Gedichten rond de dood 17

Encontro

Do meu encontro vivo com as cousas
Humildes da Natura, nascem almas,
Aparições divinas,
Que, abstractas, me contemplam, não sei donde,
Não sei de que lugar desconhecido
E fora deste espaço em que aparecem
As árvores e os penedos.

Vejo espectros, imagens do Mistério,
Quiméricas figuras,
Perfis de lume impressos no crepúsculo,
Como sinais de agoiro. . .

Perfis de palidez alvorecendo ao longe,
E tristezas que são retratos esvaídos,
De ignotas Divindades. . .
Estátuas do silêncio e da melancolia,
Na solidão dos montes. . .
Atitudes da Esfinge no deserto,
A sombra das Pirâmides ao sol,
E Platão arrastando a túnica de luz,
Entre os padres do Egipto, hieráticos e tristes,
Vestidos de poeira e de penumbras mortas,
Nos templos de luar e empedernidas nuvens. . .

Vejo, diante de mim, quiméricas presenças,
Horizontes de sonho que me cingem
Num doloroso abraço! Escuras aves
Que me pousam na fronte anoitecida,
E ventos que me levam através
De névoas e relâmpagos. . .
E, já perdido e morto, não sou mais
Que uma aparência humana,
Boiando sobre as ondas da emoção
Que brotam, cá de dentro, como sangue
Duma ferida aberta. . .
E vou à flor das ondas que se espraiam
Em litorais de neve e branca espuma,
Em distâncias azuis de claridade infinda,
E no vago nocturno em que as estrelas
Afloram, como risos do demónio. . .

Flutuo num sonho aéreo,
Em alturas de místico esplendor,
Onde abre o lírio branco do luar.

Flutuo num sonho aéreo, em que me vejo
Um ser indefinido. . . A noite imensa,
Que estende sobre mim as negras asas,
Não me pode esconder. A minha face,
Erguida para além da escuridão,
Contempla a Luz divina./pre>

1925, Teixeira de Pascoaes
From: Cânticos
Publisher: Assírio & Alvim, Lisbon


ENCOUNTER

My living encounter with the humble
Things of Nature gives birth to souls,
Divine apparitions,
Which abstractly behold me from I don’t know where,
From I don’t know what unfamiliar place
Outside this space
In which trees and rocks appear.

I see specters, images of Mystery,
Fantastical figures,
Glowing outlines imprinted on the dusk,
Like so many omens. . .

Outlines of pallor emerging in the distance,
And sorrows that are fading portraits
Of unknown Divinities. . .
Statues of silence and melancholy
In the solitude of the hills. . .
Sphinxian postures in the desert,
The shadows of the Pyramids in the sun,
And Plato dragging his tunic of light
Among Egypt’s sad and solemn priests
Wearing vestments of dust and dead penumbras,
In temples of moonlight and petrified clouds. . .

I see before me fantastical presences,
Dreamed horizons that gird me
In a painful embrace! Dark birds that alight
On my brow, where night has fallen,
And winds that carry me through
Mists and lightning. . .
Already lost and dead, I’m no more
Than a human appearance,
Floating over the waves of emotion
That surge inside me like blood
From an open wound. . .
And I ride the waves, which spread
Over shores of snow and white foam,
In blue distances of endless clarity,
And in the nocturnal vagueness where stars
Emerge, like smiles of the devil. . .

I float on a lofty dream,
In heights of mystic splendor,
Where the white lily of moonlight opens.

I float on a lofty dream, in which I see
Myself as an indefinite being. . . The vast night,
Spreading over me its black wings,
Cannot hide me. My face,
Risen above the darkness,
Contemplates the divine Moon.

Translation: 2005, Richard Zenith


Ontmoeting

Uit mijn levende ontmoeting met de nederige dingen van de natuur worden zielen geboren,
goddelijke verschijningen,
die mij abstract beschouwen, ik weet niet waarvandaan,
ik weet niet uit welke onbekende plaats
en buiten die ruimte waar ze verschijnen
de bomen en de kiezels.

Ik zie spoken, beelden van mysterie,
chimerische figuren,
profielen van licht afgedrukt in de schemering,
als voortekens…

Profielen van bleekheid die in de verte opdoemen,
en smarten die vervaagde portretten zijn,
van onbekende godheden…
Beelden van stilte en melancholie,
in de eenzaamheid van de bergen…

De houding van de Sfinx in de woestijn,
de schaduw van de piramides in de zon,
en Plato die zijn lichtmantel meesleept,
te midden van de hiëratische en bedroefde priesters van Egypte,
gekleed in stof en dode schaduwen,
in tempels van maanlicht en verharde wolken…

Ik zie voor me chimerische aanwezigheden,
horizonten van dromen die me omringen
in een pijnlijke omhelzing! Donkere vogels
Die neerstrijken op mijn donkere voorhoofd,
En winden die me meevoeren door
Mist en bliksem…

En, reeds verloren en dood, ben ik niet meer
Dan een menselijke verschijning,
Drijvend op de golven van emotie
Die van binnenuit ontspringen, als bloed
Uit een open wond…

En ik ga naar het oppervlak van de golven die zich uitspreiden
Op kusten van sneeuw en wit schuim,
In blauwe vertes van eindeloze helderheid,
En in de vage nachtelijke ruimte waar de sterren
Verschijnen, als het gelach van de duivel…

Ik zweef in een luchtige droom,
Op hoogten van mystieke pracht,
Waar de witte lelie van het maanlicht zich opent.

Ik zweef in een luchtige droom, waarin ik mezelf zie
Een ongedefinieerd wezen… De immense nacht,
Die haar zwarte vleugels over me spreidt,
Je kunt me niet verbergen. Mijn gezicht,
Verheven boven de duisternis,
Aanschouwt het goddelijke Licht.

