Blasfemie

In de documentaire “Bidden voor het einde” uitgezonden op 16 mei 2025  (NPO2) is te zien en te horen hoe evangelische christenen (veelal nationalistische christenen) smachten naar het einde der tijden: het aanbreken van de grote afrekening waarin alle vijanden van het christendom, namelijk zoals zij dat zelf vertegenwoordigen, vernietigd zullen worden. Inclusief de aanhangers van alle andere religies en de ongelovigen. Dat idee hebben ze gemeen met radicale moslims die inzetten op een strijd tegen alle niet moslims en allen die te lauw zijn in het praktiseren van de Islam zoals zij die in hun radicale interpretaties voorstaan.

Waar halen dit soort ‘christenen’ hun ideeën vandaan? Het boek Openbaring van Johannes, het laatste boek uit de bijbel is daarvoor de bron en vooral ook de rechtvaardiging voor hun opvattingen. 

Ik pak een paar citaten uit de documentaire als uitgangspunt om deze eens tegen het licht te houden. Andere bronnen die dezelfde beeldspraak hanteren maken duidelijk dat het geen unieke teksten betreft. In de 404 verzen uit Openbaring komen 518 citaten of toespelingen uit het eerste Testament (Tenach) voor. Een unicum voor de boeken van het tweede Testament . Het is een boek geschreven met behulp van veel gedachten en ideeën die elders en eerder zijn verwoord. 

Bij de claim dat Openbaring een boek zou zijn dat de toekomst aankondigt en voorspelt zijn dus veel vraagtekens te zetten. Daarbij is het boek gelaagd en roept het ook in onze tijd veel vragen op omdat de beeldspraak van 2000 jaar (en ouder) geleden is. 

Evangelische ‘christenen’ die beweren dat ze de geheimen van dit boek zouden kennen lopen niet alleen naast hun schoenen maar zijn in mijn ogen ook blind voor de lagen in de tekst en de compositie van deze vorm van literatuur die toen heel populair was. Schijnbaar was er toen een grote behoefte aan openbaringen van wijsheden die het lot van de wereld en de mens konden duiden. Iets wat tot op de dag voortduurt en waar populisten graag gebruik van maken als zij hun zwart-wit visie op de samenleving loslaten. De mysterie-godsdiensten van toen hebben in een hedendaags jasje nu ook een politieke lading gekregen: facisme en communisme zijn er voorbeelden van ook al zijn ze zogenaamd geseculariseerd en is het religieuze aspect in hun ogen niet of minder belangrijk. Als Hitler Duitsland iets heeft laten zien dan was het wel de ‘religieuze’ vervanging van het christendom door een totale nazi-ideologie waarbij de Joden bij uitstek tot de gezworen vijanden werden gemaakt. Typisch een geval van radicaal racisme gebaseerd op religieuze overtuigingen: de manifestatie van de Übermensch als summum van hun ‘godsdienst’ en God vervangen door de Führer en het vaderland. Een ‘Blut und Bodem’ ideologie. Alles en iedereen kan geofferd worden en dat wordt ook verlangd. Ook hier het bloed dat een sleutelrol speelt in het denken van deze machtsmensen zoals dat aan het licht treedt in alle racistische stromingen. 


STROMEN VAN BLOED

Openbaring, hoofdstuk 14 levert enkele beelden die door de hoofdrolspelers in de documentaire voortdurend worden herhaald zoals de woorden uit vers 14,20 (er kwam bloed uit de perskuip tot aan de teugels van de paarden), alsof het een prachtig schouwspel betreft. Ze krijgen er geen genoeg van om deze woorden te citeren.Het hoofdstuk 14 begint zo:

1 En ik zag, en zie: het lam stond op de berg Sion, en met hem honderdvierenveertigduizend die zijn naam hadden, en de naam van zijn Vader was geschreven op hun voorhoofden.

2 En ik hoorde een stem uit de hemel als een stem van vele wateren en als een stem van een grote donderslag, en de stem die ik hoorde was als van citerspelers die op hun citers musiceerden.

3 En zij zongen een nieuw lied voor het aanschijn van de troon, en voor het aanschijn van de vier levende wezens en de oudsten, en niemand kon het lied leren dan die honderdvierenveertigduizend, die van de aarde zijn vrijgekocht.

4 Zij zijn het die zich niet met vrouwen hebben bezoedeld, want zij zijn maagden, zij, die het lam volgen waarheen het ook maar gaat. Zíj werden vrijgekocht uit de mensen als eersteling voor God en het lam,

5 en in hun mond is geen leugen gevonden, ze zijn zonder smet.

