Galimberti, Umberto, Mythen van onze tijd. De mens in het tijdperk van vooruitgang en techniek, Amsterdam 2011 (Ambo), pag. 207-211
De fenomenologische blik op de afgrond van de depressie
Volgens Emanuele Severino staat aan het begin van het mensdom misschien niet de haard waaromheen de psychologie zichzelf heeft geconstrueerd. Voordat de haard de plaats werd van klagende en troostende verhalen, riep de schreeuw mensen ten prooi aan angst bij elkaar. Over deze schreeuw en alles eromheen gaan de pagina’s over de verschillende vormen van depressie in Malinconia, een boek waarin Eugenio Borgna het uiteenvallen van de geest bekijkt met de blik van een arts. Maar eerst richt hij zijn blik op het incoherente aspect van taal waarin elke betekenis verloren is gegaan en de schreeuw zich slechts kan voordoen als wanhoop van de taal. Een depressie bestrijden met geneesmiddelen betekent dat we een depressief iemand de woorden afnemen en dat we onszelf beletten om zijn waarheid te begrijpen. De waarheid is namelijk dat alle woorden terugdeinzen naar het ongearticuleerde waar het hoogtepunt nog slechts de schreeuw is, een doorbreking van het ondoorzichtige, dikke, massieve pantser van de stilte dat de eenzaamheid van de melancholie omhult.
De psychiatrische wetenschap is doodsbang voor de stilte van de depressie. Ze richt zich steeds meer op de farmacologische therapie, daarin gesterkt door verwachtingen van het gezin dat al lang niet meer met het depressieve familielid spreekt. In plaats van de stilte tot woorden te brengen, wat depressieve mensen verwachten, vermijdt de farmacologische therapie de stilte te doorbreken en te proberen de stille schreeuw te bereiken. En die schreeuw is stil omdat er geen luisterend oor meer is dat hem kan horen.
Zo wordt de stilte rumoerig en gaat de depressie spreken, niet met onze woorden van totale euforie en vergeefse troost, maar met erupties die op opengescheurde wonden lijken waarvan het lichaam weet dat ze dodelijk zijn.
Dan begint het thema van de dood, de absolute stilte te spreken met de rustige toon van degene die elk levenslot in eigen handen heeft. Afgelopen is het wilde kabaal waarmee we dagelijks proberen onze ziel te verliezen. Een kabaal dat een parodie is op de schreeuw die uit de diepte van de depressie voortkomt. De oren sluiten heeft geen zin. Als we iets willen begrijpen van ons bestaan, kunnen we niet het zwijgen opleggen aan de schreeuw waaromheen zich het eerste teken vormt waarin we een mens herkennen in de woestijn der dingen.
Op de plaats van het woord komt prozac of de nieuwere generatie antidepressiva die het trieste hart tot woestijn maken en niet genezen. Het volstaat om de kuur te onderbreken en de woestijn komt dwangmatiger en met nog meer aandrang terug. Dan breidt ze zich uit, vanuit het zwijgende heden van iemand die depressief is en vlucht voor elke gebeurtenis die niet leefbaar is, naar het verleden dat alles tot woestijn heeft gemaakt; liefdes die geen wortel hebben geschoten, creativiteit die bij haar ontstaan is gesmoord, herinneringen die nergens bij passen; een gefragmenteerde eenzaamheid waar het identieke uitdrukkingloze onbeweeglijkheid wordt en het andere gezicht van de waarheid aanneemt: dat van de onbeduidendheid van het bestaan.
We kunnen niet van wanhoop spreken, want de ziel van wie depressief is, heeft geen enkel spoor van hoop meer. En de woorden die zinspelen op hoop, de woorden van iedereen die min of meer oprecht is, de woorden die ons niet geruststellen, die aandringen, die beloven, die willen genezen, die woorden kwijnen weg bij een depressief iemand als dwaas lawaai; een lawaai dat de anderen, de mensen die niet depressief zijn, elke dag met elkaar delen, om telkens weer het zwijgen op te leggen aan de waarheid die depressieve mensen uitschreeuwen.
Men moet de moed hebben om ook de onbeduidendheid van het bestaan tot het uiterste te ervaren om opgewassen te zijn tegen een dialoog met een depressief iemand. Alleen door zich te blijven bewegen rond diens waarheid, die uiteindelijk de waarheid is die iedereen liever niet wil voelen, kan communicatie beginnen.