1925, Teixeira de Pascoaes


Those not live yet
Who doubt to live again –
“Again” is of a twice
But this – is one –
The Ship beneath the Draw
Aground – is he?
Death – so – the Hyphen of the Sea –
Deep is the Schedule
Of the Disk to be –
Costumeless Consciousness –
That is he –

Zij leven niet echt
Die twijfelen of ze opnieuw zullen leven –
“Opnieuw” lijkt op twee keer
Maar dit – is een en hetzelfde –
Het schip onder de Brug
Is het – Gestrand?
Zo is – Dood – de Verbindingsschakel met de Zee –
Diepgaand is het Programma
Van het Rijk dat gaat komen –
Naakt Bewustzijn –
Dat is het –

Emily Dickinson


There is a solitude of space
A solitude of sea
A solitude of death, but these
Society shall be
Compared with that profounder site
That polar privacy
A soul admitted to itself –

Er is eenzaamheid van ruimte
En eenzaamheid van zee
En eenzaamheid van dood, maar zij
Bieden gezelschap
Vergeleken met die diepste plek
Die ijzige beslotenheid
Die een ziel zichzelf toestaat –

Emily Dickinson


I did not reach Thee

I did not reach Thee
But my feet slip nearer every day
Three Rivers and a Hill to cross
One Desert and a Sea
I shall not count the journey one
When I am telling thee

Two deserts, but the year is cold
So that will help the sand
One desert crossed –
The second one
Will feel as cool as land –
Sahara is too little price
To pay for thy Right hand.

The Sea comes last – Step merry, feet,
So short we have to go –
To play together we are prone,
But we must labor now
The last shall be the lightest load
That we have had to draw.

The Sun goes crooked –
That is Night
Before he makes the bend
We must have passed the Middle Sea –
Almost we wish the End
Were further off
Too great it seems
So near the Whole to stand

We step like Plush
We stand like snow
The waters murmur new
Three rivers and the Hill are passed
Two deserts and the Sea!
Now Death usurps my Premium
And gets the look at Thee –

Emily Dickinson


Ik heb U niet bereikt
Maar elke dag sluipen mijn voeten dichterbij
Nog drie Rivieren en een Heuvel oversteken
Eén Woestijn en een ZeeIk tel het niet als één reis
Wanneer ik u ervan vertel

Twee woestijnen, maar het jaar is koud
Dus dat is goed voor het zand
Eén woestijn heb ik doorkruist –
De tweede woestijn
Zal fris aanvoelen als land –
De Sahara is een te kleine prijs
Betalen voor uw Rechterhand.

’t Laatst komt de Zee – Stap vrolijk door, voeten,
Zo kort hebben we nog te gaan –
We willen liever samen spelen,
Maar nu moeten we ons inspannen
De laatste last die we moeten dragen
Zal het lichtste zijn.

De Zon draait weg –
De Avond valt zo
Voor hij de bocht omgaat
Moeten wij voorbij de Middelzee zijn –
Bijna wilden we dat het Einde
Verder weg zou zijn
Te groots lijkt het
Om zo dicht bij het Al te zijn

We stappen als Dons
We staan als sneeuw
De wateren ruisen als nieuw
Drie rivieren en de Heuvel zijn gepasseerd
Twee woestijnen en de Zee!
Nu pikt de Dood mijn Beloning in
En krijgt hij U te zien –

Emily Dickinson


Witchcraft has not a pedigree
‘Tis early as our Breath
And mourners meet it going out
The moment of our death –

Hekserij heeft geen stamboom
Ze is zo oud als onze Ademhaling
En rouwenden zien haar als ze heengaan
Op het moment van onze dood –

Emily Dickinson


This docile one inter
While we who dare to live
Arraign the sunny brevity
That sparkles to the Grave.

On her departing span
No wilderness remain
As dauntless in the House of Death
As if it were her own –

Deze zachtmoedige persoon begraven
Terwijl wij die het lef hebben te leven
De zonnige kortstondigheid aanklagen
Die sprankelt op het graf.

Op de plek vanwaar ze heengaat
Blijft geen verlatenheid achter
Zo onbevreesd in het Huis van de Dood
Als was het van haar eigen –

Emily Dickinson


How dare the robins sing

How dare the robins sing,
When men and women hear
Who since they went to their account
Have settled with the year! –
Paid all that life had earned
In one consummate bill.
And now, what life or death can do
Is immaterial.
Insulting is the sun
To him whose mortal light
Beguiled of immortality
Bequeath him to the night.
Extinct be every hum
In deference to him
Whose garden wrestled with the dew,
At daybreak overcome!

Emily Dickinson


Hoe durven roodborsten te zingen,
Als mannen en vrouwen luisteren
Die sinds ze naar hun oordeel gingen
Met het jaar hebben afgerekend! –
Alles betaald wat het leven had verdiend
In één eindafrekening.
En nu, wat leven of dood nog uitmaakt
Is niet relevant.
Beledigend is de zon
Voor degene wiens sterfelijke licht
Misleid door onsterfelijkheid
Hem nu overlaat aan de nacht.
Laat elk gezoem geweken zijn
Uit eerbied voor hem
Wiens tuin worstelde met dauw,
Bij het aanbreken van de dag was hij verslagen!

Emily Dickinson


Life is death
———we’re lengthy at,
Death the hinge to life.

Het leven is de dood
———waar we zonder haast naar op weg zijn,
De Dood is het scharnier van het leven.

Emily Dickinson

Vertaling Adrie Lint


Elegia do Amor

Lembras-te, meu amor,
Das tardes outonais,
Em que íamos os dois,
Sozinhos, passear,
Para fora do povo
Alegre e dos casais,
Onde só Deus pudesse
Ouvir-nos conversar?
Tu levavas, na mão,
Um lírio enamorado,
E davas-me o teu braço;
E eu, triste, meditava
Na vida, em Deus, em ti…
E, além, o sol doirado
Morria, conhecendo
A noite que deixava.
Harmonias astrais
Beijavam teus ouvidos;
Um crepúsculo terno
E doce diluía,
Na sombra, o teu perfil
E os montes doloridos…
Erravam, pelo Azul,
Canções do fim do dia.
Canções que, de tão longe,
O vento vagabundo
Trazia, na memória…
Assim o que partiu
Em frágil caravela,
E andou por todo o mundo,
Traz, no seu coração,
A imagem do que viu.

