Herdenking overledenen (2016-2017)

 

IMG_2864

Thema: Monument

 

LIED OVER DE SPIEGEL

 

Zing dan! Waarover?

Zing waarover je wilt,

wat op het puntje van je tong ligt.

Maar begin.

 

Over de avond misschien en over de lamp

en ook over de waaier.

En als je uit de grond van je hart wilt,

zing dan over de liefde.

 

Tot slot over de dood

op het moment dat hij je

zijn zwarte spiegel aanreikt.

Begin maar!

 

Maar alsjeblieft, verwissel de dingen niet.

De avond en de lamp,

de liefde met de waaier,

en ten slotte de spiegel, en de dood.

 

Met de avond komt de liefde,

zoals je weet.

Ze klopt, treedt binnen, dimt het licht

en vult de hele nacht.

 

Bij het weggaan fluistert ze

van achter de waaier: Misschien.

 

De dood komt tegen de ochtend,

in de spiegel legt hij duisternis.

Even is het stil,

je hoort je eigen adem

en als je dan in angst opkijkt,

zegt hij: Nee.

 

Jaroslav Seifert

 

Aan deze viering werken mee: Judith Campman, harp

Campuskoor Veelstemmig olv Willibrord Huisman

 

OPENING

 

Lied: Clamavi, uit Psalm 130,

m. Willibrord Huisman

 

De profundis clamavi ad te, Domine. Domine, exaudi vocem meam.

Uit de diepten roep ik tot u, heer. Heer, luister naar mijn stem.

 

Welkom

Graag heet ik u allen welkom in deze herdenkingsviering: partners, kinderen, familieleden, vrienden, collega’s, oud-collega’s, medestudenten – van de overledenen die wij vanavond willen herdenken – leden van het college van bestuur en het koor Campus veelstemmig en onze harpiste Judith Campman, welkom.

Elk jaar houden wij deze herdenking in de Studentenkerk en elk jaar kiezen we een ander thema rond rouw en rond verdriet met ervaringen, emoties, gevoelens die meespelen in ons verdriet – die het kleuren en die het zichtbaar maken. Dit jaar is het thema: monument.

We richten een monument op om de nagedachtenis aan onze dierbare overledenen zichtbaar te maken. Een teken, een symbool dat niet alleen verwijst maar dat ons ook uitnodigt om er soms stil bij te verwijlen. Zoals we bij een graf kunnen staan en denken aan alles wat ons met hem of met haar verbindt en verbonden heeft.

Nu de dood is ingetreden rest ons enkel nog herinnering. Blijven de gedachten, de gevoelens, de emoties. Het inrichten van een graf, of een plek in een muur om de urn te bewaren, het kiezen van een plek in de natuur om de as uit te strooien, het zijn allemaal stappen die het monument markeren. Maar ik denk niet alleen aan grote stenen platen van een graf, niet alleen aan beelden, zoals op voorzijde van dit boekje, ik denk ook aan liederen, aan gedichten, aan foto’s, aan brieven, sieraden, kortom aan alles wat je doet herinneren aan de dierbare overledene. Zoals het lied over de spiegel in het boekje aan het begin.

In de viering lezen we niet alle afgedrukte gedichten – ze zijn om mee te nemen – misschien bieden ze een weinig troost. Dat proberen wij ook met deze viering: gedenken en in de wijze van gedenken met woorden, liederen, en een lichtje elkaar proberen te troosten. Ik wens ons daarom een troostrijke viering.

 

Gedicht: MIJN LEVENDE DODE

 

In mijn verdriet niets dat beweegt

Ik wacht en geen mens komt

Overdag noch ’s nachts

En ook nooit meer wat ik zelf was

 

Mijn ogen zijn gescheiden van jouw ogen

Zij raken hun vertrouwen raken hun licht kwijt

Mijn mond is gescheiden van jouw mond

Mijn mond is gescheiden van het plezier

En van de zin in de liefde en de zin in het leven

Mijn handen zijn gescheiden van jouw hand en

Mijn hand en laten alles los

Mijn voeten zijn gescheiden van jouw voeten

Zij verzetten geen stap er zijn geen wegen meer

Zij kennen mijn gewicht niet meer noch de rust

 

Ik kan mijn leven een einde zien nemen

Samen met het jouwe

Mijn leven in jouw kracht

Die ik oneindig dacht

 

En de toekomst mijn enige hoop is mijn graf

Net als het jouwe omringd door een onverschillige wereld

 

Ik was je zo na dat ik het koud heb bij de anderen.

 

Paul Eluard

 

 

Lied: Leegte van dagen, uit de passie De lastpost

t. Liesbeth Jansen, m. Willibrord Huisman

 

Alles in mij echoot verleden
alles versteent, is af-
gebroken als glas.
En ik haal mijn hart open
aan de leegte van dagen
die een voor een voor een
en geen enkele
zoals het was.

