Winter aan zee

Uit ‘Een winter aan zee’ IEens liep zij hoog te sprekenlangs de Noordzee; een dagkermde er om aan te breken.Zij overstemde hem,sprekend nog met de nacht.Sinds haar de stad beduimeltklimt op de kou om mijn stemeen meeuw, en kermt en tuimelt. IIWierp zij de kroon verlorenvoor telbaar goud en lust?Den honger van mijn oorenvoorbij jammert … Doorgaan met het lezen van Winter aan zee