Olhavas para mim,
Às vezes, distraída,
Como quem olha o mar,
À tarde, dos rochedos…
E eu ficava a sonhar,
Qual névoa adormecida,
Quando o vento também
Dorme nos arvoredos.
Olhavas para mim…
Meu corpo rude e bruto
Vibrava, como a onda
A alar-se em nevoeiro.
Olhavas, descuidada
E triste… Ainda hoje escuto
A música ideal
Do teu olhar primeiro!
Ouço bem tua voz,
Vejo melhor teu rosto
No silêncio sem fim,
Na escuridão completa!
Ouço-te em minha dor.
Ouço-te em meu desgosto
E na minha esperança
Eterna de poeta!
O sol morria, ao longe;
E a sombra da tristeza
Velava, com amor,
Nossas doridas frontes.
Hora em que a flor medita
E a pedra chora e reza,
E desmaiam de mágoa
As cristalinas fontes.
Hora santa e perfeita,
Em que íamos, sozinhos,
Felizes, através
Da aldeia muda e calma,

Mãos dadas, a sonhar,
Ao longo dos caminhos…
Tudo, em volta de nós,
Tinha um aspecto de alma.
Tudo era sentimento,
Amor e piedade.
A folha que tombava
Era alma que subia…
E, sob os nossos pés,
A terra era saudade,
A pedra comoção
E o pó melancolia.
Falavas duma estrela
E deste bosque em flor;
Dos ceguinhos sem pão,
Dos pobres sem um manto.
Em cada tua palavra,
Havia etérea dor;
Por isso, a tua voz
Me impressionava tanto!
E punha-me a cismar
Que eras tão boa e pura,
Que, muito em breve — sim!
Te chamaria o céu!
E soluçava, ao ver-te
Alguma sombra escura,
Na fronte, que o luar
Cobria, como um véu.
A tua palidez
Que medo me causava!
Teu corpo era tão fino
E leve (oh meu desgosto!)
Que eu tremia, ao sentir
O vento que passava!
Caía-me, na alma,
A neve do teu rosto.

Como eu ficava mudo
E triste, sobre a terra!
E uma vez, quando a noite
amortalhava a aldeia,
Tu gritaste, de susto,
Olhando para a serra:
— Que incêndio! — E eu, a rir,
Disse-te — É a lua cheia!…
E sorriste também
Do teu engano. A lua
Ergueu a branca fronte,
Acima dos pinhais,
Tão ébria de esplendor,
Tão casta e irmã da tua,
Que eu beijei sem querer,
Seus raios virginais.
E a lua, para nós,
Os braços estendeu.
Uniu-nos num abraço,
Espiritual, profundo,
E levou-nos assim,
Com ela, até ao céu
Mas, ai, tu não voltaste
E eu regressei ao mundo.

Teixeira de Pascoaes, in ‘Prosa e Poesia’


Elegie van de Liefde

Herinner je je nog, mijn liefste,
De herfstmiddagen,
Toen we alleen gingen wandelen,
Buiten de vrolijke menigte en de stelletjes,
Waar alleen God ons kon
horen praten?
Je droeg in je hand,
Een verliefde lelie,
En je gaf me je arm;
En ik mediteerde, bedroefd,
Over het leven, over God, over jou…
En daarachter, de gouden zon,
Stierf, wetende
De nacht die ze zou verlaten.
Astrale harmonieën
Kusten je oren;

Een tedere schemering
En zoetjes loste op,
In de schaduw, haar silhouet,
En de droevige heuvels…
Dwaalden, door het blauw,
Liederen van het einde van de dag.
Liederen die, van zo ver weg,
De zwervende wind
In herinnering bracht…
Zo draagt ​​hij die vertrok,
In een fragiel karveel,
En de wereld rondreisde,
In zijn hart,
Het beeld van wat hij zag. Je keek me aan,
Soms afgeleid,
Als iemand die naar de zee staart,
In de middag, vanaf de rotsen…
En ik droomde,
Als een slapende mist,
Wanneer de wind ook
Slaapt in de bomen.

Je keek me aan… Mijn ruwe en onbeholpen lichaam
Trilde, als een golf
Oprijzend in de mist.
Je keek, onverschillig
En verdrietig… Tot op de dag van vandaag hoor ik
De ideale muziek
Van je eerste blik!
Ik hoor je stem duidelijk,
Ik zie je gezicht beter
In de eindeloze stilte,
In de volkomen duisternis!
Ik hoor je in mijn pijn.
Ik hoor je in mijn verdriet
En in mijn hoop
Eeuwige hoop, van een dichter!
De zon stierf in de verte;

En de schaduw van verdriet
Waakte liefdevol over,
Onze pijnlijke voorhoofden.
Het uur waarop de bloem mediteert
En de steen huilt en bidt,
En de kristalheldere fonteinen zwakjes van verdriet zijn.
Heilig en volmaakt uur,
Toen we alleen gingen,
Gelukkig, door
Het stille en kalme dorp,
Hand in hand, dromend,
Langs de paden…
Alles om ons heen,
had een ziel.
Alles was gevoel,
Liefde en vroomheid.
Het vallende blad
Was een ziel die opsteeg…
En, onder onze voeten,
verlangde de aarde,
emotie van de steen,
en melancholie van het stof.
Je sprak over een ster,
en over dit bloeiende bos;
Over de blinden zonder brood,
over de armen zonder mantel.
In elk van je woorden,
spontaan was er etherische pijn;
Daarom maakte je stem
zo’n diepe indruk op me!
En deed me nadenken
Dat je zo goed en puur was,
Dat ik je heel snel – ja!
de hemel zou noemen!
En ik snikte, toen ik je zag,
een donkere schaduw,
op je voorhoofd, die door het maanlicht
bedekt werd als een sluier.
Je bleekheid
Wat een angst boezemde het me in!
Je lichaam was zo dun
En licht (oh, mijn verdriet!)
Dat ik beefde, voelend
De voorbijtrekkende wind!
De sneeuw van je gezicht viel op mijn ziel.
Hoe stom en bedroefd werd ik, op aarde!

En eens, toen de nacht
het dorp omhulde,
riep je angstig uit,
Kijkend naar de bergen:
—Wat een vuur! — En ik, lachend,
zei tegen je: — Het is volle maan!…
En jij glimlachte ook
Om je vergissing. De maan
Hefde haar witte voorhoofd op,
Boven de dennenbomen,
Zo dronken van pracht,
Zo kuis en zuster van de jouwe,
Dat ik onbedoeld haar maagdelijke stralen kuste.
En de maan, voor ons,
Strekte haar armen uit.
Verbond ons in een omhelzing,
Geestelijk, diep,
En droeg ons zo mee,
naar de hemel.
Maar helaas, je keerde niet terug.
En ik keerde terug naar de wereld.

