Verlosser en verlossing
Omdat in de eeuwigheid het woord uitdooft in de stilte van harmonieuze saamhorigheid – want alleen in stilte zijn we verenigd, het woord verbindt, maar de verenigden zwijgen – daarom moet de focusspiegel, die de zonnestralen van de eeuwigheid verzamelt in de kleine cirkel van het jaar, de liturgie, de mensheid naar deze stilte leiden. Zelfs daarbinnen kan gedeelde stilte echter slechts het uiteindelijke doel zijn, en alles wat eraan voorafgaat is slechts een voorbereiding op dit uiteindelijke doel.
In een dergelijke opvoeding blijft het woord heersen. Het woord zelf moet de mensheid ertoe brengen samen te leren zwijgen. Het begin van deze opvoeding is dat men leert luisteren.
Franz Rosenzweig, Der Stern der Erlösung, 342-343
******
Apocalyptiek en verlangen
Hoe groter het lijden, het leed dat mensen moeten ondergaan, het gevoel van hopeloosheid dat daarbij de kop kan opsteken, hoe groter vaak het verlangen naar verlossing en naar bevrijding van deze ‘helse’ situaties. Zo kun je de krachtige beelden verklaren in de literatuur die over de eindtijd gaat. Men hoopt op wonderen, op een verlosser, een heiland die aan alle lijden een einde maakt. Gershom Scholem, die een levenstaak ervan gemaakt heeft om de Joodse mystiek te bestuderen en te beschrijven, zegt ten aanzien van de inspiratiebronnen van de apocalyptiek, de profetische teksten uit de bijbel, het volgende:
De profetieën of boodschappen van de bijbelse profeten komen evenzeer voort uit openbaring als uit de nood en wanhoop van hen tot wie ze gericht zijn, en ze worden uitgesproken vanuit specifieke situaties, waarbij ze herhaaldelijk hun effectiviteit bewijzen in situaties waarin het einde als imminent werd ervaren, alsof het plotseling van de ene op de andere dag zou aanbreken.
De profetieën van de bijbelse profeten zijn gegoten in taal die je poetisch kunt noemen. De beeldspraak in de beschrijvingen van een naderende toekomst vol bevrijding, de komst van een redder, het verdrijven van de onderdrukkers, getuigt van groot dichterschap, ook al wordt de inhoud van de teksten op het conto van de openbaring geschreven, namelijk door God geïnspireerd. Deze beelden geven echter geen echte blauwdruk van wat zich precies zal gaan afspelen en welk scenario er in onze werkelijkheid zal worden gevolgd. Scholem schrijft:
Natuurlijk presenteren de profetieën van de profeten nog geen coherent concept van messianisme; we hebben hier eerder te maken met een verscheidenheid aan verschillende motieven, waarin het sterk benadrukte utopische element – de visie van een betere mensheid aan het einde der tijden – verweven is met herstellende elementen, zoals het herstel van een geïdealiseerd Davidisch koninkrijk. Deze messiaanse boodschap van de profeten betreft de mensheid als geheel en schetst beelden van de processen in de natuur en de geschiedenis waardoor God spreekt, waarin de eindtijd wordt aangekondigd of gerealiseerd. Deze visioenen hebben nooit betrekking op het individu als zodanig, noch claimen deze proclamaties enige bijzondere, ‘geheime’ kennis die zou kunnen verwijzen naar een innerlijk rijk dat niet voor iedereen waarneembaar is.

Onthullingen onthullen vooral dwaasheid van de “gelovigen”
Dus geen geheime openbaring, geen onthulling of apocalyps, van wat er aan staat te komen en welke de plannen van God zijn met onze wereld. De apocalyptische schrijvers zijn echter schatplichtig aan de woorden en beelden van de profeten en in hun beschrijving van wat er staat te gebeuren verplaatsen zij de grenzen. Zij overschrijden deze met het oog op de dingen die ze met hun beweringen voor waar willen houden. Scholem zegt hierover:
De woorden van de apocalyptische schrijvers onthullen daarentegen al een verschuiving in perspectief met betrekking tot de inhoud van de profetie. Voor deze anonieme auteurs van geschriften zoals het Bijbelse boek Daniël, de twee boeken van Henoch, het vierde boek van Ezra, de Openbaringen van Baruch of de Testamenten van de Twaalf Patriarchen – om slechts enkele documenten uit deze ooit schijnbaar overvloedige literatuur te noemen – bieden de woorden van de oude profeten al een kader waarnaar zij verwijzen en dat zij op hun eigen wijze ontwikkelen en vervullen.