6 En ik zag een andere engel in het midden van de hemel vliegen, met een eeuwig evangelie om te verkondigen aan hen die op aarde zijn gezeten, aan alle volk en stam, taal en gemeenschap,-

7 zeggend met grote stem: vreest God en geeft hem glorie, want het uur van zijn gericht is gekomen; brengt hem hulde die de hemel en de aarde, de zee en de waterbronnen heeft gemaakt!

8 En een andere, tweede, engel volgde, zeggend: gevallen, gevallen is het grote Babylon, dat met de wijn van haar hartstochtelijke hoererij alle volkeren dronken heeft gemaakt!

9 En een andere, derde, engel volgde hen, zeggend met grote stem: als iemand hulde brengt aan het beest en zijn beeld, en het merkteken aanneemt op zijn voorhoofd of op zijn hand,

10 dan zal ook hij drinken van de wijn van de hartstocht van God, die ongemengd is ingeschonken in de beker van zijn toorn; en hij zal gekweld worden met vuur en zwavel voor het aanschijn van de heilige engelen en voor het aanschijn van het lam;

11 en de rook van hun kwelling blijft opstijgen tot in de eeuwen der eeuwen; dag en nacht hebben zij geen rust, die hulde brengen aan het beest en zijn beeld, en al wie het merkteken van zijn naam aanneemt!

12 Hier komt het aan op de volharding van de heiligen, die de geboden van God en het geloof in Jezus bewaren.

13 En ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: schrijf: zalig de doden, die in de Heer sterven van nu af aan; ja, zegt de Geest, dat ze mogen uitrusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na!

14 En ik zag, en zie: een witte wolk, en op de wolk was gezeten iemand als een mensenzoon, met op zijn hoofd een gouden kroon en in zijn hand een scherpe sikkel.

15 En een andere engel kwam uit de tempel, schreeuwend met grote stem tot hem die zetelde op de wolk: zend uw sikkel uit en oogst, want het uur om te oogsten is gekomen, want overrijp is de oogst van de aarde!

16 En die op de wolk zat wierp zijn sikkel over de aarde en de aarde werd geoogst.

17 En een andere engel kwam uit de tempel die in de hemel was, en ook hij had een scherpe sikkel.

18 En een andere engel die macht had over het vuur kwam van het altaar, en riep met grote stem tot hem die de scherpe sikkel had, zeggend: zwaai jouw scherpe sikkel en zamel de trossen van de wijnstok van de aarde in, want haar druiven zijn rijp!

19 En de engel wierp zijn sikkel op de aarde en zamelde de wijnstok van de aarde in en wierp ze in de grote wijnpers van de hartstocht van God.

20 De wijnpers werd buiten de stad getreden en er kwam bloed uit de perskuip tot aan de teugels van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.


*******

Teksten die hiermee verband houden en die laten zien dat deze woorden uit het boek Openbaring niet uniek zijn, (ook niet als visioen of als openbaring van ongekende en nieuwe feiten) zijn bijvoorbeeld: Bloed vloeide, zo hoog als de teugels van de paarden, 300 km ver. Zo staat het ook in Midrasch Rabba: Klaagliederen Rabba 2.2.4 waar dezelfde beeldspraak wordt gebruikt.

***

In het apocrieve boek Henoch, Hoofdstuk 100 gaat het ook over een rivier van bloed in vers 100,1 en over het waden door het bloed in vers 3. 

100,1. In die dagen zullen vaders samen met hun kinderen neergeveld worden. Broers zullen samen gedood worden zodat een rivier van bloed ontstaat. 2. Een man zal niet aarzelen om zijn kinderen en kleinkinderen te doden. Vanuit zijn genade zal hij hen doden. Een zondaar zal zijn hand niet terugtrekken van zijn geliefde broer, vanaf de vroege ochtend tot en met de zonsondergang zullen zij elkaar doden. 3. Het paard zal tot aan zijn borst door het bloed van zondaars waden en de strijdwagen tot aan zijn as. 4. In die dagen zullen de engelen tot in alle schuilplaatsen afdalen en hen die de misdaad ondersteunen verzamelen. De Allerhoogste zal op de oordeelsdag opstaan om het zware oordeel over de zondaars te vellen. 5. De rechtvaardigen en heiligen zal Hij door Zijn heilige engelen beschermen. Hij zal hen als Zijn eigen oogappel beschermen, totdat elke zonde en misdaad vernietigd is. Al slapen de rechtvaardigen diep, ze hebben niets te vrezen.

***

Het beeld van de oogst wordt in de bijbel vaker gebruikt voor het eindoordeel als God de mensen en hun daden (ver)oordeelt. Verwijzingen naar deze woorden en beelden vinden we terug in het boek Openbaring.

Bijvoorbeeld uit Jesaja 63,1-6: 

1 Wie is het die uit Edom komt, uit Bosra, in purper gekleed, met praal getooid, die zich groots en machtig verheft?’ Ik ben het die in gerechtigheid spreekt en bij machte is te redden.