Teixeira de Pascoaes


Tristêza

O sol do outomno, as folhas a cair,
A minha voz baixinho soluçando,
Os meus olhos, em lagrimas, beijando
A terra, e o meu espirito a sorrir…

Eis como a minha vida vae passando
Em frente ao seu Phantasma… E fico a ouvir
Silencios da minh’alma e o resurgir
De mortos que me fôram sepultando…

E fico mudo, extatico, parado
E quasi sem sentidos, mergulhando
Na minha viva e funda intimidade…

Só a longinqua estrela em mim actua…
Sou rocha harmoniosa á luz da lua,
Petreficada esphinge de saudade…

Teixeira de Pascoaes, in ‘Elegias’


Verdriet

De herfstzon, de vallende bladeren,
Mijn stem die zachtjes snikt,
Mijn ogen, in tranen, kussend
De aarde, en mijn geest die glimlacht…

Zo gaat mijn leven voorbij
Voor zijn spook… En ik luister naar
De stilte van mijn ziel en de herrijzenis
Van de doden die mij begraven hebben…

En ik blijf stom, extatisch, stil
En bijna gevoelloos, ondergedompeld
In mijn levende en diepe intimiteit…

Alleen de verre ster werkt in mij…
Ik ben een harmonieuze rots in het maanlicht,
Een versteende sfinx van verlangen…

Teixeira de Pascoaes


Because that you are going

Because that you are going
And never coming back
And I, however absolute,
May overlook your Track –

Because that Death is final,
However first it be
This instant be suspended
Above Mortality

Significance that each has lived
The other to detect
Discovery not God himself
Could now annihilate

Eternity, Presumption
The instant I perceive
That you, who were Existence
Yourself forgot to live –

The “Life that is” will then have been
A thing I never knew –
As Paradise fictitious
Until the Realm of you –

The “Life that is to be,” to me,
A Residence too plain
Unless in my Redeemer’s Face
I recognize your own.

Of Immortality who doubts
He may exchange with me
Curtailed by your obscuring Face
Of everything but He –

Of Heaven and Hell I also yield
The Right to reprehend
To whoso would commute this Face
For his less priceless Friend.

If “God is Love” as he admits
We think that he must be
Because he is a “jealous God”
He tells us certainly

If “All is possible with” him
As he besides concedes
He will refund us finally
Our confiscated Gods –

Emily Dickinson


Omdat jij weggaat
En nooit meer terugkomt
En ik, hoe volhardend ik ook ben,
Jouw Spoor kan verliezen –

Omdat die Dood definitief is,
Hoe snel hij ook komt –
Moet dit moment verdaagd worden
Over de Sterfelijkheid heen

Belangrijk dat ieder leefde
Om de ander te vinden –
Helder dat zelfs God niet
Het nu ongedaan kon maken –

De Eeuwigheid, neem ik aan,
Het moment dat ik besef
Dat jij, die het Bestaan was
Zelf vergat te leven –

Zal het “Leven hier” dan iets geweest zijn
Wat ik nooit gekend heb –
Even verzonnen als het Paradijs,
Totdat het Koninkrijk van jou komt.

Het “Leven dat gaat gebeuren”, is voor mij,
Een Woning te middelmatig
Tenzij ik in het Gelaat van mijn Verlosser
Het jouwe zal herkennen

Wie twijfelt aan Onsterfelijkheid
Mag met mij ruilen –
Door jouw vervagende Gezicht
Ben ik van alles afgesneden behalve Dit –

Aan Hemel en Hel verleen ik ook
Het Recht om degene te veroordelen
Die dit Gezicht wil omwisselen
Voor zijn minder kostbare Vriend –

Als “God Liefde is” zoals hij toegeeft
Denken wij dat hij dat wel moet zijn
Omdat hij een “jaloerse God” is
Zegt hij ons vast en zeker

Als “Alles mogelijk is met” hem
Zoals hij daarbij nog aangeeft
Gaat hij ons uiteindelijk terugbetalen
Voor onze geconfisqueerde Goden –

Emily Dickinson


Go slow, my soul to feed thyself
Opon his rare approach –
Go rapid, lest competing death
Prevail opon the coach,
Go timid, lest his testing eye
Determine thee amiss
Go boldly for thou paid’st his price
Redemption for a kiss

Ga bedaard, mijn ziel, en voed jezelf
Met zijn spaarzame toenadering –
Ga snel, dat de concurrerende dood
Het niet van de koets wint,
Ga bescheiden, opdat zijn onderzoekende blik
Jou niet verkeerd beoordeelt
Ga moedig want je hebt zijn prijs betaald
Verlossing voor een kus

Emily Dickinson


That short – potential stir
That each can make but once –
That Bustle so illustrious
‘Tis almost Consequence –

Is the eclat of Death –
Oh – thou unknown Renown
That not a Beggar would accept
Had he the power to spurn –

Die korte – mogelijke opwinding
Die ieder maar eenmaal meemaakt –
Die zo illustere Hectiek
Dat het bijna Belangrijk lijkt –

Zijn de pracht en praal van de Dood –
Och – jij, ongekende Roem
Die geen Bedelaar zou accepteren
Had hij de kracht haar af te wijzen –

Emily Dickinson


Lay this Laurel on the one
Triumphed – and remained unknown –
Laurel – fell your futile tree –
Such a Victor could not be –

Lay this Laurel on the one –
Too intrinsic for Renown –
Laurel – vail your deathless Tree –
Him you chasten – That is he –

Leg deze Lauwerkrans op wie
Zegevierde – en onbekend bleef –
Laurier – kap je nutteloze boom om –
Zo’n Overwinnaar is er nog niet geweest –

Leg deze Lauwerkrans op wie –
Niets om Roem geeft –
Laurier – haal je onsterfelijke Boom neer –
Wie je straft – is hij –

Emily Dickinson


I have no Life but this –
To lead it here –
Nor any Death – but lest
Dispelled from there –

Nor tie to Earths to come –
Nor Action new –
Except through this Extent –
The Realm of you –

Ik heb geen ander Leven dan dit –
Om het hier te leiden –
Ook geen andere Dood – dan
Van daar weggenomen te worden –

Noch binding met toekomstige Werelden –
Of Activiteiten straks –
Behalve via deze Wijdheid –
Het Rijk van jou –

Emily Dickinson


I have no life to live
But lead it here
Nor any Death but lest
Abased from there –

Nor Plea for Worlds to come
Nor Wisdoms new
Except through this extent
The loving you –

Ik heb geen ander leven te leven
Dan het hier te leiden
Ook geen andere Dood dan
Van daar onder te gaan –

Noch een Bede voor een toekomstige Wereld
Noch Hemelse Wijsheden
Behalve via deze Wijdheid
Jou lief te hebben –

Emily Dickinson


One Joy of so much anguish

One Joy of so much anguish
Sweet Nature has for me –
I shun it as I do Despair
Or dear iniquity –
Why Birds, a Summer morning
Before the Quick of Day
Should stab my ravished Spirit
With Dirks of Melody
Is part of an inquiry
That will receive reply
When Flesh and Spirit sunder
In Death’s immediately –

Emily Dickinson


Eén Vreugde, zo schrikbarend
Heeft de lieve Natuur mij te bieden –
Die mijd ik als Wanhoop
Of een zware zonde –
Waarom de Vogels, op een Zomerochtend
Vóór het Aanbreken van de Dag
Mijn verrukkelijke Geest moeten pikken
Met Dolkstoten van Muziek
Maakt deel uit van een onderzoek
Dat pas antwoord zal krijgen
Wanneer Lichaam en Geest zich scheiden
In de onmiddellijkheid van de Dood –

Emily Dickinson


Encantamento

Quantas vezes, ficava a olhar, a olhar
A tua dôce e angelica Figura,
Esquecido, embebido num luar,
Num enlêvo perfeito e graça pura!

