Gedichten rond de dood 9

VERDRIET

In één enkele nacht is uit mijn borst
ontkiemd, omhooggeschoten, groot
gegroeid de boom verdriet.
Mijn botten heeft hij opzij geduwd,
mijn vlees verscheurd, tot mijn hoofd toe
is zijn hoogste loot gestegen.

Over mijn schouders, over mijn rug
heeft hij lover en takken geschoten.
Binnen drie dagen was ik bedolven,
vervulde hij mij als mijn bloed.
Waar voelen ze nu aan mij om?
Waar heb ik een arm om te reiken
die niet een arm van verdriet is?

Ik ben, als de wolken rook,
geen vlam meer, geen gloeiende kolen.
Deze spiraal, dat ben ik, deze liane,
deze warreling dichte rook.

De mensen die bij mij komen,
zij noemen me nog bij mijn naam,
zij zien nog wel mijn gezicht,
maar ik, verdrinkend, ik zie mijzelf
als een boom verteerd en rokend,
nachtdonker, uitgebrande kolen,
dichte jeneverboom, leugencypres,
voor de ogen vast, aan de vingers vervlogen.

In één, één nacht heeft mijn verdriet
het labyrint van mijn lichaam vervuld,
ben ik in walm bedolven,
nacht en rook, verdriet genaamd,
die mij omwikkelt, die mij blind maakt.

Mijn laatste boom staat niet in de aarde,
geen boom uit zaad, van hout is hij.
niet geplant, niet besproeid met water.
Ikzelf ben mijn cipres,
mijn schaduw en mijn omtrek,
mijn lijkwa zonder naden,
mijn slaap, langs de wegen gaande,
boom van rook, en de ogen open.

In de tijd van één nacht
is mijn zon verzonken, verlopen mijn dag,
is mijn vlees een rookwolk geworden
waar een kind met de hand doorheensnijdt.

De kleur verschoot uit mijn kleren,
het wit, het blauw vluchtten heen,
ik vond mijzelf in de ochtend
als een pijnboom van smeulwalm weer.

Een pijnboom van rook zien de mensen lopen,
ze horen mij praten achter mijn rook
en zwaar zal het hun gaan worden
mij lief te hebben,
te eten, te wonen
beneden die duistere driehoek,
die een drogbeeld is, aan het kruis geslagen,
die geen hars meer geeft,
die wortels meer heeft noch knoppen.
Eén kleur door alle seizoenen,
één enkele flank van rook,
en nooit meer een pijnappeltros
om het vuur te stoken
om het maal te bereiden en het geluk.

Gabriela Mistral

Vertaling Gerard Wijdeveld


NA ZOVEEL BLINDELINGS verspilde tijd,
zoveel in duisternis doorwaakte nachten;
na zoveel steeds dezelfde jammerklachten
en zoveel zuchten van zwaarmoedigheid;

na zoveel dat niet was wat ik verwachtte,
zoveel verdriet en zoveel zelfverwijt;
na zoveel tranen, vruchteloos geschreid,
en zoveel tochten die mij nergens brachten,

heb ik ten langen leste niets in handen
dan dat ik het -goedkoop bedrog doorschouw
waar elk verlangen op is doodgelopen.

Nu zie ik hoe door schade en door schande
de ziel van dag tot dag met diep berouw
de vreugde dezer wereld moet bekopen.

Francisco de Quevedo

Vertaling J.P. Rawie


HET TWEEDE DOOPSEL

De sneeuwstorm heeft mijn deur geopend,
zodat de kou het huis beving,
en ik in een nieuw sneeuwen doopvont
het tweede doopsel onderging.

En in een nieuwe wereld leerde.
ik mensen, dingen te verstaan,
en dat gemeenlijk de verkeerden
de brede weg ten hemel gaan.

De liefde moe leef ik verbitterd
in dit steeds kouder. wordend land.
Op mijn bevroren voorhoofd schittert
een sneeuwvlok als een diamant.

De trots van een opnieuw gèdoopte
veranderde mijn hart in ijs.
Waar wou je nog dat ik op hoopte?
Wat maak je mij voor lente wijs?

Kijk toch hoe blij ik ben van binnen,
sinds sneeuw de hemel voor mij sloot!
Geen lente hoeft meer te beginnen:
het derde doopsel is de dood.

Aleksander Blok

Vertaling J.P. Rawie


La Lune offensée

O Lune qu’adoraient discrètement nos pères,
Du haut des pays bleus où, radieux sérail,
Les astres vont te suivre en pimpant attirail,
Ma vieille Cynthia, lampe de nos repaires,

Vois-tu les amoureux, sur leurs grabats prospères,
De leur bouche en dormant montrer le frais émail?
Le poëte buter du front sur son travail?
Ou sous les gazons secs s’accoupler les vipères?

Sous ton domino jaune, et d’un pied clandestin,
Vas-tu, comme jadis, du soir jusqu’au matin,
Baiser d’Endymion les grâces surannées?

»– Je vois ta mère, enfant de ce siècle appauvri,
Qui vers son miroir penche un lourd amas d’années,
Et plâtre artistement le sein qui t’a nourri!«

Charles Baudelaire


Die Kränkung der Luna

O Luna deren Dienst nun Tote wahren
Kannst du von droben wo bei steifen Feiern
Die Sterne mit dir ziehn in Strahlenschleiern
Betagte du mit der wir munter waren

Auf ihrer Streu die Liebenden gewahren
Wenn schlummernd sie den reinen Mund entschleiern
Und wie des Dichters Haupt von Mühen bleiern
Und wie im trocknen Gras sich Vipern paaren?

Bliebst du in deinem gelben Domino
Endymions verbuhlter Anmut froh
Bei der du dich bis in den Tag verpaßt?

– »Jüngst wies als deine Mutter ich bestrahlte
Ihr Spiegel wie sie die bejahrte Last
Des Busens der dich nährte sorgsam malte.«

Charles Baudelaire

Vertaling Walter Benjamin


De stramme winter liet de teugels vieren,
het jaar bloeit op in nieuwe levenskracht,
de dorre tak herkrijgt zijn bladerpracht
terwijl de jonge bloemen welig tieren.

Van vorst verlost bezingen de rivieren
om strijd de vrijheid die hun is gebracht;
de aarde kleedt zich weer als in smaragd,
de hemel tooit zich weer als met saffieren.

Zo volgen de seizoenen en de jaren
elkander éen na éen en om en om,
en geen weet ’s zomers hoe de winters waren.

Maar komt de winter van de ouderdom
voor ons, met trage tred, besneeuwde haren,
dan keert de mei van vroeger nooit weerom.

Bernardo Morando

Vertaling J.P. Rawie


DERNIER ESPOIR

Sonnet.

Il est un arbre au cimetière
Poussant en pleine liberté,
Non planté par un deuil dicté, –
Qui flotte au long d’une humble pierre.

Sur cet arbre, été comme hiver,
Un oiseau vient qui chante clair
Sa chanson tristement fidèle.
Cet arbre et cet oiseau c’est nous :

Toi le souvenir, moi l’absence
Que le temps – qui passe – recense…
Ah, vivre encore à tes genoux !

Ah, vivre encor ! Mais quoi, ma belle,
Le néant est mon froid vainqueur…
Du moins, dis, je vis dans ton coeur ?

Paul Verlaine


HET GESPREK

Na de eerste weken heb ik niet geklaagd,
Want uit dat donkere verlies van dood
Is mij een overwacht bezit gedaagd:
De stilling van mijn langste, diepste nood.

Wat gij, zolang gij hier waart, niet kondt zijn,
Zijt gij mij nu: de onmisbre middelaar,
Die blik noch vinger raken kan, maar mijn
Meer dan ooit vroeger, en voor altijd daar.

Een goddelijke figuur van God, een licht
Uit licht, een vorm en zichtbaarheid van geest,
Een mens, op wiens verheerlijkt aangezicht
Mijn hart de waarborg van zijn opgang leest.

Gij komt tot mij en maakt mij vol van u,
Uzelf en Die in u verschijnt, die heer
Van mens en aarde en sterren is en nu
Oorsprong en doel van ons geluksverkeer.

Zo, in de droom-besloten lichternis
En stilte van dit woordeloos gesprek,
Dat sinds uw dood mijn dagelijks wonder is,
Wies dank uit klacht, en rijkdom uit gebrek.

P.N. van Eyck


Totenreue

Wenn du entschlafen bist o Haupt voll Gram
Ausruhest unterm Stein von schwarzem Glimmer
Zum Bette dir verblieb und schmalen Zimmer
Die Gruft um die nur Regenrauschen kam

Beschwert der Stein den Busen voller Scham
Den matten Schoß in der Vergängnis Schimmer
Des Herzens Schlag und Drang verwehrt auf immer
Um Abenteuer ward dein Jagen lahm

Dann spricht das Grab aus meinem tiefen Leid
(Denn Dichtersprache sprechen Grabesgründe)
In langer Nächte schlummerloser Zeit

Was soll nun scheue Priesterin der Sünde
Daß du nicht wußtest um der Toten Klagen
Wie Reue wird der Wurm dein Herz benagen

Charles Baudelaire

Vertaling Walter Benjamin


Steeds als gij deze tempel binnenschrijdt
en al uw lieflijkheid aanschouwen laat,
waar, Lidia, met opgemaakt gelaat
gij pralend van uw prille luister zijt,

herinnert mij de menselijke staat
aan de uws ondanks naderende tijd
waarop gij, liefde en natuur ten spijt,
hier weer, maar niet als vroeger, binnengaat.

Die kwade dag – ik roer het bevend aan –
zult gij hier weer, wanneer de dood u met
zijn grafpraal schamper opmaakt, binnengaan.

Schamele mensheid, wat voor zin heeft het,
oneindig schoon zijn, goddelijk in waan,\
En sterven naar onsterfelijke wet?

Tommaso Guadiosi

Vertaling J.P. Rawie


Wat men verlangt, verandert met de tijd,
hoezeer vertrouwd, verandert ieder ding;
de wereld wentelt rond verandering,
en wisselt telkens van hoedanigheid. ·

Steeds zien wij ons gesteld voor een nieuw feit
dat al waarop gehoopt werd onderving;
verdriet schrijnt voort in ‘de herinnering,
geluk, indien al, was slechts grond voor spijt.

Een groen kleed ligt over de velden heen,
die ooit in koude sneeuw waren gehuld,
en eens bezong ik wat ik thans beween.

Maar daarvan afgezien, word ik door éen
verandering het meest’ van vrees vervuld: .
dat niets meer zo verandert als voorheen.

Luís de Camões

Vertaling J.P. Rawie


LAS UVAS DEL TIEMPO

Madre: esta noche se nos muere un año.
En esta ciudad grande, todos están de fiesta;
zambombas, serenatas, gritos, ¡ah, cómo gritan!;
claro, como todos tienen su madre cerca…
¡Yo estoy tan solo, madre,
tan solo!; pero miento, que ojalá lo estuviera;
estoy con tu recuerdo, y el recuerdo es un año
pasado que se queda.

Si vieras, si escucharas esta alboroto: hay hombres
vestidos de locura, con cacerolas viejas,
tambores de sartenes,
cencerros y cornetas;
el hálito canalla
de las mujeres ebrias;
el diablo, con diez latas prendidas en el rabo,
anda por esas calles inventando piruetas,
y por esta balumba en que da brincos
la gran ciudad histérica,
mi soledad y tu recuerdo, madre,
marchan como dos penas.

Esta es la noche en que todos se pone
en los ojos la venda,
para olvidar que hay alguien cerrando un libro,
para no ver la periódica liquidación de cuentas,
donde van las partidas al Haber de la Muerte,
por lo que viene y por lo que se queda,
porque no lo sufrimos se ha perdido
y lo gozado ayer es una perdida.

Aquí es de la tradición que en esta noche,
cuando el reloj anuncia que el Año Nuevo llega,
todos los hombres coman, al compas de las horas,
las doce uvas de la Noche Vieja.
Pero aquí no se abrazan ni gritan: «¡Feliz año!»,
como en los pueblos de mi tierra;
en este gozo hay menos caridad; la alegría
de cada cual va sola, y la tristeza
del que está al margen del tumulto acusa
lo inevitable de la casa ajena.

¡Oh nuestras plazas, donde van las gentes,
sin conocerse, con la buena nueva!
Las manos que se buscan con la efusión unánime
de ser hormigas de la misma cueva;
y al hombre que está solo, bajo un árbol,
le dicen cosas de honda fortaleza:
«¡Venid compadre, que las horas pasan;
pero aprendamos a pasar con ellas!»
Y el cañonazo en la Planicie,
y el himno nacional desde la iglesia,
y el amigo que viene a saludarnos:
«feliz año, señores», y los criados que llegan
a recibir en nuestros brazos
el amor de la casa buena.

Y el beso familiar a medianoche:
«La bendición, mi madre»
«Que el Señor la proteja…»
Y después, en el claro comedor, la familia
congregada para la cena,
con dos amigos íntimos, y tú, madre, a mi lado,
y mi padre, algo triste, presidiendo la mesa.
¡Madre, cómo son ácidas
las uvas de la ausencia!

¡Mi casona oriental! Aquella casa
con claustros coloniales, portón y enredaderas,
el molino de viento y los granados,
los grandes libros de la biblioteca
—mis libros preferidos: tres tomos con imágenes
que hablaban de los reinos de la Naturaleza—.
Al lado, el gran corral, donde parece
que hay dinero enterrado desde la Independencia;
el corral con guayabos y almendros,
el corral con peonías y cerezas
y el gran parral que daba todo el año
uvas más dulces que la miel de las abejas.

Bajo el parral hay un estanque;
un baño en ese estanque sabe a Grecia;
del verde artesonado, las uvas en racimos,
tan bajas, que del agua se podría cogerlas,
y mientras en los labios se desangra la uva,
los pies hacen saltar el agua fresca.

Cuando llegaba la sazón tenía
cada racimo un capuchón de tela,
para salvarlo de la gula
de las avispas negras,
y tenían entonces
una gracia invernal las uvas nuestras,
arrebujadas en sus talas blancas,
sordas a la canción de las abejas…

Y ahora, madre, que tan sólo tengo
las doce uvas de la Noche Vieja,
hoy que exprimo las uvas de los meses
sobre el recuerdo de la viña seca,
siento que toda la acidez del mundo
se está metiendo en ella,
porque tienen el ácido de lo que fue dulzura
las uvas de la ausencia.

Y ahora me pregunto:
¿Por qué razón estoy yo aquí? ¿Qué fuerza pudo
más que tu amor, que me llevaba
a la dulce aninomia de tu puerta?
¡Oh miserable vara que nos mides!
¡El Renombre, la Gloria…, pobre cosa pequeña!
¡Cuando dejé mi casa para buscar la Gloria,
cómo olvidé la Gloria que me dejaba en ella!

Y esta es la lucha ante los hombres malos
y ante las almas buenas;
yo soy un hombre a solas en busca de un camino.
¿Dónde hallaré camino mejor que la vereda
que a ti me lleva, madre; la verdad que corta
por los campos frutales, pintada de hojas secas,
siempre recién llovida,
con pájaros del trópico, con muchachas de la aldea,
hombres que dicen: «Buenos días, niño»,
y el queso que me guardas siempre para merienda?
Esa es la Gloria, madre, para un hombre
que se llamó fray Luis y era poeta.

¡Oh mi casa sin cítricos, mi casa donde puede
mi poesía andar como una reina!
¿Qué sabes tú de formas y doctrinas,
de metros y de escuela?
Tú eres mi madre, que me dices siempre
que son hermosos todos mis poemas;
para ti, soy grande; cuando dices mis versos,
yo no sé si los dices o los rezas…
¡Y mientras exprimimos en las uvas del Tiempo
toda una vida absurda, la promesa
de vernos otra vez se va alargando,
y el momento de irnos está cerca,
y no pensamos que se pierde todo!
¡Por eso en esta noche, mientras pasa la fiesta
y en la última uva libo la última gota
del año que se aleja,
pienso en que tienes todavía, madre,
retazos de carbón en la cabeza,
y ojos tan bellos que por mí regaron
su clara pleamar en tus ojeras,
y manos pulcras, y esbeltez de talle,
donde hay la gracia de la espiga nueva;
que eres hermosa, madre, todavía,
y yo estoy loco por estar de vuelta,
porque tú eres la Gloria de mis años
y no quiero volver cuando estés vieja!…

Uvas del Tiempo que mi ser escancia
en el recuerdo de la viña seca,
¡cómo me pierdo, madre, en los caminos
hacia la devoción de tu vereda!
Y en esta algarabía de la ciudad borracha,
donde va mi emoción sin compañera,
mientras los hombres comen las uvas de los meses,
yo me acojo al recuerdo como un niño a una puerta.
Mi labio está bebiendo de tu seno,
que es el racimo de la parra buena,
el buen racimo que exprimí en el día
sin hora y sin reloj de mi inconsciencia.

Madre, esta noche se nos muere un año;
todos estos señores tienen su madre cerca,
y al lado mío mi tristeza muda
tiene el dolor de una muchacha muerta…
Y vino toda la acidez del mundo
a destilar sus doce gotas trémulas,
cuando cayeron sobre mi silencio
las doce uvas de la Noche Vieja.

Madrid, medianoche del 31 de diciembre de 1923.

Andrés Eloy Blanco


DE DRUIVEN VAN DE TIJD

Moeder: Vanavond sterft er een jaar.
In deze grote stad viert iedereen feest;
tamboerijnen, serenades, geschreeuw, oh, wat schreeuwen ze!;
natuurlijk, want iedereen heeft zijn moeder in de buurt…
Ik ben zo alleen, Moeder,
zo alleen!; maar ik lieg, ik wou dat ik dat was;
Ik ben bij jouw herinnering, en de herinnering is een jaar
dat voorbij is en blijft.

Als je kon zien, als je deze commotie kon horen: er zijn mannen
gekleed in waanzin, met oude potten,
trommels gemaakt van pannen,
koebellen en bugels;
de verdorven adem
van dronken vrouwen;
de duivel, met tien brandende blikken aan zijn staart,
loopt door deze straten en verzint pirouettes,
en door dit tumult waarin de grote hysterische stad springt,
marcheren mijn eenzaamheid en jouw herinnering, Moeder,
als twee smarten.

Dit is de nacht waarop iedereen een blinddoek omdoet,
om te vergeten dat iemand een boek sluit,
om de periodieke afrekening te vermijden,
waar de boekingen naar de Doodskrediet gaan,
voor wat komen gaat en voor wat overblijft,
want wat we niet lijden is verloren,
en wat we gisteren genoten hebben is een verlies.

