegt hij en hij pakt haar hand.
En Judith gaat mee.

Moshe Dor

WATERGRAF

Als dan als een slaap water mij omspoelt
held ere windsels water mijn ledematen kleden
en slakken in en om mijn oren plakken, als dan
bundels licht de nis versieren en rijkelijk
stralen door de schemer van een halfleven,
zullen mijn ogen opengaan, mijn voeten wandelen
over het zand van de dood, zal ik weggaan
van de donkere scheur en aankomen bij een kust,
een takje citroengroen zeegras in mijn hand,
ach, even zorgeloos in mijn geschubde hand.
Rotsduiven zullen schreeuwend vluchten als ik
het strand betreed met hel puimsteen van mijn zolen.
Verbijsterde meeuwen zullen hoog rondjes maken,
en dalen en pikken naar de schelpen van mijn ogen.

Wilma Stockenström

DROMEN DROMEN

Ik droomde dat je thuis was lief
je kwam licht uit de auto, ik sliep,
ik hoorde vogels, rook seringen,
jij draaide aan de knop van de radio
die aan mijn hoofdeind stond.
Uit elk station kwamen verwonderlijk
belangwekkende fragmenten.
Ik droomde ook dat ik gedroomd had
dat ik in de keuken stond
en dat het aanrecht in stukken brak-
marmeren brokken. Ik nam in elke hand
een scherf want dacht ik, misschien
is dit een droom, en bracht mijn hand en
langzaam bij elkaar, om het marmer
te horen ketsen, maar het ketste niet.
Ik vond het prettig datje thuis was;
kon je de droom vertellen. Ja zei jij,
ja dat doet een droom, je voelt iets in je hand
dat er niet is, dat is bekend.
Toen ging de telefoon. Zo heerlijk, dacht ik
Dat jij thuis bent, ik slaap nog even door .
Jij neemt wei op. Ik hoorde je spreken.
Hij rinkelde en rinkelde totdat ik wakker werd
en rende. Verdriet om sterven is bekend
verdriet van scheid en niet geacht. En
doden weten niet hoe ze ontbreken.

Judith Herzberg

HET EINDE

Niet elke man weet wat hij op het einde zal zingen,
Ais hij de pier ziet terwijl het schip afvaart, of waarop het zal lijken
Wanneer hij door het gebulder van de zee gevat wordt, bewegingloos,
daar op het einde,
Of waarop hij zal hopen eens het duidelijk is dat hij nooit terug zal keren.
Wanneer de tijd om de roos te snoeien of de kat te strelen voorbij is,
Wanneer de ondergaande zon die het gras verzengt en de volle maan die
het bevriest
Niet meer verschijnen, weet niet elke man wat hij in plaats daarvan zal
ontdekken.
Wanneer het gewicht van het verleden tegen niets steunt, en de hemel
Niet meer is dan herinnerd licht, en de verhalen van cirrus
En cumulus aflopen, en al de vogels stilhangen in hun vlucht,
Weet niet elke man wat hem te wachten staat, of wat hij zal zingen
Wanneer het schip waarop hij staat de duisternis inglijdt, daar op het einde

Mark Strand

EEN WIND STILTE WAAIT

Waarom schrijf je altijd over de dood?
Omdat ik een vriend zoek die de moeite loont
om voor te sterven. – Daigu

een wind stilte waait om het huis
de vrouw zegt dat ze kruimels strooit
op het balkon voor de mussen
en later is alles opgevreten
maar je hebt nooit een vogel gezien
pa is dood

wolken strooien een vlucht schaduwen voor de zon
je zusters gebroken stem
overbrugt een afstand van vele jaren:
‘huil maar
zodat het binnenste ook weer kan genezen’
de stadsklokken gal men opeens
een ijskoud blauw gebeier
dat slechts dood eeuwig is

hoe schrijf je een afwezigheid vast in het vers?
mijn vader is vandaag overleden
zaterdag negen december 1989
Johannes Stephanus Breytenbach
om halftien ’s morgens
ik breek mijn woorden als kruimels
om te vluchten of te begrijpen

witte vriessuiker over de blaren in het park
onverwachts een snik in de borst opgeschrikt
als een vogel gewekt uit zijn winterslaap
hij was toch zo’n trotse man
niemand tot overlast al die jaren
geruïneerd grijs lichaam
in een zaal vol oude grijze gedoofde lichte lijven

gisteren besefte hij pas goed
dat zijn koudvuurbeen was afgezet
en vanmorgen was hij nog kwaad
want gebit en bril waren kwijt
en toen draaide hij zijn hoofd weg van het licht en zuchtte
en was hij dood en nu wacht de aarde

toch een verleden opengerukt
zo oud als klokken die voor de dood zingen
ik zit op mijn vaders schouders
onder de koepel van een zoele nacht
oud van sterren
we gaan naar huis

vaarwel mijn haan mijn luipaard
mijn gewroet in de bomen
mijn trotse lichtwaaier over de kuif van de berg:
en nu plukken we de sterren
en zo begint mijn sterven

Breyten Breytenbach

RAAM

Een van de kleine dingen te zijn
een druppel water

of in de nachtelijke keuken
een kikkererwt op tafel zijn

over de grond te gaan
ongebonden en donker
als een draad losgeraakt van de klos

maar niet te sterven van vermoeidheid en verlangen
vlak voor het licht van het raam
als een bij gedwarsboomd door het glas

Homero Aridjis

DE STAD ALS SCHEEPSWRAK
Fragment

Ik voel dat ik alleen ben, nu …
en dat de stad ’s nachts
(vol geesten en torenhoge gebouwen)
verandert in een scheepskerkhof …
-schepen geplunderd door de piraten van de dood
en dan naar de bodem van de oceaan gestuurd … jaren geleden.
Toen dat gebeurde leunde de kapitein zijn hoofd
tegen de reling. Aan zijn voeten lagen
de scherven van een wijnfles en resten van een kostbaar
medaillon …
In de schepen klampten de matrozen van weleer
zich vast aan de zuilen van stilte op het tussendek
en droeve vissen van herinnering
nestelden zich in hun vergane kleren.
Zwijgende dolken, groeiende algen,
man den vol dooie katten …
Geen teken van leven
in deze wereld die zwijgt
en toestemt.

Amal Dunqul

LISBETH, 23 JAAR, IN MEMORIAM

We hadden samen zullen eten
omdat ze 20 febriel was en 20 mager,
maar ze stierf de conservatieve dood.
Ze stierf als een toevallige hardheid,
een onmiddellijke aangezichtsoperalie.
Vrijdags, na haar werk,
nam ze, zoals gebruikelijk,
voldoende pillen om Ie slapen tot maandag
en de eenzaamheid Ie ontlopen.
Deze keer lag ze drie dagen lang
tevreden op de vloer van de zitkamer
met haar koptelefoon op, luisterde
naar Bach, en verzwolg haar tong.
Hel geluid was onvoldoende
geïsoleerd bij de oren en schudde haar dooreen.
Een paar dagen later
werd ze snel en steeds weer begraven.
AI haar vijanden waren er.

Lars Norén

SCHOENEN

Een paar schoenen dat vele wegen had begaan, wist nooit
wiens voeten het vervoerde, van wiens lichaam die voeten
waren, wiens hoofd op het lichaam stond – het hoofd kwam
nooit eens beneden een kijkje nemen. Op een dag gingen ze
kapot, de voeten trokken zich eruit en verlieten ze.

De op de weg achtergelaten kapotte schoenen waren, voor zij
stierven, ijverig begonnen te lopen, ze hadden geen voeten
nodig om hen te leiden, laat staan het lichaam boven de voeten
of het hoofd op dat lichaam om de richting te wijzen, dat was
niet nodig, zij gingen zelf, gingen naar het einde der wegen.

Su Shaolian

LANDSCHAP

Je ziet het
aan het gras
dat verkleurt,
aan wat ritselt en
reuzelt in de nevel,
aan de aarde die
er vager bij ligt,

je merkt het
aan de lucht
die verschaalt,
aan wat vlamt en
knettert op het veld,
aan de rook die
als verdoofd .
boven het landschap
blijft hangen,

je wilt het nog
wat langer laten
duren, iets vasthouden,
het ijler geworden licht
dat nauwelijks de zon
doorlaat, de bijna lege
akkers, het zwijgen
waarin iets naar beneden
dwarrelt, waarin een
takje zich gemakkelijk
laat breken

alles aarzelt
voor het Definitieve

Roland Jooris

Het grote feest is om, de tafellakens …

Het grote feest is om, de tafellakens
worden door het raam geschud;
de liefde ligt met kruimels in haar hand.

Doorscheurd is zij van ieder kind
dat haar te nauw besliep, terwijl
de maan vertakte in haar schoot.

De kreten zijn gedoofd en wetend wat
veeljarig met de liefde groeit, heeft zij
het lichaam als een boom geringd.