E á força de sorrir, de me encantar,
Deante de ti, mimosa Creatura,
Suavemente sentia-me apagar…
E eu era sombra apenas e ternura.

Que inocencia! que aurora! que alegria!
Tua figura de Anjo radiava!
Sob os teus pés a terra florescia,

E até meu proprio espirito cantava!
Nessas horas divinas, quem diria
A sorte que já Deus te destinava!

Teixeira de Pascoaes, in ‘Elegias’


Betovering

Hoe vaak betrapte ik mezelf erop dat ik staarde, staarde
Naar jouw lieve en engelachtige gestalte,
Vergeten, ondergedompeld in maanlicht,
In volmaakte extase en pure gratie!

En door te glimlachen, door betoverd te zijn,
Voor jou, teer schepsel,
voelde ik mezelf langzaam vervagen…
En ik was slechts schaduw en tederheid.

Wat een onschuld! Wat een dageraad! Wat een vreugde!
Jouw engelachtige gestalte straalde!
Onder jouw voeten bloeide de aarde,

En zelfs mijn eigen geest zong!
Wie had in die goddelijke uren kunnen vermoeden
Welk lot God al voor jou had voorbestemd!

Teixeira de Pascoaes


O Que Eu Sou

Nocturna e dubia luz
Meu sêr esboça e tudo quanto existe…
Sou, num alto de monte, negra cruz,
Onde bate o luar em noite triste…

Sou o espirito triste que murmura
Neste silencio lúgubre das Cousas…
Eu é que sou o Espectro, a Sombra escura
De falecidas formas mentirosas.

E tu, Sombra infantil do meu Amôr,
És o Sêr vivo, o Sêr Espiritual,
A Presença radiosa…
                        Eu sou a Dôr,
Sou a tragica Ausencia glacial…

Pois tu vives, em mim, a vida nova,
E eu já não vivo em ti…
                        Mas quem morreu?
Fôste tu que baixaste á fria cova?
Oh, não! Fui eu! Fui eu!

Horrivel cataclismo e negra sorte!
Tu fôste um mundo ideal que se desfez
E onde sonhei viver apoz a morte!
Vendo teus lindos olhos, quanta vez,
Dizia para mim: eis o logar
Da minha espiritual, futura imagem…
E viverei á luz daquele olhar,
Divino sol de mistica Paisagem.

Era minha ambição primordial
Legar-lhe a minha imagem de saudade;
Mas um vento cruel de temporal,
Vento de eternidade,
Arrebatou meu sonho! E fugitiva
Deste mundo se fez minha alegria;
Mais morta do que viva,
Partiu comtigo, Amôr, á luz do dia
Que doirou de tristêsa o teu caixão…
Partiu comtigo, ao pé de ti murmura;
É maguada voz na solidão,
Dôce alvor de luar na noite escura…
E beija o teu sepulcro pequenino;
Sobre ele vôa e erra,
Porque o teu Sêr amado é já divino
E o teu sepulcro, abrindo-se na terra,
Penetrou-a de luz e santidade…
E para mim a terra é um grande templo
E, dentro dele, a Imagem da Saudade…
E reso de joelhos, e contemplo
Meu triste coração, saudoso altar
Alumiado de sombra, escura luz…
Nele deitado estás como a sonhar,
Meu pequenino e mistico Jesus…
Lagrimas dos meus olhos são as flôres
Que a teus pés eu deponho…
Enfeitam tua Imagem minhas dôres,
E alumia-te, ás noites, o meu sonho.

Todo me dou em sacrificio á tua
Imagem que eu adoro.
Sou branco incenso á triste luz da lua:
Eu sou, em nevoa, as lagrimas que choro…

Teixeira de Pascoaes, in ‘Elegias’


Wat ik ben

Nachtelijk en ambigu licht
Mijn wezen schetst alles wat bestaat…
Ik ben, op een bergtop, een zwart kruis,
Waar het maanlicht op een droevige nacht schijnt…

Ik ben de droevige geest die fluistert
In die sombere stilte der dingen…
Ik ben het spook, de donkere schaduw
Van overleden, liggende vormen.

En jij, kinderlijke schaduw van mijn liefde,
Jij bent het levende wezen, het spirituele wezen,
De stralende aanwezigheid…
Ik ben pijn,
Ik ben de tragische, ijzige afwezigheid…

Want jij leeft, in mij, het nieuwe leven,
En ik woon niet langer in jou…

Maar wie is er gestorven?
Was jij het die afdaalde in het koude graf?
O nee! Ik was het! Ik was het!
Verschrikkelijke catastrofe en zwart lot!

Jij was een ideale wereld die instortte
En waar ik droomde van leven na de dood!

Toen ik je prachtige ogen zag,
zei ik tegen mezelf: dit is de plek
Van mijn spirituele, toekomstige beeld…
En ik zal leven in het licht van die blik,
Goddelijke zon van een mystiek landschap.

Het was mijn voornaamste ambitie
Om jou mijn beeld van verlangen na te laten;
Maar een wrede stormwind,
Wind van de eeuwigheid,
Die mijn droom wegvaagde! En vluchteling
werd mijn vreugde uit deze wereld;
Meer dood dan levend,
Vertrok zij met jou, Liefde, in het daglicht
Dat je kist verguldde met verdriet…
Zij vertrok met jou, mompelend aan je voeten;
Het is een gewonde stem in de eenzaamheid,
Zoet maanlicht in de donkere nacht…
En het kust je kleine graf;

Het vliegt en dwaalt erboven,
Want uw geliefde Wezen is reeds goddelijk
En uw graf, dat zich in de aarde opent,
Heeft Hij doordrongen met licht en heiligheid…
En voor mij is de aarde een grote tempel
En daarin het Beeld van Verlangen…
En ik bid op mijn knieën en overdenk
Mijn bedroefde hart, een altaar van verlangen
Verlicht door schaduw, donker licht…
Daar ligt u, alsof u droomt,
Mijn kleine en mystieke Jezus…
Tranen uit mijn ogen zijn de bloemen
Die ik aan uw voeten leg…
Mijn verdriet siert uw Beeld,
En mijn dromen verlichten u ’s nachts.