Hier is het traditie dat op deze nacht,
wanneer de klok de komst van het nieuwe jaar aankondigt,
alle mannen, op het ritme van de uren,
de twaalf druiven van oudejaarsavond eten.
Maar hier omhelzen ze elkaar niet en
roepen ze niet “Gelukkig Nieuwjaar!”,
zoals in de dorpen van mijn geboorteland;
in deze vreugde is minder naastenliefde;
ieders geluk is eenzaam, en de droefheid
van hen die aan de zijlijn van de drukte staan, onthult
de onvermijdelijkheid van het huis van de ander.

O, onze dorpspleinen, waar mensen heengaan,
zonder elkaar te kennen, met het goede nieuws!
De handen die zich uitstrekken met de eensgezinde uitstorting
van mieren uit dezelfde grot;
en tegen de man die alleen onder een boom staat,
zeggen ze dingen van diepe kracht:
“Kom, vriend, want de uren gaan voorbij;
maar laten we leren ermee mee te gaan!”
En het kanonschot op de vlakte,
en het volkslied uit de kerk,
en de vriend die ons komt begroeten:
“Gelukkig Nieuwjaar, heren,” en de bedienden die komen
om in onze armen te ontvangen
de liefde van een goed thuis.

En de familiekus om middernacht:
“Zegen, Moeder”
“Moge de Heer u beschermen…”
En dan, in de lichte eetkamer, het gezin
verzameld voor het avondeten,
met twee goede vrienden, en jij, Moeder, aan mijn zijde,
en mijn vader, enigszins bedroefd, aan tafel.
Moeder, wat zijn de druiven van afwezigheid toch zuur!

Mijn oosterse landhuis! Dat huis
met zijn koloniale kloostergangen, poort en wijnranken,
de windmolen en de granaatappelbomen,
de grote boeken in de bibliotheek –
mijn favoriete boeken: drie delen met illustraties
die spraken over de rijken der natuur.
Ernaast de grote omheining, waar het lijkt alsof
er sinds de onafhankelijkheid geld begraven ligt;
de omheining met guave- en amandelbomen,
de omheining met pioenrozen en kersen,
en de grote wijnrank die het hele jaar door druiven droeg,
zoeter dan honing.

Onder de wijnranken ligt een vijver;
een duik in die vijver smaakt naar Griekenland;
van het groene cassetteplafond hangen de druiventrossen,
zo laag dat je ze zo uit het water kunt plukken,
en terwijl de druif op je lippen bloedt,
spatten de koele druppels water op je voeten.

Toen het seizoen aanbrak,
had elke tros een stoffen kapje,
om hem te beschermen tegen de vraatzucht
van de zwarte wespen,
en toen hadden onze druiven
een winterse gratie,
gehuld in hun witte schillen,
doof voor het gezang van de bijen…

En nu, Moeder, nu ik alleen nog maar
de twaalf druiven van oudejaarsavond heb,
terwijl ik vandaag de druiven van de maanden uitknijp
op de herinnering aan de droge wijngaard,
voel ik alle zuurheid van de wereld
erin sijpelen,
want de druiven van afwezigheid dragen
de zuurheid in zich van wat ooit zoet was.
En nu vraag ik me af:

Waarom ben ik hier? Welke kracht zou kunnen zegevieren
over jouw liefde, die mij
naar de zoete anonimiteit van jouw deur trok?
O ellendige roede die ons meet!
Roem, glorie… wat een armzalig klein ding!
Toen ik mijn huis verliet om glorie te zoeken,
hoe vergat ik de glorie die ik achterliet!

En dit is de strijd tegen slechte mensen
en tegen goede zielen;
Ik ben een man alleen, zoekend naar een pad.
Waar vind ik een beter pad dan het pad
dat me naar jou leidt, Moeder; de waarheid die dwars door
de boomgaarden snijdt, geschilderd met droge bladeren,
altijd vers beregend,met tropische vogels, met dorpsmeisjes,
mannen die zeggen: “Goedemorgen, kind,”
en de kaas die je altijd voor me bewaart als tussendoortje?
Dat is glorie, Moeder, voor een man
die Fray Luis heette en een dichter was.

O, mijn huis zonder citrusbomen, mijn huis waar
mijn poëzie als een koningin kan ronddwalen!
Wat weet jij van vormen en doctrines,
van metrische vormen en scholen?
Jij bent mijn moeder, die me altijd vertelt
dat al mijn gedichten mooi zijn;
voor jou ben ik groot; Als je mijn verzen reciteert,
weet ik niet of je ze reciteert of bidt…
En terwijl we een absurd leven uit de druiven van de Tijd persen,
wordt de belofte
elkaar weer te zien steeds langer,
en nadert het moment van ons vertrek,
en denken we niet dat alles verloren is!
Daarom denk ik vanavond, terwijl het feest voorbijgaat
en ik de laatste druppel
van het voorbijgaande jaar uit de laatste druif drink,
dat je nog steeds, Moeder,
stukjes kool in je haar hebt,
en ogen zo mooi dat ze voor mij
hun heldere, hoge vloed in je donkere kringen stortten,
en nette handen, en een slanke taille,
waar de gratie van de nieuwe korenaar te zien is;
Je bent nog steeds prachtig, Moeder,
en ik verlang ernaar terug te keren,
want jij bent de glorie van mijn jaren
en ik wil niet terugkeren als je oud bent!…

Druiven van de tijd die mijn wezen uitstort
in de herinnering aan de dorre wijngaard,
hoe verlies ik mezelf, Moeder, op de paden
naar de toewijding van jouw weg!
En in dit rumoer van de dronken stad,
waar mijn emotie zonder gezelschap ronddwaalt,
terwijl de mensen de druiven van de maanden eten,
klamp ik me vast aan de herinnering als een kind aan een deur.
Mijn lippen drinken uit jouw borst, die de tros is van de goede wijnstok,
de goede tros die ik perste op de dag
zonder uur en zonder klok van mijn onderbewustzijn.

Moeder, vanavond sterft er een jaar voor ons;
Al deze heren hebben hun moeders in de buurt,
en naast me draagt ​​mijn stille verdriet
de pijn van een dood meisje…
En alle bitterheid van de wereld kwam
om zijn twaalf trillende druppels te distilleren,
toen de twaalf druiven van oudejaarsavond op mijn stilte vielen.

Madrid, middernacht, 31 december 1923.

Andrés Eloy Blanco

“Snoeien: Gedichten 1921/1928” (1934)


Steffi huilt

Het geeft niet Poes
het geeft niet dat we
sterven
Want weet je Poes
dood is het landgoed dat
we bij geboorte erven
Het geeft niet Poes ook al
is het om te huilen
Het is ons slot: leven opent het
en wij sluiten.

Astrid Roemer (1947-2026)

uit: Ik ga strijden moeder (In de Knipscheer, 2021)


Wie de top van het geluk bereikt
stuit op iets zachts

de bodem van verdriet is
het en onbegrijpelijk als een
zwart gat

net als het licht stroomt het
geluk naar een oord
waar alles verdwijnt
er is geen weg terug voor wie
helemaal gelukkig
is
(geweest).

Astrid Roemer (1947-2026)

uit: Ik ga strijden moeder (In de Knipscheer, 2021)


DE BEENDEREN VAN DIE GESTORVEN ZIJN

De beenderen van die gestorven zijn
doen ijs op de monden regenen
van hen die hebben lietgehad,
zij kunnen geen kussen meer geven.

De beenderen van die gestorven zijn,
zij blijven hun bleek wit werpen
met scheppen vol op de levensvlam,
de vuurgloed moet ervan sterven.

De beenderen van die gestorven zijn
zijn sterker dan ’t vlees der levenden:
verbrokkelend smeden ze boeien nog
waarmee ze als slaven ons ketenen.

Gabriela Mistral

Vertaling Gerard Wijdeveld


Mijn gedachten zijn zwaar
sneller dan licht gaan ze naar doelen
die ik bedenk
nog voor ik uitspreek dat ik
het wil lig je naast me in bed
ik wil zeggen
ik begeer je zo maar je
hebt het reeds vernomen
zo gaat het bericht van mijn dood
ook voor me uit
het omsingelt je met gedachten
aan mij een soort slapeloosheid die rede-
loos maakt

sneller dan licht kom je en
verwekt me opnieuw

Astrid Roemer (1947-2026)

uit: Ik ga strijden moeder (In de Knipscheer, 2021)


Herbstgesang
I
Bald werden wir in kalte Nebel fahren
Schon hör ich überall in dumpfen Scharen
Die Scheiter in die breiten Höfe fallen

Ganz wird der Winter meinen Sinn bedecken
Mit Haß und Schauder Zorn und arger Not
Und wie die Sonne in der Pole Schrecken
Erstarrt mein Herz zum Block von eisigem Rot

Mit Frösteln hör ich fallen jeden Ast
Nicht dumpfer tönt die Richtstatt die man baut
Mein Geist fällt wie der Wartturm vor der Last
Des Widderstoßes der ihn täglich haut

Mir aber ist gewiegt wie im Geläute
Man nagelt einen Sarg im Erdenschoß
Für wen? War gestern Sommer Herbst ist heute
Dies trübe Raunen klingt wie Aufbruch groß.

II
Wie ist deiner Augen grünlicher Schimmer mir wert
Sanfte Schöne, doch heute brennt alles mich sehr
Und deine Liebe nicht, nicht Gemach oder Herd
Kommen der Sonne mir gleich wenn sie strahlt auf das Meer.

Dennoch sei du mir Mutter, mein Wesen, sei gut
Bleib es dem Undankbaren, ja bleib es dem Bösen;
Schwesterlich oder entbrannt, sei die flüchtige Glut

In die Herbst und sinkende Sonne sich lösen.
Nicht auf lange! Das Grab steht wartend bereit
Nimm meine Stirn, überlaß mich zu deinen Füßen
Trauervoll denkend der weißen der sengenden Zeit
Nun dem Strahle des Spätjahrs, dem gelben und süßen!

Charles Baudelaire

Vertaling Walter Benjamin


Reisverhaal

Clary, daar waren eens twee erg-jonge mannen:
de een was eerder klein, de ander eerder groot;
de ander sprak dikwijls over de dood,
de een bleef onbewust wat eeuwigheid verlangen.

Niet zo heel lang geleden waren zij hier:
zij kwamen met een boemeltreintje uit Toscane;
het is moeilijk te zeggen waarom zij juist hier kwamen,
laat ons zeggen: het was hun goed-plezier.

De ander, die dikwijls sprak over de dood,
roemde de natuur, doorzocht alle hoeken,
en ademde diep; de een las in boeken
gedachten van derden, zijn dagelijks brood.

En schreef ook wel brieven, maar sommige uren
van de dag liep hij toch met de ander langs het meer.
Het is moeilijk dit verhaal nog langer te doen duren,
want, alles welbeschouwd, zij deden niet veel méér.

De zon was bleek en koud, het water hard en strak;
zo wil ’t de waarheid, dus: je mag mij niets verwijten.
Je vroeg mij een verhaal, je weet, het vlees is zwak.
De zon is rijp en geel en stroomt door al de ruiten.

Arona, Lago Maggiore

E. du Perron (1899-1940)


ANIMA MEA

Plots stond de Dood in volle lengte daar,
ja, als een slang, pal voor mijn aangezicht,
die sliep en zich opeens heeft opgericht
vlak voor de voeten van een wandelaar.

Of een bacchant zijn grafsteen had gelicht!
Woest zijn gelaat, vergramd zijn ogenpaar!
Ik vroeg: ‘Verwatene, waar haak je naar,
ontheemde wolf, wiens vraatzucht nimmer zwicht?’

‘Vrees niet,’ sprak hij (een spottende grimas
vertrok zijn mond, meedogenloos en kil,
wat een nog méer bloedstollend schouwspel bood).

je lijf begeer ik niet … Zo’n inzet was
zelfs mij te hoog … Je ziel is wat ik wil.’
Ik antwoordde: ‘Mijn ziel – die is al dood!’

Antero de Quental

Vertaling J.P. Rawie


De weg staat niemand meer voor ogen
geboren in een doffe tijd.
Wij – Ruslands wreedste eeuw onttogen
wij kennen geen vergetelheid.·

De jaren die tot as vergaan zijn!
In waanzin soms, in hoop verdaan?
Een bloedrood schijnsel kleeft ons aanschijn
sinds oorlog en bevrijding aan.

Wij zijn verstomd- een noodsirene
snoert allen met geloei de mond.
Waar elke geestdrift is verdwenen
ligt leegte slechts op ’s harten grond.

En gaan ook·krijsend zwermen kauwen
boven ons doods bed straks tekeer, –
Uw Rijk, Heer, mogen zij aanschouwen
die waardiger dan wij zijn, Heer.

Aleksander Blok

Vertaling J.P. Rawie


Ik wil niet worden als een pop van was
ten prooi aan schimmel, wormen en verwording,
ik wil niet dat ik met het zodengras
tussen de zerken uit het donker doordring.

Op een wit kerkhof bloeit de wilde vlier,
op een wit kerkhof viel de koele avond,
en ik blijf roerloos, als men zegt: ‘Ziehier
de groeve waar Ivanov ligt begraven … ‘

En wanneer jij – weer iets wat ik niet wil –
met rozen hiernaartoe komt mijnentwege,
en tranen stort – weet ik al geen verschil
meer tussen woorden, tranen, wind en regen.

Georgi Ivanov

Vertaling J.P. Rawie


Frohsinn des Toten

In fettem Erdreich das voll Schnecken steckt
Will ich mir selbst die tiefe Gruft bestellen
Wo ich den Schlaf der meine Knochen streckt
Im Nichtsein schlummre wie ein Hai in Wellen.

Ich hab nicht Grab noch Erbschrift im Respekt;
Eh ich besorgte daß mir Tränen quellen
Lud ich noch heute wenn ich einst verreckt
Die Raben meinem Aas sich zu gesellen.

O Würmer! augenlose schwarze Freunde ihr
Euch naht ein Toter leicht und froh in mir;
Bedachte Schlemmer, Söhne der Zersetzung

Durchquert mein Haus von Skrupeln unbedroht
Und sagt mir ob noch fernerhin Verletzung
An den Kadaver rührt der nun mit Toten tot.

Charles Baudelaire

Vertaling Walter Benjamin


Die Zerstörung

Ohn Ruh noch Rast der Dämon mich berennt
Er schwimmt um mich gleich leerem Hauch abgründig
Ich saug ihn ein der meine Lungen brennt
Füllt sie mit Sehnen ewiglich und sündig

Bisweilen wählt kund großer Lieb zur Kunst
Er die verführerischste Form der Frauen
Und unter Sprüchen liebt scheinheilger Gunst
Gemeine Tränke meinem Mund zu brauen

Er führt mich so weitab vom Aug des Herrn
Den Stöhnenden vom Schlaf Zerbrochnen fern
Zum Anger Langerweil öd und geheim

Und wirft in meine Augen voll Betörung
Befleckt Gewande offner Wunden Schleim
Und blutenden den Schemen der Zerstörung.

Charles Baudelaire

Vertaling Walter Benjamin


HET KIND

Voor Alfonsina Storni

I

Een kind ! Een kind! Een kind! Een kind van jou en mij
heb ik gewenst, toen, in die dagen van vervoering,
toen zelfs nog mijn gebeente beefde van jouw stem
en wijd een lichtkrans groeide om mijn voorhoofd

Een kind! Ik zei ‘t, zoals een boom, doorschokt van lente,
zijn nieuwe twijgen hoger naar de hemel heft.
Een kind met grote ogen, ogen als van Christus,
een voorhoofd vol verbazing, lippen vol verlangen,

Zijn armen als een bloemkrans om mijn hals gelegd,
mijn leven een rivier die vruchtbaar tot hem daalde,
mijn moederhart een reukwerk dat, waar hij zou lopen,
de heuvels van de wereld heerlijk zalven zou.

Als wij, met onze liefde gaande door ’t gewoel,
een zwangere vrouw passeerden, keken wij haar aan
met onze lippen trillend, vragend onze ogen.
’t Zacht kijken van een kind liet ons als blinden achter.

’s Nachts lag ik wakker, van gezichten en geluk,
maar niet de wellust daalde laaiend op mijn bed;
naar ’t kind dat komen ging, in liederen gekleed,
stak ik mijn arm uit, boog ik aan mijn borst een holte.

De zon leek mij niet warm genoeg om hem te baden;
als ‘k naar mezelf keek, haatte ik mijn grove knieën;
mijn hart was bang, onthutst van ’t weergaloos geschenk,
de tranen van de deemoed liepen langs mijn wangen.

En ‘k duchtte niet de schunnige ontbinder, dood:
het kind zou met zijn ogen jou van ’t niets bevrijden,
en naar de morgenluister of ’t onzeker licht
zou ik, beschenen door die blik, geschreden zijn …

II

Nu ben ik dertig. Langs mijn slapen heeft voortijdig
de dood zijn as gesprenkeld. Op mijn dagen drupt

-zoals de eeuwige regen in het poolgebied –
de zilte, kille bitterheid met trage tranen.

Terwijl de pijnhoutblokken vlammen en bedaren,
peins ik, mijn hart beziende, wat een zoon van mij
geweest zou zijn, een kind met mijn vermoeide mond,
mijn bitter hart, mijn stem die klinkt naar nederlaag.

En met jouw hart, zo diep vergeven van venijn,
jouw lippen, die opnieuw verloochend zouden hebben:
geen veertig manen had hij aan mijn borst gerust
zonder – zijn vaders zoon – mij in de steek te laten.

In welke bloementuin, aan welke lentestromen
had hij mijn martelpijn gewassen uit zijn bloed,
mijn triestheid in verlaten en in milde landen?
Geen schone avond, of ik had in hem gesproken!

En dan die gruwel dat hij eens, hittig van wrok
zijn mond, mij ’t zelfde zeggen zou als ik mijn vader:
Waarom is jouw mistroostig vlees vruchtbaar geweest
en zijn de borsten van mijn moeder volgestroomd?’

Ik voel een wrange vreugd dat jij nu daarbeneden
slaapt in je aarden bed, en dat geen zoon mijn hand
kan wiegelen: ik mag ook gaan slapen, zonder leed
of wroeging, wilde bramenstruiken boven mij.

Want ‘k zou mijn ogen daar niet dichtdoen, ‘k zou verwilderd
luisteren door de dood heen, rijzen overeind
op mijn ontkrachte knieën, met mijn scheve mond,
als ‘k hem zag langsgaan, met mijn koorts op zijn gezicht.

Godsvrede zou nooit over mij zijn neergedaald:
de bozen zouden in ’t onschuldig vlees mij wonden
en eeuwig zouden ze mijn bloed doen stromen over
mijn kinderen met hun verrukte aangezichten.

Gezegend zij mijn borst, grafkuil van mijn geslacht !
Gezegend zij mijn schoot waarin de mijnen sterven!
Mijn moeders aanschijn zal niet meer de wereld doorgaan,
geen wind draagt meer het Miserere van haar stem.

Het woud, tot as verbrand, zal honderdmaal herrijzen
en honderdmaal, volgroeid, weer vallen voor de bijl.
Ik zal in ’t oogsttij vallen om niet op te staan:
met mij gaan al de mijnen de nacht in, voorgoed.