De raven zijn gedagvaard op het dak:
zodra het graan te kiemen ligt, voert zij
het veldgeschut met grote pauken aan

Gwij Mandelinck

HERSENSPOELING

Schoonheid die alleen komt is een deerniswekkend schouwspel
Met zulke wezens wil je niet verkeren
maar je doet het wel

Al word je nog zo monsterachtig
het vergane is je niet vergaan genoeg
Je stuitert veerkrachtig

Gehersenspoeld om heilig in jezelf te geloven
blijft er op een dag niets van je over;
niemand ziet het als een achteruitgang
je bent nu onderdeel van iedereens ervaring

Omdat alles anders is
kan alles wat de waarheid schijnt of erop lijkt
niet anders dan bedrog zijn;
daarom worden deze kinderen nog liever voorgelogen
dan door kromgebogen ouders
omgebogen

Het magnetisch schild is afgebladderd
Je zit oppermachtig in je vel
Verduiveld, je snottert
Het gaan gaat je niet ver genoeg, maar het gaat snel

Hans Verhagen

OUDER WORDEN

wij zullen langzaam stiller zijn misschien
haast ongemerkt wordt zwijgen dan tot spreken
de dagen lopen zachter door de weken
we zullen dichterbij de grenzen kunnen zien

en wat voorbij is lijkt zo’n ver verleden
zoals een heel oud boek dat lang gelezen is
een dromend kind dat al verdwenen is
en niets te maken heeft met alles van het heden

wij zullen langzaam stiller zijn misschien
en onze angst verbergen achter kleine dingen
maar in de nachten zal het donker zingen
van wat nog komt en wat je niet kunt zien

Johanna Kruit

LIED: IK HEB EEN STEEN VERLEGD
Ik heb een steen verlegd -in een rivier op aarde.
het water gaat er -anders dan voorheen.
De stroom van een rivier hou je niet tegen.
Het water vindt er altijd een weg omheen.
Misschien eens gevuld door sneeuwen regen
neemt de rivier mijn kieze] met zich mee
om hem glad en rond gesleten
te laten rusten in de luwte van de zee.
Ik heb een steen verlegd -in een rivier op aarde.
Nu weet ik, dat ik nooit zal zijn vergeten.
Ik leverde bewijs van mijn bestaan
omdat door het verleggen van die ene steen
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.

Bram Vermeulen

GRAF –
noodlot –
vader –
‘hij moest sterven -‘
moeder wil niet dat men zo praat over haar vrucht –
– en vader keert weer naar het voltrokken lot als kind

Stéphane Mallarmé, Graf voor Anatole

OMSLAG

Nu deze eerste dag van een nieuw jaar,
nu zonder haar.
Strijklicht grijpt het bevroren land.
Het is niet waar dat zij daar in de diepte ligt,
dat zij is weggedaan in een besneeuwde stee
van een bij twee. Maar het is waar.
Wij slijpen haar in steen, wij kerven
in het hout haar naam, wij schrijven
tegen beter weten in haar taal; ik
spreek haar stiekem toe. IJdele onzin,
valse vlijt. Een plaats. En het besef dat zij
zich niet meer uitbreidt in mijn tijd.

Anna Enquist

KIND

Er was een lichte warmte boven zijn gezicht,
als van de aarde ’s avonds als de zon verdween.
En als de wind in een gordijn, ging licht
zijn adem in en uit zijn lippen heen…
Hij was het leven, zichtbaar bijna zonder schaal
en niets dan leven, tot de rand geschonken
en zonder smet of schaduw neergezonken
en opgestegen in de broze bokaal.
Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven
en hoe toeganklijk voor zijn eb en vloed…
Hoe licht en stil en schoon is met de dood
hij op het lege strand alleen gebleven.

M. Vasalis

PHOENIX II

Vanavond, toen ik rustig op visite was,
Woorden, als bijen glinstrend over kruiden, zwermden,
schoot als een vogel uit het dichte gras,
dat hem verborgen had en hem beschermde,
een heimwee rechtstreeks naar omhoog
en met een kreet, die, dacht ik, iedereen kon horen.
En voor het eerst herkende ik wie er uit mij vloog
En wie mijn brand tot zijn hoog nest verkoren.
O kleine phoenix, die mij al te kort bezat,
ik zie de blauwe vuren van zijn ogen,
het lichte wegen op mijn hand, waarop hij zat
ik hoor zijn vleugels zingen, toen is hij opgevlogen…
Haast niet, schreeuw niet van pijn, o hand.
Schrijf door totdat de vingren zijn verbrand.

M. Vasalis

DE VAL

We kruisten de Styx.
De veerman lag dronken in zijn schip.
Ik hield het roer en we zonken als stenen.
Water bestaat als de aarde
in lagen, transparante linten, glanzende strata
van steeds kleiner leven, minder warmte.
In je haren bloeiden luchtbellen,
de stroom trok je hoofd naar achter
en streelde je hals.
Stenen wuifden met armen van algen en varens,
zongen zachtjes gorgelend ‘vrede’.
Ze sneden je kleren los.
Vissen likten het bloed van je benen.
Ik hield je hand vast. Ik wilde je troosten
maar we vielen te snel en er zijn geen woorden
die zonder lucht bestaan, mijn liefde
bleef boven, blauwe ballonnen, bakens voor even,
de plaats markerend van het ongeluk
voordat ze verder dreven. Je mond ging open.
Je gezicht werd rood, je handen zochten
evenwicht, zochten mijn armen.
Je probeerde in me omhoog te klimmen.
Je was een glasblazer met een wolk van diamanten
aan zijn mond. Ik hield je vast als een katje.
Ik aaide je vingers.
Je liet niet los.
Je sliep en ik aaide je vingers, liet los.

Esther Jansma

ACHTERGELATEN

in een onbewoonbare wereld
rinkelend van kleuren
en geluiden
waar de dag te licht is
en geen nacht donker genoeg
om het verborgen tumult
te bedaren.

In alle straten, alle kamers
blijf ik je zoeken.
Tussen ontelbare mensen
vind ik je
nergens.

Verlos mij
uit dit luchtledig.
Laat mij toe tot de aarde
die je bedekt.
Dicht bij je wil ik slapen
en tot stof vergaan.

H. Michaelis

HOE KAN ik ademen
met je dood als een brok
in mijn keel?
Hoe kan ik lachen
nu het onherroepelijke vonnis
mijn mond verzegeld heeft?

In een houten kist
gaat de toekomst
tot ontbinding over.
Ik voel hoe ik langzaam
maar zeker bevries.

Toch blijf ik ademen.
Toch lach ik, oudergewoonte.
En dat is misschien
het ergste van alles.

H. Michaelis

landschap-vd-ziel-017STILTE snijdt de pijn
en de onmacht mee.

Troost wordt bijeengebracht
in kleine woorden. Spaarzaam.
Ik vind ze niet.

“Ben blij dat je gekomen bent.’
Toen was het toch zo stil niet meer
we waren niet alleen.

B. Wirix

HERFST

De blaren vallen, vallen als van ver
als welkten in de hemel verre tuinen
zij vallen tegen wil en dank

En in de nachten valt onder de sterren
de zwarte aarde in de eenzaamheid

Wij allen vallen. Deze hand hier valt
en zie de andéren aan, het is in allen

Toch is er Een die al dit vallen
oneindig zacht in beide handen houdt.

Rainer Maria Rilke

IK zou GRAAG SLAPEN
Ik zou graag slapen deze nacht
Nu jij dood ligt, slapen,
slapen, slapen terzijde
van jouw volkomen slaap
om te zien of ik je zo
bereiken kan!

Slapen, een morgenstond in de avond
bron van de rivier, slapen;
twee dagen die samen opgaan
in het niets, twee stromen
die aan het eind samenvloeien;
twee eenheden alsof het één is
tweemaal niets alsof het niets is.

Ik zou zo graag je dood verslapen.

Juan Ramón Jiménez

IN MEI

Toen ik bij dageraad door het woud wandelde, in mei, vroeg ik me af waar jullie waren,
zielen van de doden. Waar zijn jullie, jonge vermisten, waar zijn jullie,
de volledig veranderden?
In het bos heerste grote stilte,
en ik hoorde de groene bladeren dromen,
ik hoorde de droom van de schors waaruit boten,
schepen en zeilen zullen ontstaan.
Dan, langzaam, begonnen de vogels te herleven, distelvinken, lijsters, merels, verborgen op balkons van takken, elk in een andere taal,
elk met een andere stem, niets vragend, zonder bitterheid of spijt.
En ik besefte dat jullie zang zijn,
onvatbaar als muziek, onbegrijpelijk
als muzieknoten, ver verwijderd van ons zoals wij van onszelf.

Adam Zagajewski

ZO ZAL HET ZIJN

Doof nu het licht en sluit je ogen
en vergeet de strijd
jouw leven hier is omgevlogen,
maar je liefde blijft.
En waar jij gaat
zijn zon en maan gelijk,
de kleinste bloem
is daar als de hoogste eik
en alle koningen en kinderen
zijn daar gelijk.
Laat nu die laatste droom maar komen
en wees niet meer bang,
jouw nacht van vrede is gekomen
na een leven “lang”.
En waar jij gaat daar is geen haat of pijn,
het heetste vuur
wordt dat als van een kaars zo klein,
zoals de zon schijnt na de regen,
zo zal het zijn.
En waar jij gaat .daar zullen vriend en vijand
samen gaan,
wat stof is zal tot stof vergaan
en elke storm komt weer tot rust daar,
zo zal het gaan.
En waar jij gaat laat ik mijn hart en ziel
met jou meegaan,
jouw taak op aarde is voldaan,
zoals je was in alle liefde,
zo zal je gaan.

Zelfportret in zwarte lijst

De verte lijkt vandaag zo vol
alsof alles van mij wijkt.
Alleen de zon blijft in zijn rol
en vult het veld met gouden rijp.

Daar zie ik al mijn doden
jou weer vorm en schaduw krijgen
al is zoiets mij vaak verboden –
men moet hier realistisch blijven.

