Winter aan zee

Uit ‘Een winter aan zee’

I
Eens liep zij hoog te spreken
langs de Noordzee; een dag
kermde er om aan te breken.
Zij overstemde hem,
sprekend nog met de nacht.
Sinds haar de stad beduimelt
klimt op de kou om mijn stem
een meeuw, en kermt en tuimelt.

II
Wierp zij de kroon verloren
voor telbaar goud en lust?
Den honger van mijn ooren
voorbij jammert heimwee
op doorvlucht van de kust,
waar oud verwilderd zonlicht
aan een getergde zee
enkel nog haat verkondigt.

III
In de kamer vraagstamelt
al wat zij hier vergat
en het hart houdt verzameld,
doch vindt maar nauw gehoor
of antwoord meer, nu dat
liefde hier tot dof leed wordt
en spraakloos heimwee door
ongeloof overreed wordt.

IV
Wolken in ’t raam der kamer:
voormalig zieldomein,
door een allengs eenzamer
laat en al overzeesch
uur nog verlicht – o, pijn,
waar hier het hart aan blootstaat
dat ziende, en erger vrees
om wat ook daar nu doodgaat.

V
Omrouwfloerst als de sagen
rond het graf van een ras,
naadren het hart de dagen
die zij, van nacht tot nacht,
in dit land bij mij was.
Geen onderwolksche klokken
luiden meer, nu de wacht
door dooden wordt betrokken.

VI
Wat onraad gaat daarbuiten
te keer rondom het huis?
Haar wacht sloeg aan het muiten:
de dag, toen zij verdween,
maakte eed’len tot gespuis,
dat – nu de nacht gaat vallen –
ontaardt in handgemeen
van allen tegen allen.
 
A. Roland-Holst


Gedichten uit ‘Een winter aan zee’

I
Van de eerst verre zandplaat
joeg mijn komst de zeevogels
krijtend de kou in: onraad,
vrees, twist: niets dan ijl zwermen….
Maar welke zielszwerm vloog er
van het hart op, en bleef
erboven in gouden kermen
vragen wat er nog leeft?

II
Haar leegstaand huis aan zee
trok me en ik talmde er voor de
spiegel, waarin heimwee
zich kwelde. Jammersmeken
bleef achter mij te hooren,
doch voor me in ’t glas stond groots
die tweede zee te breken
in de stilte des doods.

III
Wat wil de onzalige maan?
Reeds werden er heillooze
droomschepen – af en aan
kruisend, de kust belagend –
gemeld. Van de onzen kozen
geen nu meer zee; elk wacht
bang hoe de dag zal dagen….
Wat wil de maan vannacht?

IV
Kamer, helder geheim:
in spiegel nog en ramen
draalt de overzeesche schijn.
Straks, tegen donker, komen
heimwee’s beide erfgenamen
bij de oude tafel, trouw
steunsel: voor brein en droomen
aambeeld en weefgetouw.

V
Ik sloot dit huis en brak
hier op, hoorde ik niet weer en
weer – in het duin, om het dak,
in ’t vuur soms – ingehouden
haar stemval samenzweren
met aarde’s eersten, thans
daklooze’ op wereld’s oude
verwaarloosde avondschans.

VI
Mij – nu het steil ijsrijk,
door bui op bui ontdooid, is
gesloopt en, horden gelijk,
de Noordzee de Hondsbossche
weer aandurft – heugt, na Troje’s
baaierd, zwart puin, en ik
hervind, in mij, haar rosse
haarwrong en duistre blik.

VII
Zoo ooit weer wanhoop ’t hart
leeghaalt en zelfs geen smart gunt,
als in die nanacht – tart,
geest, dan het schrikbeheer der
onnoembare monarchen,
die hem uitzenden. Geen
waagt zich in die voorwereld
meer af, dan gij alleen.

VIII
Zwaar vleesch, belust op roof,
door kwale’ allengs ontluisterd –
Heerschzuchtig brein, lang doof
voor hart’s verachte alarmen;
thans voor ophanden duister
bang sluitend – Ziel, zich schrap
zettend in dit verarmen –
O, Angst – o, Rekenschap.

