Ook de moordenaars zingen

Verhaal van de moordenaars

De melodie is altijd hetzelfde: het land moet gered, de onderdrukker verslagen, de nieuwe vrijheid breekt aan. Dat is het verhaal dat wordt verspreid als blijde boodschap. In de geschiedenis wisselen alleen de personages. Het verhaal blijft meestal hetzelfde. De helden worden vaak, lang nadat ze de overwinning hebben behaald, ingehaald door de tijd: in de nieuwe generatie ontpoppen ze zich tot hinderlijke sta in de weg; of beter, ze hebben hun heldenstatus verloren en staan nu in een ander licht. Overwinningen in het verleden zijn vergeten, of worden veronachtzaamd. De held van toen is de vijand van morgen, want een nieuw (oud) verhaal) in een ander nieuw (oud) jasje trekt nu alle aandacht. 

Politici vinden hier een houvast om hun eigen ambities gestalte te geven onder het mom van altruïsme, het landsbelang, de vertegenwoordiging van de stem van het volk etc. etc. Een lawine aan platitudes, nietszeggende slogans en veelal halve waarheden (dus leugens) wordt over het kiezersvolk uitgestrooid. En, niet te vergeten, de camera voortdurend op hen gericht. Het is een soort volksvermaak dat eerder op de kermis thuishoort dan in de politieke arena, Verslapt de media-aandacht omdat er niks te melden valt (trouwens de media (omroep. krant etc.) zijn toch het medium dat het meest veracht wordt door deze volksmenners), o paradox, dan bedenkt men wel een nieuw item dat de aandacht trekt, of men doet een rare en radicale uitspraak, of men gelooft in een nieuw complot, en als vliegen op de stroop – staat men weer voor je neus om elke scheet op te tekenen. 


Helden en moordenaars – stuivertje wisselen

De helden zijn altijd dezelfden. De moordenaars idem. Maar wie held en wie moordenaar wordt, wie zich als zodanig ontpopt is een geheim. De schrijver Georg Steiner stelde al eens dat in elk kind een heilige maar ook een moordenaar kan schuilen. Wat er uiteindelijk van terecht komt staat niet in de sterren geschreven maar is waarschijnlijk een mix van context, geluk, pech, aanleg en wat al niet meer. Complex dus, zoals het leven zelf complex is. En moordenaars kunnen helden worden en helden moordenaars. Niets staat vast. In een oorlog is de een een held en de ander wordt als moordenaar gezien, vaak een kwestie van perspectief en van wie de waardering uitspreekt. Als in een samenleving veel onvrede leeft over de gang van zaken en de politici aan de macht hebben geen goed verhaal dat leidend kan zijn in hun beleid en dat mensen bindt en verbindt, komen er anderen die deze ruimte inpikken met hun visie en hun verhaal. Zij pretenderen dan een betere toekomst voor de ontevredenen. 

En als er genoeg ontevredenen zijn die in deze praatjes geloven, in plaats van eerst zien en dan geloven, krijgen deze anderen (de tegenpartij) de wind in de rug en denken ze dat ze op de goede weg zitten. Want de kiezer heeft gesproken. De ontevredenen ruiken hun kans. De stok waarmee ze werden geslagen kunnen ze nu zelf ter hand nemen om te slaan: eindelijk wraak. Een moordenaar is zo geboren, er is niet veel voor nodig. Dat leert ons de geschiedenis en dat leert ons het heden, overal waar conflicten woeden en waar rekeningen worden vereffend. 

Gevangenissen zitten daarom vol met politieke tegenstanders, politici, schrijvers, journalisten en dichters. Hun woord wordt gevreesd en daarom worden ze ‘kalt gestellt’. Letterlijk in strafkampen ver in Siberië, in plaatsen waar menselijkheid niet telt en waar alles wat je dierbaar is als 


USAbyss

yssOorlog als vlucht naar voren

Kenmerkend voor de nieuwe leiders, de nieuwe messiassen – zeker als blijkt dat hun oplossingen niet werken – dat ze de mensen een broodje aap hebben verkocht – is de vlucht naar voren: de vijand niet alleen benoemen (en zoveel mogelijk terroriseren en aanklagen) via alle propaganda die ter beschikking staat – maar hem ook de oorlog verklaren. Oorlog als antwoord op alle interne problemen van het land want dan wordt de aandacht afgeleid en biedt het de messias nieuwe kansen om zijn talenten als moordenaar in het landsbelang te ontplooien. Dat zagen en zien we in Rusland gebeuren en op tal van andere plaatsen in de wereld. 