Wat mis ik je toch, lieveling.
Als vijf jaar staat elk uurwerk stil
als een kapot en zinloos ding.
Soms hoor ik in de nacht gegil

en elke keer ben ik het zelf.
Dan sta ik op en zie het zwarte veld
en ruik het in de haard verkoolde hout.
En heb je lief, nog steeds, en heb het koud.

Pieter Boskma

“Ik wil je iets nalaten
iets beters dan woorden of klanken.
Zoek mij in de mensen die ik
gekend en lief gehad heb”.

“Nacht van droom en van verlangen
draagt het schemerlicht ternauwernood.
Onuitwisbaar groeit verlossing
in de barensweeën van de tijd.
Onmiskenbaar moe gedragen
wijkt het duister voor het volle licht”.

Father dead blues

Hey Father Death, I’m flying home
 Hey poor man, you’re all alone
 Hey old daddy, I know where I’m going

 Father Death, Don’t cry any more
 Mama’s there, underneath the floor
 Brother Death, please mind the store

 Old Aunty Death Don’t hide your bones
 Old Uncle Death I hear your groans
 O Sister Death how sweet your moans

 O Children Deaths go breathe your breaths
 Sobbing breasts’ll ease your Deaths
 Pain is gone, tears take the rest

 Genius Death your art is done
 Lover Death your body’s gone
 Father Death I’m coming home

 Guru Death your words are true
 Teacher Death I do thank you
 For inspiring me to sing this Blues

 Buddha Death, I wake with you
 Dharma Death, your mind is new
 Sangha Death, we’ll work it through

 Suffering is what was born
 Ignorance made me forlorn
 Tearful truths I cannot scorn

 Father Breath once more farewell
 Birth you gave was no thing ill
 My heart is still, as time will tell.

Allen Ginsberg

Into the West
by Annie Lennox
The Lord of the Rings III – The Return of the King Soundtrack

Lay down 
Your sweet and weary head

The night is falling

You have come to journey’s end

Sleep now

And dream of the ones who came before

They are calling

From across the distant shore

Why do you weep?

What are these tears upon your face?

Soon you will see

All of your fears will pass away

Safe in my arms

You’re only sleeping

What can you see

On the horizon?

Why do the white gulls call?

Across the sea

A pale moon rises

The ships have come to carry you home

And all will turn

To silver glass

A light on the water

All Souls pass

Hope fades

Into the world of night

Through shadows falling

Out of memory and time

Don’t say

We have come now to the end

White shores are calling

You and I will meet again

And you’ll be here in my arms

Just sleeping

And all will turn

To silver glass

A light on the water 
G

rey ships pass

Into the West

Metamorphoses

A word is elegy to what it signifies. –Robert Haas, 1979

The first snowfall caps my world
stillness
seeps through the earth and holds fast.

under pools of artificial sunlight
curtains of snow turn incandescent crystal
wind chimes with dandelion wings.

Why is’t these clouds emit such an eerie glow
as to hurry true night back to surreal day?
of this I am sure I do not wish to know.

Even waves seek permanence in mid-reach
how could I not be certain
Atlantis rises behind these fog-veiled lights?

My breath interrupts stillness pausing
but snow replenishes my footprints
as the lonely reconcile.

Karyn Lu

Canto

el tiempo tiene miedo
el miedo tiene tiempo
el miedo

pasea por mi sangre
arranca mis mejores frutos
devasta mi lastimosa
muralla

destrucción des destrucciónes
sólo destrucción

y miedo
mucho miedo
miedo.

alejandra pizarnik

Lied

Die Zeit hat Furcht.

Die Furcht hat Zeit.
Die Furcht

spaziert durch mein Blut,
entreisst mir meine beste Früchte,
reisst meine beklagenswerte Mauer nieder.

Zerstörung aus Zerstörungen,
nur Zerstörung
und Furcht,
viel Furcht,
Furcht.

Song

Time has fear.
Fear has time.
The fear
walking through my blood,
snatches me my best fruits,
tears down my woeful wall.

Destruction from destruction,
only destruction
and fear,
much fear,
fear.

La última inocencia

Partir
en cuerpo y alma
partir.

Partir
deshacerse de las miradas
piedras opresoras

He de partir
no más inercia bajo el sol
no más sangre anonadada
no más formar fila para morir.

He de partir

pero arremete,¡viajera!

alejandra pizarnik

Die letzte Unschuld

Fortgehen als Körper und Seele,
fortgehen.

Fortgehen,sich der Blicke entziehen,
beklemmende Steine,
die im Rachen schlafen.

Ich muss fortgehen,
keine Trägheit mehr unter der Sonne,
kein gedemütigtes Blut mehr,
kein Schlangenstehen mehr, um zu sterben.

Ich muss fortgehen.

Reisende, so brich doch auf!

The last innocent

leaving as body and soul,
going away.

Go away, elude the looks
oppressive stones,
sleeping in the throat,.

I must go away,
no inertia more under the Sun,
no depressed blood,
no queuing up more to die.

I must go away.

Travelers, start going!

El miedo

En el eco de mis muertes
aún hay miedo.
¿Sabes tú del miedo?
Sé del miedo cuando digo mi nombre.
Es el miedo,
el miedo con sombrero negro
escondiendo ratas en mi sangre,
o el miedo con labios muertos
bebiendo mis deseos.
Sí. En el eco de mis muertes
aún hay miedo.

alejandra pizarnik

Die Angst

Im Echo meiner Tode
gibt es noch Angst.
Kennst du die Angst?
Ich weiss von der Angst, wenn ich meinen Namen sage.
Es ist die Angst,
die Angst mit schwarzem Hut,
die jetzt in meinem Blut Ratten versteckt,
oder die Angst mit toten Lippen,
die jetzt meine Wünsche trinkt.
Ja. Im Echo meiner Tode
gibt es noch Angst.

The fear

In the echo of my death
there is still fear.
Do you know the fear?
I know about the fear, when I say my name.
It is the fear,
the fear with black hat,
the rats now hidden in my blood,
or fear with dead lips,
now drinking my wishes.
Yes. There is still fear in
the echo of my death.

CANCIÓN DEL SAUCE

El que se dobla sin quebrarse, el sauce,
cobra la forma que Ie dicta el aire
con sílabas veloces, nunca iguales.

Música que se va, tiempo flotante
a la velocidad de vida y muerte.

Resuenan en la tarde
hojas que se desprenden y no vuelven

Amarga es la canción de los que parten.

José Emilio Pacheco

SONG OF THE WILLOW

The tree that bends without breaking, the willow
assumes any form the air dictates
in swift syllables, never the Same.

Music that flees, time floating
at breakneck speed.

The afternoon resonates with
leaves that fall, never to return.

Bitter is the song of those who depart.

Waterspiegel

Ben ik nog zichtbaar
Vraag ik aan het water
En neem een voorschot
Op het antwoord

Ik zie een tuimelende val
En zuig de toekomst naar me toe
Ze lijkt zo ongerept en roerloos
Af te wachten tot ik kom.

Voor elke lijn die nu verschijnt
Bedenk ik curven zekerheid
Als: toen en vroeger, weet je nog?

Voorbij mijn twijfels is een
Straks verborgen. Ergens.
Steeds en dichterbij.

Annette v.d. Bosch

Kringen in het water

Jouw dood maakt kringen
In het koude water,
Kringen waarin ook ik gevat ben
En die mij dragen
Als een web van liefde
Om de stil bloeiende lotus heen.
Eindeloos schijnt
de zon in het water.

Het doet je goed

Het doet je goed eens aan de dood te denken;
Je dagen worden er wat duidelijker van.
Je dient te weten dat geen mens voor je kan leven;
Maar ook dat niemand anders voor je sterven kan.

Ik spreek er s’avonds wel ‘ns over met de kind’ren,
Of ‘k maak ’n grapje met de dood, dat kan geen kwaad.
Als j’overpeinst waar je tenslotte komt te “liggen”,
Dan weet je af en toe wat beter waar je “staat”.

Gedichten rouw laatste zintuig

Ontij

I
Wie zoek je? Ze is niet hier.
ze at as die als fijn rijp
over de grashalmen lag

wat raap je op? Wat scherven
water, zuurstof, scherven vuur,
en gruis, van deernis het gruis

wie raak je aan? Iemand werd
uit je lijf gelost, iets laat
een leegte in je vieren

wat wil je? Wat ze drinken
wat ze zien, horen, ruiken
bestasten zou, willen zou , zeggen,
wat zij over dit alles en altijd
had kunnen willen zeggen

II
De grond waarop je stond, valt,
in de hand genomen, door
de vingers heen, droogste grond,
op je schoenen, op de uitgegraven

losse grond waarop je staat.
Je strekt je arm, de hand lekt
De rest grond, op het klein deksel
In de afgrond

je hoort dat je niemand vond

Hans Groenewegen

Memoria

Kijk toch eens naar jezelf, zei hij,
zoals jij naar de hemel staart
en naar mijn stomme graf

ik ben noch hier, noch daar. Keer om
en ga naar huis. Pluk bloemen af
en zet ze op je tafel. Vraag

je vrienden langs en maak een maaltijd klaar
zoals ik je geleerd heb: kip met vruchten,
kunstig versierd, aan knoflook geen gebrek.

Laat er muziek zijn, dans onder de luchter,
drink rode wijn en leun in veler armen,
jaag me de straat op met een schaterlach:

ik keer terug in het verbrijzeld glas.