Doof toch de sterren, ontvoer de maan,
want alle licht verwordt tot schaduw
en elke nieuwe droomloze nacht
fluistert wanhopig jouw naam.

 

 

Namen en lichtjes

 

Wij noemen de namen van onze overledenen – en we steken voor elk van hen een lichtje aan. Daarna krijgt u de gelegenheid om ook een lichtje aan te steken voor uw dierbaren

Harpspel: Clair de Lune – Claude Debussy

 

Overweging: Monument

Een bouwwerk in steen, een monument op een kerkhof, een graf – het is een poging, misschien wel een allerlaatste poging om dat wat ons rest van de dierbare overledene bij ons te houden. Begraven in de grond, getekend met een steen, een gedenksteen, of met een ander symbool, afhankelijk van religie, van afkomst, of gemarkeerd met een naam en een datum zoals bij een uitstrooiveld voor de as van de overledene, of op een urnenmuur, met een korte tekst, het zijn allemaal monumenten die het moment van de dood, het moment van sterven en heengaan, en al die momenten die daarna aanbreken, markeren, een plaats proberen te geven.

Zo ontstaat een houvast: de dierbare is niet helemaal weg. Niet voorgoed van de aardbodem verdwenen, opgelost in de wind. Alsof hij of zij nooit heeft bestaan. Het monument is een vorm van materie geworden herinnering. In het moment massief aanwezig als je de plek bezoekt. Als je op het kerkhof voor het graf staat of bij de plek van uitstrooiing. En dan zie je, dan merk je pas, dat je niet alleen bent. Om je heen talloze graven, talloze monumenten, allemaal herinneringen. En op de dag van de doden, de dag dat de doden massaal worden herdacht en de graven worden bezocht en versierd met bloemen, ga je pas beseffen hoe zeer de dood bij het leven hoort. Dat de dood als afsluiting van het leven, als voltooiing vaak, het leven afrondt. Maar die dood komt niet altijd als afsluiting van een voltooid leven. De graven, de monumenten getuigen ervan net als de rouwteksten in de krant.

Plotseling uit ons midden weggerukt…

Na een hevige strijd uit ons midden verdwenen…

Na een lang ziekbed van ons heengegaan in vrede en in stilte…

De dood komt op vele wijzen in ons leven en de monumenten leggen daarvan  getuigenis af. Als je vaker op een begraafplaats komt kun je dat zien. Met het graf, het monument, met de teksten bij de herdenkingsplek markeer je jouw herinneringen aan de dierbare. Daar laat je samen zien, vaak ook na onderling overleg, hoe je graag je dierbare herinnerd wilt zien. Ook bijvoorbeeld met symbolen bij het graf, bij kleine kinderen vaak met speelgoed, een foto op de steen. Of andere symbolen die verwijzen, een bloem, een hart, een duif. In Amsterdam op een graf van een trammachinist, een bord met lijn 9. Twee ringen op de steen bij een huwelijk. De tekst: rust zacht of rust in vrede…op de steen…Op oudere Joodse grafstenen, zoals bijvoorbeeld op het oude kerkhof net buiten Xanten, staat soms een hele beschrijving van het leven van een persoon wat hij of zij betekent heeft voor gezin en gemeenschap…Het zijn allemaal herinneringen in steen gebeiteld, in symbolen verbeeld. Dit was mijn dierbare, hier ligt hij of zij begraven, verstrooid.

Het is het laatste tastbare wat we voor zijn stoffelijk overschot kunnen doen. Velen onder ons weten waarschijnlijk uit ervaring hoe het voelt om na de dood in de dagen erna te moeten nadenken en beslissen over de uitvaart, de teksten, de liederen, de bloemen, de kist. En later over het graf of over de plek van uitstrooiing of plaatsing van de urn. Soms heeft de dierbare dat al lang voor zijn of haar dood kenbaar gemaakt. Maar soms moet alles binnen korte tijd worden gekozen en beslist.

Ik kom wel eens op kerkhoven met oorlogsgraven. Daar heerst vaak eenvormigheid. Voor velen is daar besloten. Zij liggen allemaal in een zelfde soort graven met een zelfde soort monument. Zo eren wij als natie, als land onze doden. En dan zijn er nog de herdenkingsmonumenten zoals bijvoorbeeld op de Dam in Amsterdam of op talloze andere plekken. Nationale dodenherdenking.