Het facisme als beweging kent geen andere route. Een grote leider en een volk van geselecteerden: de aanhangers, die recht hebben op het land en op de toekomst. De anderen moeten zwijgen, zich aanpassen en vooral niet dwarsliggen. Ze houden van marsen, achter vlaggen aanlopen en van het zingen van liedjes die daarbij horen. De cultuur die ze waarderen moet hun smaak zijn, anders vinden ze het maar niets. Groepen in de samenleving die afwijken van hun norm, omdat ze strijden voor bijvoorbeeld seksuele gelijkheid, voor gelijke rechten, voor een menselijke behandeling, voor diversiteit, voor een eigen vorm van vrijheid om zich te kunnen uiten, worden of verboden, of gecriminaliseerd, of hevig onderdrukt (Rusland) met zegen van de de (Russisch orthodoxe) kerk en andere conservatieve groepen die zich bedreigd voelen door al die zogenaamd ‘Westers geïnspireerde nieuwlichterij’. Een vijand die zwak is, die zich niet echt goed kan verdedigen is een makkelijke prooi. Ook in Polen en Hongarije weten ze dit en in tal van Afrikaanse landen waar homoseksualiteit bijvoorbeeld verboden is.



De afgrond wenkt

Het heilige moederland (zoals Rusland wordt gezien en tal van andere landen) moet puur en rein blijven, vasthoudend aan de tradities, vasthoudend aan normen en waarden die de kerk etc. heeft vastgesteld. Dat er dagelijks honderden een zinloze dood in een agressie-oorlog tegen een ander land vallen, daar hebben deze heersers en hun aanhang lak aan. Zolang het maar niet hun eigen kind is en als dat al zo is, dan is het meteen een martelaar, een dood voor de goede zaak. Traditie, waarden en normen worden hier verward met eigen belang, hebzucht, machtswellust en narcisme. Men wordt rijk over de rug van de eigen bevolking, men voert oorlog ten koste van de toekomst van het eigen volk en land. Waarom pikken moeders deze zinloze acties? Kinderen niet meer dan kanonnenvoer? 

Facisme heeft geen andere uitkomst dan dood en verderf, oorlog, de vernietiging van velen. Racisme is een van de vele jassen die de leiders en hun aanhang aantrekken. Zo gauw er racistische geluiden klinken weet je hoe laat het is, ondanks de mooie praatjes over waarden en normen.

De geschiedenis heeft dat telkens weer aangetoond en dat is op de dag van vandaag niet anders. De interne vijanden bestrijden vormt het opstapje naar de oorlog met de externe vijanden. 

In de gehele geschiedenis van de mensheid zien we dezelfde patronen. Daarom is het goed om nog eens stil te staan bij getuigenissen van hen die deze ellende van de oorlog aan den lijve hebben ervaren opdat we niet weer achter de rattenvangers van Hamelen aanlopen die zich als redder denken te manifesteren – rechtstreeks de afgrond in. De schrijver Roger Martin Du Gard schrijft in 1915 – midden in de oorlog – de eerste die later als wereldoorlog door ging – een brief aan een vriend. Hij schrijft deze brief om de verschrikkingen van deze oorlog vast te leggen vanuit een persoonlijk getuigenis. Daarom dit lange citaat waaraan ik niets heb toe te voegen, dan dat we niet in sprookjes moeten geloven die politici ons voorhouden, als ze ons een einde van alle ellende beloven, als zij aan de macht komen. Hij schrijft:


USAbyss

AAN MARCEL DE COPPET 

Auxi-le-Château, 22 december 1915 

Mijn beste, 

Ik wil aan mijn laatste lange brief een postscriptum over de oorlog toevoegen. 

Je denkt er de hele dag aan, je praat er overal voortdurend over; en het beeld dat je je ervan vormt verandert onophoudelijk. 

Zo is het aan het eind van dit jaar met me gesteld. 

Ik voel dat er iets is veranderd -en iets ernstigs -sinds de septemberoffensieven. Na het mislukken van die offensieven zijn er een paar weken van krankzinnige verwarring geweest, waarin sommigen beweerden, vaak zonder erin te geloven, dat we belangrijke successen hadden geboekt en anderen dat het met ons gedaan was, en dat het ’t einde van de oorlog was, een erkenning van onmacht, een definitieve nederlaag. 