Wat we in de apocalyptiek zien is dat het heden, de ervaren negatieve toestanden en het verlangen naar verlossing, gekoppeld wordt aan de visioenen van de profeten met daarbij een geheel eigen invulling van de gang van zaken. Ze interpreteren de visioenen en actualiseren deze voor het publiek waar ze voor schrijven. Scholem beschrijft dat zo:
In deze interpretatie van de visioenen van de oude profeten, of zelfs van de nieuwe apocalyptische denkers zelf, zijn motieven van hedendaagse, historische aard, die betrekking hebben op de huidige omstandigheden en moeilijkheden, nauw verweven met motieven van eindtijdse, eschatologische aard. Hierin spelen niet alleen huidige ervaringen een rol, maar worden oude mythische beelden vaak ook doordrenkt met utopische inhoud. Zoals onderzoekers van apocalyptische literatuur terecht altijd hebben opgemerkt, worden de oude profetieën hier op een cruciaal punt overstegen door de nieuwe eschatologie. De woorden van Hosea, Amos of Jesaja kennen slechts één wereld, waarin ook de grote gebeurtenissen van de eindtijd plaatsvinden, en hun eschatologie is nationaal van aard. Ze spreekt over de herbouw van de gevallen tabernakel van David, over de toekomstige glorie van een Israël dat tot God is teruggekeerd, evenals over eeuwige vrede en de bekering van alle volken tot de ene God van Israël, het afkeren van heidense culten en beelden.
Daarentegen gaf de apocalyptische literatuur aanleiding tot de leer van twee opeenvolgende en tegengestelde tijdperken: deze wereld en de wereld die komen zal, het rijk van de duisternis en dat van het licht. De nationale tegenstelling tussen Israël en de heidenen wordt uitgebreid tot een kosmische tegenstelling, waarin de rijken van het heilige en de zonde, reinheid en onreinheid, leven en dood, licht en duisternis, God en de anti-goddelijke machten tegenover elkaar staan.
Aan de nationale inhoud van de eschatologie wordt een bredere kosmische achtergrond toegevoegd waartegen de laatste strijd tussen Israël en de heidenen zich ontvouwt. Met deze achtergrond komen de concepten van de opstanding der doden, van beloning en straf in het Laatste Oordeel, van paradijs en hel, waarin beloften en bedreigingen aan het volk worden gecontrasteerd met die van individuele vergelding in de eindtijd. Al deze concepten raken nu nauw verbonden met de oude profetieën. De woorden van de apostelen, die in hun oorspronkelijke context zo helder en onvervalst lijken, worden nu zelf raadsels, allegorieën en mysteries, die geïnterpreteerd, zo niet ontcijferd, moeten worden in apocalyptische homiletiek of in iemands eigen apocalyptische visie. Zo wordt het kader gecreëerd waarbinnen het messiaanse idee nu zijn historische impact begint te hebben.
Dat zien we heden ten dage ook plaatsvinden bij allerlei auteurs van christelijke huize die van mening zijn dat de eindtijd echt is aangebroken en dat de visioenen uit de apocalyps zich aan het verwerkelijken zijn in de concrete gestalte van de wereld. Sommigen hebben zelfs al hun hoop hierop gevestigd in de veronderstelling dat zij tot de geredden zullen behoren en dat de anderen (de vijand) spoedig het onderspit zal delven. Waar ze deze hoop op funderen blijft in mijn ogen onhelder want hun einige argument bestaat erin dat ze op hun manier de apocalyptische teksten lezen en interpreteren en denken dat het over hun gaat en over deze wereld. Amerikaanse evangelisten en hun aanhang in de rest van de wereld zwelgen met deze teksten en richten hun woning en hun omgeving in om op de komende catastrofe voorbereid te zijn, inclusief de gedachte dat de bral-(en brul)aap die nu in het Witte Huis voor president speelt en overal bewust chaos veroorzaakt een instrument is in Gods hand.
Geheime Waarheid – maar voor wie dan?