Renée van Riessen

Zo vallen de woorden mij
Moeiteloos in:

Zo als ik drink
Als ik adem.

Later pas proef ik
Wat ik geschreven heb.

Begrip is nasmaak van taal.

G. van der Graft

O verduisterd gelaat
Aan de andere oever,

Hoever, hoever
Van mij vandaan?

Valkbij, te ver om te gaan

G. van der Graft

Wij zijn als doden, wij weten
Maar wat het nabijste is
Dat blijft in de adem steken
Het licht en de duisternis
Het is niet te vergelijken
De dood kent geen overgang
Wij kunnen alleen maar kijken
Ons leven lang

Wij zijn als doden, wij weten
Wij denken niet meer en wij rekenen niet,
Wij betekenen niets en wij doen niets
Behalve vervuld raken van het woord
En het woord is een zaad en een dode,
Een godenverschijning en een teug wijn,
Een schoof koren en een boom lover,
Vol zomer en tegelijk
Vol van de andere drie seizoenen;
Een woord is te veel om te noemen,
Het is alles en het is niets,
Geen denken, geen doen, geen teken,
Het is vol zoals de maan vol is
En leeg als de aarde,
Maar de doden diep in de mond,
Deze geteisterden
Weten
Wat het nabijste is

G. van der Graft

Zes zinnen

Het licht begraaft je niet, jij wordt daarin
Begraven zodat het jou daarbinnen
Proeft en ruikt en streelt en hoort en ziet.

Daar reik je naar een nieuw begin,
Het zingen van een aanvangslied,
Dat opstijgt naar de eerste geest,

Een zeker weten dat de taal jou redt
Omdat je als een onvergetelijk woord
Tussen de zinnen wordt gezet.

Anton Ent

Zes zinnen

Sterven is loslaten. Jij hield niet vast.
Ik streelde te stevig en smeekte: Ga
Toch maar blijf. Nu droom ik van je.

Raak me niet aan, zeg je, tegen leven
Op de tast ben ik niet meer bestand.
Het vormt een eeltlaag, hard en koel.

Nevels verbergen mij, maar ’s nachts
Verschijn ik aan de rand. Laat los, voel
Mij overdag, in de palm van je hand.

Anton Ent

Zes zinnen

Stervenden zijn zoekekauwen. Wat proefde
Jij toen jij je duim opstak: sacrale
Voorsmaak, honingzoete toverdrank?

Bang? Vroeg ik. Ongeloof schudde je hoofd.
Sterven was verstenen, vermineralen,
Verzilten van het suikerriet. Nieuwsgierig

Bewoog je je witte lippen. Alsof de dood
Jou de borst gaf, zo zoog je, terwijl je
Ons in kou en bitterheden achterliet.

Anton Ent

Zes zinnen

De geur van hyacint, zei je, seringen
Of eigenlijk jasmijn. Een prikkelend parfum.
We lachten om dit wisselend boeket

Omdat we wilden huilen. We wisten
Dat de vorst odeur versnijden zou
Tot hersenschim en vlagen wind.

Wat zie ik naar de lente uit, ik zal
Vooroverbuigen, diep inhaleren
En jou in bloesemgeur aanwezig ruiken.

Anton Ent

Zes zinnen

Je stierf aandachtig. Wat hoorde jij
Toen je hand licht danste door de lucht,
En jij je ogen sloot, opende, glimlachte?

Verdi was je vriend, Belcanto de plaats
Waar je thuis was en elke zondagmiddag
Wakend in de leunstoel op hem wachtte.

Ik hoor het Slavenkoor en weet dat je één
Van de tenoren bent. Je zong altijd mee,
Met verval en vanitas meer dan bekend.

Anton Ent

Zes zinnen

Stervenden zijn zieners. Wat schouwde jij
Aan de achterste grens? Verontrustende
Struiken of een tamarisk aan de bron?
Lichtgroene weiden of een krijtwitte rots,
Een afgesloten paleis of een bloeiende tuinen?
De genade van een oplichtende zee

Open het gordijn. De kamer moet licht
Zijn, de aarde het domein van de zon
Die schijnt op aankomst en afscheid.

Anton Ent

Verwachting

Ja je bent vertrokken
Ik zag je ergens anders
Het leven ging gewoon door
Iedere ochtend stond je op
’s avonds weer naar bed
Zonder en woord
Niets was veranderd
Je was altijd al een afwezige vader

En op een dag
Zou ik je zien op straat
Uit de verte
Van achteren
Ik zou achter je aan hollen
Maar je niet kunnen bereiken
Verdwenen tussen de mensen
En op die dag zou je echt dood zijn

Nicolas Ouwehand

Zijn jas

Mijn vader J was nog maar net
Gestorven toen mijn moeder A
Zijn nieuwe regenjas voorzichtig
Van de kapstok nam. Pas eens,
Zei ze, hij was er zo trots op.

Daar stond ik dan en voelde
Aan de mouwen en bij het sluiten
Van de knopen hoe dood hij was
En hoe ver weg van mijn jeugd. Oud
En zwak zou ik worden, in deze
Plooien zou mijn huid gaan hangen
Om mijn knoken.

Rutger Kopland

Tijdstip

De dood komt altijd te vroeg
Of laat te lang op zich wachten

Op je begrafenis heb ik niet gehuild
Het is maar een lichaam dacht ik
Maar daarvoor
Nog gestrand op je ziekenhuisbed
Je holle ogen even verbaasd als de mijne
Tranen met tuiten toen
En veel later ook
En nu nog

De dood komt altijd te vroeg
Of laat te lang op zich wachten

Nicolas Ouwehand

Wie kan niemand zijn

Ik heb vanochtend vroeg het gras gemaaid
een spin werkte aan een web
altijd als het kouder wordt zie je ze

de stoelen in de tuin stonden stil
ook de tafels zoals altijd plat het vlak
er lag niets op, ik zag alleen het hout met nerven

een merel kwam langs, zoals vaak de zwarte
met die snavel hij pikte in het web
er hingen hier en daar al dode dingen in

de telefoon ging maar ik dacht wie
kan niemand zijn, zo vroeg, zo laat
en inderdaad het rinkelen duurde maar hield op

in het gras hoopjes zand er groef vast een mol
een gang ondergronds zoals altijd
dat zal wel nooit veranderen

een van de bomen wordt echt te groot
ik dacht ik zie niets meer van de straat
maar je kent de buren vandaag maar beter niet zagen

de krant lag in de brievenbus
zoals altijd niets gebeurd het weer is matig
maar jij stond er keurig in met al je namen

wat kan ik je nog meer vertellen
nu moet ik naar je begrafenis
maar straks ben ik weer terug

Henk Pröpper

De huif

Het is een teder en doorzichtig vlies
dat als een huif om mijn beleven ligt,
maar dag na dag veert toch het wanbericht
weer schrijnend op: een onverteerd verlies.

Toch ga ik alweer schertsend door de dagen
die vol van zon en vol verwachting zijn
en in de lucht ontwaar ik reeds een klein
gerucht van zwaluwen op licht gedragen.

Ik zie haar soms nog tussen kale bomen,
haar grijze hoofd, het onmiskenbaar feit,
dat ze weldra voor even wéér zal komen.

Zo slijt de pijn en zo vervaagt de tijd,
zo houd ik nog mijn spinsels en mijn dromen:
een moeder raak je nooit voor altijd kwijt.

Frans Hopfenbrouwers

Rouwproces

Weer zijn de dagen loos voorbijgegaan,
een rouwproces van leegte en gemis
nu er van haar geen beeld meer over is
en ook haar stem van weerklank is ontdaan.

Toch hoor ik soms het timbre van haar taal
in het geritsel van de noordenwind.
Dan ben ik weer haar onderdanig kind,
dat zwijgend luistert naar haar bits verhaal.

Vaak stelde zij haar eigen starre wet
en zelden boog haar niet gedoofde oor
zich naar de zachtheid die ik onverlet

te berde bracht; dat haar verminkt gehoor
de warmte ving die ik had uitgezet,
verhoudt zich nu als troostrijk tot teloor.

Frans Hopfenbrouwers

Begraafplaats

I

kom, de seringen verkleuren, de vlier staat in bloei,
nu de avond vochtig in de ochtendschemer valt
blijft hij geuren, kom, de klimop overgroeit
de daklijst naar de nok, hoor de merel, de linden
van de buren zijn al tot een gebaar geknot

gisteravond viel voor het eerst het zonlicht
weer door de beukenlaan, kom, zet het masker
van je herinneringen op, dan kunnen we gaan

in wie welt hier niet die regel op, de melodie
van dat ene lied, en neuriet hem niet, neuriet hem niet

II
komt men hier, ziet men alles wat men wist.
dan mist men iets, alsof er niemand is.

een hand rust op de neusrug. de open
ogen daarachter houdt men dicht. te laat

weet men dat men in dit duister zingen
moet om er iets te kunnen horen, te laat,

men staat aan een rivier die stilstaat. een
windvlaag, haar gewaad ruist zilverwilg licht.

in wie welt hier niet die regel op, de melodie
van dat ene lied, en neuriet hem niet, neuriet hem niet

III
gekomen omwille van wind
van regens, van zon, van de nevel.

van de doden zijn wilgen, zijn bomen
rode beuken, eiken, coniferen

de geluiden zijn van de doden,
gekomen omwille van wind
de stemmen, het schrijden, de merels
onder heggen die de veldjes omzomen

ogen, lippen en vingers zijn blind
vertrouw de gezichtshuid, de benen
gekomen omwille van wind
de voeten gingen, ze zullen komen

naar de laan, de laantjes, de stenen.
onder mos, onder gras murmelt grind
als ik kom, en ik kom, ben gekomen
gekomen omwille van wind

in wie welt hier niet die regel op, de melodie
van dat ene lied, en hij zingt die regel niet, hij zingt hem niet

Hans Groenewegen

Vertrouwd

Haast elke nacht word ik wel even wakker
omdat haar geur dan door mijn dromen gaat.
Dan zie ik haar weer in haar nachtgewaad,
terwijl ze wandelt door de dodenakker,

waar ik de laatste tijd wat vaker kwam
om naar de zin van hier en ginds te zoeken.
Ik vond het antwoord niet in vrome boeken,
omdat haar dood de waarheid tot zich nam.