2 ‘Hoe komen uw kleren zo rood, als de kleren van iemand die de wijnpers treedt?’

3 Ik heb de perskuip alleen getreden, geen van de volken hielp me daarbij.

Ik trad hen in mijn woede, vertrapte hen in mijn toorn.

Hun bloed bespatte mijn kleren, al mijn kleren werden besmeurd.

4 Ik had besloten tot een dag van wraak, het jaar van vergelding was aangebroken.

5 Toen zag ik dat er niemand was die hielp, ik was geschokt dat niemand mij aanmoedigde. Op eigen kracht bracht ik redding, door mijn woede aangespoord.

6 Ik heb de volken in mijn woede vertrapt, met mijn toorn heb ik hen dronken gevoerd. Hun bloed liet ik op aarde neervloeien.

Of uit Jeremia 25,15: 

Vervolgens zei de HEER, de God van Israël, tegen mij: ‘Neem deze beker van mij aan en laat daaruit alle volken waarheen ik je zend de wijn van mijn woede drinken. 

En ook uit Jeremia 25, 29-31: 

En jij – profeteer dit alles, zeg tegen hen: De HEER brult uit de hoge hemel, hij gromt vanuit zijn heilige woning, hij buldert over zijn kudde. Als een druiventreder schreeuwt hij tegen de bewoners van de aarde.

Tot aan de einden der aarde klinkt krijgsrumoer, want de HEER klaagt alle volken aan, hij voert een rechtszaak tegen al wat leeft. Die boosdoeners levert hij uit aan het zwaard – spreekt de HEER.

In het evangelie van Matheus  hoofdstuk 13,36-43 wordt eveneens het eindoordeel aangekondigd maar dan in andere metaforen zoals die van het zaad/koren en het onkruid:

36 Daarop stuurde hij de mensen weg en ging naar huis. Zijn leerlingen kwamen bij hem en vroegen: ‘Wilt u ons de gelijkenis van het onkruid op de akker uitleggen?’ 37 Hij antwoordde hun: ‘Hij die het goede zaad zaait is de Mensenzoon, 38 de akker is de wereld, het goede zaad dat zijn de kinderen van het koninkrijk; het onkruid dat zijn de kinderen van het kwaad, 39 de vijand die het zaait is de duivel, de oogst staat voor de voltooiing van deze wereld en de maaiers zijn de engelen. 40 Zoals het onkruid bijeengebonden wordt en in het vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: 41 de Mensenzoon zal zijn engelen eropuit sturen, en ze zullen uit zijn koninkrijk allen die anderen ten val hebben gebracht en de wetten hebben verkracht bijeenbrengen 42 en hen in de vuuroven werpen; daar zullen ze jammeren en knarsetanden. 43 Dan zullen de rechtvaardigen in het koninkrijk van hun Vader stralen als de zon. Laat wie oren heeft goed luisteren!

Het stromen van het bloed op teugelhoogte van een paard blijkt een dankbare metafoor te zijn die zo krachtig is dat hij telkens weer wordt opgepakt in veel teksten en uiteindelijk ook in Openbaring. Persoonlijk vind ik het typisch dat evangelische voorgangers er zo de nadruk op leggen in hun verkondiging en dat het bloed van hun vijanden hen zo in verrukking brengt. Maar hoe weten zij zo zeker dat ze aan de goede kant van de geschieden is staan en dat zij rechtstreeks naar de hemel zullen gaan? En dat de strijd zal uitbreken in Armegeddon als het zover is? 


******

ARMAGEDDON

In de documentaire en in tal van christelijke websites die over de eindtijd handelen keert de naam Armagedddon voortdurend terug: de plek in Israel waar het allemaal zal plaatsvinden. 

Openbaring Hoofdstuk 16, 16 zegt: Hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws genoemd wordt ‘Armageddon’. 

Armageddon is een samenstelling van (h)ar-mageddon of Megiddo. De profeet Zacharia 12,10-11 brengt Megiddo in verbinding met de laatste dagen:

Het huis van David en de inwoners van Jeruzalem echter zal ik vervullen met een geest van mededogen en inkeer. Ze zullen zich weer naar mij wenden, en over degene die ze hebben doorstoken, zullen ze weeklagen als bij de rouw om een enig kind; hun verdriet zal zo bitter zijn als het verdriet om een oudste zoon. 11 Op die dag zal men in Jeruzalem zo luid weeklagen als er in de vlakte van Megiddo wordt geweeklaagd om Hadad-Rimmon. 