Scholem schrijft over deze teksten die een geheime waarheid moeten onthullen het volgende:
Maar er is nog een factor om te overwegen. Apocalypsen, zoals de betekenis van het Griekse woord al aangeeft, zijn openbaringen of onthullingen van de kennis van het einde der tijden die door God verborgen is gehouden. Dat wil zeggen: wat de profeten uit de oudheid kenden als kennis die niet luid en openbaar genoeg verkondigd kon worden, wordt een geheim in de apocalypsen. Het is een van de raadsels van de Joodse religieuze geschiedenis die geen van de vele pogingen tot verklaring bevredigend heeft kunnen beantwoorden, en dat is in feite de ware reden voor deze metamorfose die de kennis van het messiaanse einde, waar het het profetische kader van de bijbelse teksten overstijgt, transformeert in esoterische kennis. Waarom houdt de apocalyptische denker zich schuil in plaats van, zoals de profeten zelf, zijn visie luidkeels aan de vijand te verkondigen? Waarom legt hij de verantwoordelijkheid voor zijn onheilspellende visioenen bij de helden van de Bijbelse oudheid, en waarom verleent hij die verantwoordelijkheid alleen aan de uitverkorenen of ingewijden? Is het politiek? Is het een veranderd besef van de aard van deze kennis? Er schuilt iets verontrustends in deze transcendentie van het profetische, die tegelijkertijd een beperking van de invloedssfeer met zich meebrengt. Het kan geen toeval zijn dat dit karakter van apocalyptische kennis al bijna een millennium bewaard is gebleven, zelfs onder de erfgenamen van de oude apocalyptische denkers in het rabbijnse jodendom.
Apocalyptische teksten zijn dus al heel lang populair. Maar is de nood van de Amerikaanse christenen en hun aanhangers zo hoog dat de wereld moet vergaan en dat de strijd tussen goed en kwaad (wie dat dan ook mogen zijn) nu in zijn totaliteit moet losbarsten? Politici die inspelen op deze in wezen religieuze thematiek hebben het niet begrepen. Er zal geen God uit de hemel komen om hen te redden, om het eigen volk voor te trekken en af te zonderen van hen die gedoemd zijn om te vergaan. De voorstelling dat allen die niet tot het eigen volk behoren in principe vijandig, of bedreigend zijn, is een totale fictie. Alsof de wereld door God is ingedeeld in volken en ‘rassen’, in standen en klassen. Elk mens wordt geboren, leeft en gaat gewoon dood. Het maakt niet uit waar je wieg stond, het bloed onder de huid is overal hetzelfde, wat racisten ook mogen beweren. Ze leven geen seconde langer omdat ze zogenaamd tot een beter soort zouden behoren. En over het allerlaatste stadium, dat wat komt na de dood, kan niemand een zinnig woord zeggen, hoe hartstochtelijk het idee van een toekomstige wereld (na de dood) ook wordt verdedigd in veel religieuze geschriften (zoals onder andere de Talmoed).

Apocalyps: troost en horror
Scholem bespreekt de apocalyptische beeldspraak en de inhoud van deze op schrift gestelde visioenen als volgt:
Ik sprak over het catastrofale karakter van de verlossing als een cruciaal element van elke apocalyptische visie, waarnaast de utopie van de gerealiseerde verlossing zich ontvouwt. Apocalyptisch denken bevat altijd een verweven element van horror en troost. De horror en de angst voor het einde vormen een element van schok en een schokkende emotie die tot extravagantie aanzet. De verschrikkingen van de werkelijke historische ervaringen van het Joodse volk versmelten met beelden uit het mythische erfgoed of de mythische verbeelding. Dit komt met name tot uiting in de ontwikkeling van het concept van de weeën van de Messias, dat wil zeggen, hier het Messiaanse tijdperk. De paradox van dit concept ligt in het feit dat de hier geboren verlossing in geen enkel causaal opzicht een gevolg is van de voorafgaande geschiedenis.
Juist de naadloze overgang tussen geschiedenis en verlossing wordt immers altijd benadrukt door de profeten en apocalyptische schrijvers. De Bijbel en de apocalyptische schrijvers erkennen geen historische vooruitgang naar de verlossing. Verlossing is niet het resultaat van wereldse ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld te zien is in moderne westerse herinterpretaties van het messianisme sinds de Verlichting, waar het messianisme, zelfs in zijn secularisatie, een ononderbroken en immense kracht in het geloof in vooruitgang demonstreert. Het is veeleer een intrusie van transcendentie in de geschiedenis, een intrusie waarin de geschiedenis zelf ten onder gaat, maar juist in deze ondergang wordt getransformeerd, omdat ze wordt aangeraakt door een licht dat vanuit een geheel andere bron op haar schijnt. De historische constructies waarin de apocalyptische schrijver (in tegenstelling tot de profeten van de Bijbel) zich wentelt, hebben niets te maken met moderne ideeën over ontwikkeling of vooruitgang, en als er iets is dat de geschiedenis in de ogen van deze zieners verdient, dan is het alleen haar ondergang. Een pessimistische wereldvisie is altijd centraal geweest voor de apocalyptische schrijvers. Hun optimisme, hun hoop, is niet gericht op wat de geschiedenis zal voortbrengen, maar op wat er uit haar ondergang zal voortkomen, nu eindelijk vrij en onbelemmerd.