Ik ruik de geur weer van het oude huis,
vooral van soep die al te trekken staat,
maar ook van hout dat loeit in het fornuis.

Vertrouwde geur die niets te wensen laat,
een geur van warmte en van veilig thuis,
de geur van moeder, doende met de vaat.

Frans Hopfenbrouwers

Bij het graf van mijn moeder

Ik heb vandaag weer bij je graf gestaan
en dacht dat alles maar verloren ging,
dat zien en horen van een sterveling
tot wuivend gras en vogelroep vergaan.

Ik proef het bitter van het zinloos staan
voor deze steen van gepolijst graniet,
waarin de houwer naam en tekens liet:
dat je geboren bent en dood gegaan.

Ik kom hier om de zoveel weken weer
om troost en ook om het verloop van tijd:
wat is de dood nou welbeschouwd nog meer

dan een voorzegd en onontkoombaar feit,
fijntjes gekruid met Onze Lieve Heer,
verrijkt nog met een snuifje eeuwigheid?

Frans Hopfenbrouwers

Op de sterfdag van mijn moeder

Wij hadden slechts haar hand om in te knijpen
door al het tuig dat haar was aangedaan,
opdat er technisch niets meer mis zou gaan;
toch voelden wij wie er zijn kans zou grijpen.

Er was geen winst te puren uit de maan
die in die nacht veel te uitbundig scheen
toen moeder daar ontkoppeld lag, sereen
ontkomen aan een uitzichtloos bestaan.

Ze was gezegend met een levenskracht
die tot voorbij de eeuwigheid kon gaan;
maar niemand keert het tij van overmacht.

Wij hebben haar in eerbied afgestaan
aan bos en graf, het donker van de nacht.
Daarna zijn we onthoofd uiteengegaan.

Frans Hopfenbrouwers

( … )

Dit is het verschil met lijsters en hanen
wij kennen de goden niet meer bij name
Ze zijn in onze hoofden geschonden
Wij kunnen niet meer wat we vroeger konden

Want de vogels hoe gaan ze te werk
Ze hebben een waterpas in hun staart
Ze hebben een passer in hun snavel
Ze heb ben een beitel in hun keel
De splinters van rotsbeen vliegen in ’t rond
Ze geven ons de namen in de mond
ze geven ons de goden in het oor
maar wie is hun dankbaar daarvoor?

Niemand of liever een enkeling
Een ondergekomen drenkeling
Een nakomer van een poëet
Die tussen een woord en een stilte weet:

De goden – de goden zijn dood en begraven
Ze liggen voorover op hun namen
Ze hebben voorgoed in het zand gebeten
En iedereen kan het weten
Behalve de vogels die zijn zo naief
Die weten dat zo niet

Maar als men de spade der taal
diep in de aarde zou steken
dan zou men de goden bereiken
dan zou wat men zei gaan lijken
op dit vogelverhaal
met woorden diluviaal.

(Fragment uit: DE RELIGIE DER VOGELS.)

G. Van der Graft

Thebe

Met leven toegerust voor beiden,
liep ik vannacht de gangen in,
die naar u leiden.
Het ondergronds geburchte droeg
een stilte, die met tegenzin
mijn tred verdroeg.

De muren stonden als verzadigd
van ruige schimmel; lucht en licht,
voorgoed beschadigd,
beten mij uit; de wil alleen
bij u te zijn in ’t jongst gericht,
hield mij ter been.

Het labyrinth verliep in schroeven
van eender, blinder cirkeling.
U ten behoeve?
Ik weet niet meer hoe lang ik ging.
Hoe brachten zij, die u begroeven,
zover een ding?

Totdat mijn voeten op u stuitten:
uit een volslagen duisternis
zag ik uw ogen opensplijten;
uw handen, die ik niet kon tillen,
voelde ik langs het leven strelen,
dat in mij sloeg;
uw mond, in dood verholen, vroeg.

Een taal waarvoor geen teken is
in dit heelal,
verstond ik voor de laatste maal.

Maar had geen adem meer genoeg
en ben gevlucht in dit gedicht:
noodtrappen naar het morgenlicht,
vervaald en veel te vroeg.

Gerrit Achterberg

De dood van mijn moeder

Ik zeg haar zachtjes dat ze dood zal gaan
en dat het niet zo heel lang meer zal duren.
Ze kijkt niet op, laat evenmin een traan,
als stond ze al voor heel wat heter vuren.

Ik kijk naar buiten, zie slechts kale muren
en mensen die van hier naar ginder gaan.
Ik sterf van binnen, tel haar laatste uren.
Maar zij heeft haar horloge afgedaan.

Ze reikt het aan, een achteloos gebaar,
en zakt terug in het te ruime bed.
Ik zoek vertwijfeld naar de juiste snaar.

Een voorgevoel verzoent haar met de wet.
Ik zoek naar woorden, onverdacht en klaar.
Maar zij doet stil de allerlaatste zet.

Frans Hopfenbrouwers

Midwinter

Een blauw schijnsel
stroomt mijn kleren uit.
Midwinter.
Tinkelende tamboerijnen van ijs.
Ik sluit mijn ogen.
Er bestaat een geluidloze wereld
er bestaat een kier
waardoor doden
de grens over worden gesmokkeld.

T.Tranströmer

img_4717

De profundis

Es ist ein Stoppelfeld, in das ein schwarzer Regen fällt.

Es ist ein brauner Baum, der einsam dasteht.

Es ist ein Zischelwind, der leere Hütten umkreist –

Wie traurig dieser Abend.
Am Weiler vorbei
Sammelt die sanfte Waise noch spärliche Ähren ein.

Ihre Augen weiden rund und goldig in der Dämmerung

Und ihr Schoß harrt des himmlischen Bräutigams.
Bei ihrer Heimkehr

Fanden die Hirten den süßen Leib

Verwest im Dornenbusch.
Ein Schatten bin ich ferne finsteren Dörfern.

Gottes Schweigen

Trank ich aus dem Brunnen des Hains.
Auf meine Stirne tritt kaltes Metall.

Spinnen suchen mein Herz.

Es ist ein Licht, das meinen Mund erlöscht.
Nachts fand ich mich auf einer Heide,

Starrend von Unrat und Staub der Sterne.

Im Haselgebüsch

Klangen wieder kristallne Engel.

Georg Trakl

Zu Abend mein Herz

Am Abend hört man den Schrei der Fledermäuse,

Zwei Rappen springen auf der Wiese,

Der rote Ahorn rauscht.

Dem Wanderer erscheint die kleine Schenke am Weg.

Herrlich schmecken junger Wein und Nüsse,

Herrlich: betrunken zu taumeln in dämmernden Wald.

Durch schwarzes Geäst tönen schmerzliche Glocken,

Auf das Gesicht tropft Tau.

Georg Trakl

Abend

Der Abend wechselt langsam die Gewänder, 
die ihm ein Rand von alten Bäumen hält; 
du schaust: und von dir scheiden sich die Länder, 
ein himmelfahrendes und eins, das fällt; 
und lassen dich, zu keinem ganz gehörend, 
nicht ganz so dunkel wie das Haus, das schweigt, 
nicht ganz so sicher Ewiges beschwörend 
wie das, was Stern wird jede Nacht und steigt – 
und lassen dir (unsäglich zu entwirrn) 
dein Leben bang und riesenhaft und reifend, 
so daß es, bald begrenzt und bald begreifend, 
abwechselnd Stein in dir wird und Gestirn.

Rainer Maria Rilke

Erinnerung

Und du wartest, erwartest das Eine,

das dein Leben unendlich vermehrt;

das Mächtige, Ungemeine,

das Erwachen der Steine,

Tiefen, dir zugekehrt.
Es dämmern im Bücherständer

die Bände in Gold und Braun;

und du denkst an durchfahrene Länder,

an Bilder, an die Gewänder

wiederverlorener Fraun.
Und da weißt du auf einmal: das war es.

Du erhebst dich, und vor dir steht

eines vergangenen Jahres

Angst und Gestalt und Gebet.