Alsof ik afbetaal de schuld van heel een stam,
doorsteekt een bijenzwerm van pijnen mij de borst.
In elk uur dat voorbijgaat leef ik een heel leven,
als een rivier naar zee gaat bitter-brak mijn bloed.

Mijn arme doden zien de zon, de avondluchten,
met diepe pijn: ze zijn in mij al blind aan ’t worden.
Mijn lippen worden mat van ’t vurig bidden dat zij,
voordat ik ga verstommen, in mijn liedren doen.

Niet voor mijn eigen schuur heb ik gezaaid, les gevend
geen arm gezocht die mij in ’t eind zou troosten,
wanneer mijn vege hals mij niet meer dragen kan
en over ’t beddelaken tastende mijn hand schuift.

Andermans kindren heb ‘k geweid, hun schuur heb ik
met hemelgraan gevuld. Mijn hoop zijt gij alleen nu,
Vader die in de hemel zijt. Omvat mijn hoofd
mijn bedelarme hoofd, wanneer ik sterf vannacht.

Gabriela Mistral

Vertaling Gerard Wijdeveld


FOLTERING

Al twintig jaar zit in mijn vlees gestoken
-en de dolk is heet –
een mateloos groot vers, een vers met golven
als hoge zee.

Vernederd huisvest ik ‘t, mijn ingewanden
murw van zijn majesteit:
met deze povere mond die heeft gelogen
wil dàt gezongen zijn?

De afgeleefde woorden van ons mensen
missen de brand
van zijn vuurtongen, ’t levende vibreren
van die klank.

Gelijk een kind houdt het zichzelf in leven
met wrongel van mijn bloed
Geen kind heeft uit een vrouw meer bloed gedronken
dan dit vers doet.

Gruwlijke gave! Grote schroeiwond! Schreeuwen
moet ik van pijn!
Hij die het in mijn lichaam heeft genageld
moge genadig zijn!

Gabriela Mistral

Vertaling Gerard Wijdeveld


ZIJN GLIMLACH

Romsey. Zondag-namiddag. Uit de poort
Statige kerk-muziek. Buiten wat groen,
Fletsig, maar overal, mild, op groen en steen,
’t Ontroerend licht van late najaarsdag.
Daar, op ’t reliëf van de gekruisigde,
Grijs in de buitenmuur van ’t ruig transept,
Zag ik de glimlach, – nooit vergeten sinds,
Tot hij mijn beeld der heilsbelofte werd,
Van zijn, en aller blijdschap. Beeld, dat nu,
Een voorjaarsdag, en morgen, licht gefloerst,
Mij, die het zie en lang reeds heb doorpeinsd,
Tot dichten dringt, -dit ingetogen vers
Van eerbied, lief de, trouw en zekerheid,
Waar, hoop ik, ook een ander ‘tin zal zien,
Zo, als mijn hart deed, in doorpeinzen kan.

P.N. van Eyck


MYSTERIUM GOLGOTHANUM

Toen hij reeds lang aan ’t kruis hing, dicht nabij
Het negende uur al, duisternis rondom

Het schandehout, de berg, ’t kaal, bultig land,
Donker hij zelf voor hen, die om hem heen
In de eindeloze desolatie van die dag,
De plaats, hun hart stonden en, zwaar en stom,
Verslagen wachtten op ’t geschuwde slot,
Zag éen, vlak onder ’t kruis, een jonge man,
Een ónverslagene, met vaste blik
(Hel door de lichtkracht van zijn hoge ziel,
Die ’t alom machtig duister overwon)
Gespannen naar dat zacht en sterk gezicht,
’t Groot-bleke, dat hij liefhad, -altijd door
In de oren ’t woord over de blijdschap nog,
Die hij van hém had, en die blijven zou
Omdat dit woord gesproken was, Ja zelfs,
Maar enkel door onwankelbare trouw,
Als eigen blijdschap eens vervuld zou zijn.
De uren van angst, smart, smaad, verbijstering dóor,
Na al de ellende van ’t gerecht, het kruis,
Geen vraag in hem, of aan dat schrikkelijk hout
Werkelijk de zelf de meester hing, uit wie
Gister, tijdens het maal, ’t bevrijdend woord
Van liefde klonk. Geen vraag, maar zekerheid,
Ook nu, nu ’t haast verwrongen smart-gelaat
Een raadselig masker scheen van smart, die méer
Dan aardse smart was, maar, achter die smart,
Ofschoon aldoor bevroed, zijn peilend oog
Niets zien kon van de blijdschap, die zijn ziel
Trillen deed, toen dat woord de boodschap sprak.
Zekerheid, nog, toen kort daarna, alsof
Iédere smart, mensen-smart, wereld-smart,
Onduldbaar saam trok in ’t verengd besef
Van ’t lijdend ik aan ’t kruis, ’t gemarteld lijf
Zó veel niet droeg en, met éen schrille kreet,
Die elks gemoed doorsneed, de eenzaamste man,
Die ooit op aarde heeft geleefd, zijn wee
Tot Hém uitklaagde, die ’t had opgelegd.
Zelfs toen niet schemerde de helle blik
Naar ’t smart-gelaat, dat niemand zag dan hij,
Horend, zijn weten hecht in ’t vrije hart,
Doorhéen de ontzetting van die kreet alreeds
Nieuwe geboorte, van geluk, en licht,
Die aanstonds ook ’t geschonden hoofd doorscheen.
Want, toen de kreet geslaakt was, en zwart-stil
De zware lucht rondom weer, wijl ’t gelaat
Plotseling, in de doodskramp, met een ruk
Aardewaarts neeg, zag hij, een ogenblik,
Een glimlach op dat stervend aangezicht,
Waar alle smart in was verglansd, waarvoor,
Eén enkele en ondeelbare oogwenk ook,
De wereld staan bleef: stille licht-triomf
Der zekerheid in ’t sterke, hoge hart,
Dat, heel de dag door, zonder éen moment
Van twijfel, op de glimlach had gewacht.
Zo stierf de man aan ’t kruis. Hij, Jan, alleen,
Heeft het gezien, – hij alleen niet geweend.

P.N. van Eyck


NACHT

Een laatst en stilst verwachten fluistert,
Ik heb maar één geluk ontbeerd;
Te zijn, in ’t avondrood dat duistert,
De vreemdeling die huiswaarts keert.

Een schip dat schemerend huiswaarts glede,
Door drift van wind en golf verweerd,
Straks in de sterdoorschenen rede,
Dood, in uw vrede vastgemeerd.

P.N. van Eyck


EL FUTURO

Y sé muy bien que no estarás.
No estarás en la Cali, en el murmullo que brota de noche
de los postes de alumbrado, ni en el gesto
de elegir el menú, ni en la sonrisa
que alivia los completos de los subtes,
ni en los libros prestados ni en el hasta mañana.

No estarás en mis sueños,
en el destino original de mis palabras,
ni en una cifra telefónica estarás
o en el color de un par de guantes o una blusa.
Me enojaré amor mío, sin que sea por ti,
y compraré bombones pero no para ti,
me pararé en la esquina a la que no vendrás,
y diré las palabras que se dicen
y comeré las cosas que se comen
y soñaré las cosas que se sueñan
y sé muy bien que no estarás,
ni aquí adentro, la cárcel donde aún te retengo,
ni allí fuera, este río de calles y de puentes.
No estarás para nada, no serás ni recuerdo,
y cuando piense en ti pensaré un pensamiento
que oscuramente trata de acordarse de ti.

Julio Cortázar


DE TOEKOMST

En ik weet heel goed dat je er niet zult zijn.
Je zult niet op straat zijn, in het gemurmel dat ’s nachts opstijgt
van de lantaarnpalen, noch in het gebaar
van het kiezen van de menukaart, noch in de glimlach
die de drukte in de metro verlicht,
noch in de geleende boeken, noch in het “tot morgen”.

Je zult niet in mijn dromen voorkomen,
niet in de oorspronkelijke bestemming van mijn woorden,
noch in een telefoonnummer,
of in de kleur van een paar handschoenen of een blouse.
Ik zal boos worden, mijn liefste, maar niet vanwege jou,
en ik zal chocolaatjes kopen, maar niet voor jou,
Ik zal op de hoek staan ​​waar jij niet komt,
en ik zal de woorden zeggen die gezegd worden,
en ik zal eten wat gegeten wordt,
en ik zal dromen wat gedroomd wordt,
en ik weet heel goed dat jij er niet zult zijn,
noch hier binnen, de gevangenis waar ik je nog steeds gevangen houd,
noch daarbuiten, deze rivier van straten en bruggen.
Je zult er helemaal niet zijn, je zult zelfs geen herinnering meer zijn,
en wanneer ik aan je denk, zal ik een gedachte hebben
die vaag probeert je te herinneren.

Julio Cortázar


Bij klare hemel zag ik regen vallen,
en helderheid die uit het duister kwam,
en laaiend vuur gestold tot ijskristallen,
en koude sneeuw opeens in vuur en vlam,

en zoetigheden die de smaak vergallen,
en gal die plots een zoete smaak aannam,
en vijanden eendrachtig als vazallen,
en tussen vrienden louter wrok en gram.

Maar dit is niets bij Liefde vergeleken:
zij wondt mij, en geneest mij door mijn wonden;
zij dooft het vuur dat mij.verteert met vuur.

Zij geeft mij leven in mijn stervensuur,
zij doet mijn as opnieuw in vuur ontsteken;
zij laat mij los, en houdt mij vastgebonden

Giacome da Lentini

Vertaling J.P. Rawie


DE TOREN Waar van mijn gouden twaalf paleizen geen voldoet,
geen dag mijn koninklijk gemoed nog kan bekoren,
heb op een avond ik mijn marmren troon voorgoed
doen plaatsen op het hoogste van mijn hoogste toren.

En daar; onttogen aan de mens en het gedrang,
leef ik alleen in ’t stil azuur, en onbewogen
aanschouw ik hoe zonsopgang en zonsondergang
zich spieglen in.’t verlaten·water van mijn ogen.

Ik leef verbleekt, de smaak van sterven in mijn mond.
Onder mijn voeten slaapt de Aarde als een hond,
terwijl mijn handen ’s nachts tussen de sterren waren.

Niets heeft mijn eeuwig starende ogen afgeleid;
niets heeft mijn lege hart vervuld, waar wijd en zijd
slechts dromen op de ·zee van mijn verveling varen;

de Leegte heeft mijn ziel doen worden als de hare.

Albert Samain

Vertaling J.P. Rawie


Ik moet hier weg, ik wil mij niet meer horen:
mijn stemgeluid weergalmt in elk geluid,
verzoening blijft wanneer ik zondig uit,
berouw komt geen vertrouweling ter ore.

Ik vind niets menselijks dat mij kon schoren
buiten mijzelf waar ik op niets meer stuit;
als zich tot slot mijn kerker niet ontsluit
ga ik in dit luchtledige verloren.

Je meent dat je de medemens omgeeft
en blijkt je tussen spiegels te bewegen,
in bittere vereenzaming, ontheemd.

Na zoveel sterven van mijzelf vervreemd
kom ik mij slechts in spiegelbeelden tegen,
beseffend dat ik nimmer heb geleefd.

Miguel de Unamuno

Vertaling J.P. Rawie


DE DENKER VAN RODIN

Voor Laura Rodig

De kin omlaaggezonken in de harde hand,
beseft de denker dat hij vlees is voor de grafkuil,
gedoemd vlees dat het noodlot naakt te woord moet staan,
vlees dat de dood haat, en dat heeft gebeefd om schoonheid

en heeft gebeefd om liefde, heel zijn laaiend voorjaar,
en thans, bij herfst, verdrinkt in waarheid en in treurnis.
Het vonnis ‘Sterven moeten wij’ vaart langs zijn voorhoofd,
in scherp gebeiteld brons, nu dat de nacht begint.

In die beklemming scheuren, diep gekweld, zijn spieren,
lopen de voren van zijn vlees vol wilde angst.
Hij breekt, zoals het herfstblad, voor de Heer vol macht,

die in het brons hem roept. Geen boom vindt gij, geteisterd
door zongloed op de vlakte, geen gewonde leeuw,
zó krom gekrampt als deze mens die aan de dood denkt.

Gabriela Mistral

Vertaling Gerard Wijdeveld


Der Tod der Liebenden

Es werden tief im Dufte stehn die Betten
Divane wo wir wie in Gräbern wohnen
Und seltne Blumen auf erhöhten Stätten
Für uns erschlossne unter schönen Zonen

Zur Lust verleuchtend ihre Glut die letzte
Zwei Herzen werden große Feuer sein
In deren Glut gedoppelt sich benetzte
Der Zwillingsspiegel Geist im Widerschein

Ein Abend Rosa baut und heimlich Blauen
Wir werden tauschen jenes helle Schauen
Wie letztes Schluchzen das den Abschied beut

Später ein Engel in der Türen Spalten
Eintreten wird belebt treu und erfreut
Spiegel so blind und Flammen die erkalten.

Charles Baudelaire

Vertaling Walter Benjamin


Jij bleef gelijk, door al die jaren:
streng, schoon en stralend als voorheen;
een beetje gladder slechts je haren,
en soms glanst er wat grijs doorheen.

Maar· ik werd oud, en zit gebogen
over een boek dat voor me ligt;
met het onvatbare voor ogen
zie ik de rust van je gezicht.

Wij leven voort, zoals we deden.
De tijd heeft ons niet aangetast;
het fabelachtige verleden,
wij hielden het, gedenkend, vast.

De as bleef in de urn behouden.
Een blauwe mist omvangt de geest.
Steeds wonderbaarlijker, steeds blauwer
herdenken wij wat is geweest.

Aleksander Blok

Vertaling J.P. Rawie


MAAR DAN – WANT NOOIT KAN STERVEN, WAT EENS DIEP,
Diep uit tijdeloze afgrond van mijn Wezen
Naar ’t golvend vlak van ’t schijn-Ik is gerezen,
Maar ’t zinkt naar de oorsprong, waar het heilig sliep;,

Tot verre herinnering het wakker riep
Naar schomm’lende balans van hoop en vrezen:
Dus vind ik ‘t, als ‘k van ’t leven ben genezen .
Dat wereldschijn uit smart en sterren schiep.

Zoals ‘k me vaak door ’t Zelfbesef verlaten
Om lege werklijkheid van drukke straten
Met stille Poolster troost, al zie ‘k hem niet,

Zo voel ‘k na dood van liefde en moeder beiden .
Van heel ver in mijn denken binnenglijden
De rust van Mahler’s Kindertotenlied.

Johan Dèr Mouw


Alles op aarde – moeder, jeugd-moet sterven,
je vrouw bedriegt je; je verliest je vriend.
Maar zoek een nieuwe zoetheid te verwerven,
het koude poolgebied rondom beziend.

Ga scheep, richt naar de verre pool de steven
langs wand na·wand uit ijs – en stil, vergeet
wat ginds in haat én hartstocht is gebleven …
Vergeet het oude land van lief en leed.

En leer in huivering en trage koude·
je uitgeputte ziel hoe op het eind
hier niets.is wat haar vàst zal kunnen houden,
wanneer het licht van gene· zijde schijnt.

Aleksander Blok

Vertaling J.P. Rawie


TERESA PRATS DE SARRATEA

Zij is niet hier meer. En bij zoveel zon en lente
ben ik in waarheid armer dan een bedelvrouw.
Al staan in februari hoog met graan de velden,
De zon is minder zon, de aren minder glans.

Zij was zo zacht, zo zwijgzaam en zo weggedoken,
en van ons vlees droeg zij de zichtbaarheid alleen,
maar als zij sprak, dan maakte zij het leven dieper;
’t bestaan werd schoon voor wie haar in de wereld wist.

Enorme ogen had zij, die het hart onthutsten,
tragische bressen van ’t oneindige. Ik denk
dat die daarboven onverwonderd opengingen:
alles was hun vertrouwd, van ’t klein tot ’t mateloos.

Dieper vermoeid was zij dan een die dertig eeuwen
de steppe onder barre zon was doorgegaan.
Een – en – al bron was zij, en zij heeft dorst geleden;
zij was de bron en toch was zij een stervende.

Ik vraag nu niet: is zij tot lamp of as geworden?
Ik weet: zij is verheerlijkt. Snikkend loof ik haar,
maar dat ik schrei, ’t is om mijzelf, zo arm, zo willoos,
besmeurd wanneer ik val en wanklend waar ik ga.

Haar graf geeft zoeter geur dan deze felle lente.
Zij heeft het klaar gelaat van een die eindlijk ziet.
Ik weet: keert zij ’t mij toe, dan wordt mijn ziel gezuiverd;
slaat zij haar ogen op, dan brengt ze mij tot Christus.

Gabriela Mistral

Vertaling Gerard Wijdeveld


CLAUDE LORRAIN

Verkoren geest, door de natuur gewijd
tot priester om als avondofferande
met reine hand de wierookhars te branden
wanneer de zon al naar de einder glijdt.

Wat raakte je niet in het leven kwijt
tot je, ontkomen aan de noodlotsbanden,
met nimfen bij de bosrand samenspande
en lieflijke godinnen van de tijd.

Vandaar het diep verlangen dat wij voelen
naar kalm geluk, als je de blik geleidt
voorbij aan hoge, altijdgroene eiken,

paleis en tempel bouwt, en lommerrijke
landouwen openvouwt, en wijd dat zoele
namiddagwaas over het water spreidt.

Jacob Burckhardt

Vertaling J.P. Rawie


Vandaag, vriend, is het vijftien jaar geleden
sinds die gezegende, fatale dag
waarop zij mij haar hartstocht heeft beleden
en heel haar wezen voor mij openlag.

En al een jaar, zonder verwijt of klagen,
draag ik mijn lot, al nam het alles af:
eenzaam tot-aan het einde.mijner dagen,
zo eenzaam als ik·zijn zal in het graf .. .

Fjodor Tjoettsjev

Vertaling J.P. Rawie


Onmetelijker nog is mijn verdriet
dan ik je ooit zou kunnen openbaren.
Een diepe onrust is in mij gevaren,
en waar ik aarden moet, ik weet het niet.

Ontheemd slijt ik mijn trieste levensjaren,
en·zoek mijn heil-alleen in het verschièt;
daar waar ik niet ben; ligt het mooist gebied;
de lucht· die ik niet adem is de ware.

Zelfs als ik op iets zuiver lieflijks stuit;
een bloeiend heuvelland; een bron, een weide,
put ik er sombere gedachten uit.

Jij bent niet bij ·me: alles wat mij kwelt
valt tot die ene kwelling te herleiden,
en wordt je door mijn tranen slechts verteld.

Vittorio Alfieri

Vertaling J.P. Rawie


Dezelfde boeken, waar ik steeds uit leer,
die ik verslind, de Lethestroom ten spijt,
verslinden anderen na dezen weer
in hún gevecht tegen vergetelheid.