Ook in het klein, thuis, in het gezin, in de woonkamer, of de eigen tuin kunnen er monumenten zijn ter herinnering: het fotoalbum, de foto aan de muur. Dierbare erfstukken, de gebruiksvoorwerpen, nu minder maar vroeger vaker, de hoed, de pijp… of de trouwring van je partner, je ouder, of een ander sieraad. In de rouwgroep voor studenten en ook voor medewerkers worden de deelnemers uitgenodigd om deze kostbare kleinoden een keer mee te brengen, om ze aan elkaar te laten zien en erbij te vertellen hoeveel betekenis ze hebben. De as van een dierbare laten verwerken in een tatoeage, de as in een halsketting met je meedragen, het zijn modernere vormen van herinneren. Maar dat is alles aan de buitenkant. Zichtbaar van buiten.

Aan de binnenkant, in onze geest staan er nog veel meer monumenten opgericht. Herinneringen aan vakanties, aan uren, dagen, weken samen doorgebracht. Aan ontberingen samen beleefd, bijvoorbeeld bij een ziekteproces. Herinneringen aan mooie gebeurtenissen, de geboorte van een kind, het huwelijk, het behalen van diploma’s, verjaardagen, feesten soms religieus gekleurd zoals Kerst of Pasen. De monumenten je soms voor de geest halen, ze af en toe beschrijven in een gesprek, of letterlijk op papier in een brief, een dagboek, een tekst, dat kan troostrijk zijn, je dichter bij je verdriet brengen en zo kun je je verdriet leren dragen.

Monumenten – de uiterlijke en de innerlijke zijn zo hulpmiddelen om met je verdriet te leren omgaan. En u weet misschien uit eigen ervaring dat je dit verdriet niet moet wegstoppen, niet moet hinderen als het soms boven wil komen, zich wil uiten. Als de gevoelens en emoties zo sterk zijn dat je moet huilen, uithuilen. Hoe meer je het wegstopt hoe sterker het later boven komt, soms met de kracht van een vulkaanuitbarsting als je het lang hebt weggestopt.  Daarom zijn wij hier ook bij elkaar: om het verdriet te laten zijn. Het mag er zijn, het mag ook bij het monument boven komen: bij de herinneringen die wij hebben en die we met ons meedragen.

Die liefde, die herinneringen hebben we ook zichtbaar gemaakt met lichtjes, met het noemen van de namen, en met deze herdenking.  Ik wens ons veel kracht toe in het leren omgaan met dit verdriet. Veel troost bij elkaar en bij de mensen die van betekenis voor ons zijn.

 

 

Lied: Wat ik gewild heb

t. Huub Oosterhuis, m. Antoine Oomen

 

Wat ik gewild heb

wat ik gedaan heb

wat mij gedaan werd

wat ik misdaan heb

wat ongezegd bleef

wat onverzoend bleef

wat niet gekend werd

wat ongebruikt bleef

al het beschamende

neem het van mij.

En dat ik dit was en geen ander –

dit overschot van stof van de aarde:

dit was mijn liefde.

Hier ben ik.

 

 

Gebed

Leggen wij voor aan de Eeuwige, de Barmhartige waar ons hart vol van is: De dood sluit het leven af. De dood is het einde van het leven. Maar is dat einde definitief – is er geen hoop ná de dood?

Wij geven het leven uit handen, en vaak, wordt het ons uit handen genomen. Wij geven het over in de handen van God, of God neemt het van ons over. Dat spreken wij uit als gelovigen, als mensen die hopen op een voortbestaan na de dood. Een leven in Gods hand. Een metafoor, een hoop die leven doet.

Daarom vragen wij, bidden wij, spreken wij hier uit: Neem ons leven aan, neem onze dierbaren aan, laat hen rusten in Uw licht. De pijn geleden, de strijd gestreden, de ziekte en de dood voorbij. Een toekomst die wij niet in woorden noch in beelden kunnen vatten. Niet kunnen begrijpen met ons menselijk verstand.

Daarom vragen wij, bidden wij, spreken wij hier uit: Sterk ons in ons geloof dat wij elkaar kunnen troosten, bijstaan, dat we voor elkaar van betekenis kunnen zijn in dit leven voordat de dood het definitief overneemt. Dat we elkaar kunnen opvangen als we ernstig ziek worden, en moeten lijden, als geen uitweg mogelijk schijnt.

Daarom vragen wij, bidden wij, spreken wij hier uit: Sterk ons in onze hoop dat wij niet versagen om te blijven werken in deze wereld – dat wij niet opgeven de strijd voor vrede, een einde aan het geweld en aan de oorlogen.

Daarom vragen wij, bidden wij, spreken wij hier uit Wat leeft in de stilte van ons hart.

 

Harpspel: Adagio uit de Mondscheinsonate van Ludwig van Beethoven

 

Gedicht: MISSCHIEN

 

een begrafenislied

 

Misschien ben je echt moe van het huilen,

misschien wil je even slapen- misschien laat

dan de uil niet krassen,

kikvorsen niet kwaken,

vleermuizen niet vliegen.