Rainer Maria Rilke

Herbsttag

Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß. 
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren, 
und auf den Fluren laß die Winde los.
Befiehl den letzten Früchten voll zu sein; 
gieb ihnen noch zwei südlichere Tage, 
dränge sie zur Vollendung hin und jage 
die letzte Süße in den schweren Wein.
Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr. 
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben, 
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben 
und wird in den Alleeen hin und her 
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.
Menschen bei Nacht
Die Nächte sind nicht für die Menge gemacht. 
Von deinem Nachbar trennt dich die Nacht, 
und du sollst ihn nicht suchen trotzdem. 
Und machst du nachts deine Stube licht, 
um Menschen zu schauen ins Angesicht, 
so mußt du bedenken: wem. 
Die Menschen sind furchtbar vom Licht entstellt, 
das von ihren Gesichtern träuft, 
und haben sie nachts sich zusammengesellt, 
so schaust du eine wankende Welt 
durcheinandergehäuft. 
Auf ihren Stirnen hat gelber Schein 
alle Gedanken verdrängt, 
in ihren Blicken flackert der Wein, 
an ihren Händen hängt 
die schwere Gebärde, mit der sie sich 
bei ihren Gesprächen verstehn; 
und dabei sagen sie: Ich und Ich 
und meinen: Irgendwen.

Rainer Maria Rilke

Nachthimmel und Sternenfall

Der Himmel, groß, voll herrlicher Verhaltung, 
in Vorrat Raum, ein Übermaß von Welt. 
Und wir, zu ferne für die Ausgestaltung, 
zu nahe für die Abkehr hingestellt. 
Da fällt ein Stern! Und unser Wunsch an ihn, 
bestürzten Aufblicks, dringend angeschlossen: 
Was ist begonnen, und was ist verflossen? 
Was ist verschuldet? Und was ist verziehn?

Rainer Maria Rilke

Zum Einschlafen zu sagen
Ich möchte jemanden einsingen, 
bei jemandem sitzen und sein. 
Ich möchte dich wiegen und kleinsingen 
und begleiten schlafaus und schlafein. 
Ich möchte der Einzige sein im Haus, 
der wüßte: die Nacht war kalt. 
Und möchte horchen herein und hinaus 
in dich, in die Welt, in den Wald. 
Die Uhren rufen sich schlagend an, 
und man sieht der Zeit auf den Grund. 
Und unten geht noch ein fremder Mann 
und stört einen fremden Hund. 
Dahinter wird Stille. Ich habe groß 
die Augen auf dich gelegt; 
und sie halten dich sanft und lassen dich los, 
wenn ein Ding sich im Dunkel bewegt.

Rainer Maria Rilke

Abschied

Wie hab ich das gefühlt was Abschied heißt.
Wie weiß ichs noch: ein dunkles unverwundnes
grausames Etwas, das ein Schönverbundnes
noch einmal zeigt und hinhält und zerreißt.
Wie war ich ohne Wehr, dem zuzuschauen,
das, da es mich, mich rufend, gehen ließ.
Zurückblieb, so als wärens alle Frauen
und dennoch klein und weiß und nichts als dies:
Ein Winken, schon nicht mehr auf mich bezogen,
ein leise Weiterwinkendes -, schon kaum
erklärbar mehr: vielleicht ein Pflaumenbaum,
von dem ein Kuckuck hastig abgeflogen.

Rainer Maria Rilke

Buddha

Als ob er horchte. Stille: eine Ferne…

Wir halten ein und hören sie nicht mehr.

Und er ist Stern. Und andre große Sterne,

die wir nicht sehen, stehen um ihn her.
O er ist alles. Wirklich, warten wir,

daß er uns sähe? Sollte er bedürfen?

Und wenn wir hier uns vor ihm niederwürfen,

er bliebe tief und träge wie ein Tier.
Dann das, was uns zu seinen Füßen reißt,

das kreist in ihm seit Millionen Jahren.

Er, der vergißt, was wir erfahren,
und der erfährt, was uns verweist.

Rainer Maria Rilke

Nalaten
“Ik wil je iets nalaten
iets beters dan woorden of klanken.
Zoek mij in de mensen die ik
gekend en lief gehad heb”.

“Nacht van droom en van verlangen
draagt het schemerlicht ternauwernood.
Onuitwisbaar groeit verlossing
in de barensweeën van de tijd.
Onmiskenbaar moe gedragen
wijkt het duister voor het volle licht”.

De dood
Voor James Brockway

Die lompe gast zal jou niet overslaan.
Nooit belt hij op en vraagt: “kom ik gelegen?”
Hij komt te vroeg, te laat, zijn zeis stoot tegen
Je lamp of vaas. Hij laat zijn koffie staan.

Beloftes worden niet door hem gedaan
En hij zal nooit die knekelvoeten vegen.
Hij wil niet schaken. Er wordt stuurs gezwegen
Tot hij je vraagt om met hem mee te gaan.

Dat was het dan. Je bent opeens zo moe.
Hij zegt: “je wist toch dat ik ooit zou komen.
Die lamp, die vaas, doen er niet meer toe.

Kijk niet zo bang. Het sterven doet geen pijn.
Het zal een slapen, slapen zonder dromen zijn,
Het zal een slapen zonder weerga zijn.”

Patty Scholten

Als de dageraad aanbreekt
Na een poosje leer
het subtiele verschil tussen een hand vasthouden
en een ziel aan de ketting leggen

en je leert…
dat liefde niet betekent leunen en
gezelschap betekent niet veiligheid.

En je begint te leren…
dat kussen geen contracten zijn en
geschenken geen beloftes.

En je begint je verlies te accepteren
met je hoofd omhoog en je ogen vooruit
met de genade van een volwassene,
niet het verdriet van een kind.

En je leert al je wegen te bouwen op vandaag
want de grond van morgen is te onzeker;
plannen en toekomst hebben de gewoonte
om midden in hun vlucht neer te vallen.

Na een poosje leer je…
dat zelfs de zon schijnt als je teveel vraagt.
Dus plant je je eigen tuin en versier je je eigen ziel
in plaats van te wachten tot iemand je bloemen brengt.

En je leert…
dat je werkelijk kunt verdragen
dat werkelijk sterk bent
dat je werkelijk waarde hebt.

En je leert…
en je leert…

Bij ieder afscheid leer je

Bittgedanke, dir zu füssen

Stirb früher als ich, um ein weniges

früher

Damit nicht du
den weg zum haus

allein zurückgehn mußt

Smeekgedachte, voor jou neergeknield

Sterf vroeger dan ik, een heel klein beetje

vroeger

Opdat niet jij

de weg naar huis

alleen terug moet gaan

Reiner Kunze

DE BOOM

Is een gedicht als een boom
dan is het mooi.
Is hij mooi dan is een boom
als een gedicht.

Rustig met wortels
sterk en toch
gedragen door de wind
altijd beweeglijk
zijn eigen vorm tekenend.

Naast de boom
staat het gedicht in de aarde geplant
groeit vol vertroosting om laag
en streeft naar de hemel.

Op vaste grond en zwevend
uit stof zijt gij gekomen
tot stof zult gij wederkeren
uit stof zult gij herrijzen.

Klaus Rifbjerg

BOMEN

Bomen spreken weinig, naar men weet.
Ze slijten heel hun leven mediterend
en hun takken bewegend.
Het volstaat om hen in de herfst te bekijken
als ze samenkomen in de parken,
alleen de alleroudsten converseren,
zij die de wolken en de vogels verdelen,
maar hun stem gaat verloren tussen de bladeren
en zeer weinig bereikt ons, bijna niets.

Het is moeilijk een kort boek te vullen
met gedachten van bomen.
Alles aan hen is vaag, fragmentarisch.
Vandaag bijvoorbeeld, bij het horen van de kreet
van een zwarte koevogel reeds op weg naar huis,
slotkreet van wie geen volgende zomer meer wacht,
begreep ik dat in zijn stem een boom sprak,
een van zovele,
maar ik weet niet wat te doen met die kreet,
ik weet niet hoe hem op te tekenen.

Eugenio Montejo

EEN BOOM OP DE HEUVEL

laat ik nooit vergeten, dat er
een boom op de heuvel staat –
ergens, ver weg,
waar dan ook – een boom zonder naam,
bevriend met de komende avonden.
Een boom op de heuvel.
Die zal me eraan herinneren
hoe wakkere ogen zwerven in het gras,
hoe in de diepten van de dakloze nacht
de stemmen van de krekels aanzwellen.
Een boom op de heuvel.
Dat hij van me zal houden
en me nooit zal vergeten.
Hij is naamloos, ik zal hem
geduld en groene stilte noemen.
Een boom-zulk een ranke
belichaming van mijn gedachte! –
staat op de heuvel, verenigd met de wol ken,
luisterend naar de duistere sprookjes,
die de wind hem toefluistert.

Ivon Tzanev

OUDE BEGRAAFPLAATS IN HET BOS

wij speelden vaak op de overgroeide begraafplaats
waar we met rust werden gelaten; tweehonderd jaar
geleden dat dode mensen er kwamen liggen

heide en wilgen verspreid over muurtjes en graven
neergelaten lichamen in hulsels van dennenhout en handgesmede spijkers
omgevormd tot minder dan lucht: kleine verzakkingen in openlucht

af en toe voetbalden wij er, stelden doelpalen op
het was er oneffen, het ging niet zomaar-
maar op een of andere manier lukte het steeds

we waren niet talrijk, we hadden geen regels
dat was ook het beste, allen tegen allen
ik zie de bal nog naar het doel rollen: bump bump bump

wij liepen erachter, over de kuilen
een sprongetje maar, en we waren er

Paal Helge Haugen

DENNENBOSSEN

Ik verloste hem van de grote plant
die in zijn kamer niet meer paste.
De wereld om de kleine man
werd almaar kleiner.

Zijn vrouw kon hier niet aarden,
ze droomde van verre dennenbossen
en veranderde in een vogel
die door het raam wegvloog.