Ik begrijp het nu veel beter en wat ik opmerk, niet alleen in mijn omgeving, maar aan het front (waar ik sinds een maand voortdurend heen ga) en in het achterland tijdens mijn verlof, is dat er geen ontreddering meer is, of illusie. Er  is iets nieuws en tragisch: een sombere, defensieve houding, een woedende vastberadenheid vol wanhoop, die geen moed is; die net zomin moed is als de volharding van een drenkeling die in het water is gevallen en zwemt in plaats van zich te laten zinken. Integendeel, de Franse soldaat heeft alle moed verloren. Hij ziet het totaal niet meer zitten, men begint het overal te bespeuren, het zelfs in de kranten te laten doorschemeren. Het moreel van de infanterie is erbarmelijk. Het lijden van de mannen is ongekend, het gaat iedere beschrijving te boven, is absoluut bovenmenselijk (niet vanwege de oorlog en de bombardementen, maar vanwege de kou, de modder en het donker). Ze verdragen het zonder enige moed, want dat woord roept stompzinnig een soort branie, bijna enthousiasme op. Ze verdragen het omdat ze niet anders kunnen, net als de drenkeling in de zee. Ze houden de heftigste antimilitaristische praatjes: ze zweren af te zullen rekenen met de officieren van het beroepsleger, met het militair bestuur, met de generaals van de staf. Ze schelden zelfs straffeloos op hun officieren. Ze heffen hun vuist niet tegen de ‘moffen’ -absoluut niet-, maar tegen de regeringen die de oorlog hebben uitgelokt, en tegen de Duitse regering die hem misschien, in haar eentje, heeft gewild. Ze keren zich tegen de mensen, tegen de gebeurtenissen, en met een enorme rancune, die bang maakt, keren ze zich tegen de oorlog, vol opgehoopte haat die ongetwijfeld tot hun dood de sterkste drijfveer zal zijn die ze in zich zullen hebben. Maar al die manschappen geven geen kik, eisen geen vrede. Afgezien van bepaalde flauwtes die te wijten zijn aan oververmoeidheid en fysieke ellende blijft de meerderheid, het geheel, stevig op de been, woest, en wil ze zich eens en voor al allereerst bevrijden van de oorlog, en vervolgens van degenen die de macht hebben om hem te ontketenen. 

Deze oorlog is met geen enkele andere te vergelijken omdat hij niets – of eerder omdat hij sinds enkele maanden niets strijdlustigs, dappers, geestdriftigs meer heeft of op verovering belust is. Er zijn eigenlijk nauwelijks nog jonge mensen; ze zijn gedood of verdwaald tussen de oudjes. Vandaag de dag is een compagnie infanteristen een troep oude mannen met een grijzende baard en vermagerde, gerimpelde, grauwe gezichten; onder de blauw-grijze pet een oude, vermoeide blik, hatelijk en triest, triest. Ik heb gehuild toen ik sommige van die troepen tegenkwam, zich voortslepend in die modderpoelen. Je hebt geen idee hoe beklemmend dat is. Al die oude mannen zitten vol haat, ze kunnen niet meer, hun geduld is op, en toch denkt niemand aan de mogelijkheid van een vrede op dit moment, zonder dat het eens en voor al is afgelopen. Ze verwachten geen overwinning te behalen. Ze zullen daar niets meer voor doen. Sinds september is hun elan definitief gebroken, zelfs volgens de aanvoerders. Ze willen niet naar de slachtbank. En ik denk niet dat men het hun ooit nog durft te vragen. Maar ze houden stand. Ze wijken geen duimbreed. Ze zullen nooit wijken. Ze hebben het gevoel dat standhouden volstaat. Dat de tijd zijn werk doet. Dat ze verzwakken, maar dat de Duitser nog veel meer verzwakt; en dat hij ten slotte zal creperen in zijn uitgerookte hol, voordat hun verbeten wacht hen tot stervens toe heeft uitgeput. Ze hebben het gevoel dat als Duitsland zal zijn verstikt, gesmoord, dat zij dan heel ziek zullen zijn, maar nog levend tegenover een kadaver. Het kadaver is militair Duitsland en voor hen is het meer, het is eenvoudigweg het militarisme, waar dan ook en in welke vorm dan ook, met inbegrip van het onze uiteraard. Het is een oorlog van burgers. Het zijn allemaal bijeengebrachte, gewapende burgers, die eens en voor al een einde maken aan de militair, die hem zullen laten creperen om de wereld er voor altijd van te bevrijden. 

Péguy zou hebben gezegd: ‘Dat is de mystiek van deze grote oorlog.’ Ik denk dat ik me niet vergis, dat het geen mooischrijverij is. Ik denk dat dit precies het kenmerk van deze oorlog is, de tragische grootsheid, de nieuwheid ervan, en de eruit voortvloeiende enorme maatschappelijke consequenties als de soldaat waarover ik spreek overwint, dat wil zeggen als onze volharding, onze pijnlijke verstarring echt voortduurt tot militair Duitsland sterft in onze greep. 