 

Het zonlicht mag je wimpers niet beroeren,

de koele wind mag niet langs je voorhoofd strijken,

niemand mag jou wakker maken.

Laat een parasol van dennenloof je

beschutten terwijl je slaapt.

 

Misschien hoor je de wormen de aarde omwoelen,

wortels van jonggras water opzuigen,

misschien zijn zulke klanken voor jou

mooier dan vloekende mensenstemmen.

 

Knijp nu je ogen stijf toe,

dan zal ik je laten slapen, ik laat je slapen;

ik zal je zachtjes met gele aarde toedekken

en geld van papier laten neerdwarrelen.

 

Wen Yiduo

 

Lied Pater Noster, Igor Stravinsky, 1926

 

Slotwoord

Het monument afgebeeld op de voorkant van de tekst van deze herdenking is een herkenbaar beeld. De twee geliefden, de omarming, een verlangen misschien naar een weerzien. Dat wat was en er nu niet meer is en het verlangen ernaar…

Zo maakt dit beeld zichtbaar wat belangrijk is in het leven en wat er toe doet – los van alle omstandigheden, van alle bezit en van alle voorkeuren. Mensen die elkaar nodig hebben en die steunen op elkaar.

Aan het einde van deze herdenking wens ik ons allen dit toe: Veel steun, veel troost en veel liefde om elkaar op te vangen, te ondersteunen en te troosten – veel sterkte.

U mag als u dat wilt nog even blijven zitten in de kerk. Hiernaast staat koffie en thee als u nog na wilt praten. De teksten van de viering komen op de site van de Studentenkerk te staan onder vieringen – herdenkingen. Wel thuis en dank dat u hier was.

 

Lied: Korn, das in die Erde

 

Korn, das in die Erde, in den Tod versinkt,

Keim, der aus dem Acker in den Morgen dringt.

Liebe lebt auf, die längst erstorben schien:

Liebe wächst wie Weizen, und ihr Halm ist grün.

 

Über Gottes Liebe brach die Welt den Stab,

Wälzte ihren Felsen vor der Liebe Grab.

Jesus ist tot. Wie sollte er noch fliehn?

Liebe wächst wie Weizen, und ihr Halm ist grün.

 

Im Gestein verloren Gottes Samenkorn,

Unser Herz gefangen in Gestrüpp und Dorn –

Hin ging die Nacht, der dritte Tag erschien:

Liebe wächst wie Weizen, und ihr Halm ist grün.

 

Wij gaan in stilte naar buiten – u kunt nog in de kerk blijven als u dat wilt. Koffie en thee staan klaar in de ontmoetingsruimte.

 

WOESTENIJ

Buiten ons sterven de dingen.

 

Uit de nacht hoor je waar je ook gaat een fluistering

Bijna komen uit de straten die je niet betrad,

Uit de huizen die je niet binnenging,

Uit de ramen die je niet opende,

Uit de rivieren die je niet naderde in dorst,

Uit de schepen die je niet bevoer,

 

Buiten ons sterven de bomen die we niet leerden kennen.

 

De wind gaat door kaalgeslagen bossen.

De dieren sterven uit naamloosheid, en uit stilte de vogels.

 

De lichamen sterven gaandeweg uit verlatenheid.

Samen met onze oude kleren in de linnenkast.

De handen sterven die we niet aanraakten, uit eenzaamheid.

De dromen, die we niet zagen, uit gebrek aan licht.

 

Buiten ons begint de woestenij van de dood.

Themelis

 

Zelfportret in zwarte lijst

 

De verte lijkt vandaag zo vol

alsof alles van mij wijkt.

Alleen de zon blijft in zijn rol

en vult het veld met gouden rijp.

 

Daar zie ik al mijn doden

jou weer vorm en schaduw krijgen

al is zoiets mij vaak verboden –

men moet hier realistisch blijven.

 

Wat mis ik je toch, lieveling.

Als vijf jaar staat elk uurwerk stil

als een kapot en zinloos ding.

Soms hoor ik in de nacht gegil

 

en elke keer ben ik het zelf.

Dan sta ik op en zie het zwarte veld

en ruik het in de haard verkoolde hout.

En heb je lief, nog steeds, en heb het koud.

 

Pieter Boskma

 

 20170726_123753

 

 

Herdenking overledenen 6 november 2017

Thema: “Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven”

 

Omslag

Nu deze eerste dag van een nieuw jaar,

nu zonder haar.

Strijklicht grijpt het bevroren land.