In deze woning, waar ik keer op keer
een toevlucht vind die mij van zorg bevrijdt,
strijken straks anderen op hun beurt neer,
zolang getij nog na getij verglijdt.

En in dit bed, waar ik ter leniging
’s nachts iets van rust zoek voor mijn moe gemoed,
rust na verloop van tijd een vreemdeling.

Evenveel kwelling die mijn hart doorwroet,
bij de gedachte dat een zielloos ding
mag voortbestaan, terwijl ik sterven moet!

Federico Meninni

Vertaling J.P. Rawie


DOODSALLEGORIE

Op zijn gemak zag ik de Dood eens gaan
dwars door een massa die hem niet aanschouwde.
Zich nergens van bewust strompelden ouden
van dagen links en rechts tegen hem aan.

De jongeren, die op hun jeugd vertrouwden,
vreesden geen Dood ·en zagen hem niet staan.
Als blind gaf geen van allen hem ruim baan;
hij bleef ze allen in zijn blikveld houden.

Dan heeft hij, zonder kijken, aangelegd:
hij schoot maar raak. Ik zag zijn ondoordachte
gedrag en schreeuwde: ‘Laat dat, moordenaar!’

Hij wendde zich: ‘Wat wou je: een gevecht
waar jullie mij geen oogwenk waardig achten,
en ik wél. mijn ·omzichtigheid bewaar?’

Francisco Manuel de Melo

Vertaling J.P. Rawie


DE DORPSONDERWIJZERES

Voor Federico de Onís

De onderwijzeres was kuis. De hoveniers
-zo was haar woord – van deze tuin, die Jezus’ tuin is,
moeten hun ogen en hun handen zuiver houden,
hun olie helder, om een helder licht te geven.

De onderwijzeres was arm. Haar koninkrijk is
geen mensenrijk (Israëls droeve zaaier lijkt zij).
Grauwgrijze jurken droeg zij, aan haar hand had zij
geen sieraad, maar haar ziel was één enorm juweel.

En vrolijk was ze. Arme, diepgewonde vrouw!
Haar glimlach was een soort zacht schreien van haar goedheid;
boven de stukkende sandaal met rode vlekken
droeg zij die glimlach: edele bloem van heiligheid.

Lieftallig wezen! Aan haar volle stroom van honing
hebben de tijgers van ’t verdriet rijkuit gedronken.
De zwaarden die haar edelmoedig hart doorstieten
braken in haar de kloven van de liefde breder.

Jouw zoontje, boer, heeft van haar lippen afgeluisterd
zijn lied en zijn gebed, maar jij zag nooit de glans
van de gevangen ster, die in haar lichaam brandde;
zonder een kus ging jij haar bloeiend hart voorbij.

En jij, boerin, weet jij nog, hoe je soms haar naam
met domme of gemene roddelpraat beklad hebt?
Honderd keer keek je naar haar, nooit werd kijken zien.
En toch, je zoon is grond die meer van haar dan jou bergt.

Zij heeft die akker met haar fijne ploeg doorsneden,
de voren blootgewoeld voor’t zaad van de volmaaktheid.
De blanke sneeuw van deugden die hij stilaan draagt,
het is haar werk. En jij vraagt geen vergiffenis?

Schaduw voor heel een woud gaf haar gescheurde eik,
die dag dat haar de dood kwam roepen om te gaan.
Zij dacht aan hoe haar moeder op haar wachtte, slapend:
willig gaf zij zich over aan de Diepe Ogen.

En in haar God sliep zij toen in, de maan haar peluw,
en met haar slapen aan een sterrenbeeld gevlijd.
De Vader zingt zijn wiegeliedjes nu voor haar,
en viede valt in rijke regen op haar hart.

Gelijk een volle vaas heeft zij haar ziel gedragen,
die ambrozijn moest geven heel de eeuwigheid
Haar mensenleven was een van die brede bressen
die vaak de Vader voor zich breekt om licht te werpen.

En daarom voedt het stof van haar gebeente steeds nog
purperen rozelaars met felle vlammengloed,
en doet de tuinman van het kerkhof mij verhalen
van voeten die, haar graf voorbijgaand, geurig worden.

Gabriela Mistral

Vertaling Gerard Wijdeveld


OP DE DOOD VAN NICEA

Wreed troffen mij uit laffe hinderlagen
de pijlen van de liefde en de dood;
maar ook al is mijn leed onmeetbaar groot,
in stomme smart slijt ik mijn levensdagen.

Waar elke ongelukkige zijn nood
luidkeels en tegen iedereen kan klagen,
moet ik in het verborgene verdragen
wat mij tot in mijn diepste ziel verdroot.

En als ik dan tenminste aan het graf
waarin haar lieve leden zijn gelegd
mijn tranen vrijelijk kon laten stromen; –

maar zelfs die ene troost wordt mij ontzegd:
Al wat ik liefheb heeft het lot genomen,
en ook de klacht neemt mij het lot nog af.

Ciro di Pers

Vertaling J.P. Rawie


Ik klaag mijzelf in mijn beklemd gemoed
wegens de overvloed van zonden aan,
die ik met ieder zintuig heb begaan,
en met mijn hartenbloed betalen moet,

nu het berouw in mijn geweten wroet
over het vele dat ik heb misdaan;
verzoening schoof ik op de lange baan
en heb mijn schuld beleden noch geboet.

Nu keer ik weer tot u, waarachtig Heer
die alles hebt geschapen wat bestaat,
en leg mij neer bij mijn gerechte straf;

maar ook al griefden u mijn zonden zeer,
geef dat mijn ziel niet mee te gronde gaat,
wanneer dit lichaam wegzinkt in het graf.

Pieraccio Tedaldi

Vertaling J.P. Rawie


NU SLAAPT ZE IN BRAHMAN, VEILIG VOOR ALTIJD;
En ‘kweet dat, blij, haar mijn terugkomst vindt,
Als eens de dood, Bronwaarts stormende wind,
Mijn ziel, een droppel God, voor goed bevrijdt

Van zweven tussen aarde en eeuwigheid,
Als ’t Wezen schijn van splitsing overwint,
En ‘k voor altoos ·ben bij mijn sprookjeskind,
Tot zalig één aan ’t hart van God gevlijd.

Nu zwerft de weemoed van mijn mens’lijk zelf,
Zilv’ren herinn’ring, door ’t verleden rond,

En zoekt, angst’ ge komeet in zwart gewelf,
De sterrewoorden van haar sprookjesmond,

En ‘k tracht te vinden in oudheilig boek,
Wat eens door haar ik had; en ‘k zoek – ik zoek –

Johan Dèr Mouw


Heer Juan, het bloed raakt enkel nog verhit
wanneer de koorts erin wordt opgedreven;
je voelt het door verkalkte aders beven,
omdat je haast geen hartslag meer bezit;

de eens zo wilde haren zijn sneeuwwit,
het zwakke zicht blijkt in de nacht gebleven,
je krachten gaan het één voor één begeven,
de loop der, jaren plundert je gebit;

leef dus maar toe naar je begrafenis
en koester kuil en tombe die’ je wachten,
waar levend sterven hoogste wijsheid is.

Het grootste deel des doods zijn waangedachten
en holle vreugden zonder heugenis,
en slechts over het kleinste hoort men klachten.

Francisco de Quevedo

Vertaling J.P. Rawie


RONDEDANS VAN DE ECUATORIAANSE CEIBA

Voor Emma Ortiz

In de wereld is het licht,
in het licht, daar staat de ceiba,
in de ceiba brandt de groene
laaivlam van Amerika!

Ea, ceiba, ea, ea!

Boom-ceiba is niet geboren
en wij zien haar aan voor eeuwig,
niet geplant door Quito-indios,
niet besproeid door waterstromen.

Kronklend rekt zij naar de hemel
twintig echte cobraslangen;
als de winden haar doorwaaien
zingt ze liederen als Debora.

Ea, ceiba, ea, ea!

’t Grazend vee kan haar niet krijgen
en de pijl kan haar niet raken.
Viees bevangt de bijl voor haar en
laaiend vuur doet haar geen letsel.

In haar takken raakt zij eensklaps
in verrukking, bloedrood wordt zij,
en in slierten en in vlokken
valt haar heilige melk dan neerwaarts.

Ea, ceiba, ea, ea!

Onder haar reuzinneschaduw
Komen alle meisjes dansen,
en de moeders die al dood zijn
dalen neer om mee te dansen.

Ea, ceiba, ea, ea!

En elkanders handen vattend,
levende en dode vrouwen,
draaien wij nu rond en draaien,
wij de vrouwen en de ceiba’s …

In de wereld is het licht,
in het licht, daar staat de ceiba,
in de ceiba brandt de groene
laaivlam van de Aarde!

Gabriela Mistral

Vertaling Gerard Wijdeveld


Trauriges Madrigal

I
Was kann mir gelten deine Heiterkeit
Schön und betrübt sei du den Wangen
Sind zarte Tränen ein Geschmeid
So wie ein Strom dem Lande breit
Nach Wettern sieht man Blumen prangen

Ich liebe dich will Heiterkeit verhauchen
Auf deiner Stirne die zur Qual erlesen
Dein Herz sich ewig in Entsetzen tauchen
Und über deine Gegenwart sich bauchen
Die grause Wolke des »Gewesen«

Ich liebe dich wenn nie der Strom versiegt
Aus deinem großen Auge heiß wie Blut
Und wie auch meine Hand dich wiegt
Die schwere Bängnis dir obsiegt
Aufstöhnt wie Todeswut

Ich schlürfe wie gewaltige Lüste
Dich große Hymne die erfreut
Die Seufzer alle deiner Brüste
Weiß daß dein Herz erstrahlen müßte
Von Perlen die dein Auge streut

Charles Baudelaire

Vertaling Walter Benjamin


DE VREEMDE

Voor Francis de Miomandre

‘Haar praten smaakt nog naar wildvreemde zeeën
met ‘k weet niet wat voor wieren, wat voor zand.
De God tot wie zij bidt heeft vorm noch zwaarte,
en oud is zij, alsof ze zó ging sterven.
De tuin hier heeft ze vreemd voor ons gemaakt
door er steekgras en cactus in te planten.
Haar ademtocht is wind van de woestijn,
en liefgehad, zij heeft het met die hartstocht
die wit zengt; nooit praat zij er ons over,
maar praatte zij erover, ’t zou voor ons
iets als de landkaart van een andere ster zijn.
Tachtig jaar zal ze wonen in ons midden
en altijd nog als pas aankomend zijn,
pratende in een taal die hijgt en kermt
en die alleen door dieren wordt verstaan.
En in ons midden zal zij nog eens doodgaan

-een nacht dat zij het diepste leed doorstaan zal –
met als hoofdkussen enkel maar haar lot,
en ’t zal een stille dood zijn en een vreemde.’

Gabriela Mistral

Vertaling Gerard Wijdeveld


TOT EEN LIJK

Gij ligt verstard, ocharm, ik lig verstard,
u heeft de dood, de liefde mij bevangen;
lijkbleek gelijk de mijne zijn uw wangen,
gelijk de fakkels óm u gloeit mijn hart.

Uw doodsbed is met rouwsluiers omhangen,
mijn ziel omvángt het allerdiepste zwart;
de windselen waardoor gij wordt benard
zijn als de wrede ketens die mij prangen.

Gij echter zwijgt, ik kan van smart niet zwijgen
en wenend laat ik weten wat mij deert.
Mijn geest verzengt, gij zijt niet warm te krijgen

En waar gij straks tot stof en as verkeert,
ben ik, bij zoveel vlammen die mij dreigen,
een eeuwig vuur dat nooit zichzelf verteert.

Giovan Battista Marino

Vertaling J.P. Rawie


Wat zit je daar, Matthijs, voor je plezier
gelijk de ouden in klassieke maat
gezangen vorm te geven? En wat baat
je al dat waken boven het papier?

Roem is maar een gerucht dat komt en gaat.
Een luchtbel in een vluchtige rivier
is de gelogen eer die ons de lier
belooft, een gaaf die zich niet geven laat.

Toch mijmer je in zoete dwaling voort.
Geloof je dat je tijd en dood ontvliedt
door middel van het dichterlijke woord?

Het is een dwaze droom die je bekoort:
niet voor een pralend en gekunsteld lied,
voor goede werken wijkt de Hemelpoort.

Maffeo Barberini (Urbanus VIII)

Vertaling J.P. Rawie


NU ZÁL ER STILTE ZIJN, MIJN LEVEN LANG;
De tijd zal, voorzichtig, zijn vlucht vertragen,
Dat niet zijn ijlste suizen mocht verjagen,
Wat dwaas ik koos boven haar sprookjeszang:

Stilte, als toen moeder dood was weggedragen
Met vreemd geschuifel door eind’loze gang,
En door het huis mijn halfbewuste drang
Rondliep om haar te zoeken, hele dagen.

Als in een winkel zag ‘k de meubels staan,
En boven één stoel, pijnlijk zichtbaar, hing

Leegte, waarin mijn blik gestadig viel,
Nog niet gedragen door herinnering.

Zo k.ijkt, als uit een boek, mij~ denken me aan,
En ‘k voel me een vreemd’ling in mijn eigen ziel.

Johan Dèr Mouw


DE RAMPZALIGE

Verbijsterd uitbrekend in wild geklaag,
Wierp hij zich neer over moeders grafsteen.
En uit echo’s op de nachtwind klonk, snijdend,
Haar antwoord aan ’t schril misbaar:
Vráag geen antwoord, -die dood zijn, zwijgen.

P.N. van Eyck


ZINGENDE OPVAART

Zijn sterfdag. Wist hij ‘t? Wist hij ’t niet? Hij was,
Die ganse morgen, helder, onbezwaard,
En met zijn geest alleen. HtJ dacht, en las,
‘De Vogels’, zeldzaam vredig en verklaard.

Slechts na de noen de lichte ontstemming, toen,
Bij ’t spel der vreemde, dromerig aangehoord,
Want hij was moe van zwakte en ’t vroeg seizoen,
Eén valse toon de saamklank had verstoord.

Een gril van ’t lot, en dra voorbij geweest,
Maar hem, de man, die ’t Zijn vereerd had, tot,
Door ’t staag verdiepen van zijn rijke geest,
Hij ‘tin zijn grijsheid kende als zichtbre god:

De zuivere lichtgestalte van ’t Heelal,
En oorsprong van die koele, heilige gloed,
Die, als zijn orde ons ooit regeren zal,
Ook staat en enkeling doordringen moet;

Hem, die dit droomde, en hoorde in wat hij zag
Van ’t allerkleinste tot de hoogste sfeer,
De eeuwige vormen-heil, die ’t horen mag’ —
Saam-klinken tot een hymne, ’t Zijn ter eer:

Wetend die goddelijke harmonie
Waar álle dingen van doorzongen zijn,
Het kostbaarste in elks eigen melodie —
Deed iedere inbreuk op haar schoonheid pijn.

Doch later, toen de dag naar de avond neeg,
’t Vertrek vol schaduw reeds, zijn geest weer licht,
Dacht hij-de merel in ’t plataanloof zweeg—
Nog eens aan dat verrukkelijk droomgezicht:

Hoe, naar de gulle wek-roep van de hop,
’t Lied van de gaal ( schoonheid, die eeuwig leeft!)
In hunkerende opvlucht naar de hemeltop,
Phoibos’ vervoerend antwoord tegenstreeft.

Toen, plotseling, voelde hij, dat de oude kooi
Naar boven openging, en driftig-snel,
Wit blinkend in zijn zuivere lentetooi,
Een sterke vogel opvloog, juichend fel

Naar ’t licht, dat in zijn flonkerende ogen scheen,
En glinsterend op zijn vlugge vleugels lag,
Wijl snel hij, door de dunne dampkring heen,
Steeg, of hij ginds de jonge god al zag:

Zingend, in ’t stijgen zó onstuimig luid,
Dat voor die zangdrift zelfs de vogel-vaart
Te langzaam was en, vrij, zijn vlucht vooruit,
’t Lied recht omhoog schoot, – haastend, hemelwaart,

Naar hem toe, die ’t van ver al had gehoord
En, de eigen rijke schijn om ’t blonde haar,
De hoge goden-jongeling, hel bekoord,
Zingend zijn citer sloeg, dat stem en snaar

Saamklonken tot muziek die neerwaarts vloog,
Lijnrecht dat andere zingen tegemoet,
’t Aardse, dat steeds nog, pijl-snel, steil omhoog,
Steeg, gretig, door de heldere ether-gloed,

Tot de eerste heerlijkheid van ’t goden-lied
’t Omtrilde, en sneller repte ‘t, de ether dóor,
Zijn goddelijke oorsprong in: – reeds wist het niet,
Hoe ‘ter mee éen werd, in ’t geluk teloor. —

Roerloos de wijze. ’t Einde van de dag
Ruiste in ’t verdonkerd lommer der plataan:
Waar straks, door de schaduw heen, nog zonlicht lag,
Schemerde vaag wat schijn der lentemaan. ,

P.N. van Eyck


GRAFSTEEN VAN EEN DOCHTER VOOR HAAR MOEDER

Dicht gedrukt aan de droge spleet
van de grafnis wou ik dit tot u zeggen:
Lieve borsten, die mij hebt gezoogd
met melk zo levend als geen andere,
gedoofde ogen die mij hebt bezien
met blikken die mij zacht omvingen,
en brede schoot, die warmte afstoof
uit ovenvuur dat nooit verkilde,
en kleine hand die mij hebt aangeraakt
en rakende mij weg doen smelten –
herrijst uit de dood, herrijst uit de dood
als het uur is gekomen, de dag vaststaat :
dat Christus u dan herkennen zal
en gij een ander land moogt gaan verblijden !
Dan zal mijn Aartsengel* u weerbetalen
gestalte, bloed en melk, aan mij gegeven.
En in het eind zult gij dan opgenomen worden
in het grote, heilige koor
der oude moeders: de Makkabese,
Anna, Elizabeth, Lea en Rachel!

Gabriela Mistral

Vertaling Gerard Wijdeveld


DE TAAK

Dag neigde. Ik talmde, stil
Met neergewend gezicht
En zonder droom noch wil,
In ’t donkerend middaglicht.

Ik faalde. Ik wist mijn nood.
Toen kwaamt ge en zaagt mij aan.
Eerst na, ja dóor uw dood
Heb ik u gans verstaan.

Die dood – u maakt hij vrij
Meester, geeft mij mijn taak:
Een zware schat in mij,
Waar ‘k slechts beschroomd aan raak:

Eén uur nog van beraad, —
Ik peil zijn diepste zin.
Straks, vóor het nacht is, gaat
Mijn nieuwe leven in.

P.N. van Eyck


EEN GESTORVENE

Daar scheen een licht als de aarde niet kon geven,
’t Was bijna hemels, zo verklaard en rein.
Wij gingen, zij en ik, langs vreemde dreven,
Zwijgend en peinzend door die ijle schijn.