David H. Stern schrijft in zijn Joodse commentaar op het Nieuwe Testament over Megiddo het volgende::

16 An dem Ort, der in Hebräisch Har Megiddo (»Berg Megiddo«) oder vielleicht auch Ir Megiddo (»Stadt von Megiddo«) genannt wird, griechisch Harmagedon. In Sacharja 12, 10-11, wo Megiddo ebenfalls mit den Letzten Tagen in Verbindung gebracht wird, steht im Hebräischen Megiddon

» … sie werden auf mich, den sie durchbohrt haben, sehen, und sie werden urn ihn trauern, wie einer urn einen einzigen Sohn trauert … An jenem Tag wird die Trauer in Jerusalem so gross sein wie die Trauer von Hadad-Rimmon im Tal von Megiddon.« 

In-Hadad-Rimmon im Tal von Jisre-el (Jesreel) bei Megiddo war König Joschijahu (Josia) im Jahr 609 v. u. Z. in die Hände von Pharao Necho gefallen (2. Könige 23, 29-30). 

Die Stadt Megiddo, die über das Tal von Jisre-el blickt und einen wichtigen Pass auf der alten Via Maris (» Weg des Meeres«) kontrolliert, der Ägypten mit Syrien verbindet, war Schauplatz vieler Schlachten. Die archäologischen Überreste des Siedlungsortes, die von der neolithischen Zeit ( 4. Jahrtausend v. u. Z.) bis in die Zeit der persischen Eroberung (7. Jahrhundert u. Z.) reichen, bestehen aus zwölf Ebenen, ein Zeichen dafür, dass die Stadt viele Male zerstört und wiederaufgebaut wurde. In diesem Tal besiegten Dvorah und Barak die Kanaaniter (Richter 4 -5; Megiddo wird in Richter 5,19 erwähnt) und Gideon die Midianiter (Richter 6-8). Später (1799) siegten Napoleon und noch später (1918) General Allenby hier über die Türken. Die hundert Quadratmeilen des Jisre-el-Tales böten mehr als genug Raum für die Schlacht, die in der Offenbarung geweissagt wird. 

Die letzte Schlacht findet jedoch möglicherweise nicht bei Har Megiddo, sondem in Jerusalem statt, bei Har Migdo, dem » Berg seiner erwählten Frucht«, d. i. dem Berg des Segens Gottes, dem Zion. Der Berg Zion wurde bereits in 14, 1 erwähnt; die Bildwelt an dieser Stelle ähnelt zudem der Schilderung vom Tag Adonais bei Joel, wenn Gottes Macht vom Berg Zion gegen die Streitkräfte des Bösen ausgeht (Joel 2,1-11 ; 4,16-17; vgl. auch Jesaja 31,4-9). Die nächste Passage (V. 17-21) ähnelt 14,14-20, wo ebenfalls Vorstellungen aus Joel auftauchen (s. 14, 14-20n). Dafür spricht auch Sacharja 12,11, oben zitiert, wo Jerusalem in einem Atemzug mit Megiddon erwähnt wird.  (Band 3, pag. 261-262)

Concluderend kun je stellen dat  Armageddon dus vooral een symbolische plaats zoals uit de vele verwijzingen in de citaten uit de profeten blijkt. Een concrete geschiedenis die zich daar heeft afgespeeld, namelijk de dood van koning Josia, vormt aanleiding en begin van een hele serie van verwijzingen bij de andere profeten om uiteindelijk terecht te komen in het boek Openbaring.


******

DE RUITER – UIT ZIJN MOND EEN SCHERP ZWAARD

De eindtijd kan niet snel genoeg komen. Het land Israel heeft daarbij een sleutelrol. Jezus, de Christus zal naar de aarde terugkeren als aan een aantal voorwaarden is voldaan: een daarvan is de grote strijd die in Armageddon zal beginnen. 

Wanneer is de tijd rijp? Als de wereld op het punt staat onder te gaan aan alle vijandigheid van de tegenstanders. Tekenen daarvoor zijn voor de evangelische ‘christenen’ de ontwikkelingen in de samenleving die negatief worden geduid zoals de homo-emancipatie, de transgender-emancipatie, de abortuspraktijk en tal van andere (maar in mijn ogen dus minder belangrijk gevonden) ontwikkelingen die vaak niet zo expliciet genoemd worden. In de bijbel gaat het nooit over homo-emancipatie, woke, transgenders en abortus. Wel komen de bekende rampen voor die de mensheid treffen en dat al duizenden jaren lang. Niks bijzonders dus. Denk aan hongersnoden, ziekten, overstromingen, aardbevingen, wapengeweld. 