Ik geef mezelf volledig in offer aan uw
Beeld dat ik liefheb.
Ik ben witte wierook in het droevige maanlicht:
Ik ben, in de mist, de tranen die ik huil…

Teixeira de Pascoaes


Trágica Recordação

Meu Deus! meu Deus! quando me lembro agora
De o ver brincar, e avisto novamente
Seu pequenino Vulto transcendente,
Mas tão perfeito e vivo como outrora!

Julgo que ele ainda vive; e que, lá fóra,
Fala em voz alta e brinca alegremente,
E volve os olhos verdes para a gente,
Dois berços de embalar a luz da aurora!

Julgo que ele ainda vive, mas já perto
Da Morte: sombra escura, abysmo aberto…
Pesadêlo de treva e nevoeiro!

Ó visão da Creança ao pé da Morte!
E a da Mãe, tendo ao lado a negra sorte
A calcular-lhe o golpe traiçoeiro!

Teixeira de Pascoaes, in ‘Elegias’


Tragische Herinnering

Mijn God! Mijn God! Als ik me nu herinner
Hem te zien spelen, en ik zie weer
Zijn kleine, verheven gestalte,
Maar even volmaakt en levend als voorheen!

Ik denk dat hij nog leeft; en dat hij daarbuiten
hardop spreekt en vrolijk speelt,
En zijn groene ogen naar ons richt,
Twee wiegjes om het ochtendlicht in slaap te sussen!

Ik denk dat hij nog leeft, maar al nabij
De Dood: donkere schaduw, open afgrond…
Nachtmerrie van duisternis en mist!

O, het visioen van het Kind aan de voet van de Dood!
En dat van de Moeder, met een duister lot naast zich,
Haar verraderlijke slag berekenend!

Teixeira de Pascoaes


Sang from the Heart, Sire

Sang from the Heart, Sire,
Dipped my Beak in it,
If the Tune drip too much
Have a tint too Red

Pardon the Cochineal –
Suffer the Vermillion –
Death is the Wealth
Of the Poorest Bird.

Bear with the Ballad –
Awkward – faltering –
Death twists the strings –
‘Twasn’t my blame –

Pause in your Liturgies –
Wait your Chorals –
While I repeat your
Hallowed name –

Emily Dickinson


Zong uit het Hart, Heer,
Doopte mijn Snavel erin,
Als het Liedje te veel druipt
Een te Rode kleur heeft

Vergeef dan het Karmijn –
Gedoog het Vermiljoen –
Dood is de Luxe
Van de Armste Vogel.

Heb geduld met de Ballade –
Knullig – haperend –
De dood forceert de snaren –
Het lag niet aan mij –

Onderbreek uw Liturgieën –
Wacht met uw Koorzangen –
Ondertussen herhaal ik
Uw Gewijde Naam –

Emily Dickinson


I’ve dropped my Brain – My Soul is numb

I’ve dropped my Brain – My Soul is numb –
The Veins that used to run
Stop palsied – ’tis Paralysis
Done perfecter on stone –

Vitality is Carved and cool –
My nerve in Marble lies –
A Breathing Woman
Yesterday – Endowed with Paradise.

Not dumb – I had a sort that moved –
A Sense that smote and stirred –
Instincts for Dance – a caper part –
An Aptitude for Bird –

Who wrought Carrara in me
And chiselled all my tune
Were it a Witchcraft – were it Death –
I’ve still a chance to strain

To Being, somewhere – Motion – Breath –
Though Centuries beyond,
And every limit a Decade –
I’ll shiver, satisfied.

Emily Dickinson


Mijn Geest heb ik uitgezet – Mijn Ziel gevoelloos –
Aderen gewend om te stromen
Stoppen verstijfd – ’t is Verlamming
Perfecter in steen uitgevoerd –

Vitaliteit is in Steen gehouwen en koud –
Mijn zenuwen zijn een stuk Marmer –
Een Vrouw in leven
Gister nog – Begiftigd met het Paradijs.

Geen sufferd – ik was speels van aard –
Aanstekelijk en uitdagend –
Met gevoel voor Dans – dwaze capriolen –
Voor Vogels een Talent –

Wie mij in Carrara-marmer bewerkte
En al mijn zingen heeft gebeiteld
Of het nu Hekserij was – of de Dood –
Nog heb ik een kans om me uit te rekken

Te bestaan, ergens – Bewegen – Ademen –
Ook al duurt het nog Eeuwen,
En kost elk obstakel me tien jaar –
Ik zal het met genoegen kapotslaan.

Emily Dickinson


There is a finished feeling

There is a finished feeling
Experienced at Graves –
A leisure of the Future –
A Wilderness of Size.

By Death’s bold Exhibition
Preciser what we are
And the Eternal function
Enabled to infer.

Er wordt een gevoel van afsluiten
Ervaren bij Graven –
Een vrijaf van de Toekomst –
Een Leegte van Formaat.

Door de stoere Vertoning van de Dood
Wordt duidelijker wat we zijn
En valt het Proces van de Eeuwigheid
Mogelijk te begrijpen.

Emily Dickinson


The Bustle in a House
The Morning after Death
Is solemnest of industries
Enacted upon Earth –

The Sweeping up the Heart,
And putting Love away
We shall not want to use again
Until Eternity.

De Commotie in Huis
De Ochtend na een Overlijden
Is de meeste plechtige bedrijvigheid
Uitgevoerd op Aarde –

Het opvegen van het Hart
En Liefde opbergen
Die zullen we pas weer gebruiken
In de Eeuwigheid.

Emily Dickinson


Pain has but one Acquaintance
And that is Death –
Each one unto the other
Society enough –

Pain is the Junior Party
By just a Second’s right –
Death tenderly assists Him
And then absconds from Sight.

Pijn heeft maar één Vriend
En dat is de Dood –
De een biedt de ander
Genoeg Gezelschap –

Pijn is de Jongste van de Twee
Rechtens slechts één Seconde –
Dood staat Hem teder bij
En verdwijnt dan uit het Zicht.