Het is niet waar dat zij daar in de diepte ligt,

dat zij is weggedaan in een besneeuwde stee

van een bij twee. Maar het is waar.

Wij slijpen haar in steen, wij kerven

in het hout haar naam, wij schrijven

tegen beter weten in haar taal; ik

spreek haar stiekem toe. IJdele onzin,

valse vlijt. Een plaats. En het besef dat zij

zich niet meer uitbreidt in mijn tijd.

 

Anna Enquist, ‘Omslag’, uit: De tussentijd. Gedichten (Amsterdam, 2004)

Opening

  • Lied: Clamavi, uit Psalm 130    (m. Willibrord Huisman)

 

De profundis clamavi ad te, Domine.

Domine, exaudi vocem meam.

Uit de diepten roep ik tot u, Heer.

Heer, luister naar mijn stem.

 

  • Welkom

Beste mensen, graag heet ik u allen welkom in deze viering, de herdenking van onze geliefde dierbaren, ontvallen aan de dood, soms na een lang of kort ziekbed, soms plotseling, van de ene dag op de andere. Die ervaringen kleuren ons verdriet, ze kleuren ons leven, ze drukken hun stempel op wat we doen en wat we denken, hoe we ons voelen en hoe we in het leven staan.

Wat is er na deze dood, hoe gaat ons leven verder, en wat betekent deze dood voor ons. Deze vragen staan straks centraal in de overweging die ingaat op het thema dat ik aan deze bijeenkomst heb gegeven: Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven, woorden uit een gedicht van Vasalis, bij het verlies van een kind.

Ook vandaag zijn er ouders in ons midden, ouders, broers, zussen, familieleden,  vrienden en vriendinnen die een jong iemand, een kind, een klasgenoot, studiegenoot zijn verloren. Hierbij stil staan, ruimte geven aan je verdriet valt niet mee. De wonden zijn nog te vers. De pijn is nog te schrijnend. Maar ook als je samen een leven hebt gedeeld als partner, als kind van een van je ouders, kan het gemis heel groot zijn en de pijn hartverscheurend. Vandaag benoemen we niet elke pijn, elk verdriet, we geven slechts een richting aan, een duiding hoe verder na deze ervaringen. Ik wens ons veel sterkte deze komende 45 minuten. Straks zal ik u ook uitnodigen om een lichtje aan te steken voor uw dierbare, als wij alle namen hebben genoemd.

 

Muzikaal intermezzo: Siciliano en Minuetto uit Sonata III van De Fesch

 

  • Gedicht: Kind

Er was een lichte warmte boven zijn gezicht,

als van de aarde ’s avonds als de zon verdween.

En als de wind in een gordijn, ging licht

zijn adem in en uit zijn lippen heen…

Hij was het leven, zichtbaar bijna zonder schaal

en niets dan leven, tot de rand geschonken

en zonder smet of schaduw neergezonken

en opgestegen in de broze bokaal.

Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven

en hoe toegankelijk voor zijn eb en vloed…

Hoe licht en stil en schoon is met de dood

hij op het lege strand alleen gebleven.

Vasalis, ‘Kind’, uit: De vogel Phoenix

 

  • Lied: Leegte van dagen, uit de passie De lastpost

(t. Liesbeth Jansen; m. Willibrord Huisman)

 

Alles in mij echoot verleden
alles versteent, is af-
gebroken als glas.
En ik haal mijn hart open
aan de leegte van dagen
die een voor een voor een
en geen enkele
zoals het was.

Doof toch de sterren, ontvoer de maan,
want alle licht verwordt tot schaduw
en elke nieuwe droomloze nacht
fluistert wanhopig jouw naam.

 

 

  • Overweging: Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven

Een vrouw, Liv Kortina, beschrijft het proces van afscheid nemen van haar man in een indrukwekkende tekst: Met zwarte vleugelslag – Aantekeningen over leven en dood.  Als motto staat erboven: “alleen wat je geeft is echt van jou; wat je behoudt, dat is verloren”

Liv Kortina schrijft, ik citeer: “Vele maanden voor deze donkerste dagen in mijn leven heb ik deze zinnen in mijn dagboek gezet. Het was het enige, waaraan ik nog enig houvast had: als het zover zou zijn – en het kon bij deze eigenaardige ziekte elke dag, elk uur, elke minuut heel plotseling gebeuren, zo hadden de artsen mij verteld – als het zover zou zijn, moesten alle mensen, die je gekend hadden, weten, wat jij voor mij betekende.