Als de vijanden van Israel het land willen gaan vernietigen is de tijd rijp. Daarom steunen deze ‘christenen’ met heel veel geld joodse kolonisten die de oorspronkelijke bewoners van de West-Bank (de Palestijnen/Arabieren in hun woorden) met geweld en rechtszaken verdrijven. Dat heet ethnische zuivering op racistische grondslag. Dat daarbij doden en gewonden vallen kan deze rechts-radicale joden en hun christelijke achterban niks schelen. CUFI – Christenen verenigd voor Israel is daarbij een drijvende kracht in de VS (en daarbuiten) met een grote achterban. Volgens de documentaire zijn 10 miljoen evangelisten lid van deze club waar de woordvoerders niets anders doen dan opruiende preken houden op basis van de teksten uit de Openbaring van Johannes. 

De evangelisten vormen in de VS 30% van de kiezers. Zij vormen dus een sterke kracht in het politieke landschap en elke president in de VS is van hen afhankelijk en dat laten deze ‘christenen’ ook merken. Hun megakerken draaien op volle toeren ook al gaat er soms eentje failliet door wanbeheer, corruptie en seksueel overschrijdend gedrag van de voorgangers. 

Nu zien we de resultaten van hun politieke inzet bij de herverkiezing van Trump die de christelijke agenda aan het afwerken is met behulp van de aanbevelingen uit het rapport 2025 van de Heritage Foundation. Rechts en evangelisch christelijk Amerika heeft daarin al hun wensen en plannen verwoord. 

Hun Jezus is geen zachtaardig empatisch type die brood en vis uitdeelde aan velen, die de Bergrede hield voor een groep verschopte en gedeemoedigde mensen, die zich als een lam naar het kruis liet leiden. Hij is hier een wraakzuchtig wrekerstype dat in naam van God en als (een) God tekeer zal gaan tegen de vijanden om voorgoed af te rekenen met hen. 

Predikers in de megakerken roepen hun aanhangers op om samen met deze boze Jezus de strijd te voeren tegen de wereld in zonde en de zondaars zelf. 

In de documentaire worden aanhangers tot ridder geslagen en krijgen ze een zwaard om met Jezus als wreker de strijd aan te treden als het zover is. Maar nogmaals hoe weten zij dat ze aan de goede kant staan? Is het aanroepen en belijden van Jezus als koning voldoende? En doen die andere teksten uit de evangelies er dan minder toe? 

De beelden uit hoofdstuk 19 uit Openbaring lijken meer belangrijk te zijn voor hen en die keren in de documentaire dan ook voortdurend terug, vooral beelden uit de versen 11-16:  

11 En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en die daarop zit wordt genoemd getrouw en waarachtig, en in gerechtigheid richt hij en strijdt hij.

12 Zijn ogen zijn als een vuurvlam, en op zijn hoofd heeft hij vele diademen, met een naam erop geschreven die niemand weet dan hijzelf.

13 En hij is gekleed in een gewaad gedompeld in bloed, en zijn naam wordt genoemd ‘het woord van God’.

14 En de legers in de hemel volgen hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.

15 En uit zijn mond komt een scherp zwaard om daarmee de volkeren te slaan. Zelf zal hij hen weiden met een ijzeren scepter, en zelf treedt hij de perskuip van de wijn van de hartstocht van de toorn van God, de albeheerser.

16 En hij heeft op zijn gewaad en op zijn dij een naam geschreven: ‘Koning der koningen en Heer der heren’.

Het beeld van de wreker dat hier geschetst wordt, wordt gelijkgesteld aan de figuur van Jezus. Zijn naam ‘Het woord van God’ laat zien dat dit woord ook kan handelen en dat dit woord ook een onverbiddelijke kant heeft. Dat zelfde wordt ook duidelijk in het scherpe zwaard dat uit zijn mond komt en het vuur uit zijn ogen. Het zijn allemaal metaforen voor het Woord van God dat werkzaam is en dat niet alleen leven geeft maar ook vernietiging brengen kan. 

Getrouw en waarachtig wordt de ruiter op het witte paard genoemd. Begrippen die ook voor de Messias in Openbaring 3,14 worden gebruikt, zoals het woord van God doet wat het zegt. Dabar in het Hebreeuws: zeggen en gebeuren, uitspreken en doen, er is geen differentie tussen. God spreekt zoals in Genesis 1 en het is er. Gods Woord blijft niet vruchteloos, daarop kun je bouwen, getrouw en waarachtig en jouw daden moeten daarmee in overeenstemming zijn. Elohim Emet (Jeremia 10,10) de God der waarheid is een God die trouw is aan zijn volk en aan zijn belofte. Johannes 1,17 schrijft dat genade en waarheid door Jezus de Messias kwamen.(Zie ook de bijlage voor een weergave van de uitleg van deze passage door Jan Nieuwenhuis)