A. Roland-Holst


Gedichten uit ‘Een winter aan zee’

I
Dien avond kwam hij weer,
de arme wind, de oude marskramer.
Ik schrok op: aan de deur
stond hij en had gestommeld,
de eenzame…. nog eenzamer
dan wie, bij de eigen schouw
wezenloos ingedommeld,
rust vond, haar beeld ontrouw.

II
Haar niet meer bij mij zijn
lijkt, wordt het mij gegeven
de eenzame zonneschijn
van de ziel in te loopen,
een weldra opgeheven
doem. Tot de lucht betrekt,
en hopen met wanhopen
weer heult en twijfel wekt.

III
Soms heerscht in een duinkom
omtrent vroeg vallend donker
een zwijge’ als van rondom
er wachtenden. De eenzame,
die, in zichzelf verzonken,
er binnenkomt, vertraagt
zijn pas, door wat geen namen
benoemen thans belaagd.

IV
Moe liep de wind te leuren
met lang verjaard verdriet.
Hij kwam voor dichte deuren
in het oud dorp daarginds,
en stond en kreunde om niet.
Hoor, hoe hij hierheen strompelt….
Zijn thuisweg werd het, sinds
ik haar naam nog maar mompel.

V
Der volkren sombre maren
luiden tot in dit land

-’t hare eens – en evenaren
wat het inwendig oor
opvangt, tot een verband
mij beangst. – Vond, wie doorgrondde
wat hart en volk te loor
doet gaan, eenzelfde zonde?

VI
Sinds ik, den droom verhoor
afnemend, een ertsader
van het geheim aanboor,
waardoor (en ’t is haar wezen)
ik wereld’s kern benader,
is ’t dat, tot elken prijs,
ik ook van ’t hart nu dezen
neerwaartschen inkeer eisch.

A. Roland-Holst

40×50 juli 2025 Budenbrooks

Gedichten uit ‘Een winter aan zee’

I
Van welke brand doorrakelt
peinzen de sintels? Hol
en in wartaal orakelt
ergens in de schoorsteen
een heks, een tooverkol,
van Troje, en wraak, en veete –
De wind en ik alleen

II
Haat maakt haar dor, afschuw
eenzaam, en wat dan haten
rest in die stad van nu
een, door wier lach en louter
aanschrijden eens de maten
overliepen en brand
uitsloeg? De wereld, ouder
wordend, drong haar aan kant.

III
Doorheen oude sneeuwbui
van slaap, in ommezien van
eeuwen, was ik weer bij
die eerste dreven: knapen
speelden er blij begin van
strijd om een kind. Weldra
juichten ze elkaar te wapen:
Helena…. Helena….

IV
Dof werd het vleesch, het goud
telbaar, lust veil. Wat kwam er
over het bloed, en houdt
de ziel weg, en verbittert
het woord? Der steden jammer
mergelt het land uit, en
leeg winterlicht doorschittert
de blik der eenzamen.

V
Eens zag schoonheid haar kans
schoon: jubel en verschrikking
ontvlamden trans na trans
der stad. – Dood niet, doch leven
doofde ‘t, behoedzaam schikking
treffend met heil. – Met haar
voortaan zich af te geven
beteekent doodsgevaar.

VI
Wie zal den zin doorgronden
van leegte en eeuwen? Waar
torens omoorloogd stonden
te branden, werd ook zij
een volte slechts gewaar
der tijden. Doodsche beemden –
meer bleef niet – maar die mij
van tijd en al vervreemden.

VII
Mij – nu het steil ijsrijk,
door bui op bui ontdooid, is
gesloopt, en horden gelijk
de Noordzee de Hondsbossche
weer aandurft – heugt, na Troje’s
baaierd, zwart puin, en ik
hervind, in mij, haar rosse
haarwrong en duistre blik.