De geschiedenis houdt op. Vooruitgang is een illusie. God maakt er een einde aan. Dood en verderf als resultaat, als inhoud van de wens-gedachten, met in het achterhoofd de opvatting dat jij zelf het zult overleven want je hoort tot de uitverkorenen. Alsof je als mens voor God kunt beweren dat je alles goed hebt gedaan en dat God zich dan maar daaraan dient te conformeren. ‘Hemel-tiranie’, de hemel naar je hand proberen te zetten en voor het gemak maar vergeten dat je daar helemaal niet over gaat. De orthodox protestantse leer die zegt dat de mens geneigd is tot alle kwaad en dat het puur van Gods genade afhankelijk is of je wordt gered, wordt hier voor het gemak maar even eenzijdig ingevuld met een eigen heilsideologie. Net zoals het van Gods genade zou getuigen als het je financieel voor de wind gaat, ook al heb je je kapitaal verdiend met slavenhandel, uitbuiting van onderdrukten of de verkoop van moordwapens. Zo is de Nederlandse burgerij in de zogenaamde ‘gouden eeuw’ steenrijk geworden. Over de hoofden van anderen en overgoten met een christelijk sausje.
Moses Maimonides: een kritisch geluid
Moses Maimonides die in de 13 eeuw belangrijke Joodse commentaren heeft geschreven die tot op de dag van vandaag van invloed zijn, moest niet zoveel hebben van deze apocalyptische beelden en verwachtingen. Daarvoor was hij veel te nuchter en te vertrouwd met de bijbelse teksten en de tradities die in de Talmoed en andere geschriften werden verwoord en telkens genuanceerd. Gershom Scholem schrijft over hem:
Het is zeker opmerkelijk dat Maimonides, die deze stap nog resoluter zette dan sommige van zijn voorgangers en die het messiaanse idee een plaats toekende onder de dertien geloofsartikelen van het jodendom, deze opname alleen onder anti-apocalyptische voorwaarden doorvoerde.
En in een noot schrift hij:
In de dertien fundamentele principes die Maimonides formuleerde in zijn inleiding op het Misjna-commentaar op hoofdstuk 10 van het Sanhedrin, staat: “Het twaalfde principe betreft de dagen van de Messias. Het bestaat erin te geloven en te erkennen dat Hij zal komen, en niet te denken dat Hij te laat zal komen. Zelfs als Hij vertraging oploopt, moet men op Hem hopen. Men moet geen tijdstip voor Hem bepalen of veronderstellingen maken over de betekenis van bijbelverzen om het tijdstip van Zijn komst vast te stellen. Zelfs de wijzen zeiden: ‘Laat zij die het einde willen berekenen hun laatste adem uitblazen.’ Men moet veeleer in Hem geloven, Hem verheerlijken, Hem liefhebben en voor Hem bidden, overeenkomstig wat de profeten van Mozes tot Maleachi over Hem hebben geprofeteerd. En wie aan Hem twijfelt, of wie Zijn positie gering acht, heeft de Tora verloochend, die Hem uitdrukkelijk beloofd heeft.”
Ook schrijft Maimonides over de situatie als de Messias dan zal komen, Scholem citeert Maimonides:
“Men moet niet denken dat er in de dagen van de Messias iets in de natuurlijke gang van zaken in de wereld zal ophouden, of dat er een transformatie in de schepping zal plaatsvinden. Integendeel, alles in de wereld zal zijn gebruikelijke gang blijven gaan. En wat Jesaja zegt [11:6]: ‘De wolf zal met het lam samenleven, en de luipaard zal met de geit neerliggen,’ is een gelijkenis en een allegorie, wat betekent dat Israël ook veilig zal leven te midden van de goddelozen onder de heidenen, die vergeleken worden met een wolf en een luipaard. Want zij zullen zich dan bekeren tot het ware geloof en niet langer roven en vernietigen. Zo moeten ook alle soortgelijke Schriftgedeelten die betrekking hebben op de Messias als gelijkenissen worden opgevat. Pas in de dagen van de Messias zal iedereen begrijpen wat de gelijkenissen betekenen en waar ze naar verwijzen. Zo zeiden de wijzen ook: Er is geen ander verschil tussen deze wereld en de dagen van de Messias dan de onderwerping van Israël aan de koninkrijken.”