Haar lichaam brachten ze terug,
met de schrik van geknakte knieën
en zweetdruppels als ongepaste
tranen op hun voorhoofd.

Achter de glazen ruit het bed
en op het kussen een gezicht
dat het leven opheft.

In zijn handpalmen schepte hij het.
Hij hief het gezicht naar zijn lippen
zoals je water uit de bron schept.

Jana Beranová

De getrooste dood

De Dood, die onbekend en onbemind,

Zoo uit het oog, zoo uit het hart vandaan,

De weg vervolgt, die hij vanouds moet gaan,

Weg, waarop niets hem aan zijn offers bindt,

Vindt soms op stille ziekbedden, waaraan

De laatste hand hij leggen zal, een kind

Dat hem herkent en glimlachend bemint

En hem verzoent met heel zijn doodsbestaan.

Hij neemt het kind, en ’t kind hangt aan zijn lippen:

Ziet dan de glimlach dralend ingeteekend

Rond de eigen lippen als hij verderschrijdt.

Zoo wordt zijn weg naar kinderen berekend:

Zachte oasen tusschen zand en klippen

Der menschelijke onverschilligheid.

S. Vestdijk

Sterfbed

Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,

voel ik de botten door zijn huid heen steken.

Ik zoek naar woorden, maar hij kan niet spreken

en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken,

waar hij met krachteloze hand in klauwt;

ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud, 
e

n blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen één voor één hetzelfde pad,

en worden met dezelfde maat gemeten;

ik zie mijzelf nu bij zijn bed gezeten

zoals hij bij zijn eigen vader zat:

straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten

hoe machteloos ik hem heb liefgehad.

Jean Pierre Rawie

Het einde

Vroeger toen ‘k woonde diep in ’t land,

Vrat mij onstilbaar wee;

Zooals een gier de lever, want 
ik wist:

geen streek geeft mij bestand,

En ‘k zocht het ver op zee.

Maar nu ik ver gevaren heb

En lag op den oceaan alleen,

Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen

Niet boren door de kimmen heen

Voel ik het trekken als een eb

Naar ’t verre, vaste, bruine land……

Nu weet ik: nergens vind ik vree,

Op aarde niet en niet op zee,

Pas aan die laatste smalle ree

Van hout in zand.

J.J. Slauerhoff

Het kind

Sedert de droomspin mij omspon

met duizend parelende webben

zie ik hem spelen in de zon,

het kind dat wij nooit zullen hebben.

Zijn ogen die het zonlicht vangen,

zijn klaar en helder als kristal
en onvertroebeld door verlangen:

ogen van voor de zondeval.

Hij glimlacht schuldeloos en wijs.

Zijn vogelstem streelt licht mijn oren.

Zijn wereld is het paradijs,

want hij is rein en ongeboren.

Ik mag mijn armen niet uitstrekken,

hem smeken met ons mee te gaan.

Waarom ook zouden wij hem wekken

tot een ontluisterd, aards bestaan?

Nimmer zal hij behoren bij 
de uitgebloeiden,

de verdorden
en nimmer lijden zoals wij

die nooit zijn ouders zullen worden.

Hanny Michaelis

Aan Rika

Slechts eenmaal heb ik u gezien. Gij waart

Gezeten in een sneltrein, die den trein,

Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.

De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg, om mij

Het eindloos levenspad met fletsen lach

Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij

Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

Waarom ook hebt gij van dat blonde haar,

Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,

Waarom blauwe oogen, wonderdiep en klaar?

Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

En waarom mij dan zoo voorbijgesneld,

En niet, als ’t weerlicht, ’t rijtuig opgerukt,

En om mijn hals uw armen vastgekneld,

En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?

Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,

Dan, onder helsch geratel en gestamp,

Met u verplet te worden door één trein?

Piet Paaltjens

het einde

oud de tijd en vele vogels sneeuwen

in de leegte in de verte

wordt men moe en de stemmen

staan stijf om zelfs de zuiverste lippen

ruw en laag wandelt de regen

waarheen zijn de lichte dagen gegaan

waar zijn de wolken gebleven

alles is stom en van steen

alleen die in zijn engte de elementen telde

buigend bevend als geselslagen

geeft het laatste geluid: het lied

heeft het eeuwige leven

lucebert

Je zoenen zijn zoeter dan …
Je zoenen zijn zoeter dan 
zoeter dan honing en ik vind je 
mooier en liever, liever 
en aardiger nog dan de koning. 
We gaan samen liggen 
een eind hier vandaan 
we maken van takken 
van takken en blaadjes 
een vloer en een dak, 
dat was onze woning, 
of ik was het tuintje 
en jij was de tent 
daar gingen wij wonen 
en blijven en horen 
o rep je mijn liefje 
ik heb je zo graag 
nu of nooit samen slapen 
want we zijn er 
alleen maar vandaag.

Judith Herzberg

Het brandende wrak

In de schaduw der zwellende zeilen verborgen

Voor de maan, die de mast op de wateren mat,

In den slaap van het licht, tusschen avond en morgen.

Stond ik, slaaploos, ter reeling van ’t reilend fregat.

Toen verblindde mijn’ blik, naar den einder ontloken,

Tusschen wolken en water een vuren kolon,

Als van magischen morgen, in ’t zuiden ontstoken.

De bloedige bloesem midnachtlijker zon:

Een wrak, verlaten, ten halve bedolven

In het maanlichtbeglansd emeralden azuur,

Dat in laatste agonie, boven ’t graf van de golven,

Naar den hemel vervlucht in een passie van vuur!

Zóó ons hart: Naar den droom van ons leven begeerend.
B

oven diepten des doods nog in purperen pracht

Van laayend verlangen zich langsaam verteerend

In de eenzame uren der eindlooze nacht.

Geerten Gossaert

Weggaan
Weggaan is iets anders 
dan het huis uitsluipen 
zacht de deur dichttrekken

achter je bestaan en niet 
terugkeren. Je blijft

iemand op wie wordt gewacht.

Weggaan kun je beschrijven als 
een soort van blijven.

Niemand 
wacht want je bent er nog. 
N

iemand neemt afscheid 
want je gaat niet weg.

Rutger Kopland

Woningloze

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,

Nooit vond ik ergens anders onderdak;

Voor de eigen haard voelde ik nooit een zwak,

Een tent werd door de stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.

Zolang ik weet dat ik in wildernis,

In steppen, stad en woud dat onderkomen

Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen

Dat vóór de nacht mij de oude kracht ontbreekt

En tevergeefs om zachte woorden smeekt,

Waarmee ‘k weleer kon bouwen, en de aarde

Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de

Plek waar mijn graf in ’t donker openbreekt.

J.J. Slauerhoff

Afscheid

Zul je voorzichtig zijn?
Ik weet wel dat je maar een boodschap doet hier om de hoek
en dat je niet gekleed bent voor een lange reis.
Je kus is licht, 
je blik gerust
en vredig zijn je hand en je voet.
Maar achter deze hoek 
een werelddeel, achter dit ogenblik 
een zee van tijd.
Zul je voorzichtig zijn?

Adriaan Morriën

Ik heb van-nacht mijn kussen nat geweend
Ik heb van-nacht mijn kussen nat geweend. 
Van u droom ik zoveel en zoveel uren 
Heb ik geschreid met op uw beeld te turen. 
Ik heb zo vaak, in stilte alleen, gemeend,
Dat gij van elke kant, door alle muren, 
Verschijnen zoudt en wij tesaam vereend 
Verbleven tot ge uw hart mij had geleend 
Om ’t nimmer, nimmer, nimmer terug te sturen.
Maar deze nacht, de eerste na uw brief, 
Hebt ge in mijn zaalgen droom mij toegesproken. 
Ik zag uw mond, die zei: ik heb u lief.
En toen ik me uit mijn slaap al bevend hief 
En uwen brief had aan mijn borst gestoken, 
Is heel mijn hart in tranen weggebroken.

ERGENS MOET HET ZIJN

ergens moet het zijn

een soort verwilderde tuin

van oude stilte

de boom voor het huis

zacht wazelt hij zijn verhaal

niemand begrijpt het
het heeft geregend

de tuin dampt goede geuren

aarde die verlangt

J.C. van Schagen

de zeer oude zingt:
er is niet meer bij weinig

noch is er minder

nog is onzeker wat er was

wat wordt wordt willoos

eerst als het is is het ernst

het herinnert zich heilloos

en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos

wordt van aanraakbaarheid rijk

en aan alles gelijk
als het hart van de tijd

als het hart van de tijd

Lucebert

Ligstoel 1
Er is een soort niets dat ik zoek. Wat je overhoudt

als je uit de kom van je beide handen hebt willen drinken:

je beide handen. Geuren lanterfanteren door de tuin.

Ik heb een ligstoel onder me waarin ik zo laag als ik maar
in mezelf kan liggen, op mijn rug, het onderste wat ik heb, lig.
Hoe is dit liggen? Zoals je een cognac afmeet door het glas

horizontaal te leggen, zo is dit liggen, ik heb niet veel van mezelf

nodig om vol te zijn, wat ik nodig heb is vooral: weinig.
Er is te weinig weinig. De vergevensgezindheid

van het iets waarin wij, als we eveneens

niets zouden zijn, zouden passen.

De lucht is blauw als vergeetachtigheid.

De lucht is zo blauw als blauwsel waarmee destijds

linnen werd gewassen om witter te zijn.