Een riskante communicatie, niet omdat ze ons in een depressie kan trekken, maar omdat ze onze onoprechtheid kan verraden. Depressieve mensen zijn gevoelig voor een gezicht dat het woord loochent. Hun stilte ontmaskert leugenachtigheid en inconsistentie. Om deze reden hebben depressieve mensen strakke, verstijfde gezichten. Ze kennen de waarheid van het bestaan met alle bijbehorende pijn en spelen geen dubbelspel met het woord dat lichtzinnig danst op de dwaasheid van het leven. Of dat, zeer betrokken, zinvorming aanduidt, ver weg aan de grenzen van de woestijn. Wie depressief is, weet dat de grens, net als de horizon, altijd verder ligt dan dat wat zich keer op keer voordoet als grens of horizon. Wie depressief is, weet dat er geen geluk is in de opeenvolging van dagen, dat de zon die ondergaat dezelfde is als de zon die opkomt en dat in die perfecte uitgetekende cirkel van terugkeer het plan zal sneuvelen dat op een dag opkwam om een zin voor het leven te vinden.
De onzichtbare harmonie van de cirkel die zichzelf herhaalt, stopt elk luidruchtig binnendringen van gevoelens die door antidepressiepillen, helemaal los van de wortels van de pijn, moeten worden hersteld als een soort algemene euforie. De blik van steen van wie depressief is, ziet te veel leugenachtigheid in de toediening van de pillen en bovenal in de blik van degenen die de pillen aanbieden: een blik die te veel verlangen verraadt om de duisternis van de stilte te willen begraven, te veel de hoop uitstraalt om de wanhoop te willen vernietigen.
En vandaar dit advies aan degenen die onvermoeibaar volhouden dat het ‘gelukspilletje’ effectief is en aan degenen die gefascineerd zijn door de zeer onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de ziel kan worden veranderd door een scheikundige gebeurtenis: doe niet overhaast afstand van het woord en het luisteren. Want wie depressief is, spreekt een waarheid die wij met ons eufore leven elke dag begraven met onze oppervlakkige vreugde.
Voor een depressief iemand is de waarheid dat het leven ook pijn is. En pijn wordt erger als niet naar het hart wordt geluisterd. De eerste functie van antidepressiva is ons hart definitief het zwijgen op te leggen: de zekerste manier om geen dialoog aan te gaan, niet met ons diepere zelf en niet met anderen.
Laten we de blik van steen van mensen die depressief zijn niet kunstmatig opvrolijken. Hun farmacologische vreugde overtuigt niet, sterker nog, die is zelfs verontrustender dan hun stilte. Depressieve mensen geloven ons in wezen niet en wij geloven onszelf uiteindelijk ook niet. Met antidepressiva geven we hun niet hun levensvreugde terug. We hebben alleen maar een kordate manier gevonden om niet met hen in dialoog te treden. Anders dan pillen beschikt de dialoog alleen over woorden, maar woorden worden krachtig als ze niet slechts worden gezegd, maar ook gehoord.
Luisteren is niet ‘zijn oor te luisteren leggen’, het is zich door het woord van de ander laten leiden naar waar dat woord heen voert. Als er echter in plaats van het woord de stilte van de ander is, dan laten we ons leiden door die stilte. Op de plaats die door deze stilte wordt aangewezen, kan iemand die een scherpe blik heeft en de pijn in het gezicht durft te kijken, de waarheid vinden die door ons hart wordt gevoeld en door onze woorden wordt begraven.
Deze waarheid kondigt zich aan in het gezicht van steen van degene die depressief is en ze zwijgt om niet te worden verward met al die andere woorden. Woorden die verloren zijn voor de diepere zin van ons bestaan dat we elke dag proberen te ontlopen, verstopt achter onze maskers waarop banaliteit, dikke lagen geluk en gespeelde euforie geschilderd zijn.
Het scenario van de depressie is goed beschreven door Kay Redfield Jamison, een psychiater die leed aan een vorm van ‘bipolaire stoornis’ waarbij depressieve fasen en manische, euforische fasen elkaar afwisselen. Haar woorden zijn belangrijk, niet omdat ze van een deskundige psychiater zijn, maar omdat ze voortkomen uit haar cyclothyme stoornis. Haar depressie en manie vertellen in hun tragische, ritmische afwisseling als nacht en dag over het meedogenloze ritme van de tijd, een ritme dat de Grieken de ‘cyclische tijd’ noemden.
