Voorbij de tralies

voorbij de tralies januari 2026 – 76×58 cm

NIEUWJAAR VOORBIJ DE TRALIES

Op Attila’s paard

de teugels om zijn nek losmakend

en galopperend met illusies –

is het nieuwe jaar aangebroken.

Een roedel wolven

komt eraan, met geseling van de riemen.

De wolven waarmee de mensen

de winter hebben doorgebracht.

Hun flanken groeven in de grond,

verhit, en een wolk mist

bevochtigde hun lippen.

Met manen van bloed en rouw,

begon het aan zijn reis,

zijn aderen ontrollend

op het ritme van een allegro.

We hoorden het babbelen

naast stapels dode lichamen

en hoorden tragische executies hinniken in de nacht.

Maar met een deken van vergetelheid

bekleedden we onze borsten

en met juichkreten gingen we het tegemoet.

In uitbundige feestvreugde

paradeerden wij gevangenen,

onze kettingen meeslepend

van kamer naar kamer.

Die vrolijkheid was noch

een grap, noch een feest.

Het was een ritueel dat zich ontvouwde

in de tuniek van januari,

als een warme vriendschap,

overvloeiend met fladderende vleugels.

Toen hij ons passeerde, met loshangend hoofdstel, lange nek,

en galopperend vol illusies,

droeg hij een verbrijzelde helm.

En wij hesen, in onze vreugde,

de omgevallen masten op,

springend op een slinger van rozen over

de slapeloze borstweringen,

die uiteindelijk de woede van het oude jaar insloten.

Die nacht keerden we terug,

om bevrijde weiden over te steken,

ruiters op de galopperende volle snelheid van onze dromen.

Pedro García Cabrera



AÑO NUEVO ENTRE BARROTES

Sobre el caballo de Atila
—sueltas las bridas al cuello
y galopando ilusiones—
ha llegado el Año Nuevo.
Una manada de lobos
viene azotando sus remos.
Los lobos con que los hombres
han caldeado el invierno.
Piafaban en sus ijares
charoles calenturientos
y un penacho de neblina
humedecía sus belfos.
Crinado de sangre y luto
iniciaba su trayecto,
devanando las arterias
en la rueca de un allegro.
Lo oíamos balbucir
junto a montones de muertos
y relinchar en la noche
trágicos fusilamientos.
Pero con guata de olvido
nos acolchamos el pecho
y con látigos de júbilo
le salimos al encuentro.
En jocunda algarabía
desfilábamos los presos,
arrastrando las cadenas
de aposento en aposento.
No era aquella zarabanda
ni una broma ni un festejo.
Era un rito que se abría
en la túnica de enero
como una amistad caliente
desbordada de aleteos.
Cuando pasó a nuestro lado,
brida suelta, largo cuello
y galopando ilusiones,
llevaba un casco deshecho.
E izamos de la alegría
los caídos masteleros,
saltando a piola de rosas
los insomnes parapetos
que al final emparedaban
las furias del año viejo.
Aquella noche volvimos
a cruzar prados libertos,
jinetes sobre el galope
tendido de nuestros sueños.

Pedro García Cabrera


Voorbij de tralies – 2026 – 76×58 cm pigment, inkt, watercolour op papier