Emily Dickinson


His Bill is clasped – his Eye forsook –
His Feathers wilted low –
The Claws that clung, like lifeless Gloves
Indifferent hanging now –
The Joy that in his happy Throat
Was waiting to be poured
Gored through and through with Death, to be
Assassin of a Bird
Resembles to my outraged mind
The firing in Heaven,
On Angels – squandering for you
Their Miracles of Tune –

Zijn Snavel zit vastgeklemd – zijn Oog doods –
Zijn Veren helemaal uitgedroogd –
De Klauwen die konden grijpen, hangen nu
Ongevoelig als levenloze Handschoenen –
De Vrolijkheid die in zijn blije Keel
Stond te wachten om uitgestort te worden
Totaal doorboord met de Dood, om
De Moordenaar te zijn van een Vogel heeft
Voor mijn verontwaardigde geest veel weg
Van het schieten op Engelen
In de Hemel – ze verkwisten voor jou
Hun Wonderen van Muziek –

Emily Dickinson


None who saw it ever
———told it
‘Tis as hid as Death
Had for that specific treasure
A departing breath –
Surfaces may be invested
Did the Diamond grow
General as the Dandelion
Would you seek it so?

Niemand die het ooit heeft gezien,
———zei er iets over
Zo verstopt is het alsof de Dood
Voor die specifieke schat
Een laatste adem had –
In de Buitenkant mag geïnvesteerd worden
Groeide een Diamant
Gewoon als een Paardenbloem
Zou je die dan vereren?

Emily Dickinson


Soul, take thy risk.
With Death to be
Were better than be not
With thee

Ziel, ga het waagstuk aan.
Met de Dood vertrouwd zijn
Is beter dan niet vertrouwd
Met jou te zijn

Emily Dickinson


Tell as a Marksman – were forgotten

Tell as a Marksman – were forgotten
Tell – this Day endures
Ruddy as that coeval Apple
The Tradition bears –

Fresh as Mankind that humble story
Though a statelier Tale
Grown in the Repetition hoary
Scarcely would prevail –

Tell had a son – The ones that knew it
Need not linger here –
Those who did not to Human Nature
Will subscribe a Tear –

Tell would not bare his Head
In Presence
Of the Ducal Hat –
Threatened for that with Death – by Gessler –
Tyranny bethought

Make of his only Boy a Target
That surpasses Death –
Stolid to Love’s supreme entreaty
Not forsook of Faith –

Mercy of the Almighty begging –
Tell his Arrow sent –
God it is said replies in Person
When the cry is meant –

Emily Dickinson


Willem Tell zou als Schutter – vergeten zijn
Tell – blijft tot op Vandaag
Rossig als die even oude Appel
Die de Traditie voortbrengt –

Fris als de Mensheid dat bescheiden verhaal
Al zou een deftiger Vertelling
Grijs geworden van het Herhalen
Nauwelijks meer betekenen –

Tell had een zoon – Wie dat weet
Moet hier niet stoppen met lezen –
Voor wie niet, gaat de Aard van de Mens
Zich nu intekenen voor een Traan –

Tell wilde zijn Muts niet afdoen
Tegenover De Hertogelijke Hoed –
Hiervoor met de Dood bedreigd – door Gessler –
Had de Tirannie bedacht

Om van zijn enige Zoon
een Doelwit te maken
Wat de Dood te boven gaat –
Doof voor het hoogste Verzoek van de Liefde
Gaf hij zijn Geloof niet op –

Smeekte de Almachtige om Genade –
En Tell stuurde zijn Pijl weg –
Men zegt dat God Persoonlijk antwoord geeft
Als de schreeuw gemeend is.

Emily Dickinson


Step lightly on this narrow spot –
The broadest Land that grows
Is not so ample as the Breast
These Emerald Seams enclose.

Step lofty,
———for this name be told
As far as Cannon dwell
Or Flag subsist or Fame export
Her deathless syllable.

Stap luchtig op dit smalle plekje –
Het ruimste Land dat er bestaat
Is nog niet zo riant als de Borst
Die deze Smaragdgroene Zomen omsluiten.

Stap waardig,
———want deze naam moet genoemd worden
Zo ver als Kanonnen huizen
Vlaggen reiken of Roem
Zijn onsterfelijke lettergreep uitdraagt.

Emily Dickinson


To disappear enhance

To disappear enhances –
The Man that runs away
Is tinctured for an instant
With Immortality

But yesterday a Vagrant
Today, in Memory lain
With superstitious value –
We tamper with again

But Never – far as Honor
Removes the paltry Thing
And impotent to cherish
We hasten to adorn –

Of Death the sternest function
That just as we discern
The Excellence defies us –
Securest gathered then

The Fruit perverse to plucking
But leaning to the Sight
With the extatic limit
Of unobtained Delight.

Emily Dickinson


Verdwijnen maakt mooier –
De Mens die heengaat
Wordt meteen verguld
Met Onsterfelijkheid

Gisteren nog een Vagebond
Vandaag, in het Geheugen begraven
Vol bijgelovige egards –
We foefelen er weer mee

Maar Nooit – zo erg als Eerbetoon
De arme Sloeber verwijdert
En machteloos om voor hem te zorgen,
Haasten wij ons hem te flatteren –

De wreedste functie van de Dood is
Dat juist als we bemerken
Hoe de Verhevenheid ons tegenstaat –
Dan heel veilig bij elkaar zitten

Om de perverse Vrucht te plukken
Maar voorzichtig Uitzien
Naar de extatische verte
Van onbereikbare Vreugde.

Emily Dickinson


So I pull my Stockings off
Wading in the Water
For the Disobedience’ Sake
Boy that lived for “Ought to”

Went to Heaven perhaps at Death
And perhaps he did’nt
Moses was’nt fairly used –
Ananias was’nt –

Dus trek ik mijn Kousen uit
En waad door het Water
Om ongehoorzaam te zijn
Kind dat leefde voor “dat Hoort zo”

Ging bij de Dood naar de Hemel misschien
En misschien ook niet
Mozes werd niet eerlijk behandeld –
Ananias ook al niet –

Emily Dickinson


Nas Trevas

Como estou só no mundo! Como tudo
É lagrima e silencio!

Ó tristêsa das Cousas, quando é noite
Na terra e em nosso espirito!… Tristêsa
Que se anuncia em vultos de arvoredos,
Em rochas diluidas na penumbra
E soluços de vento perpassando
Na tenebrosa lividez do céu…

Ó tristêsa das Cousas! Noite morta!
Pavor! Desolação! Escura noite!
Phantastica Paisagem,
Desde o soturno espaço á fria terra
Toda vestida em sombra de amargura!