Vele maanden voor deze donkere dagen heb ik geprobeerd  mij voor te stellen, of ik mijn man zou overleven. Ontelbare keren stond ik, verlamd van pijn en verdriet, aan je open graf, honderden mensen om mij heen. Zij allen zouden mij de hand reiken en een paar woorden fluisteren, en misschien kon ik mij aan hun handen vasthouden, misschien zouden de blikken van de vrienden me zeggen, dat je verder zou leven, in hen, onder ons. Honderden keren had ik mij voorgesteld, om te harden, om de shock voor te zijn, als op een avond de bel zou gaan aan de deur. Niet drie keer kort achter elkaar. Slechts een keer. En dan zou ik weten, wie het was. Een vreemde. Een vreemde, die mij jouw dood in huis zou brengen, met onomstotelijke ambtelijke woorden. Als het toch maar een vriend zou zijn, een vriend van jou, die mij het bericht zou brengen. Dan kon ik hem overreden om te zwijgen.”

Zover dit begin van deze tekst van Kortina. Zij kijkt terug op wat er is gebeurd, die afgelopen jaren, toen haar man ziek werd, en het einde in zicht kwam. Ze heeft hem niet met de waarheid geconfronteerd die zij van de dokters vernam, uit angst dat hij dan eerder zou sterven. Nu is hij dood. Zijn leven had geen doorgang meer, er was geen nieuwe dag.

Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven?

Voor wie geldt deze vraag, of op wie slaat dit thema? Op de tijd voor de dood van onze dierbare? Op de overledene, de dierbare man, vrouw, partner, vader, moeder, of zoon, dochter die ontvallen is aan de dood?  De dierbare vriend, vriendin, collega, klasgenoot, die de dood is komen halen – geen macht die hem kon tegenhouden? Omdat de ziekte te sterk, de afloop te definitief vast staat, of het ongeluk te plotseling plaatsvond, de gevoelens van neerslachtigheid te groot en te overmachtig? Of slaat het thema misschien toch meer op ons zelf,  wij die achter bleven en trachten op te staan,  het graf achter ons te laten,  het leven weer op te pakken na alles wat er is gebeurd? Misschien slaat het wel op ons beiden: Op de tijd voor de dood van onze dierbare geliefde, onze geliefde dode en op onszelf. En het mag op ons beiden slaan.  Omdat de doorgang soms versperd lijkt en soms weer open. Een emotionele achtbaan waar je in terecht komt na de dood, en soms al lang daarvoor, als je dierbare dode, je geliefde mens, moet lijden, afzien, wetende dat de dood wacht. Of als je met elkaar heel veel meemaakt, doormaakt, hoopt op betere tijden, maar er gloort geen hoop aan de horizon. Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven?

Hoe wijd is nog de doorgang tot het leven voor ons, zoals wij hier bij elkaar zitten? Ieder van ons met zijn eigen geschiedenis, zijn / haar eigen ervaringen aan pijn en verdriet. Geen enkel afscheid is gemakkelijk als de dood zich heeft aangemeld. Geen enkel woord, gebaar valt licht, als de dood uiteindelijk aan de deuren klopt. Niet na  een lang ziekbed, ook al is hij verwacht, of als hij onverwacht komt na een verkeersongeluk of een plotseling ongeval.  Of als iemand sterft door de hand van iemand anders.  Een onverwachte dood, een gebeurtenis die binnenkomt bij de nabestaanden,  het gezin, familie, vrienden als een donderslag bij heldere hemel.

Daarom is het goed dat wij hier bij elkaar zijn, woorden van verdriet, woorden van troost proberen te delen, uitwisselen, elkaar aanreiken. Misschien kunnen ze ons dragen, in de dagen, de uren, de maanden en de jaren waarin wij zoeken naar een doorgang, een weg in en naar nieuw leven. Leven na deze ervaringen van de dood van onze dierbare. Daarom is het ook goed om lichtjes aan te steken, om de namen te noemen van onze dierbaren, om met elkaar een lied, woord en gebaar te delen, de stilte te ervaren waarin wij achterbleven. De stilte die ons kan louteren als wij houvast zoeken bij elkaar. Naar elkaar mogen luisteren in onze gezinnen, families, vriendenkring. Elkaar mogen ondersteunen – vasthouden – af en toe knuffelen, omhelzen, om de koude tegen te gaan die in onze harten waait. Dat alles zijn doorgangen tot het leven. Misschien niet zo wijd, maar toch, ook een smalle weg leidt ergens toe – misschien zelfs naar onvermoede hoogtes.

Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven?