Dat is een tijd, schrijft Kay Jamison, waarin ‘glorieuze gemoedstoestanden je laten dansen, de hele nacht door tot aan het ochtendgloren, of je aanzetten om je te bevrijden, dwars door de hemel vol sterren te gaan en te dansen op de ringen van Saturnus’. Deze toestanden worden gevolgd door toestanden die zo depressief zijn dat ze ‘ideeën vervormen, vreselijk gedrag oproepen, de basis van het rationele denken verwoesten en maar al te vaak het verlangen en de wil om te leven ondermijnen’.
…Kay wil de extreme woestijn aan de horizon niet als haar eigen grens zien en geeft zich in haar manische staat over aan de onmiddellijkheid van het nu, dat tot maximale horizon van haar contact met de wereld is verheven. Een euforisch contact omdat het in het teken staat van het absolute en continu nieuwe. Maar ook een oppervlakkig contact omdat het moment geen plaats en geen tijd heeft voor de uitwijdingen van iemands levensverhaal of voor de continue betekenissen die dingen gewoonlijk met zich meedragen. Iedereen die regelmatig met dingen te maken heeft, belast ze immers met een betekenisinhoud die, uiteindelijk, de nagalm is van levenservaring.
De manische manier om in de wereld te zijn zet de deur op een kier voor een vrolijkheid waarin elke dag de overwinning van het instinct op dwang en verdringing wordt gevierd. Deze vrolijkheid neigt ernaar elk soort probleem ver van zich af te gooien, of het nu om een logisch of een reëel probleem gaat, in een geëxalteerd optimisme waarin Kay in haar manische toestanden groot wordt en de wereld klein.
Beroofd als ze is van tijd, kan Kay niet nadenken en communiceren. Haar taal wordt een woordenspel dat zich in het ruimere spel voegt dat haar hele bestaansstructuur doordringt. Haar bestaan is niet meer in staat om de momenten van de tijd samen te voegen tot een continuïteit. Zonder die continuïteit blijft iemand contourloos en gespeend van de eenheid van gevoel die door die continuïteit wordt uitgedrukt.
Hierbij komt de ideeënvlucht die als symptoom van manie misschien het meest in het oog springt en waarschijnlijk ook het minst vermijdbaar is. Ideeën presenteren zich immers buiten elke biografische samenhang. Vandaar het optimisme van Kay, die geen last heeft van tijdrovende constructies, omdat alle samenstellende elementen immers ontbonden zijn. Deze ontbinding is geen oplossing, Kay beleeft erin de vrijheid van een ongeremde gedachteloosheid zonder ook maar een beetje eerbied in haar exuberante, zelfs geëxalteerde hyperactiviteit. Maar dat gaat bijna altijd gepaard met een oppervlakkige stemming die door niets problematisch wordt overschaduwd, noch onderdrukt. Want het extensieve wint van het intensieve. De opening, de ontdekking, de verwijding wint van de diepgang, van wortelschieten en van betekenis geven. De afwezigheid van diepgang houdt Kay vast in een oppervlakkig ‘hier’, dat makkelijk wordt verlaten voor een onbepaald ‘overal’.
Bij iemand die depressief is heeft activiteit zelfs moeite om verwachting te worden, maar bij iemand die manisch is wordt activiteit een leeg ‘mouwen opstropen’ in een wereld waarin eigenlijk niets te doen valt. Kay bezit immers al de wereld die ze wil bezitten, zonder het geringste spoor van tegenstrijdigheid. Dit alles heeft zijn weerslag op het sociale niveau waar de grenzeloos openhartige Kay nooit iemand tegenkomt, maar slechts ‘iedereen-en-niemand-het-doet-er-niettoe-wie’ met wie het onmogelijk is authentieke relaties aan te gaan.
Hierdoor overtuigt het ogenschijnlijke gemak waarmee Kay socialiseert niet. Al te vaak zijn de betrekkingen die ze aangaat louter gejubel zonder verhaal, totdat onverwacht het zwarte licht van de depressie binnenvalt waardoor Kay ‘in het niets van een universum zonder wanden [ wordt gegooid], [ … ] in een vreselijke toestand dicht bij de dood en ver weg van elk toevluchtsoord’.
Er is slechts euforie en troosteloosheid volgens het meetkundige ritme van de eeuwige herhaling, door Kay opgeschreven zonder een enkele beperking van de taal. Want wie het leven kent in zijn beperkte toestand, vindt ook woorden die opgewassen zijn tegen een blik die de ogen niet sluit voor pijn.
Galimberti, Umberto, Mythen van onze tijd. De mens in het tijdperk van vooruitgang en techniek, Amsterdam 2011 (Ambo), pag. 207-211