Toen hield ik stil en toef de, ’t hart in beven:
‘Wat is dit? en wie zijt gij?’ vroeg ik, klein.
‘De schoonheid ben ik van uw aardse leven,
Ik voer uw pleit voor ‘tvorstelijk baldakijn.’

‘Uw liefelijkheid uit mijn aards lot geweven, —
Arm lot, doorwoeld van wrangheid, zonde en pijn?’
‘Smartelijk gelaat! de glans van edeler streven
Blonk uit de groef van leeds wreed-scherp burijn.’

‘Te laat! Waartoe niet eer u zo beschreven?
Gij bleeft, ónvindbaar, in uw ver domein!’
‘Toch kwam mijn roep soms naar u overzweven:
Dan wist gij niet, hoe ‘tu zó goed kon zijn.’

”t Verklonk, helaas, maar heugenissen bleven,
Helende troost voor mijn gekwelde brein.’—
Toen, de ogen had ik tot haar opgeheven,
Zag zij mij aan, en werd haar schoonheid mijn.

Daar scheen een licht, als de aarde niet kon geven,
Ja, bijna hemels, zo verklaard en rein.
Zij ging, ik volgde, door die vreemde dreven,
Naar dieper licht, achter deze ijle schijn.

P.N. van Eyck


‘K WEET DAT VLAK BIJ ME, IN ‘T HART VAN GOD GEDOKEN

De grote liefden van mijn leven wonen:
Daar staan ze, veilig, stil als anemonen,
Door geen orkaan van ’t oppervlak gebroken.

Ik weet dat liefdewoorden, ongesproken,
Het wonder van de Godheid rijker tonen,
Dan perken van· bliksemende Orionen,
Tot tijdelozen uit Zijn, kiem ontloken.

Voor mij, wiens twijfel wegdacht, wat ‘k bezat,
Was ’t diepste van de wereld veel te heilig;

Maar ‘k weet: daar, waar mijn hart is,· is mijn schat;
In Brahman is mijn hart: mijn schat is veilig.·

In dromen ben ‘k mijn rijkdom mij bewust;
‘K zie, stil, mijn anemonen. – Ik heb rust.

Johan Dèr Mouw


‘K ZIE NU AL HOE ’K, ALS JIJ GESTORVEN BENT;
Zal zitten, kijkend naar je stil gezicht;
Wel vol verleden, toch pijnlijk verlicht,
Dat jij ten minste geen verdriet meer kent.

Mijn handen zullen, vroeger lang gewend,
Van zelf aaien je haar, waar levend ligt,
Als vroeger, nog het diep glanzende licht,
Dat uit de dood mij jouw vergeving zendt.

‘T is alles tevergeefs: nu weet ik al,
Dat ‘k dan, mijn hartje, niet begrijpen zal,
Hoe ‘k jou geen liefde gaf, mijzelf geen rust;

Zelfkwellend zal ‘k je, herrezen, zien staan,
Jong, als toen ik ’t geluk voorbij liet gaan,
Die ene nacht, toen ‘k je niet heb gekust.

Johan Dèr Mouw


ER ZIT EEN SCHIM, WANNEER WE ALS VROEGER PRATEN.
Hij ziet ons aan; wij doen, als zien we hem niet;
En de een kijkt steels naar de and’re, of hij hem ziet,
En de ander antwoordt met niet-merken-laten;

We horen ‘t, als hij zwijgt hoe w’e eenmaal zaten,
Net zo, maar anders; en verwond’ring schiet
IJl door ons heen, hoe mensen ooit ’t verdriet
Om dood van liefde eerst, dan van smart vergaten.

En daarom praten we, afwezig en druk:
We zien en horen hem slechts, laatst geluk
Vol zelfverwijt, en nooit hardop beleden;

En als we dood zijn, zal hij met ons gaan
Naar hemel of naar hel, en zien ons aan,
En zwijgen, heilig diep, van ’t oµd verleden.

Johan Dèr Mouw


IK WEET, HOE LATER, ALS IK DOOD ZAL ZIJN,
Jij onze meubelties goed onderhoudt.
… weert de worm uit ’t hout,
De mot uit :vloerkleed en gordijn.
Dan is ‘t, als ga je in je verleden rond.
Je denkt: toen kreeg ‘k die stoel – en toen die kast,
En aan elk ding zit een herinnering vast,
Of heel je leven in-de kamer stond.
En niet heel vlug gaat dan ’t vertrouwde werk,
Want iedre kamer spreekt zijn eigen taal,
En iedre kamer doet ie zijn verhaal,
En iedre kamer is een andre kerk.
Een lang
verleden is niet gauw doordacht.

Johan Dèr Mouw


Himno a los voluntarios de la República

Voluntario de España, miliciano
de huesos fidedignos, cuando marcha a morir tu corazón,
cuando marcha a matar con su agonía
mundial, no sé verdaderamente
qué hacer, dónde ponerme; corro, escribo aplaudo,
lloro, atisbo, destrozo, apagan, digo
a mi pecho que acabe, al bien, que venga,
y quiero desgraciarme;
descúbrome la frente impersonal hasta tocar
el vaso de la sangre, me detengo,
detienen mi tamaño esas famosas caídas de arquitecto
con las que se honra el animal que me honra;
refluyen mis instintos a sus sogas,
humea ante mi tumba la alegría
y , otra vez, sin saber qué hacer, sin nada, déjame,
desde mi piedra en blanco, déjame,
solo,
cuadrumano, más acá, mucho más lejos,
al no caber entre mis manos tu largo rato extático,
quiebro contra tu rapidez de doble filo
mi pequeñez en traje de grandeza !

Un día diurno, claro, atento, fértil
¡oh bienio, el de los lóbregos semestres suplicantes,
por el que iba la pólvora mordiéndose los codos!
¡Oh dura pena y más duros pedernales!
¡Oh frenos los tascados por e l pueblo !
Un día prendió el pueblo su fósforo cautivo, oró de cólera
y soberanamente pleno, circular,
cerró su natalicio con manos electivas;
arrastraban candado y a los déspotas
y en el candado, sus bacterias muertas…
¿Batallas? ¡No! ¡Pasiones! Y pasiones precedidas
de dolores con rejas de esperanzas,
¡de dolores de pueblo con esperanzas de hombres!
¡Muerte y pasión de paz, las populares!
¡Muerte y pasión guerreras entre olivos, entendámonos!
Tal en tu aliento cambian de agujas atmosféricas los vientos
y de llave las tumbas en tu pecho,
tu frontal elevándose a primera potencia de martirio.

El mundo exclama: « ¡Cosas d e españoles! » Yes
verdad. Consideremos,
durante una balanza a quema ropa,
a Calderón, dormido sobre la cola de un anfibio muerto,
o a Cervantes, diciendo: « Mi reino es de este mundo, pero
también del otro » : ¡punta y filo en dos papeles!
Contemplemos a Goya, de hinojos y rezando ante un espejo,
a Coll, el paladín en cuyo asalto cartesiano
tuvo un sudor de nube el paso llano,
o a Quevedo, ese abuelo instantáneo de los dinamiteros,
o a Cajal, devorado por su pequeño infinito o, todavía
a Teresa, mujer, que muere porque no muere,
o a Lina Odena, e n pugna en más de un punto con Teresa…

(Todo acto o voz genial viene del pueblo
y va hacia él, de frente o trasmitidos
por incesantes briznas, por el humo rosado
de amargas contraseñas sin fortuna).
Así tu criatura, miliciano, así tu exangüe criatura,
agitada por una piedra inmóvil,
se sacrifica, apártase;
decae para arriba y por su llama incombustible sube,
sube hasta los débiles,
distribuyendo españas a los toros,
toros a las palomas…

Proletario que mueres de universo, ¡en qué frenética armonía
acabará tu grandeza, tu miseria, tu vorágine impelente,
tu violencia metódica, tu caos teórico y práctico, tu gana
dantesca, españolísima, de amar, aunque sea a traición,
a tu enemigo!
Liberador ceñido de grilletes,
sin cuyo esfuerzo hasta hoy continuaría sin asas la extensión,
vagarían acéfalos los clavos,
antiguo, lento, colorado, el día,
¡nuestros amados cascos, insepultos!

Campesino caído con tu verde follaje por el hombre,
con la inflexión social de tu meñique,
con tu buey que s e queda, con tu física,
también con tu palabra atada a un palo
y tu cielo arrendado
y con l a arcilla inserta en tu cansancio
y l a que estaba en tu uña, caminando!
Constructores
agrícolas, civiles y guerreros,
de la activa, hormigueante eternidad: estaba escrito
que vosotros haríais la luz entornando
con la muerte vuestros ojos;
que, a la caída cruel de vuestras bocas,
vendrá en siete bandejas la abundancia, todo
en el mundo será de oro súbito
y el oro,
fabulosos mendigos de vuestra propia secreción de sangre,
y el oro mismo será entonces de oro!

Se amarán todos los hombres
y comerán tomados de las puntas de vuestros pañuelos tristes
y beberán en nombre
de vuestras gargantas infaustas!
Descansarán andando al pie de esta carrera,
sollozarán pensando en vuestras órbitas, venturosos
serán y al son
de vuestro atroz retorno, florecido, innato,
ajustarán mañana sus quehaceres, sus figuras soñadas
y cantadas!

Unos mismos zapatos irán bien al que asciende
sin vías a su cuerpo
y al que baja hasta la forma de su alma!
Entrelazándose hablarán los mudos, los tullidos andarán!
Verán, ya de regreso, los ciegos
y palpitando escucharán los sordos!

Sabrán los ignorantes, ignorarán los sabios!
Serán dados los besos que no pudísteis dar!
Sólo la muerte morirá! La hormiga
traerá pedacitos de pan al elefante encadenado
a su brutal delicadeza; volverán
los niños abortados a nacer perfectos, espaciales,
y trabajarán todos los hombres,
engendrarán todos los hombres,
comprenderán todos los hombres!

Obrero, salvador, redentor nuestro,
¡perdónanos, hermano, nuestras deudas!
Como dice un tambor a l redoblar, en sus adagios:
¡qué jamás tan efímero, tu espalda!
¡qué siempre tan cambiante, tu perfil!

oluntario italiano, entre cuyos animales de batalla
un león abisinio va cojeando!
Voluntario soviético, marchando a la cabeza de tu pecho
universal!
Voluntarios del sur, del norte, del oriente
y tú, el occidental, cerrando el canto fúnebre del alba!
Soldado conocido, cuyo nombre desfila en el sonido
de un abrazo!
Combatiente que la tierra criara, armándote
de polvo,
calzándote de imanes positivos,
vigentes tus creencias personales,
distinto de carácter, íntima tu férula,
el cutis inmediato,
andándote tu idioma por los hombres
y el alma coronada de guijarros!

Voluntario fajado de tu zona fría,
templada o tórrida,
héroes a la redonda,
victima en columna de vencedores:
en España, en Madrid, están llamando
a matar, voluntarios de la vida!

Porque en España matan, otros matan
al niño, a su juguete que se para,
a la madre Rosenda esplendorosa,
al vicjo Adán que hablaba en alta voz con su caballo
y al perro que dormía en la escalera.
Matan al libro, tiran a sus verbos auxiliares,
a su indefensa página primera!

Matan el caso exacto de la estatua,
a l sabio, a su bastón, a su colega,
al barbero de al lado – me cortó posiblemente,
pero buen hombre y, luego, infortunado;
a l mendigo que ayer cantaba enfrente,
a la enfermera que hoy pasó llorando,
al sacerdote a cuestas con la altura tenaz de sus rodillas…

Voluntarios,
por la vida, por los buenos matad
a la muerte, matad a los malos!
Hacedlo por la libertad de todos,
del explotado y del explotador,
por la paz indolora – la sospecho
cuando duermo al pie de mi frente
y más cuando circulo dando voces
y hacedlo, voy diciendo,
por el analfabeto a quien escribo,
por el genio descalzo y su cordero,
por los camaradas caídos,
sus cenizas abrazadas a l cadáver de un camino!

Para que vosotros,
voluntarios de España y del mundo, viniérais,
soñé que cra yo bueno, y era para ver
vuestra sangre, voluntarios…
De esto hace mucho pecho, muchas ansias,
muchos camellos en edad de orar.
Marcha hoy de vuestra parte el bien ardiendo,
os siguen con cariño los reptiles de pestaña imanente
y, a dos pasos, a uno,
la dirección del agua que corre a ver su límite antes que arda.

César Vallejo


HYMNE AAN DE VRIJWILLIGERS VAN DE REPUBLIEK

Vrijwilliger van Spanje, milicien
met geloofwaardige beenderen, als je hart opstapt om te sterven,
als het opstapt om te moorden met zijn mundiale
doodsstrijd, weet ik echt niet
wat te doen, waar te gaan staan; ik loop, schrijf, applaudiseer, ween, bespied, verscheur, ze doven, ik zeg
tot mijn borst dat het moet ophouden, tot het goede, dat het moet komen,
en ik wil mijzelf schade toebrengen;
ik ontdek mijn onpersoonlijke voorhoofd totdat ik het bloedvat
aanraak, ik houd mij tegen,
tegengehouden wordt mijn grootte door deze fameuze architectevallen
waarmee het dier” zich eert dat mij eert;
mijn instincten vloeien terug naar hun koorden,
de vreugde walmt voor mijn graf
en, andermaal, zonder te weten wat gedaan, zonder iets, laat mij,
vanop mijn onbeschreven steen, laat mij,
alleen,
vierhandig, dichterbij, veel verder,
want je ruime extatische ogenblik past niet tussen mijn handen,
tegen jouw snelheid met dubbele snede breek ik
mijn kleinheid in groot ornaat!
Op een dagelijkse, heldere, waakzame, vruchtbare dag
Och tweejaarlijkse tijd, die van de naargeestige smekende semesters,
waarlangs het kruit ging bijtend op zijn ellebogen!
Och harde inspanning en hardere vuurstenen!
och de door het volk afgeknaagde remmen!
Opeen dag ontstak het volk zijn gevangen lucifer, het bad van woede
en soeverein volwaardig, cirkelvormig besloot het zijn
geboortedag met verkiezingshanden”;
de despoten sleepten reeds het hangslot mee
en in het hangslot, hun dode bacterieën…

Veldslagen? Neen! Passies. En passies voorafgegaan
door pijnen met hoop betralied,
door pijnen van volkeren met hoop van mensen!
Dood en passie voor vrede, die van het volk!
Dood en passie krijgshaftig tussen olijfbomen, laten we elkaar begrijpen!
Zo veranderen in je adem de winden van atmosferische naalden
en van sleutel de graven in je borst,
terwijl je voorhoofd zich opricht tot de eerste martelaarsmacht.
De wereld roept uit: ‘Een zaak voor Spanjaarden!’ En het is waar. Laten we kijken,
een balanstijd lang, op korte afstand,
naar Calderón, ingeslapen op de staart van een dode amfibie
of Cervantes, zeggend: Mijn rijk is van deze wereld, maar
ook van de andere: punt en snede in twee rollen!
Laten we Goya bekijken, geknield en biddend voor een spiegel,
Coll”, de paladijn in wiens Cartesiaanse aanval
de egale tred een zweet van wolk bezat
of Quevedo, deze ogenblikkelijke grootvader van de dynamiteurs
of Cajal, verteerd door zijn kleine oneindigheid, of nog steeds
Teresa, vrouw, die sterft omdat ze niet sterft,
of Lina Odena”, op meer dan een punt in strijd met Teres.
(Elke daad of geniale stem komt uit het volk
en gaat naar hem, rechtstreeks of overgedragen
door onophoudelijke vezels, door de roze rook
van bittere onfortuinlijke wachtwoorden.)
Zo je schepsel, milicien, zo offert je bloedeloze schepsel,
opgezweept door een onbeweeglijke steen,
zich op, neemt afstand,
takelt af naar boven en stijgt langs zijn onbrandbare vlam, stijgt tot de zwakken,
deelt Spanjes uit aan de stieren,
stieren aan de duiven…

Proletariër die sterft aan universum, in welke frenetieke harmonie
zal je grootheid eindigen, je ellende, je stuwende kolking
je methodisch geweld, je theoretische en praktische chaos,
je Danteske, zeer Spaans verlangen, om, zelfs met verraad, je vijand te beminnen!
Bevrijder omgord door kettingringen,
zonder wiens inspanning de extensie tot op vandaag hengselloos zou voortduren,
de spijkers koploos zouden ronddolen,
oud, traag, roodkleurig, de dag,
onze geliefde helmen, onbegraven!
Boer met je groene gebladerte voor de mens gevallen,
met de sociale buiging van je pink,
met je os die blijft, met je fysiek,
ook met je woord gebonden aan een paal
en je verpachte hemel
en met de klei in je vermoeidheid opgenomen
en met die onder je nagel, stappend!
Bouwers
van de landbouw, burgerlijke en oorlogvoerende bouwers,
van de actieve, wriemelende eeuwigheid: het stond geschreven
dat Jullie het licht zouden maken, jullie ogen
half sluitend met de dood;
dat, naar de wrede val van jullie monden,
op zeven dienbladen de overvloed zal komen, alles
op de wereld zal van plots goud zijn
en het goud,
fabelachtige bedelaars van jullie eigen bloedafscheiding,
en het goud zelf zal dan van goud zijn!

Alle mensen zullen elkaar liefhebben
en ze zullen eten zich vasthoudend aan de punten van jullie droevige zakdoeken
en ze zullen drinken in naam
van jullie rampzalige kelen!
Ze zullen uitrusten stappend aan de voet van deze weg,
ze zullen zuchten denkend aan jullie banen, gelukkig
zullen ze zijn en op de klank
van jullie gruwelijke terugkeer, in bloei, aangeboren,
zullen ze morgen hun taken afwerken, hun gedroomde en gezongen figuren!
Dezelfde schoenen zullen passen voor wie opklimt
zonder wegen naar zijn lichaam
en voor wie afdaalt naar de vorm van zijn ziel!
Zich in elkaar verstrengelend zullen de doven spreken, de kreupelen zullen lopen!”
De blinden, op de terugweg, zullen zien
en tastend zullen de doven horen!”
De onwetenden zullen weten, onwetend zullen de wijzen zijn! ?
De kussen die jullie niet konden geven zullen gegeven worden!
Alleen de dood zal sterven! De mier
zal stukjes brood brengen naar de olifant geketend
aan zijn brutale teerheid; de geaborteerde
kinderen zullen perfect herboren worden, ruimtelijk
en alle mensen zullen werken,
alle mensen zullen verwekken,
alle mensen zullen begrijpen!

Arbeider, redder, onze verlosser,
vergeef ons, broeder, onze schulden!
Zoals een trom zegt als zij roffelt, in haar adagio’s:
wat een kortstondig nooit, je rug.
wat een veranderlijk altijd, je profiel!