Herman de Coninck

De mensenvriend
De mensheid heeft mijn hart
en vergt mijn volle krachten.

Het zijn er vier miljard,

dus jij moet even wachten.

Kees Stip

Lange afstand

Innig vertrouwd met steeds hetzelfde elkaar,
daarvan met almaar minder volle teugen
genietend, steeds meer mondjesmaat, maar toch,
daarvan toch mooi nog altijd steeds genietend –
geef ons maar zonnebloemen, weken lang
maar zonnebloemen links en rechts, met hier
en daar een korenveld, of maïs desnoods, met hier
en daar een wei, een stukje bos desnoods,
desnoods een korenveld en zonnebloemen,
wij krijgen daar niet makkelijk genoeg van,
wij zijn allang elkaars grande randonnée.

Anton Korteweg

Ontwerp voor een grafschrift
Van jou blijft niets,
alleen deze gebroken fragmenten.

Dat iemand ze liefdevol verzamelt, wens ik je toe,
ze koestert en ze niet geheel en al
laat sterven in deze nacht
van gulzige schaduwen, waarin jij al weerloos
blijft trillen.

José Angel Valente

Wijken voor de trage zon die naar de avond
neigt, zich eraan overgeven.
Verval.
De stroom van leven
is stilaan onmerkbaar opgedroogd
zoals de rand van vlucht of streling.
Ijl duurt nog wat van zijn lichte aanraking
een spoor was.

Ik weet niet of ik vertrek of terugkeer .
Waarheen’?
Het einde is het begin.
Niemand
zegt me vaarwel. Niemand die op me wacht.

Nu binnengaan in de ondergaande zon,
opgeslorpt worden in licht,
tot schaduw geroepen.

En jij, die mij hebt liefgehad, offer
aan de goden van de nacht
het zuiverste deel van mij
dat in je geheime rijk zal overleven.

José Angel Valente

Als we na de dood opstaan,
als ik na de dood
naar jou kom zoals ik vroeger kwam
en in mij is er iets wat jij niet herkent
omdat ik niet dezelfde ben,
wat een pijn doet sterven, weten dat ik nooit
de randen zal bereiken
van het wezen dat jij voor mij was zo diep binnen
in mijzelf,
als jij ik zou zijn en jij mij helemaal doordrong
waarom is deze grens dan zo blind,
zo rampzalig deze muur van woorden
die plotseling bevroren
nu ik je het hardst nodig heb,
ik zeg je kom en soms
kijkje me nog aan met een tederheid
alleen uit de herinnering geboren.
Wat een pijn doet sterven, naar jou komen, je kussen
wanhopig
en voelen dat de spiegel
mijn aangezicht niet weerspiegelt
noch voel jij
van wie ik zielsveel heb gehouden
mijn hunkerende onaanwezigheid.

José Angel Valente

Misschien in het dorstige, donkere, haastige
verbrokkelen van de dag
ben je langzaam veranderd in iets anders,
in iets wat aan je grenst,
niet jij.
Je komt niet
tot jezelf terug
als je tastend terugkeert
naar het lichaam dat je had,
naar de plek waar tot in het wit
van de droom het metaal
van de liefde schroeide.
Leg neer je aangezicht
dat je nu niet meer kent.
Laat je woorden vluchten,
bevrijd ze van jou
en stap traag,
onheuglijk en blind,
onder de vergulde boog
die de weidse herfst daarboven spant
als laatste eer aan de schaduwen.

José Angel Valente

Iemand zegt me
dat een jongeman
van tijd tot tijd je graf komt bezoeken.

Hij wiedt het onkruid.

Een jongeman. zeggen ze, mooi,
met een boerenhoed.

Toen ze het hem vroegen zei hij
dat hij een vriend van je familie is.

Wie is die gedaante die zo opdaagt’?

Misschien ben jij het wel die terugkomt
om te zien waar je bent en die
aan de voet van je as,
nat, een takje
regen of verdriet neerlegt.

José Angel Valente

Je plotselinge aanwezigheid.
Al je licht stroomt binnen, duurzaam, hard
als steen.
Je komt
zo onbeweeglijk, zo in jezelf gekeerd.
Het diepe.
In je enige bestaan,
je enige licht,
brand je voor altijd.

‘De gevoelens springen over de gedachten.’
ECKHART

José Angel Valente

Je bent daar
in je licht niet zichtbaar, niet verwekt,
enig, de enige.
Je blik legt zich
op de afwezigheid van jou of in het niet ontcijferbar,
onverhoedse binnenstromen van je vorm in je leegte

En daar laat je je stapspoor achter.

Ik liep achter je aan.
Geef me terug aan je ogen
die ik draag in mijn ingewanden gegrift.

José Angel Valente

Die zuurte streelt mijn hart
hoewel ik bijna sterf.

Open nog het raam waartegen de lucht
vogels werpt uit het gele bos
waar het licht nog klaart.

Klop op mijn deur.
Zeg me
wie je bent jij die nu komt
wanneer alles lijkt te eindigen.

De haardos van de tijd rukt nachten weg
als rivieren eindeloos
op weg naar vaarwel.

Vriendin, kom tot
het leven terug, jij kunt het nog.

Rechtop, op de andere oever, bewaart
je witte gedaante het enige zekere
getuigenis van mij.

José Angel Valente

mist in de bergen
mist in de bergen – drieluik – pigment op hout

ZONDAGMIDDAG
Het licht is op een baar
de kamer ingedragen
heel stijf en onnoemelijk zwaar
en veel engelen hebben geweend
hun tranen vormen beken langs het raam
die langzaam samenstromen in de oceaan
van deze grauwe middag

De winkels van je ogen staan
leeg en verlaten
de koopwaar is verzonken
de klanten zijn verdronken
diep in de grauwe oceaan
van deze middag

Zijn dat mijn handen die als zwammen aan
je lichaam groeien
is dat mijn stem die als een paraplu
omhoog staat .

O de leegte van deze grauwe middag
wie zal de bergen der gebaren
beklimmen
wie brengt het lange wenen tot bedaren

Geen meesterhand zal ons meer redden
wij zijn twee logge waterbeesten
stom op elkander ingedreven
in deze grauwe oceaan
ik heb mij zachtjesaan
en met een eindeloze draaiïng van mijn romp
een vormeloze zwarte klomp

traag aan je vastgezogen.

P. Rodenko

Winterbomen

Bij dageraad lost het blauwe op van uitvloeiende inkten.
Op hun vloeiblok van mist lijken de bomen
een botanische tekening –
Herinneringen groeien aan, jaarring op jaarring,
een reeks bruiloften.

Niets afwetend van miskramen en geroddel,

waarachtiger dan vrouwen,
schieten zij zo moeiteloos in het zaad!
Rukwinden zonder voetspoor proeven zij,
diep verzonken in geschiedenis –

Een en al vleugels, van een andere wereld.
Daarin zijn zij gelijk aan Leda’s.
O moeder van bladeren en zachtheid
wie zijn deze piëta’s?
Schaduwen van ringduiven zingen, maar verzachten niets.

Sylvia Plath

Olm

Voor Ruth Fainlight

Ik ken de bodem, zegt ze. Ik ken hem met mijn grote penwortel:
daarvoor ben jij zo bevreesd.
Ik vrees hem niet: ik ken hem maar al te goed.

Is het de zee die je in mij hoort,
al haar misnoegdheid?
Of de stem van het niets, die jouw waanzin was?

Liefde is een schaduw.
Al lig je nog zo om haar te roepen
luister: dit zijn haar hoeven: ze is er vandoor, als een paard.

Zo zal ik de hele nacht galopperen, onstuimig,
tot je hoofd een steen is, je hoofdkussen een kleine zode,
vol echo’s, echo’s.

Of zal ik het geluid van vergiften voor je meebrengen?
Dit is nu de regen, deze diepe stilte.
En dit zijn oogst: tinwit, als arsenicum.

Ik heb de gruwel van zonsondergangen doorstaan.
Verschroeid tot de wortel
staan mijn rode vezels in brand, een hand van draden.

Nu spat ik in stukken uiteen die als knuppels in het rond vliegen.
Zo’n vernielzuchtige wind
duldt geen inmenging: ik moet krijsen.

Ook de maan is genadeloos: ze wil me meeslepen,
wreed en onvruchtbaar als zij is.
Haar uitstraling verwondt me. Of misschien heb ik haar gevangen.

Ik laat haar los. Ik laat haar los
verminderd en vlak, als na radicale chirurgie.
Hoe bezeten en begaafd word ik van je kwade dromen.

Ik word bewoond door een schreeuw.
’s Nachts vliegt hij uit
op zoek, met zijn haken, naar iets om lief te hebben.

Ik ben doodsbang voor dat donkere ding
dat in mij slaapt;
de hele dag voel ik zijn zachte, vederachtige kronkelingen, zijn
boosaardigheid.

Wolken trekken voorbij en drijven uiteen.
Zijn dat de gezichten van de liefde, die bleke vervluchtigingen?
Jaag ik mijn hart daarvoor op?

Ik ben niet in staat tot meer kennis.
Wat is dit, dit gezicht
zo moorddadig in zijn wurggreep van takken?

Zijn slangenzuur kust.
Het versteent de wil. Dit zijn de afgezonderde, tergend trage gebreken
die doden, die doden, die doden.

Sylvia Plath

img_7760

Meer afbeeldingen van mijn werk: Saatchi –  Weebly – Behance