Als evangelische christenen beweren de bijbel van kaft tot kaft serieus te nemen, zich dan beroepen op deze tekst om zelf de strijd aan te gaan tegen de zogenaamde vijanden, dan nemen ze al een voorschot op deze eindafrekening. Evert Rienk Jonker beschrijft in zijn proefschrift over de mogelijke toepassing van de teksten uit Openbaring voor een preek of catechese diverse modellen om de tekst te lezen en te waarderen. Een ervan is het model dat ‘het handelen van God als eschatologische realisering in geschiedenis en natuur’ verstaat. Hij schrijft over de implicaties en tekortkoming van dit model:

implicaties voor de vertolking

Het verstaan en vertolken van de Openbaring van Johannes binnen dit model van Gods handelen, wekt de hoorders op om te hopen op een eschatologisch handelen van God in de tijd, waardoor zijn heerschappij zich voorgoed doorzet. Een. handelen, dat nu al trouw aan Gods bedoeling en ontrouw aan de machten vraagt van de getrouwen en dat zeker de ondergang van verslavende structuren inluidt.

het tekort van het model

Maar we blijven terughoudendheid bespeuren en het gevaarlijk vinden, dat de hoorders, die een symboolwereld binnengaan, waar in een welhaast primitieve overwinningsroes de vreselijke ondergang van de vijanden en van de vijandige stad luidruchtig wordt toegejuicht, op een dergelijk vernietigend handelen van God hopen en mogelijk in hun handelen op een dusdanig schiftend en dodelijk handelen vooruitlopen. (Pag. 199)

Daarmee drukt Jonker zich nog voorzichtig uit. Bij de evangelische ‘christenen’ lijkt het zo te verlopen: ze lezen de tekst alsof het morgen kan gaan gebeuren en zij doen er alles aan om hierop voorbereid te zijn. Daarbij is het in mijn ogen een vorm van hybris en daarnaast pure blasfemie om namens God alvast de strijd aan te binden als medestrijders van de wreker Jezus, koning, messias. Hoe zit het dan met al die andere passages uit Openbaring – steden die brieven ontvangen, rampen die plaatsvinden, straffen die worden uitgedeeld? En wie zijn de 144.000 rechtvaardigen? 

Hier hoor ik deze evangelische’ christenen’ niet zo duidelijk over praten want dat past minder in hun straatje en ze voelen natuurlijk aan hun water aan dat als ze zouden beweren dat ze tot die groep uitverkorenen zouden behoren ze wel erg hoog van de toren blazen. Maar vooraan in de rij staan om te vechten lijkt hen wel haalbaar.

De filosoof Franz Rosenzweig sprak in dit licht terecht over hemeltirannen en hemeltirannie, over mensen die kost wat kost wel een eventjes het varkentje zouden gaan wassen om het rijk van God dichterbij te brengen. Rosenzweig schrijft over deze tirannen en dwepers dat ze door hun handelen het Rijk van God alleen maar verder weg brengen:

Der Schwärmer, der Sektierer, kurz alle Tyrannen des Himmelreichs, statt das Kommen des Reichs zu beschleunigen, verzögern es eher; indem sie ihr Nächstes ungeliebt lassen und nach dem Übernächsten langen, schließen sie sich aus von der Schar derer, die in breiter Front vorrückend Stück für Stück des Erdbodens, ein jeder das ihm nächste, erobern, besetzen, – beseelen; und ihr Vorgreifen, ihr persönliches Be-vor-zugen des Übernächsten leistet den Nachfolgenden keinen Pionierdienst; denn es bleibt ohne Auswirkung; das vom Schwärmer vorzeitig bestellte Ackerland trägt keine Frucht; erst wenn seine Zeit gekommen ist – und sie kommt auch für es –, erst dann trägt es; da aber muß die ganze Arbeit des Bestellens wieder von frischem getan werden; die erste Aussaat ist verfault, und es gehört schon die eigensinnige Torheit der Gelehrten dazu, um angesichts der verfaulten Reste zu behaupten, dies wäre „eigentlich“ „schon“ das gleiche, was später zur Frucht gereift sei. Zeit und Stunde sind um so mächtiger, je weniger der Mensch sie weiß.(Stern der Erlösung, pag. 302)


INTERPRETATIE

Maar zoals alles wat in de ogen van God kostbaar en waardevol is en alles wat Jezus met zijn leven als werkzaam Woord van God heeft laten zien, is ook het rijk van God een kostbaar kleinood dat niet met geweld naderbij gebracht kan worden hoe hard er ook geroepen wordt en hoeveel moeite er ook politiek wordt gedaan om de eigen blasfemische opvattingen door te zetten. 