Dat wacht ik af: ik weet het niet; er zijn dagen dat ik ook denk dat we er mettertijd in zullen slagen de oorlog teniet te doen; en vervolgens zijn er dagen waarin de gedurfde aanvallen van Duitsland me imponeren, waarop ik bij mezelf zeg dat zij het sterkst zijn, dat al onze fouten, traagheden, aarzelingen, discussies, schandelijke wanorde, ons beletten te vechten, ons bij voorbaat kansloos maken. Ik weet het niet. Niemand weet het. De geschiedenis zal het zeggen. Voorlopig kan niemand het weten. Men verzint evenveel argumenten voor als tegen. Tegenover ons een vraagteken: hoe hoog is het Duitse blufgehalte? Hoe staat het werkelijk met Duitsland? Valt het plotseling, na de dag ervoor nog een slimme en goed voorbereide aanval te hebben gewaagd? Of heeft het reserves, kan het elders manschappen en proviand vinden, en put het ons uit door een ontzaglijke vitaliteit van ons te eisen? Ik weet het niet. Niemand kan het nog weten. 

Over het lijden van onze manschappen, de onze en die van hen (want ze zijn buren, ze maken afspraken over duizend kleine details inzake verdraagzaamheid en ontroerende regels, ze beklagen elkaar en onze soldaten zeggen nu: ‘Die arme rotmoffen’, zonder enige echte haat, dat zweer ik), over hun lijden raak ik nooit uitgepraat. En dan nog weet ik niets; ze zeggen me allemaal, en dat is waar: ‘Je kunt het niet weten als je het niet hebt meegemaakt, je kunt het wel vertellen, maar niemand kan zich voorstellen wat je ondergaat.’ Ze zeggen dat met een angstig, vermagerd gezicht, koortsige ogen, een droeve mond, een mond van zuiver menselijk verdriet. Het is vreselijk om te zien, het is onmogelijk je ogen niet vol tranen te hebben. Die verhalen zijn voor mij een echte fysieke pijn en ik heb sinds de oorlog, en vooral deze laatste maand alle kwellingen van een machteloos medelijden doorstaan. Het is vreselijk. Een paar echte details. Probeer het je voor te stellen. Een zee van modder. Drie kilometer in een smalle gang met modderig, zwaar water tot aan je middel. De loopgraaf overal verzakt, ingestort, verdwenen; cagnats ( ondergrondse schuilplaatsen) overal ingezakt en ondergelopen. Vier dagen in de loopgraven, dat wil zeggen vier dagen en vier nachten tot je dijen in de modder. Dat is niet te doen. Ik heb eergisteren een regiment gezien dat uit de loopgraven terugkwam: in vier dagen, honderd bevroren voeten, waarvan tenen geamputeerd moesten worden. Na vier dagen valt het schaamhaar uit, zo verrot is het vlees, en er zijn veel manschappen die zulke kloven in hun penis hebben dat ze besneden moeten worden! Een man vertelde me dat tegen de avond van de derde dag zijn schoen, half vergaan in het water, door het opzwellen van zijn voeten was opengebarsten en in de modder was verdwenen, en dat hij ruim tien minuten in de modder had geroerd voor hij hem terugvond, hoewel hij niet van plaats was veranderd. Ze zeiden: ‘Je lijdt zo, dat je geen zin meer hebt in eten.’ Ze hebben wel pompen om het water weg te pompen, maar niets werkt, er is niets, niets aan te doen. Als het water tot de borst stijgt, zoals ook aan de overkant, bij de moffen, hijsen ze zich bij stilzwijgende afspraak aan weerszijden op de borstwering, twee-of driehonderd meter van elkaar, en blijven ze soms drie dagen tegenover elkaar zitten, ze zien elkaar en geven elkaar tekens, zonder een schot te lossen. 

Denk goed na over die paar details. Zie wat het aan het licht brengt! Het gaat de menselijke krachten te boven. 

Ik omhels je, mijn beste. Oorlog aan de oorlog! Na de vrede, over twee of over tien jaar, als de mensen tijd hebben gehad om uit te rusten en zich te hernemen, zullen we geweldige maatschappelijke veranderingen beleven en misschien het begin van de Verenigde Staten van Europa, voor we sterven. Maar wat is het zwaar, wat is het zwaar! 

Roger 


John Hacking

4 januari 2024 – een nieuw jaar met nieuwe kansen


bron:

Du Gard, Roger Martin, Kijken door een sleutelgat. Dagboeken en herinneringen. Vertaald door Anneke Alderlieste, Amsterdam – Antwerpen 2022, (Arbeiderspers), pag. 111-115