VIII
In der ramen schijnopen
hinderlaag ligt het koud
kristal het trotsch wanhopen
van de avondbaaierd tot
peillooze kern van oud
en leeg licht te herleiden,
gelijk geheim noodlot
werelden tot voortijden.

IX
Wat riep uit welke gouden
kelen weleer? Welk heil
daagde, maar bleef onthouden

-door welke schuld? – aan ’t eerst
plan der planeet? Somwijl
gaan, maar uit stiller kelen,
wind en licht om het zeerst
er tergend op zinspelen.

X
Heil, koude zee – heil, stalen
aangrijpen en verblijd
geeselen van dit vale
vleesch, waar zich god aan beest
verlaagde. Gij kastijdt
en loutert; aan uw wezen
heeft steeds weer de eeuwige geest
mij tot inkeer genezen.

A. Roland-Holst


Gedichten uit ‘Een winter aan zee’

1
Nergens dan in dit huis
leeft haar stem na: beneden
in ’t vuur en het gesuis
van stilte en geesten; boven
om het bed in de oude eeden
nog. Overwintrend werkt
het hart, tot dit gelooven
en het streng brein beperkt.

2
Ze ontwaakte: op de nog leege
zee van haar oogen ging,
voormalige verten tegen,
ik scheep naar dat weleer
van heil, en plotseling

-maar nu achter schuimranden
des doods – lagen daar weer
de vergeten eilanden.

3
Wat wil de onzalige maan?
Reeds werden er heillooze
droomschepen – af en aan
kruisend, de kust belagend –
gemeld. Van de onzen kozen
geen nu meer zee. Elk wacht,
bang hoe de dag zal dagen….
Wat wil de maan vannacht?

4
Bijgelicht door de blijde
haat der maan, zeilden ze aan,
zingende: van vlakbij te
zien hoe dat lied ons zou
vernielen, te volstaan
daarmee…. zulke vijanden
(vreemde volmachten trouw)
zien er van af te landen.

5
Zij voorspelden mijn lied
ijl einde in leegte en koude –
Maar zij begrijpen niet
wat heimwee kan: tot wonden
verhevigt het verouden
oog en oor, en brandschat
de taal, om te doorgronden
wat de wereld vergat.

6
De stilte binnen spant
samen met den wind buiten.
In de wereld beland

-waaraan wij ook ontkwamen
en wat we ook buitensluiten
of verzwijgen – aldoor
weer onderwerpen ramen
ons aan een oud verhoor.

7
Der kimwolken bergketen
ten voet, ligt het oud rijk
ondergesneeuwd. Vergeten
raakte ’t breed wegenkruis –
Doch velen, nu de omtrek
tot witte stilte ontvolkte,
verdiepen, binnenshuis,
zich in dat randgewolkte.

8
Ingekeerden voorzagen
de onheilen: toen geen volk
meer van God bleef gewagen,
dwong oorlog, geest na geest,
de zienden onderwolks
af in der steden kolken,
waar enkel heimwee leest
wat noodlot zal vertolken.

9
Zij heeft op deze plek
het hart bewereld. Rond dit
doorschenen woonvertrek

-kamer van inkeer, nest van
heimwee – legert, voorkondigd
beleg, thans doodlijk heil.
Verhevigd, gehuisvest in
ijlte, beid ik mijn deel.

A. Roland Holst


Gedichten uit ‘Een winter aan zee’
1
Dit is de plek: wantrouwen
ontzenuwt hier de moed
tot inkeer: in dit nauwe
duindal komt het wel voor,
dat men zichzelf ontmoet,
en aanziet, en moet lezen
in de andre blik. Dit oord
suizelt van angst en vreezen.

2
Eenzelvige uren lang
volgde ik oude duinpaden
in lang niet meer in zwang
zijnde gedachten. Wolken,
heldere droomnomaden,
bleven gelijdelijk
der wereld loop vertolken,
volk na volk, rijk na rijk.
 
A. Roland Holst.


Dank je wel voor je reactie - Thanks a lot for reacting