Italiaanse vrijwilliger, tussen wiens strijddieren
een Abessijnse leeuw kreupelt!
Sovjetvrijwilliger, stappend aan het hoofd van je universele borst!
Vrijwilligers uit het zuiden, het noorden, het oosten
en jij, de westerling, sluitend de dodenzang van d e dageraad!
Bekende soldaat, wiens naam
defileert in het geluid van een omhelzing!
Strijder die de aarde zal voortbrengen, je wapenend
met stof,
je schoeiend met positieve magneten,
krachtdadig je persoonlijke overtuigingen,
verschillend van karakter, intiem je roede,
onmiddellijk de huid van je gezicht,
je taal op de schouders dragend
en de ziel gekroond met kiezels!
Vrijwilliger omgord met je koude, lauwe
of hete zone,
helden in het rond,
slachtoffer in overwinnaarscolonne:
in Spanje, in Madrid, roepen ze op
om te moorden, vrijwilligers van het leven!

Want in Spanje moorden ze, anderen vermoorden
het kind, zijn speelgoed dat stilgelegd wordt,
de stralende moeder Rosenda,
de oude Adam die met luide stem tot zijn paard sprak
en de hond die op de trap lag te slapen.
Ze vermoorden het boek, schieten op zijn hulpwerkwoorden,
op zijn weerloze eerste bladzijde!
Ze vermoorden het juiste geval van het standbeeld,
de wijze, zijn stok, zijn collega,
de kapper van hiernaast – mogelijk knipte hij me,
maar een goede man, en, dan, ongelukkige;
de bedelaar die gisteren hier tegenover zong,
de verpleegster die vandaag wenend voorbijkwam,
de priester ruggelings onder de taaie hoogte van zijn knieën…
Vrijwilligers,
voor het leven, voor de goeden, vermoord
de dood, vermoord de slechten!
Doe het voor de vrijheid van allen,
van de uitgebuite en de uitbuiter,
voor de pijnloze vrede – ik vermoed haar
als ik slaap aan de voet van mijn voorhoofd
en meer nog als ik schreeuwend rondloop-
en doe het, blijf ik zeggen,
voor de analfabeet die ik aanschrijf,
voor het blootvoetse genie en zijn lam,
voor de gevallen kameraden,
hun as omhelzend het lijk van een weg!

Opdat jullie,
vrijwilligers van Spanje en van de wereld, zouden komen,
ik droomde dat ik goed was, en het was om jullie bloed
te zien, vrijwilligers…
Daaruit komt veel moed, veel beklemmingen,
veel kamelen op bidleeftijd.
Aan jullie kant stapt vandaag het brandend goede op,
de reptielen met immanente wimpers volgen jullie met liefde
en, op twee stappen, op een,
de richting van het water dat stroomt om zijn grens te zien voordat het brandt.

César Vallejo

Vertaling Bart Vonck


Hymne auf die Freiwilligen der Republik

Freiwiliger Spaniens, Milizsoldat
mit glaubwürdigen Knochen, wenn dein Herz sich auf den Weg
macht, um zu sterben,
wenn es aufbricht, zu töten mit seiner welthaften Agonie,
ich weiß wahrhaftig nicht,
was tun, wohin mich stellen; ich laufe umher, ich schreibe,
zolle Beifall,
heule, späh umher, ich vernichte, sie schalten das Licht ab,
ich sage zu meiner Brust, daß sie Schluß machen soll, zum Guten,
daß es komme,
und ich will mich umbringen;
ich entblöße meine unpersönliche Stirn, bis ich die Schlagader
des Blutes berühre, ich zaudere,
meine Größe halten diese berühmten, wie vom Architekten
gemachten Stürze zurück,
mit denen man das Tier rühmt, das mich rühmt;
zurückfließen meine Instinkte an ihren Zügeln,
vor meinem Grab dampft die Freude
und, nochmals, ohne zu wissen, was tun, ohne alles, laß mich
in Ruh,
von meinem weißen Stein her, laß mich in Ruh,
allein,
Vierhänder, herwärts, viel weiter entfernt,
da dein großer ekstatischer Zeitraum nicht in meine Hände paßt,
zerbreche ich an deiner Schnelligkeit mit doppelter Schneide
meine Kleinheit im Kleid der Größe!

Einen alltäglichen Tag, hell, achtsam, fruchtbar,
o zweijähriger Zeitraum, der der düstren flehenden Halbjahre,
auf dem, in die Ellbogen sich beißend, das Pulver marschiert!
O harte Pein und noch härtere Kiesel!
O Zaumgebiß, auf das das Volk beißt!
Eines Tages entzündete das Volk seinen gefesselten Phosphor,
betete vor Zorn
und, ganz Machtvollkommenheit, vollkommen wie ein Kreis,
es verbot seinen Geburtstag mit wählenden Händen;
die Despoten hatten das Hängeschloß bereits fortgeschleppt
Und im Hängeschloß ihre toten Bakterien …
Feldschlachten? Nein! Leidenschaften! Und Ieidenschaften, denen
Schmerzen mit Gittern der Hoffnung vorangegangen,
Schmerzen des Volkes mit großer menschlicher Hoffnung!
Tod und Friedenssehnsucht, beide des Volkes!
Tod und Kriegerleidenschaft unter Oliven, das ist alles!
Also wechseln in deinem Atem mit atmosphärischen Kompaßnadeln
die Winde
Und mit dem Schlüssel die Grüfte in deiner Brust,
dein Stirnband erhebt sich zur ersten Macht des Martyriums.

Die Welt meint: „Typisch für die Spanier!” Und das stimmt.
denken wir doch in einer schnellen Bilanz
an Calderon, der auf dem Schwanz einer toten Amphibie schläft,
oder an Cervantes, der sagt: „Mein Reich ist von dieser Welt, aber
auch von der andern”: Spitze und Schneide in zwei Rollen!
Schauen wir Goya an, auf den Knien und im Gebet vor einem
Spiegel.
Coll, den Paladin, in dessen carthesianischen Angriff
eine Wolke aus Schweiß freien Durchgang hatte,
oder Quevedo, diesen augenblicklichen Vorfahr der Dynamiteros,
oder Cajal, verschlungen von seinem kleinen Unendlichen, oder
immer wieder Therese, weibliches Wesen, das stirbt, weil es stirbt,
oder Lina Odena, im Streit in mehr als einem Punkt mit
Santa Teresa….

Jedes Werk, jede geniale Stimme kommt aus dem Volk
und zielt auf es, direkt oder übermittelt
durch unablässige Splitter, durch den rosigen Rauch
bitterer unzufälliger geheimer Kennzeichen.)
So du Geschöpf, Miliziano, so du entkräftetes Geschöpf,
von einem unbewegten Stein bewegt,
es opfert sich, es zieht sich zurück;
es fällt nach obenzu, und durch seine unverzehrbare Flamme
steigt es,
steigt es auf bis zu den Schwachen,
Schlachtrufe an die Stiere verteilend,
Stiere an die Tauben …

Prolet, der du stirbst aus Begierde zum All, in welch toller
Harmonie
wird deine Größe enden, dein Elend, dein antreibender Schlund,
dein planmäßiges Ungestüm, dein theoretisches und praktisches
Chaos, deine danteske
höchst spanische Lust, deinen Feind, und sei es hinterrücks, zu lieben!
Befreier, an Fußketten gebunden,
ohne dessen tapferes Bemühen würde bis heute ohne Handhabe die
Ausdehnung dauern,
würden die Nägel kopflos herumirren,
uralt, langsam, geschminkt der Tag,
unsre geliebten Schädel unbegraben!

Bauer, der du fielst mit deinem grünen Laub für den Menschen,
mit der sozialen Verkrümmung deines kleinen Fingers,
mit deinem Ochsen, der zurückbleibt, mit deinem Naturell,
auch mit deinem an einen Pfahl gebundenen Wort
und deinem gepachteten Himmel
und mit dem in deine Müdigkeit eingefügten Lehm,
und dem, der beim Gehen unter deinem Fußnagel war!
Ihr Erbauer,
bäuerliche, bürgerliche und soldatische,
der tätigen allseits bewegten Ewigkeit: geschrieben stand,
daß ihr erbauen würdet das Licht, indem ihr eure Augen
etwas auftun würdet im Tode;
dass, beim grausamen Sturz eurer Münder,
kommen wird auf sieben Kredenztellern die Fülle, alles
in der Welt sein wird aus jähem Gold
und auch Gold,
märchenhafte Bettler, die ihr bittet um euer eigenes Blut,
und das Gold selber dann wird sein von Gold!

Lieben werden sich alle Menschen,
und werden essen, verknüpft durch die Ecken eurer traurigen
Tücher,
Und sie werden trinken im Namen
euer unglücklichen Kehlen!
sie werden ausruhn beim Gehen anseiten dieser Landstraße,
sie werden schluchzen, wenn an eure Aughöhlen sie denken,
Glückliche werden sie sein, und beim Schall
euer schrecklichen blühenden ein-geborenen Rückkehr
werden sie morgen aufeinander abstimmen ihre Verrichtungen,
ihre geträumten und besungenen Gestalten!

Ein und dieseIben Schuhe werden wohl hingehen zu dem,
der weglos aufsteigt zu seinem Leib,
und dem, der niedersteigt bis zur Gestalt seiner Seele!
Einander umschlingend, die Stummen werden reden, die
Gelähmten gehen!
Es werden, bereits zurückgekehrt, die Blinden sehen,
Und unter Herzklopfen werden zuhören, die taub sind

Die Unwissenden werden wissen, und nicht wissen die
Weisen !
Die Küsse, die ihr nicht geben konntet, sie werden gegeben!
Sterben wird allein der Tod! Die Ameise
wird dem an seine wilde Zartheit gefesselten Elefanten
kleine Brotstückchen bringen, zurückkehren werden,
um vollkommen geboren zu werden, ohne Fehl, die abge-
triebenen Kinder,
und arbeiten werden alle Menschen,
zeugen werden alle Menschen,
voll Verständnis werden alle Menschen sein!

Arbeiter, du Retter, Erlöser unser,
vergib uns, Bruder, unsre Schuld!
Wie sagt eine Trommel doch beim Wirbelschlagen mit ihren
nie mehr sei so vergänglich deine Schulter! [Refrains:
immer sei so wandelbar dein Profil!

Freiwilliger Italiens, zwischen jenen Tieren der Schlacht
hinkt ein abessinischer Löwe!
Freiwilliger der Sowjetunion, du marschierst an der Spitze
deiner Weltenbrust!
Freiwillige aus dem Süden, dem Norden, dem Orient
und du des Westens, einsperrst du den Trauergesang der
Frühe!
Bekannter Soldat, dein Name zieht vorbei in Reih und Glied
beim Laut einer Umarmung!
Krieger, den die Erde hervorbringen wird, bewaffne dich
bewehre deinen Fuß mit positiven Magneten. [mit Pulver,
setze deine persönlichen Anschauungen in Kraft,
unterschiedlich im Charakter, verinnerliche deine Grundsätze,
die unmittelbare menschliche Haut,
lass deine Sprache durch die Menschen gehen
und die kieselgekrönte Seele!

Freiwilliger, der du umgürtet bist von deinem kalten,
deinem milden oder glutheißem Erdstrich,
ihr Helden ringsum,
Opfer du in der Sieger Kolonne:
in Spanien, in Madrid, rufen sie auf
zu töten, Freiwillige des Lebens!

Weil in Spanien man tötet, töten andere
das Kind, sein Spielzeug, das stillhält,
die herrliche Mutter Rosenda,
den alten Adam, der mit erhobener Stimme mit seinem
Pferde sprach,
und den Hund, der auf der Treppe schlief.

Sie töten das Buch, zielen auf seine Hilfsverben,
auf seine wehrlose erste Seite!
Sie töten die Genauigkeit der Bildsäule,
den Weisen, seinen Spazierstock, seinen Kollegen,
den Friseur von nebenan – womöglich schnitt er mich einmal,
aber ein guter Kerl, und dann unglückselig;
den Bettler, der hier gegenüber gestern gesungen hatte,
die Krankenschwester, die heute weinend vorbeiging,
den Priester, z u seiner Last die stete Höhe seiner Knie …

Freiwillige,
für das Leben, für die Guten tötet ihr
den Tod, tötet ihr die Bösen!
Macht es für die Freiheit aller,
des Ausgebeuteten wie des Ausbeuters,
für den leidlosen Frieden – ihn ahne ich,
wenn ich schlafe neben meiner Stirn
und mehr noch, wenn ich um Hilfe rufend umherlaufe,
und macht es, sage ich,

für den Analphabeten, dem ich schreibe,
für den barfüßigen klugen Mann und sein Schaf,
für die gefallenen Kameraden,
ihre Aschen umarmen den Staubgewordenen eines Weges!

Auf daß ihr,
Freiwillige Spaniens und der Welt, kommt,
träumte ich, daß ich gut war, und es war,
um euer Blut zu sehen, Freiwillige …
Das war lange vor vielen Leben, vielen Sehnsüchten,
vielen Kamelen im Gebetsalter.
Heute schreitet in eurem Namen das Gute voran, glühend,
euch folgen in Liebe die Reptilien mit immeroffner Wimper,
und zwei Schritte zurück, oder einen,
die Richtung des Wassers, das fließt, um seine Grenze
zu sehen, bevor es brennen würde.

César Vallejo

Vertaling Erich Arendt


Masa

Al fin de la batalla,
y muerto el combatiente, vino hacia él un hombre
y le dijo: «¡No mueras; te amo tanto! »
Pero el cadáver jay! siguió muriendo.

Se le acercaron dos y repitiéronle:
« ¡No nos dejes! ¡Valor! ¡Vuelve a la vida!»
Pero el cadáver jay! siguió muriendo.

Acudieron a él veinte, cien, mil, quinientos mil,
clamando: «¡Tanto amor, y no poder nada contra l a muerte!»
Pero el cadáver lay! siguió muriendo.

Le rodearon millones d e individuos,
con un ruego común: «Quédate hermano!»
Pero el cadáver jay! siguió muriendo.

Entonces, todos los hombres de la tierra
le rodearon; les vio el cadáver triste, emocionado:
incorporóse lentamente,
abrazó al primer hombre; echóse a andar…

César Vallejo


XII

MASSA

Aan het einde van de slag
en dood de strijder, kwam een mens naar hem toe
en zei hem: ‘Sterf niet, ik heb je zo lief?’
Maar het lijk, helaas, bleef sterven.

Twee kwamen bij hem staan en herhaalden:
‘Verlaat ons niet! Moed! Keer tot het leven terug!’
Maar het lijk, helaas, bleef sterven.

Twintig, honderd, duizend, vijfhonderdduizend liepen op hem toe,
smekend: Zoveel liefde en niets tegen de dood kunnen doen!’
Maar het lijk, helaas, bleef sterven.

Miljoenen individuen verenigden zich rond hem,
met een gemeenschappelijk verzoek: ‘Blijf, broeder!’
Maar het lijk, helaas, bleef sterven.

Toen verenigden alle mensen van d e wereld zich rond hem;
verdrietig, aangedaan zag het lijk hen aan;
langzaam kwam het overeind,
omhelsde de eerste mens; het begon te stappen…

10 nov. 1937

César Vallejo

Vertaling Bart Vonck


Die Vielen

Am Ende der Schlacht,
und der Krieger war tot, trat ein Mann auf ihn zu
und sagte zu ihm: „Stirb nicht; denn du bist mir lieb!”
Ach, der Leichnam starb weiter.

Und es kamen zwei Männer herbei und sprachen ihm zu:
„Verlaß uns nicht! Schöpf Mut! Kehr zu uns zurück!”
Ach, der Leichnam starb weiter.

Und es kamen zwanzig, hundert, tausend zu Hilfe,
fünfhunderttausend
und riefen: „Soviel Liebe, und sie vermag nichts gegen
den Tod!”
Ach, der Leichnam starb weiter.

Und es umgaben ihn viele Millionen
und es baten ihn alle: „Bleib, Bruder, bleib !”
Ach, der Leichnam starb weiter.

Endlich umringten ihn alle Menschen der Erde;
der traurige Leichnam sah es und war bewegt;
richtete sich sehr langsam auf,
umarmte den ersten besten, stand auf und ging…

César Vallejo

Vertaling Hans Magnus Enzensberger


Wie zijn lijden eeuwige noodzaak heeft bevonden
Vraagt geen heul voor zijn gekneusde menselijkheid,
Kan niet klagen om de smart der onverbonden,
Zonder deernis in zijn ziel geslagen wonden,
Aan wier scherpe pijn zijn deel der wereld lijdt.

Lijdt het lijden dat hem eigen is gegeven
Stil volhardend, zonder opstand, tot de dood,
Want hij weet zich zelf uit dit bewogen leven
Tot die broederschap van vrede in leed geheven,
Die het hart doorgrondt in ’t diepste van zijn nood.

En wie eenmaal tot dit weten is gekomen,
Kent geduld in leed zijn menselijke plicht.
Als hij nóg verlangt om van geluk te drómen,
Gaat hij heen tot waar de wijde wateren stromen,
Naar het eenzaam sterven van ’t ontzaglijk licht,

Als de zon sterft, in de dood der hoge gloeden,
Leert hij sterk en groot te wezen zonder loon;
Roerloos uitziend over spiegelende vloeden,
Voelt hij stil het wereldhart in zich verbloeden
En berustend prijst hij ’t zwáre leven schoon

P.N. van Eyck


O dood, geheime nachtegaal
Die in de donkere hagen zingt
Uw nooit ontraadselbaar verhaal
Dat tot in ’t diepst der harten dringt,

En lokt ons beiderzijds van ’t pad
Over het dompe dove mos
Voort van de wemellichte stad
Naar ’t ver en stil en duister bos, –

Ik volg u, dood, zing gij mij voor,
Ik zal niet talmen aan de zoom,
Dat ik de laatste sterregloor
Ontvinge voor mijn laatste droom.

Wat is herinnering van licht?
Ik ben tot duisternis bereid.
Onhoorbaar sluit de nacht zich dicht. ..
Mijn ziel wordt vol van eeuwigheid.