Wat is wijd, wat is doorgang, wat is leven: wij zijn het zelf. Wij zijn het die elkaar kunnen vasthouden en troosten, wij zijn zelf het wijde, in ons gedrag, wij zijn zelf de doorgang als wij luisteren naar het verdriet van een ander, van elkaar, wij zijn zelf het leven als wij ons durven toewijden aan de ander – in welke moeilijke omstandigheden deze dan ook verkeert.  Misschien is dat het grote geheim waarover Jezus sprak toen hij zei: ik ben de weg, de waarheid en het leven. Een leven in toewijding, aan God, aan alles wat er toe doet. De medemens, bereikbaar en aan toegewijd via de liefde. Via aandacht en respect, oor en oog hebben voor wat deze nodig heeft. Toewijding, het woordje wijd zit er midden in. Toewijding aan de ander. Wijd zijn voor de ander, voor zijn en haar noden en verdriet. Niet eng en opgesloten in jezelf, alleen maar bezig met wat jij belangrijk vindt. Ook verdriet dat je bij jezelf houdt, dat je niet deelt, dat naar binnen slaat, kan je verwoesten, kan je opsluiten in een gevangenis, kan je kapot maken.

Ook hier geldt dat delen, je hart laten stromen, je verdriet tonen, wonderen kan doen. Misschien niet meteen, niet als een medicijn, zodat je weinig of niks meer voelt. Maar op de duur kan het je gaan dragen, geeft gedeeld verdriet je nieuwe vleugels om weer uit te vliegen. Niet voor niets staat dit motto boven Kortina’s tekst:  “alleen wat je geeft is echt van jou; wat je behoudt, dat is verloren.”  Pas in die momenten die er toe doen worden deze woorden waarheid,  pas als de nood hoog is, is de redding nabij als mensen zich durven toe te wijden. Zich durven geven.  Daarom hoop ik dat wij door deze dood van onze geliefden,  leren dat onze kracht zit in geven,  dat onze liefde zit in toewijding,  en dat de doorgang naar het leven open blijft. Daarom wens ik ons heel veel inspiratie toe, en heel veel innerlijke kracht om  het verlies te leren dragen en de deuren naar elkaar open te houden.

 

Namen en Lichtjes

We noemen de namen van alle overledenen van afgelopen jaar en steken bij elke naam een lichtje aan. Als wij alle namen hebben genoemd krijgt u de gelegenheid om een lichtje aan te steken.

Muzikaal intermezzo: 2 Largos uit Sonata III van Vivaldi

 

  • Lied: Wat ik gewild heb

(t. Huub Oosterhuis; m. Antoine Oomen)

Wat ik gewild heb

wat ik gedaan heb

wat mij gedaan werd

wat ik misdaan heb

 

wat ongezegd bleef

wat onverzoend bleef

wat niet gekend werd

wat ongebruikt bleef

 

al het beschamende

neem het van mij.

En dat ik dit was en geen ander –

dit overschot van stof van de aarde:

dit was mijn liefde.

 

Hier ben ik.

 

  • Gebed

Wir allen fallen. Diese Hand da fällt.

Und sieh dir andre an: es ist in allen.

 

Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen

Unendlich sanft in seinen Händen hält.

R. M. Rilke Herbstgedicht (Buch der Bilder)

 

 

Wij allen vallen. Deze hand daar valt.

En kijk naar anderen: het is in allen.

 

En toch is er een, die dit vallen

oneindig zacht in zijn handen houdt.

 

Rainer Maria Rilke die dit schreef – schreef over God, zonder zijn naam te noemen. Vallen in Gods hand, wij allen vallen in Gods hand, zo was zijn overtuiging.  Het is een metafoor, een manier van uitdrukken, een wijze van spreken. Ook al ben je niet gelovig, speelt God geen rol in je leven, dan nog kan het idee dat je leven niet vergeefs, je dood niet voor niks, je inzet niet voor niets is geweest, troosten, dat er op het einde een opvangen is, een thuiskomen.

Daarom bidden wij:

Vang ons op – laat ons niet vallen – dat wij steun mogen blijven ontvangen van de mensen om ons heen, dat wij mogen rusten in handen die ons met liefde omgeven, in elkaars nabijheid, in elkaars koestering. Hier in dit leven als ons leven voorbij is, als de dood aan onze deuren klopt. Geef ons die kracht, geef ons de hoop en de moed om niet te vertwijfelen, Om het verdriet te leren dragen en elkaar tot steun te zijn. Amen.

 

 

  • Lied: Maar in mijn hart

(t. Liesbeth Jansen; m. Willibrord Huisman)

Zie mij

Zie mij staan hier zonder jou.

 

En het water stijgt – hoger dan mijn mond.

En mijn voeten hoe ze zoeken – vinden geen grond.

 

Maar in mijn hart groeit een roepen,

groeit een willen, groeit een wachten.

In mijn hart daar groeit een weten:

waar ik ben, daar ook ben jij.

 

En als ik wankel, als ik val,

als ik onderga in vragen,

weet ik jij, je zult me dragen.

Jij die was en bent en steeds zal zijn,

zoveel groter dan dit hart van mij.