En een ander citaat luidt, dat handelt over de grote oorlog, een geliefd thema bij de evangelische christenen in de VS die dwepen met de apocalyps:
“Uit de eenvoudige betekenis van de profetische woorden lijkt te volgen dat aan het begin van het Messiaanse tijdperk de oorlog van Gog en Magog zal plaatsvinden… [over deze Messiaanse oorlogen en de komst van de profeet Elia vóór het einde, vervolgt Maimonides:] … Van al deze en soortgelijke zaken weet niemand precies hoe ze zich zullen ontvouwen, aangezien de uitspraken van de profeten hierover onduidelijk zijn. Zelfs de wijzen beschikken niet over tradities met betrekking tot deze zaken, maar laten zich leiden door de Schrift. Daarom bestaan er onder hen meningsverschillen over dit onderwerp. In elk geval behoort de uiteenzetting van deze zaken en hun details niet tot de essentie van de religie.”
Kortom, alle claims dat deze teksten zouden kunnen bewijzen dat de eindtijd nabij is en dat strijd tussen licht en donker nu eindelijk zal losbarsten berusten allemaal op wensdenken, op drijfzand, op ongefundeerde en domme interpretaties (want kortzichtig en niet onderbouwd met echte studies). Scholem zegt dan ook:
“De wijzen en profeten verlangden naar het Messiaanse tijdperk, niet om de hele wereld te regeren, noch om de afgodendienaars te onderwerpen, noch om de volken te verheerlijken, noch om simpelweg te eten, te drinken en te genieten, maar om tijd te hebben voor Tora en wijsheid en daarin niet belemmerd te worden door welke onderdrukker dan ook.
In dat tijdperk zal er geen hongersnood of oorlog zijn, noch afgunst of onenigheid, want aardse goederen zullen er in overvloed zijn. De hele wereld zal geen ander verlangen hebben dan God te kennen. Daarom zullen de kinderen van Israël dan buitengewoon wijs zijn en de verborgen dingen en de gedachten van hun Schepper doorgronden, voor zover het menselijk verstand daartoe in staat is, zoals er staat [Jesaja 11:9]: ‘Want de aarde zal vol zijn van de kennis van God, zoals het water de zee bedekt.’”
De aarde, de wereld vol van de kennis van God. Dat is heel wat anders dan een gecreëerde chaos, het voeren van oorlogen die op dit moment plaatsvinden onder het mom van zelfbescherming (Israel) of de strijd tegen het kwade (USA) of om een groot rijk uit het verleden te herstellen (Rusland). Al deze politieke beslissingen draaien uit op moordpartijen, of onvoorstelbaar geweld en leed dat ze veroorzaken en de politieke leiders uit andere landen gaan hierin mee en blijven de bralaap in het Witte Huis de kont kussen. Wat een moed, wat een politiek vernuft, wat een christelijke achtergrond en inspiratie, vertonen deze leiders en hun achterban: ronduit walgelijk en bespottelijk. De messias die wordt verwacht en waar de christenen van overtuigd zijn dat het de hunne is, dat idee wordt elke dag gelogenstraft want de wereld is niet verlost en zal ook niet verlost worden door welke pseudo-messias dan ook, hoe hard hij ook schreeuwt en hoeveel politieke en financiële macht hij ook bezit. Niet de techneuten met hun miljardenbezit, niet de overmoedige politici en hun aanhangers zullen de wereld en de mensen redden, maar de kleine man en kleine vrouw die luistert naar Gods stem en die zijn woord in daden omzet. Elke dag weer opnieuw. Daar is geen verlosser noch een apocalyps voor nodig.
John Hacking
10 maart 2026
Bronnen:
Franz Rosenzweig, Der Stern der Erlösung. Mit einer Einführung von Bernhard Casper. Herausgegeben von Albert Raffelt, Freiburg im Breisgau · Universitätsbibliothek · 2002
Gershom Scholem, Zum Verständnis der messianischen Idee im Judentum, in: Scholem, Gershom, Judaica, Frankfurt am Main 1963 (Suhrkamp)
De volledige tekst in het Duits is te vinden op: https://mystiekfilosofie.com/over-deze-site/messianisme/