P.N. van Eyck


Gras hooi

Ach mijn zachte
van je woorden
zijn de gedachte
zo goed als gehoorde
als ongehoorde
als ongedachte

dat ik je wil
en nog kan kussen
ach daar tussen
is ook geen verschil
want door te leven
zijn onze lijven
zo samengewreven
dat zij de dood
plat zullen wrijven
plat als papier
dun als dit schrijven

Ik geloof voortaan
niet meer in tijd
maar eeuwig aan
de eeuwigheid
van ons bestaan

en dat gelieven
uiteengescheiden
tot vage lijken
nog samen praten
elkaar bereiken
in veel te late
te uitgebreide
vergeelde brieven

en dat wij beiden
minder weten
dan het oerbeest dat
wij samen vormen
geest zonder gat
om in te eten
voor de wormen

dat wie nog leeft
of levend is
en wie ontleedt
of doodslaap heeft
daar geen gemis
of winst van weet

dat er niets waar is
dan gevoel
want ik bedoel
dit alles maar
ik weet het niet
ben nooit een echter
mens geweest
dan voor de rechter
die dit leest

maar de geur van hooi
is dood zo mooi
als dorrend vel
of groeiend gras
vroeger was
dat weet ik wel

Brooklyn, 5 october 1968

Leo Vroman (1915-2014)


DE LAAN IN, UIT WESTLIJKE WOLKENSLUIS,
Stuwt-op ’t oranje licht; ’t gewelf van toppen
Lijkt, vastgeklonken met fel kop’ren knoppen,
Geelgroene naad van z’acht hellende buis.

Ik freewheel over licht; langwerp’ ge droppen
Trillen op ’t stuur; en ‘k luister naar ’t geruis
Achter me in ’t dorre blad, en naar ’t gedruis
Bij sprong of droog geknap van beukedoppen.

Tot streep smelt saam ’t versneld metaalgetikkel.
Hard gonst de nobel-koele wind. Op ’t nikkel
Schittert een dubbelster, oranjerood”

Aan ’t einde van de laan, om me op te vangen,
Staat, groot, de zon. Voort vlieg ‘k, in vreemd verlangen
Naar iets – onzegbaar, tijdloos: liefde-en-dood

Johan Dèr Mouw


I

Wit hing en stil de dauw over de weiden. –
Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim,
Stond, hoog, in ’t west wit licht boven’de kim. –
Niets werk’lijks was er meer, niets dan wij beiden.

En op die heuvel, op die bank van ons,
Boven de dauw, zaten we als op een eiland;
En ’t wit doorschijnend licht, het witte weiland
Leek stilte; en de stilte was als dons.

Boven de wereld zaten we; en we schrokken,
Als om ons in besliste vaart een tor
Een kromme draad trok van donker gesnor,
Wegbuigend in dempende nevelvlokken.

Jouw haar, rood in de schem’ring, aaide ik glad: ·
Mijn ziel was in mijn lippen en mijn handen,
En deed mijn handen en mijn lippen branden .
Op jou, die ik het diepst heb liefgehad.


Il

Je haar was vochtig: toen je door de weiden,
Verlangend, mijn verlangen stillen kwam,
Had ’t nevelvolk – nachtvlinders om een vlam –
Van ’t roodstralende blond niet kunnen scheiden:

En kleine dropjes lagen, wit en koel,
Over je haar, net dunne zilv’ren koordjes:
‘T rood lichtte erdoor, zoals door kleine woordjes
Heen licht ’t vergeefs verborgen groot gevoel.

En ‘kaaide ’t met mijn handen en mijn lippen
Tot gouden spiegel, en mijn dromend oog
Zag een wit lichtplekje, als ik ’t hoofd bewoog,
Net als een duif langs zonnig koornveld glippen.

En ’t scheen, als~f in ’t schimmig westen hing .
Een geest, die stil keek over vroegere aarde;
En ’t scheen, ik was al oud, heel oud, en staarde
Terug naar dit – heiligste herinnering.


III

En ’t scheen,· ik was aan ’t einde van mijn leven,
En jij was dood;· mijn liefde,. lang lang dood.
En ‘k dacht: Dat zachte haar,- hoe is ’t zo rood
In schemering van dag en tijd gebleven?

En ’t wit werd grijs; en ’t grijs zonk naar de kim. –
De werk’lijkheid hield op, toen~ voor ons beiden: ,
Je ging. – Wegnev’len zag ‘k je over de weiden,
Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim.

Johan Dèr Mouw


EN AAN DIE MAN, DIE DOOD OP DE OEVER GLEED,
Dood, dood náást ’t ijs – terwijl de veerman sprak –
In stervend oor klepelend hoefgeklak,
In dichte keel vergeefs gewilde kreet,

Denkt vaak, wie langzaam oud werd in veel leed:
Zijn leven ziend, begrijpt hij niet, dat ’t strak, .
gespannen, door de smart ge bonsde vlak
Van ’t breekbaar denken ·niet tot waanzin spleet.

Hij luistert, weerloos: oude herinnering
Mummelt van· Toen, en Toen. En ’t is, als viel

Over zijn Ik late angst en duizeling
Om wat er loerde in de afgrond van zijn ziel.

Hij luistert; en zijn hand, weifelend, strijkt
Over zijn voorhoofd. En hij zit; en kijkt.

Johan Dèr Mouw


En suma, no poseo

En suma, no poseo, para expresar mi vida sino
mi muerte. Y después de todo, al cabo de la esca-
lonada naturaleza y del gorrión en bloque, me
duermo mano a mano con mi sombra.

Y, al descender del acto venerable y del otro ge-
mido, me reposo pensando en la marcha imper-
térrita del tiempo.

Por qué la cuerda, entonces, si el aire es tan sen-
cillo? Para qué la cadena, si existe el hierro por
sí solo?

César Vallejo, el acento con que amas, el verbo
con que escribes, el vientecillo con que oyes
sólo saben de ti por t u garganta.

César Vallejo, póstrate, por eso, con indistinoto
orgullo, con tálamo de ornamentales áspid y
exagonales ecos.

Restitúyete al corpóreo panal, a la beldad; aroma
los florecidos corchos, cierra ambas grutas al sa-
ñudo antropoide; repara, en fin, tu antipático
venado; tente pena.
¡Que no hay cosa más densa que el odio en voz
pasiva, ni más misera ubre que el amor!
¡Que ya no puedo andar, sino en dos has
¡Que ya no me conoces, sino porque te sigo ins-
trumental, prolijamente !
¡Que ya no doy gusanos, sino breves!
¡Que ya te implico tanto, que medio que te afilas!
¡Que ya llevo unas timidas legumbres y otras
bravas!

Pues el afecto que quiébrase de noche en mis
bronquios, lo trajeron de día ocultos deanes y,
si amanezco pálido, es por mi obra; y si anochez-
co rojo, por mi obrero. Ello explica, igualmente,
estos cansancios míos y estos despojos, mis famo-
sos tíos. Ello explica, en fin, esta lágrima que
brindo por la dicha de los hombres.

¡César Vallejo, parece
mentira que así tarden tus parientes,
sabiendo que ando cautivo,
sabiendo que yaces libre!
¡Vistosa y perra suerte!
¡César Vallejo, te odio con ternura!

César Vallejo


ALLES BIJ ELKAAR,
BEZIT IK OM MIJN LEVEN UIT TE DRUKKEN NIETS’

Alles bij elkaar, bezit ik om mijn leven uit te drukken niets
dan mijn dood.

En, uiteindelijk, aan het eind van de trapsgewijze natuur en
van de bloksgewijze mus, val ik in slaap, hand in hand, met
mijn schaduw.

En, bij het voortkomen uit de eerbiedwaardige daad en uit
het andere gekreun, rust ik uit denkend aan het koelbloedige
verloop van de tijd

Waarom dan de koord, als de lucht zo eenvoudig is?
Waartoe de ketting, als het ijzer enkel voor zich bestaat?

César Vallejo, het accent waarmee je bemint, het woord waar-
mee je schrijft, het briesje waarmee je hoort, slechts door je
keel hebben zij weet van jou.

César Vallejo, werp je ter aarde, daarom, met onverschillige
hoogmoed, met een huwelijksbed van ornamentele adders en
zeshoekige echo’s.

Keer terug naar de stoffelijke honingraat, naar de schoonheid;
parfumeer de bloeiende kurken, sluit beide grotten voor de
haatdragende antropoïde; herstel, uiteindelijk, je antipathie-
ke hert; doe je leed.

Want er is niets compacter dan de haat in lijdende vorm,
noch is er vrekkiger uier dan de liefde!

Want ik kan niet meer gaan, tenzij op twee harpen!

Want jij kent me niet meer, tenzij omdat ik je instrumentaal,
omstandig volg!

Want ik geef geen wormen meer, tenzij korte!

Want ik betrek je zoveel, dat je je slechts half voorbereidt!
Want reeds draag ik enkele schuchtere groenten en andere
woedende!
Want de emotie die’s nachts in mijn bronchiën breekt, werd
overdag door donkere dekens gebracht en, als ik lijkbleek ont-
waak, komt het door mijn werk; en, als ik rood word als de
avond valt, door mijn arbeider. Dit verklaart, evenzo, die ver-
moeidheden van mij en die stoffelijke overschotten, mijn fa-
meuze ooms. Dit verklaart, uiteindelijk, die traan die ik uit-
breng op het geluk van de mensen.

César Vallejo, het lijkt
gelogen dat je bloedverwanten zo lang uitblijven,
wetend dat ik gevangen ga,
wetend dat jij vrij rust in het graf!
Opzichtig en honds lot!
César Vallejo, ik haat je teder!

25 nov. 1937

César Vallejo

Vertaling Bart Vonk


Mit einem Wort

Mit einem Wort, ich habe, mein Leben auszudrücken, nichts als
meinen Tod. Wenn es vorbei ist, am Ende der abgestuften Natur
und des Sperlings im Block, schlaf ich ein Hand in Hand mit mei-
nem Schatten.

Kaum entsprungen dem ehrwürdigen Akt und dem anderen, ge-
stöhnten, setz ich mich hin und denk nach über den unerschrockenen
Gang der Zeit.

Wozu den Strick, wenn die Luft so dünn ist? Wozu die Kette, wenn
auch das Eisen für sich allein besteht?

César Vallejo, der Nachdruck deiner Liebe, das Wort, mit dem du
schreibst, der kleine lebhafte Wind, mit dem du hörst, kennen dich
nur, weil du eine Kehle hast.

César Vallejo, in die Knie mit dir, in den unentschiedenen Stolz,
ins Brautbett geschmückter Nattern und sechseckiger Echos!

Nimm dich zurück, gib dich der wahrhaftigen Honigwabe, der
Schönheit; gib den abgeblühten Korkhölzern Duft, verschließe
beide Höhlen vor dem rasenden Anthropoiden; erschafte neu zu-
letzt dein widerspenstiges peruanisches Wild; kenne die Pein!

Nichts ist verschloßner als der Haß in einer gleichgültigen Stimme,
Nichts eine elendere Zitze als die Liebe.

Ich kann nicht mehr gehen, oder mit zwei Harfen!

Du kennst mich nicht mehr, es sei denn, ich folge dir mit Musik
und andauernd !

Ich geb keine Erdenwürmer mehr, sondern Breviere!

Ich zieh dich schon so sehr ins Spiel, daß ich abmessen kann, wie
sehr du dich schärfst!

Ich trag jetzt bei mir etwas zaghaftes Grün und auch wenige frühe
Feigen.

Die Zuneigung, die nachts in meinen Bronchien zerbricht, wird mir
am Tage von geheimen Dechanten gebracht, und erwache ich und
bin blaß, so ist es meines Werkes wegen. Schlafe ich ein und bin
rot, so ist es wegen des Arbeiters im Weinberg des Herrn. Das
erklärt doch diese Müdigkeiten und meine Verlassenschaften, meine
berühmten Oheime. Das erklärt doch am Ende diese Träne, die ich
dem Glück der Menschen weihe.

César Vallejo, es ist nicht zu fassen,
daß deine Verwandtschaft noch zögert,
wo sie doch weiß, daß ich gefangen bin,
wo sie doch weiß, daß du frei in der Tiefe liegst!
Inniges und hündisches Glück!
César Vallejo, ich hasse dich zärtlich!

César Vallejo

Vertaling Fritz Rudolf Fries


Kurz, um mein Leben auszudrücken, habe ich nur meinen Tod

Kurz, um mein Leben auszudrücken, habe ich nur meinen Tod.
Und schließlich, am Ende der abgestuften Natur und des Sperlings im
Block schlafe ich ein, Hand in Hand mit meinem Schatten.

Und abgestiegen vom ehrwürdigen Akt und vom anderen Stöhnen, ru-
he ich aus im Gedanken an den unerschütterlichen Lauf der Zeit.
Wozu der Strick, wenn die Luft so einfach ist? Wozu die Kette, wenn
das Eisen für sich allein da ist?

César Vallejo, der Nachdruck, mit dem du liebst, das Wort, mit dem
du schreibst, das Windchen, mit dem du hörst, wissen von dir nur
durch deine Kehle.

César Vallejo, sinke drum mit unbestimmtem Stolz in die Knie, mit ei-
nem Brautbett aus Ziernattern und sechseckigem Echo.
Kehre zurück zur körperlichen Honigwabe, zur Schönheit; durchdufte
die blühenden Korken, verschließe dem erzürnten Menschenaffen bei-
de Grotten; bessere endlich deinen unsympathischen Hirsch aus; schä-
me dich.

Gibt es doch nichts Dumpferes als Haß mit untätiger Stimme, auch
kein armseligeres Euter als die Liebe!
Kann ich doch nur noch auf zwei Harfen gehen!
Kennst du mich doch nur, weil ich dir instrumentalisch, weitläufig folge!
Gebe ich doch nicht mehr Würmer, sondern nur noch kurze Silben von mir!

Ich schließe dich bereits so stark ein, daß du fast Schärfe gewinnst!
Schleppe ich doch bereits schüchternes Gemüse und anderes wildes!
Denn die Zuneigung, die sich nachts in meinen Bronchien bricht, wurde
mir tags von versteckten Dechanten gebracht, und wenn ich bleich erwache, so wegen meiner Arbeit, und wenn ich rot zu Bett gehe, so wegen meines Arbeiters. Das erklärt gleichfalls meine Müdigkeiten und diese Plünderungen, meine berühmten Onkel. Das erklärt schließlich diese Träne, die ich als Trunkspruch auf das Glück des Menschen ausbringe.

César Vallejo, es scheint
kaum glaublich, daß deine Verwandten so lange säumen,
wissend, daß ich gefangen bin,
wissend, daß du frei ruhst!
Welch strahlendes und hündisches Glück!
César Vallejo, ich hasse dich mit Zärtlichkeit!

  1. November 1937

César Vallejo

Vertaling Curt Meyer-Clason


Quand l’ombre menaça …

Quand l’ombre menaça de la fatale loi
Tel vieux Rêve, désir et mal de mes vertèbres,
Affligé de périr sous les plafonds funèbres
Il a ployé son aile indubitable en moi.

Luxe, ô salle d’ébène où, pour séduire un roi
Se tordent dans leur mort des guirlandes célèbres,
Vous n’êtes qu’un orgueil menti par les ténèbres
Aux yeux du solitaire ébloui de sa foi.

Oui, je sais qu’au lointain de cette nuit, la Terre
Jette d’un grand éclat l’insolite mystère,
Sous les siècles hideux qui l’obscurcissent moins.

L’espace à soi pareil qu’il s’accroisse ou se nie
Roule dans cet ennui des feux vils pour témoins
Que s’est d’un astre en fête allumé le génie

Stephane Mallarmé


SONNET: ‘QUAND L’OMBRE MENAÇA…’

When the shadow with fatal law menaced me
A certain old dream, sick desire of my spine,
Beneath funereal ceilings afflicted by dying
Folded its indubitable wing there within me.

Luxury, O ebony hall, where to tempt a king
Famous garlands are writhing in death,
You are only pride, shadows’ lying breath
For the eyes of a recluse dazed by believing.

Yes, I know that Earth in the depths of this night,
Casts a strange mystery with vast brilliant light
Beneath hideous centuries that darken it the less.

Space, like itself, whether denied or expanded
Revolves in this boredom, vile flames as witness
That a festive star’s genius has been enkindled.

Vertaling A.S. Kline


Victorieusement fui …

Victorieusement fui le suicide beau
Tison de gloire, sang par écume, or, tempête !
Ô rire si là-bas une pourpre s’apprête
A ne tendre royal que mon absent tombeau.

Quoi ! de tout cet éclat pas même le lambeau
S’attarde, il est minuit, à l’ombre qui nous fête
Excepté qu’un trésor présomptueux de tête
Verse son caressé nonchaloir sans flambeau,

La tienne si toujours le délice ! la tienne
Oui seule qui du ciel évanoui retienne
Un peu de puéril triomphe en t’en coiffant

Avec clarté quand sur les coussins tu la poses
Comme un casque guerrier d’impératrice enfant
Dont pour te figurer il tomberait des roses.

Stephane Mallarmé


SONNET: ‘VICTORIEUSEMENT FUI LE SUICIDE…’

Victoriously the grand suicide fled
Foaming blood, brand of glory, gold, tempest!
O laughter if only to royally invest
My absent tomb purple, down there, is spread.

What! Not even a fragment of all that brightness
Remains, it is midnight, in the shade that fetes us,
Except, from the head, there’s a treasure, presumptuous,
That pours without light its spoiled languidness,

Yours, always such a delight! Yours, yes,
Retaining alone of the vanished sky, this
Trace of childish triumph as you spread each tress,

Gleaming as you show it against the pillows,
Like the helmet of war of a child-empress
From which, to denote you, would pour down roses.

Vertaling A.S. Kline


L’Azur

De l’éternel Azur la sereine ironie
Accable, belle indolemment comme les fleurs,
Le poète impuissant qui maudit son génie
À travers un désert stérile de Douleurs.

Fuyant, les yeux fermés, je le sens qui regarde
Avec l’intensité d’un remords atterrant,
Mon âme vide. Où fuir ? Et quelle nuit hagarde
Jeter, lambeaux, jeter sur ce mépris navrant ?

Brouillards, montez ! versez vos cendres monotones
Avec de longs haillons de brume dans les cieux
Que noiera le marais livide des automnes,
Et bâtissez un grand plafond silencieux !

Et toi, sors des étangs léthéens et ramasse
En t’en venant la vase et les pâles roseaux,
Cher Ennui, pour boucher d’une main jamais lasse
Les grands trous bleus que font méchamment les oiseaux.

Encor! que sans répit les tristes cheminées
Fument, et que de suie une errante prison
Éteigne dans l’horreur de ses noires traînées
Le soleil se mourant jaunâtre à l’horizon !

—Le Ciel est mort. — Vers toi, j’accours ! donne, ô matière,
L’oubli de l’Idéal cruel et du Péché
À ce martyr qui vient partager la litière
Où le bétail heureux des hommes est couché,

Car j’y veux, puisque enfin ma cervelle, vidée
Comme le pot de fard gisant au pied d’un mur,
N’a plus l’art d’attifer la sanglotante idée,
Lugubrement bâiller vers un trépas obscur…

En vain ! l’Azur triomphe, et je l’entends qui chante
Dans les cloches. Mon âme, il se fait voix pour plus
Nous faire peur avec sa victoire méchante,
Et du métal vivant sort en bleus angelus !

Il roule par la brume, ancien et traverse
Ta native agonie ainsi qu’un glaive sûr ;
Où fuir dans la révolte inutile et perverse ?
Je suis hanté. L’Azur ! l’Azur ! l’Azur ! l’Azur !