 

  • Gedicht:

Misschien in het dorstige, donkere, haastige

verbrokkelen van de dag

ben je langzaam veranderd in iets anders,

in iets wat aan je grenst,

niet jij.

 

Je komt niet

tot jezelf terug

als je tastend terugkeert

naar het lichaam dat je had,

naar de plek waar tot in het wit

van de droom het metaal

van de liefde schroeide.

 

Leg neer je aangezicht

dat je nu niet meer kent.

 

Laat je woorden vluchten,

bevrijd ze van jou

en stap traag,

onheuglijk en blind,

onder de vergulde boog

die de weidse herfst daarboven spant

als laatste eer aan de schaduwen.

 

José Angel Valente

 

Muzikaal intermezzo: “Falling Leaves” van Kathy Blackwell

 

  • Slotwoord met gedicht:

In memoriam

 

Met iedere mens van mijn jonge jaren

die uit het licht valt, sterf ik mee.

Mijn voorhoofd wordt door koude aangevaren

en in mijn ogen verzamelt zich sneeuw.

 

Blindelings tast ik naar de verloren

warmte en voel overal graniet.

Een stem die ik had willen horen,

waait ergens hoog over mij heen.

 

Voetsporen breken af. Een onbegaanbare

nawereld opent haar woestenij.

Sterren beginnen in mij te staren,

brandpunten van verlatenheid.

 

Geen schepsel sterft zo volstrekt als een mens.

Leven en dood gaan met hem te gronde.

Van alle windstreken afgewend,

hangt zijn herinnering in de ronde

ledigheid van het niet.

Waar ik mij keer,

adem ik duisternis, onbewogen

raadsels. Er bestaan geen woorden meer

om deze stilte te herhalen.

 

Maurits Mok

 

Er bestaan geen woorden meer om deze stilte te herhalen. Maar wij hebben wel gebaren, we hebben mogelijkheden om dit verdriet te tonen en elkaar te troosten, in het leven dat is aangebroken na deze dood. Daarover ging het vandaag: over onze pijn, ons gemis en over onze kansen. Over de mogelijkheid om in dit verdriet elkaar nabij te zijn. Graag dank ik u allen voor uw aanwezigheid, het koor en de muzikanten voor hun bijdrage. Er is koffie en thee en gelegenheid om na te praten. De teksten van deze viering staan vermeld op onze website. Ik wens ons een goede thuiskomst en veel sterkte de komende tijd nu de dagen donker zijn en de feestdagen aan breken. Alle goeds.

 

  • Lied: Clamavi, uit Psalm 130

(m. Willibrord Huisman)

 

De profundis clamavi ad te, Domine.

Domine, exaudi vocem meam.

Uit de diepten roep ik tot u, Heer.

Heer, luister naar mijn stem.

 

Aan deze viering werkten mee:

Sophia Marquardt (Cello) en Laura Hartmann (piano).

Campuskoor Veelstemmig olv Willibrord Huisman

Lector: Lieke

Links: Including authors, info, translation, score, recordings:

http://www.willibrordhuisman.nl/composities/clamavi

http://www.delastpost.nl/alleliederen/leegtevandagen.htm

http://www.campuskoorveelstemmig.nl/_/watikgewildheb

http://www.delastpost.nl/alleliederen/maarinmijnhart.htm

 

De val

 

We kruisten de Styx.

De veerman lag dronken in zijn schip.

Ik hield het roer en we zonken als stenen.

Water bestaat als de aarde

in lagen, transparante linten, glanzende strata

van steeds kleiner leven, minder warmte.

In je haren bloeiden luchtbellen,

de stroom trok je hoofd naar achter

en streelde je hals.

Stenen wuifden met armen van algen en varens,

zongen zachtjes gorgelend ‘vrede’.

Ze sneden je kleren los.

Vissen likten het bloed van je benen.

Ik hield je hand vast. Ik wilde je troosten

maar we vielen te snel en er zijn geen woorden

die zonder lucht bestaan, mijn liefde

bleef boven, blauwe ballonnen, bakens voor even,

de plaats markerend van het ongeluk

voordat ze verder dreven. Je mond ging open.

Je gezicht werd rood, je handen zochten

evenwicht, zochten mijn armen.

Je probeerde in me omhoog te klimmen.

Je was een glasblazer met een wolk van diamanten

aan zijn mond. Ik hield je vast als een katje.

Ik aaide je vingers.

Je liet niet los.

Je sliep en ik aaide je vingers, liet los.

 

Esther Jansma, ‘De val’, uit: Hier is de tijd. Gedichten (Amsterdam, Antwerpen: De Arbeiderspers, 1998)

 

El Fulgor (14)

Illustratie uit El Fulgor van José Angel Valent