Elke ketter zijn letter. Dus ook deze nationalistische evangelische christenen die wat meer moeite zouden mogen doen om in de mysteries van deze tekst door te dringen. Luther schreef over het boek Openbaring in zijn voorwoord uit 1523: ‘Mijn verstand kan zichzelf niet terugvinden in dit boek. Er is één doorslaggevende reden voor de lage achting die ik ervoor heb: dat Christus nergens erin wordt geëerd noch herkend.’ Zwingli de andere reformator vond het geen bijbels boek en Calvijn wijde er bewust geen commentaar aan. Zo Jan Nieuwenhuis in zijn uitleg over dit boek.(pag. 13)

David H. Stern schrijft in zijn commentaar: 

Das Buch der Offenbarung, das letzte Buch im Neuen Testament, pflegt seine Leser in zwei Lager zu spalten. Manche sehen in ihm den Schlüssel zum Universum oder doch zumindest zur menschlichen Zukunft. Andere finden es völlig unverständlich oder tun es gar als Unsinn ab. Manche halten seine bildhafte Sprache für hochliterarisch, andere für zutiefst symbolisch und noch andere mal für das eine, mal für das andere oder sogar für beides gleichzeitig. , Es gibt vier wichtige Ansätze für die Auslegung der Offenbarung: 

(1) Den futuristischen. Das Buch der Offenbarung ist die Weissagung zukünftiger Ereignisse. 

(2) Den präteristischen. Die Prophezeiungen der Offenbarung wurden im 1. Jahrhundert erfüllt. (Die lateinische Vorsilbe präter bedeutet »vor«.) 

(3) Den historischen oder präsentischen. Die Prophezeiungen der Offenbarung werden jètzt, in der Zeit zwischen Jeschuas Auferstehung und seinem zweiten Kommen, erfüllt. . 

(4) Den idealistischen. Das Buch der Offenbarung bezieht sich nicht auf geschichtliche Ereignisse, sondern ist eine zeitlose Allegorie des Kampfes zwischen Gut und Böse; · Dass manche Ausleger zwei oder mehr dieser Ansätze kombinieren, macht die-allgemeine Verwirrung noch grösser. 

Es müsste bereits deutlich geworden sein, dass die Offenbarung die wohl am schwersten zu deutende Schrift der Bibel ist. Die Auslegung der historischen und theologischen Aussagen der übrigen sechsundzwanzig Schriften des Neuen Testaments ist schon schwierig genug; was jedoch die Zukunft betrifft! ist jeder ganz ·auf sich gestellt! Aus einer Schrift wie der Offenbarung einen Sinn herauslesen zu wollen, ist eine grosse Herausforderung…(pag. 189)

Wie zouden wij zijn, wie zijn de evangelische ‘christenen’ dat wij of zij met zoveel stelligheid zouden kunnen beweren dat we snappen en weten wat er staat? Zeker als je de types op tv ziet die dat met alle overtuiging verkondigen en hoe zij samen de president van de VS de handen opleggen in gebed. Om wat te bezweren? Om wat te bewerkstelligen? Een spoedig einde van de wereld door de handen van deze onbesuisde egotripper? In mijn ogen lijkt het eerder op een vorm van magie, dat bidden met de ogen dicht, het hoofd omlaag en in een gesloten kring, de handen ten hemel heffend alsof God dan zou luisteren. 

God verhoede dat er stappen worden gezet die onomkeerbaar zijn.

John Hacking

19 juni 2025

*********

Bronnen:

https://www.vprogids.nl/documentaires/lees/artikelen/2025/Bidden-voor-het-einde–Een-verontrustende-docu-over-christelijk-extremisme-en-oorlogszucht.html

Henoch: https://www.godsplan.eu/index_htm_files/Het%20boek%20van%20Henoch.pdf

David H. Stern, Kommentar zum Jüdischen Neuen Testament, Neuhausen Stuttgart 1996 Bd1-3, (Hänssler-Verlag) 

Franz Rosenzweig, Der Stern der Erlösung (den Haag 1976) (Martinus Nijhoff)

Evert Rienk Jonker, VAN VERSTAAN NAAR VERTOLKEN

Een praktisch-theologische analyse van de voorbereiding van een preek of catechese over de Openbaring van Johannes. Proefschrift Groningen 1998

Jan Nieuwenhuis, Het laatste woord. Openbaring van Johannes voor de gemeente van nu, Kampen 1998, (uitgeverij Kok)