Êrma noite fechada! Nem um leve
Riso vago de estrela se adivinha…
Sómente as grossas lagrimas da chuva
Escorrem pela face do Silencio…

Piedade, noite negra! Não me beijes
Com esses labios mortos de Phantasma!

Ó Sol, vem alumiar a minha dôr
Que, perdida na sombra, se dilata
E mais profundamente se enraiza
Nesta carne a sangrar que é a minha alma!

Ilumina-te, ó Noite! Ó Vento, cála-te!
Negras nuvens do sul, limpae os olhos,
Desanuviae a bronzea face morta!

Oh, mas que noite amarga, toda cheia
Do teu Phantasma angelico e divino;
Espirito que, um dia, em minha irmã,
Tomou corpo infantil, figura de Anjo…
E para que, meu Deus? Para partir,
Com seis annos apenas, no primeiro
Riso da vida, em lagrimas, levando
Toda a luz de esperança que floria
Este êrmo, este remoto em que divago…

Como estou só no mundo! Como é triste
A solidão que faz a tua Ausencia,
E o terrivel e tragico silencio
Da tua alegre Voz emudecida!

Ó noite, ó noite triste! Ó minha alma!
Tu, que o viste e beijaste tantas vezes,
Tu, que sentiste bem o que ele tinha
De angelica Creança sobrehumana,
Não vês as proprias cousas como soffrem,
E como as grandes arvores agitam
As ramagens de lagrimas e sombras?

Repára bem na lugubre tristêsa
Da nossa velha casa abandonada
Da divina Presença da Creança!

Ah, como as portas gemem e o beiraes
Têm soluços de vento…

Lá fóra, no terreiro onde brincavas,
A noite escura chora…

                        Ó minha alma,
Embebe-te na dôr das Cousas êrmas;
Chora tambem, consome-te, soluça,
Junto á Mãe dolorosa, de joelhos…

Teixeira de Pascoaes, in ‘Elegias’


In de duisternis

Hoe alleen ik ben in de wereld! Hoe alles
tranen en stilte is!

O, droefheid der dingen, wanneer het nacht is
Op aarde en in onze geest!… Droefheid
Die zich aankondigt in de schaduwen van bomen,
In rotsen vervaagd in de schemering
En snikken van de wind die door de
donkere bleekheid van de hemel waait…

O, droefheid der dingen! Dode nacht!
Terreur! Verlatenheid! Donkere nacht!
Fantastisch landschap,
Van de sombere ruimte tot de koude aarde
Alles gehuld in de schaduw van bitterheid!

Verlaten, gesloten nacht! Zelfs geen vaag
lachje van een ster te bespeuren…
Alleen de dikke tranen van de regen
Struipen over het gezicht van de Stilte…

Heb medelijden, zwarte nacht! Kus me niet
Met die dode lippen van een spook!

O Zon, kom en verlicht mijn pijn
Die, verloren in de schaduw, zich uitbreidt
En dieper wortel schiet
In dit bloedende vlees dat mijn ziel is!

Schijn, o Nacht! O Wind, wees stil!
Donkere wolken uit het zuiden, reinig mijn ogen,
Verhelder mijn bronzen, dode gelaat!

O, wat een bittere nacht, vol
van jouw engelachtige en goddelijke Fantoom;
Geest die op een dag in mijn zus,
een kinderlichaam aannam, de gedaante van een Engel…
En waarvoor, mijn God? Om te vertrekken,
op slechts zesjarige leeftijd, in de eerste
lach van haar leven, in tranen, en met zich mee te nemen
al het licht van de hoop dat bloeide
op deze verlaten plek, deze afgelegen plek waar ik ronddwaal…

Hoe alleen ben ik in de wereld! Hoe droevig is
de eenzaamheid die jouw afwezigheid brengt,
en de verschrikkelijke en tragische stilte
van jouw vreugdevolle stem die verstomd is!

O nacht, o droevige nacht! O mijn ziel!
Jij, die hem zo vaak zag en kuste,
Jij, die zo goed voelde wat hij had
aan engelachtige, bovenmenselijke kindertijd,
Zie je niet hoe de dingen zelf lijden,
En hoe de grote bomen schudden
Hun takken met tranen en schaduwen?

Kijk goed naar de droevige droefheid
Van ons oude, verlaten huis
Van de goddelijke Aanwezigheid van de Kindertijd!

Ach, hoe de deuren kreunen en de dakranden
Het gehuil van de wind…

Daar buiten, in de tuin waar je vroeger speelde,
huilt de donkere nacht…

O mijn ziel,
Dompel jezelf onder in de pijn van verlaten dingen;

Huil ook, verteer jezelf, snik,
Knielend naast je bedroefde Moeder…

Teixeira de Pascoaes, in ‘Elegieën’


De Noite

Quando me deito ao pé da minha dôr,
Minha Noiva-phantasma; e em derredor
Do meu leito, a penumbra se condensa,
E já não vejo mais que a noite imensa,
Ante os meus olhos intimos, acêsos,
Extaticos, surprêsos,
Aparece-me o Reino Espiritual…
E ali, despido o habito carnal,
Tu brincas e passeias; não comigo,
Mas com a minha dôr… o amôr antigo.

A minha dôr está comtigo ali,
Como, outrora, eu estava ao pé de ti…
Se fôsse a minha dôr, com que alegria,
De novo, a tua face beijaria!

Mas eu não sou a dôr, a dôr etérea…
Sou a Carne que soffre; esta miseria
Que no silencio clama!

A Sombra, o Corpo doloroso, o Drama…

Teixeira de Pascoaes, in ‘Elegias’


’s Nachts

Als ik naast mijn verdriet ga liggen,
Mijn spookbruid; En rondom
Mijn bed wordt de schemering dichter,
En ik zie niets dan de immense nacht,
Voor mijn intieme, brandende ogen,
Extatisch, verrast,
verschijnt het Geestelijke Koninkrijk aan mij…

En daar, ontdaan van je vleselijke gewoonte,
Speel en wandel je; niet met mij,
Maar met mijn verdriet… de oeroude liefde.

Mijn verdriet is daar bij jou,
Zoals ik ooit naast je was…
Als het mijn verdriet was, met wat voor vreugde,
zou ik je gezicht weer kussen!

Maar ik ben geen pijn, etherische pijn…
Ik ben het lijdende Vlees; deze ellende
Die in stilte schreeuwt!

De Schaduw, het bedroefde Lichaam, het Drama…

Teixeira de Pascoaes