Stephane Mallarmé


Het azuur
 
Schoon als de eenzelvige, onverschillig-schone bloemen
kwelt van het eeuw’ge azuur sereen de spotternij
den machtelozen dichter, zijn genie verdoemend
doorheen de dorheid van een smartenwoestenij.
 
Vluchtend, met de ogen toe, voel ‘k hoe met eendre krachten
als een neervellende wroeging het staag beloert
mijn leed’ge ziel. Waar vlucht ‘k? En welke waanzinsnachten,
lompen, werpen op die verachting die mij roert?
 
Neev’len, stijgt op! en strooit uw doods-eentonige asse
met lange lompen mist over de heemlen uit,
om te versmoren de loodbleke herfstmoerassen
en welft een zoldring wijd en wars van elk geluid…
 
En gij, lieve Verveling, rijs uit lethe-grauwe
poelen, met lijkwit riet en slib verward geraakt,
en stop met nooit vermoeide hand de grote blauwe
gaten kwaadaardig door de vogelen gemaakt.
 
Voorts, dat ononderbroken de schoorstenen smoken
en dat een dolende gevangenis van roet
dove in de afschuwlijkheid van zwarte, sliert’ge roken
de zon ter kim zieltogend in een gele gloed.
 
-Dood is de hemel – ‘k Spoed tot u, stof, stort het wrede
Ideaal en de Zonde in de vergetelheid
voor mij, den martelaar, die komt ter legerstede
waar zich ’t gelukkig vee der mensen nedervlijt.
 
Want ‘k wil er, daar ten laatst mijn brein, het leeggesmeerde,
als de blanketseldoos neerliggend langs een muur,
den opsmuk van de snikkendë idee verleerde,
naargeestig geeuwen naar een duister stervensuur.
 
Vergeefs! De zege is aan ’t azuur en in de klokken
hoor ik zijn zang; mijn ziel, het stolt tot stem van staal,
om met zijn boze zege ons meer nog te doorschokken,
en luidt, blauwe angelus, uit ’t levende metaal.
 
Het rolt doorheen de mist, aloud, uw aangeboren
doodsangst doorklievend als steeds treffend zwaard van vuur;
waar in ’t onnut verderf, de opstandigheid, mij smoren?
Het spookt in mij! Azuur! Azuur! Azuur! Azuur!

Vertaling Bert Decorte


DER AZUR

Des ewigen azur gelassne ironie
Bedrückt wie blumen schön und ungerührt und kalt
Den müden dichter der dem eigenen genie
Aus trockner wüste flucht wo ihn der Schmerz umkrallt.

Ich flieh geschlossnen augs und fühle seine blicke
In leerer seele wie der reue wilde kraft
Und übermacht. Wohin? Welch nächtliche geschicke
Verhüllen diesen hohn der mir verzweiflung schafft?

Ihr nebel steigt empor! Giegt eure träge trauer
In langen schwaden aus und hüllt die himmel ein
Ertränkt sie in dem sumpf der herbstlich feuchten schauer
Erbaut ein riesen-dach aus ewgem stillesein!

Und du mein Schmerz tauch aus dem lethe-teiche
Bring deinen schlamm herauf bring schilfgewächse mit!
Mit nimmermüder hand verstopf die blauen reiche
Die böser vögel heer in raschem flug zerschnitt.

Noch mehr! es sollen die kamine traurig rauchen
Des russes irrendes gefängnis lösch sie aus
Mag sie am horizont für immer untertauchen:
Die sonne ster be gelb in schwarzer schleier graus !

-Nun ist der Himmel tot. -Ich komme staub! gewähre
Dass mir das Ideal dag mir die Sünde fremd
Dass ich als dulder mit dem menschenvieh entbehre:
Auf kargem lager schläft sichs froh und ungehemmt

Denn dort wird endlich nun mein hirn so leer und trocken
Wie nur ein farbentopf bei frisch getünchter wand
Das keine kunst mehr kennt ideen anzulocken
Vor trübsinn gähnen bis es finstren frieden fand …

Umsonst! der Azur siegt … ich lausche seinem singen.
Die glocken läuten. Lausch o seele diesem schall ·
Sein sieg ist schlimm und wird mich in die kniee zwingen:
Ein angelus tönt blau aus lebendem metall!

Durch wolken rollt das lied · durch alte nebeldämpfe ·
Und wie ein schwert teilt es die tödliche natur ·
Wohin entfliehn? Umsonst die sinnlos eitlen kämpfe:
Ich bin ein Narr! Azur! Azur! Azur! Azur!

Vertaling Carl Fischer


Y si después de tantas palabras

¡Y si después de tantas palabras,
no sobrevive la palabra!
¡Si después de las alas de los pájaros,
no sobrevive el pájaro parado!
¡Más valdría, en verdad,
que se lo coman todo y acabemos!

¡Haber nacido para vivir de nuestra muerte!
¡Levantarse del cielo hacia la tierra
por sus propios desastres
y espiar el momento de apagar con su sombra su
tiniebla!

¡Más valdría, francamente,
que se lo coman todo y qué más da …!

¡Y si después de tanta historia, sucumbimos,
no ya de eternidad,
sino de esas cosas sencillas, como estar
en la casa o ponerse a cavilar!
¡Y si luego encontramos,
de buenas a primeras, que vivimos,
a juzgar por la altura de los astros,
por el peine y las manchas del pañuelo!
¡Más valdría, en verdad,
que se lo coman todo, desde luego!

Se dirá que tenemos
en uno de los ojos mucha pena
y también en el otro, mucha pena
y en los dos, cuando miran, mucha pena …
Entonces .. ¡Claro!… Entonces… ¡ni palabra!

César Vallejo


Und wenn nach so vielen Worten

Und wenn nach so vielen Worten
das Wort nicht überlebt!
Wenn nach den Schwingen der Vögel
der stillstehende Vogel nicht überlebt!
Da wäre es wahrhaft besser,
daß alles verschlungen wird und damit Schluß!

Geboren zu werden, um von unserem Tod zu leben!
Sich vom Himmel zur Erde erheben
durch die eigenen Verhängnisse
und auf den Augenblick zu lauern, wo man mit seinem Schatten
seine Finsternis löscht!

Offen gestanden, es wäre besser,
daß alles verschlungen wird, und wenn schon …!

Und wenn wir nach soviel Geschichte erliegen,
nicht etwa an der Ewigkeit,
sondern an diesen einfachen Dingen, wie
zu Hause zu sein oder nachzugrübeln!
Und wenn wir gleich darauf
ganz plötzlich entdecken, daß wir leben,
nach der Höhe der Sterne zu schließen,
nach dem Kamm und den Flecken im Taschentuch!
Dann wäre es wahrlich besser,
daß alles verschlungen wird, selbstverständlich!

Man wird sagen, wir haben
in einem der Augen viel Kummer
und auch im anderen viel Kummer,
und in beiden, wenn sie schauen, viel Kummer …
Dann …! Klar!… Dann … Kein Wort mehr!

César Vallejo

Vertaling Curt Meyer-Clason


Sur les bois oubliés quand passe l’hiver

(Pour votre chère morte, son ami.)

— « Sur les bois oubliés quand passe l’hiver sombre,
Tu te plains, ô captif solitaire du seuil,
Que ce sépulcre à deux qui fera notre orgueil
Hélas ! du manque seul des lourds bouquets s’encombre.

Sans écouter Minuit qui jeta son vain nombre,
Une veille t’exalte à ne pas fermer l’œil
Avant que dans les bras de l’ancien fauteuil
Le suprême tison n’ait éclairé mon Ombre.

Qui veut souvent avoir la Visite ne doit
Par trop de fleurs charger la pierre que mon doigt
Soulève avec l’ennui d’une force défunte.

Âme au si clair foyer tremblante de m’asseoir,
Pour revivre il suffit qu’à tes lèvres j’emprunte
Le souffle de mon nom murmuré tout un soir.

Le 2 novembre 1877.

Stephane Mallarmé


SONNET: ‘POUR VOTRE CHERE MORTE, SON AMI…’

(For your dear departed wife, his friend) 2 November 1877

– ‘Over the lost woods when dark winter lowers
You moan, O solitary captive of the threshold,
That this double tomb which our pride should hold’s
Cluttered, alas, only with absent weight of flowers.

Unheard Midnight counts out his empty number,
Wakefulness urges you never to close an eye,
Before in the ancient armchair’s embrace my
Shade is illuminated by the dying embers.

Who wishes to receive visitations often,
Mustn’t load with too many flowers the stone
My finger raises with a dead power’s boredom.

A soul trembling to sit by a hearth so bright,
To exist again, it’s enough if I borrow from
Your lips the breath of my name you murmur all night.’

Vertaling A.S. Kline


Le tombeau d’Edgar Poe

Tel qu’en Lui-même enfin l’éternité le change,
Le Poète suscite avec un glaive nu
Son siècle épouvanté de n’avoir pas connu
Que la mort triomphait dans cette voix étrange !

Eux, comme un vil sursaut d’hydre oyant jadis l’ange
Donner un sens plus pur aux mots de la tribu
Proclamèrent très haut le sortilège bu
Dans le flot sans honneur de quelque noir mélange.

Du sol et de la nue hostiles, ô grief !
Si notre idée avec ne sculpte un bas-relief
Dont la tombe de Poe éblouissante s’orne

Calme bloc ici-bas chu d’un désastre obscur
Que ce granit du moins montre à jamais sa borne
Aux noirs vols du Blasphème épars dans le futur.

Stephane Mallarmé


Grafsteen van Edgar Poe
 
Zoals hem in Zichzelf de eeuwigheid verkeerde,
Laat de Poeet tenslotte met getrokken zwaard
Zijn tijdperk sidderen daar het niet heeft ontwaard
Dat in die vreemde stem de dood steeds triomfeerde!
 
Stuiptrekkend als de draak die van de engel leerde
Hoe men de woorden van de stam het puurst bewaart
Zo hebben zij met luider stem geopenbaard
Met welk zwart toverbrouwsel hij zichzelf onteerde.
 
Hoe gruwelijk de vijandschap van grond en zwerk!
Als onze geest geen halfverheven beeldhouwwerk
Ermee schept om verblindend op Poe’s graf te pralen,
 
Kalm blok omlaag gestort uit duister ongeval,
Laat dit graniet althans voorgoed de grens bepalen
Waarover geen zwart Lasterwoord nog vlerken zal.

Vertaling Paul Claes


THE TOMB OF EDGAR ALLAN POE

Such as eternity at last transforms into Himself,
The Poet rouses with two-edged naked sword,
His century terrified at having ignored
Death triumphant in so strange a voice!

They, like a spasm of the Hydra, hearing the angel
Once grant a purer sense to the words of the tribe,
Loudly proclaimed it a magic potion, imbibed
From some tidal brew black, and dishonourable.

If our imagination can carve no bas-relief
From hostile soil and cloud, O grief,
With which to deck Poe’s dazzling sepulchre,

Let your granite at least mark a boundary forever,
Calm block fallen here from some dark disaster,
To dark flights of Blasphemy scattered through the future.

Vertaling a.S. Kline


Das Grab von Edgar Poe

So wie die Ewigkeit ihn in sich selbst verwies
Steht nackten Schwertes nun der Dichter da,
Aufstörend seine Zeit, die schrickt, dass sie nicht sah,
Wie diese Stimme schon der Tod sein eigen hiess.

Sie, eitlen Wahnes, dass nur eine Hydra zischt,
Wenn sich der Engel müht ums Wort, dem Volk zu Danke,
Verschrien sich laut, es sei ein Zauber in dem Tranke,
Den er hinabgestürzt mit Schande, trübgemischt

Aus Boden bös, der Wolke Hass. O Schmerzgewalten!
Will der Gedanke uns daraus kein Bild gestalten,
Womit das Grabmal Poes zu seinem Ruhm sich schmücke,

Granit, herabgestürzt aus dunklem Sternengrund,
Dann stelle dieser Stein für immer doch sein Rund
Dem schwarzen Flügelschlag entgegen künftiger Tücke.

Vertaling: Fritz Unsinger


Le tombeau de Verlaine

Le noir roc courroucé que la bise le roule
Ne s’arrêtera ni sous de pieuses mains
Tâtant sa ressemblance avec les maux humains
Comme pour en bénir quelque funeste moule.

Ici presque toujours si le ramier roucoule
Cet immatériel deuil opprime de maints
Nubiles plis l’astre mûri des lendemains
Dont un scintillement argentera la foule.

Qui cherche, parcourant le solitaire bond
Tantôt extérieur de notre vagabond —
Verlaine ? Il est caché parmi l’herbe, Verlaine

À ne surprendre que naïvement d’accord
La lèvre sans y boire ou tarir son haleine
Un peu profond ruisseau calomnié la mort.

Stephane Mallarmé


Jaargetijde – januari 1897
 
Grafsteen
 
Zwart rolt het rotsblok in de vrieswind zo vol toorn
Dat het zelfs onder vrome handen niet stil staat
Die tasten naar gelijkenis met menselijk kwaad
Alsof dit jammerlijk model hen kon bekoren.
 
Haast altijd als de ringduif haar gekir laat horen
Drukt die onstoffelijke rouw een bruidsgewaad
Op ’t rijp gesternte van de nieuwe dageraad
Dat zilverig de menigte zal overgloren.
 
Wie zoekt, de sprong volgend van onze vagebond
Die eenzaam en uitwendig was voor deze stond –
Verlaine? Hij ligt in het gras verstopt, Verlaine
 
Om te verrassen slechts als argeloos deelgenoot
De lip zonder eraan te drinken of te kwijnen
Een heel ondiepe beek die wordt gehoond de dood.

Vertaling Paul Claes


TOMB (OF VERLAINE)

Anniversary – January 1897

The black rock enraged that the north wind rolls it on
Will not halt itself, even under pious hands, still
Testing its resemblance to human ill,
As if to bless some fatal cast of bronze.

Here nearly always if the ring-dove coos
This immaterial grief with many a fold of cloud
Crushes the ripe star of tomorrows, whose crowd
Will be silvered by its scintillations. Who

Following the solitary leap
External once of our vagabond – seeks
Verlaine? He’s hidden in the grass, Verlaine

Only to catch, naïvely, not drying with his breath
And without his lip drinking there, at peace again,
A shallow stream that’s slandered, and named Death.

Vertaling A.S. Kline


Das Grabmal

Der schwarze Block im Zorn, das Wind ihn rolle,
hält sich nicht auf, selbst unter frommer Hand,
die tastend Menschenleid ihn ähnlich fand,
als oh sie arge Gussform segnen solle.

Hier immer fast heim Gurrn des Taubers drückt
dies Trauern ohne Stoff mit manchem Falt
der Mannbarkeit den reifen Stern von bald,
des Schimmer einst die Menge silbern schmückt.

Wer sucht, den einsam er im Sprung gefunden,
im grad noch äussern, unsern Vagabunden –
Verlaine? Er ist im Gras versteckt, Verlaine,

um zu erspähn, verständigt, wie sichs bot,
am Mund, dem atemlos nicht trinkenden,
kaum tiefen Bach, verleumdeten, den Tod.

Vertaling Rainer Maria Rilke


Dobla el dos de Noviembre

Estas sillas son buenas acogidas.
La rama del presentimiento
va, viene, sube, ondea sudorosa,
fatigada en esta sala.
Dobla triste el dos de Noviembre.

Difuntos, qué bajo cortan vuestros dientes
abolidos, repasando ciegos nervios,
sin recordar la dura fibra
que cantores obreros redondos remiendan
con cáñamo inacabable, de innumerables nudos
latientes de encrucijada.

Vosotros, difuntos, de las nítidas rodillas
puras a fuerza de entregaros,
cómo aserráis el otro corazón
con vuestras blancas coronas, ralas
de cordialidad. Sí. Vosotros, difuntos.

Dobla triste el dos de Noviembre.
Y la rama del presentimiento
se la muerde un carro que simplemente
rueda por la calle.

César Vallejo


LXVI

Het luidt twee november.

Deze stoelen bieden goed onthaal.
De tak van het voorgevoel
gaat, komt, stijgt, golft klam,
vermoeid in deze kamer.
Droevig luidt het twee november.

Overledenen, hoe laag snijden jullie afgedane
tanden, blinde zenuwen opwrijvend,
zonder te denken aan de harde vezel
die zingende ronde arbeiders oplappen
met eindeloze hennepdraad, met ontelbare knopen
bonzend van kruispunt.

Jullie, overledenen, met de scherpe knieën
zuiver van jullie over te geven,
hoe zagen jullie het andere hart
met jullie witte kronen, ijl
van hartelijkheid. Ja. Jullie, gestorvenen.

Droevig luidt het twee november.
En de tak van het voorgevoel
wordt gebeten door een kar die gewoon
door de straat rijdt.

César Vallejo

Vertaling Bart Vonck


Zu Grabe läutet der zweite November

Diese Stühle sind eine gute Zuflucht.
Der Zweig der Vorahnung weht,
geht, kommt, schwankt schweißbedeckt,
ermattet durch dieses Zimmer.
Traurig läutet der zweite November zu Grab.

Ihr Toten, wie tief grabt ihr euer Gebiß ein,
das ausgelöschte, bis es den blinden Nerv berührt,
ohne an das harte Gewebe zu denken,
das die runden Arbeiter flicken, singend,
flicken mit endlosem Hanf, Knoten
schlagen und zuckende Kreuzstiche ohne Zahl.

Ihr Toten mit den schimmernden Knien,
durch Ergebung geläutert,
wie schneidet ihr in das andere Herz
mit euren weißen Kränzen. Euch fehlts
an Herzlichkeit. Ja, ihr Toten.

Traurig läutet der zweite November zu Grab.
Und in den Zweig der Vorahnung
verbeißt sich ein Karren, der einfach
die Straße heraufgerollt kommt.

César Vallejo

Vertaling Hans Magnus Enzensberger


LXVI

Es läutet der zweite November.

Diese Stühle sind eine gute Zuflucht.
Der Zweig der Vorahnung
geht, kommt, steigt, wellt schwitzend,
ermüdet in diesem Raum.
Traurig läutet der zweite November.

Tote, wie tief schneiden eure abgeschafften
Zähne und prüfen blinde Nerven,
ohne an die harte Faser zu denken,
die runde Arbeitersänger
mit endlosem Hanf flicken und zahllosen
von Kreuzstichen zuckenden Knoten.

Ihr Toten mit leuchtenden
und kraft eurer Hingabe reinen Knien,
wie zersägt ihr das andere Herz
mit euren weilen, vor Herzlichkeit
schütteren Kränzen. Ja. Ihr Toten.

Traurig läutet der zweite November.
Und in den Zweig der Vorahnung
verbeißt sich ein Karren, der
einfach durch die Straße rollt.

César Vallejo

Vertaling Curt Meyer-Clason