*****

Bijlage uit Jan Nieuwenhuis, Het laatste woord

CITATEN EN VERWIJZINGEN in Openbaring

1

In de 404 verzen van Openbaring komen 518 citaten uit of beter toespelingen op geschriften van het eerste testament voor: 88 uit het boek Daniël en 278 uit andere schriftteksten, vooral Jesaja, Jeremia, Ezechiël, Zacharja, de Psalmen en Exodus. Daarmee maakt het boek Openbaring veel meer gebruik van de joodse bijbel dan enig ander geschrift van het tweede testament. Maar in tegenstelling met het vierde evangelie citeert de auteur dat eerste testament nergens met de bekende formule ‘zoals geschreven staat in … ‘ of ‘zoals … zegt’. Maar teksten en beelden uit dat eerste testament borrelen als het ware onophoudelijk in de geest van de schrijvende ziener op, bijvoorbeeld: de vier paarden en ruiters uit Zacharja 6, de plagen van het land, de zee, het zoete water en de hemellichamen naar de plagen van Egypte uit Exodus 7-9, de vier beesten uit Daniël 7, de orakels tegen Babel en Tyrus naar Jeremia 51 en Ezra 27-28, het nieuwe Jeruzalem naar Jesaja 63-64. De auteur voert die teksten geen enkele maal op als uitdrukkelijke reminiscenties aan het eerste testament; hij plaatst ze nergens tussen aanhalingstekens. Hij is zó vol van die oude geschriften, dat hij niet anders kan dan denken en dus ook schrijven vanuit beelden en visioenen van dat eerste testament, zoals een mens wel eens zó vol kan zijn van kerkliederen, dat hij of zij onbewust in fragmenten uit die liederen denkt of spreekt. Het lijkt wel, of het gewone, alledaagse Grieks niet geladen genoeg was om het bovenmenselijke dat de schrijver ziet in woorden te kunnen vangen. Misschien wel zonder het te weten, hanteert hij – of beter gezegd: neemt hij zijn toevlucht tot de taal van profeten, tot het geestelijk erfgoed dat zijn bagage vormt, en schrijft hij hen achterna. Wat hier en daar wel eens verweten is aan de tekst: dat hij voortdurend gebruik maakt van wat dan denigrerend heet – semietische barbarismen, zou in werkelijkheid wel eens de opzet, of althans de mensenaard en de erfelijkheid kunnen zijn van een auteur, wiens denken geheel doortrokken was van zijn heilige boeken, zodat die oude beelden en hiërogliefen telkens weer in hem omhoogkwamen als hij hoogverheven zaken zag of wilde neerschrijven. In zijn eerste en laatste zinnen noemt de schrijver zijn boek een ‘profetie’ (1,3; 22,19); terecht, want het leunt voortdurend aan tegen de taal en de beeldspraak van de profeten van Israël. Het is af en toe zelfs, alsof die profeten opnieuw aan het woord zijn. (Pag. 23)

******

De titel APOCALYPS

3

De titel ‘apocalyps’ is geen exclusief eigendom van het boek Openbaring van Johannes. Als genre van beschouwen en beschrijven is de zogeheten apocalyptiek veel ouder dan Openbaring. Dit genre ontstond in joodse kringen, na de desillusie van de gevangenschap en de horigheid onder heersers van vreemde rijken. Het is literatuur die dateert uit twee eeuwen vóór Chr. en doorloopt tot in de eerste eeuw ná Chr. Deze apocalyptiek is altijd ontstaan in een situatie van crisis: uit ongenoegen met een bestaande leeftoestand, uit een soort ondergangsgevoel en uit ontgoocheling over een teloorgang van het beloofde en verwachte.

Onder de verzamelnaam ‘apocalyptiek’ is een aantal geschriften bewaard die qua stijl en inhoud alle overeenkomen in een wrevel over de bestaande situatie en dus een drastische verwachting van iets nieuws: bijvoorbeeld de Apocalyps van Abraham (1e eeuw na Chr.), de Apocalyps van Mozes (20 vóór Chr.-70 na Chr.), de Apocalyps van Elia (1e eeuw. na Chr.), · de Apocalyps van Ezra (ook 4 Ezra genoemd), de Apocalyps van de Syrische Baruch, ook 2 en 3 Baruch geheten (beide eind 1e eeuw), en het tweede boek van de Ethiopische Henoch, bekend uit oude Slavische teksten (2e eeuw vóór Chr.). Daarnaast doken er geschriften op, die de naam ‘Testament’ droegen: het Testament van de Twaalf Patriarchen, het Testament van Adam, het Testament van Abraham, en zo voorts. De meeste hier genoemde geschriften ontstonden op Palestijnse bodem. 

Het genre was ook in de eerste tijd van het christendom zeer geliefd. Uit de eerste eeuw na Chr. zijn bekend: de Apocalyps van Petrus, de Apocalyps van Paulus, de Apocalyps van Maria, de Apocalyps van Stefanus, de Herder van Hermas, en andere. Al deze geschriften komen met elkaar overeen, allereerst door het feit, dat zij altoos worden geschreven en gepubliceerd onder een pseudoniem. Men zette het boek op naam van een grote figuur uit het eerste of tweede testament; de schrijver zelf bleef verborgen en ongenoemd. . 

Belangrijker nog is het gegeven, dat de apocalyptische boeken omdat zij ontstonden in een situatie van crisis en perplexiteit – alle de verwachting en het visioen hooghouden van een nieuwe, betere wereld. De apocalyptiek is over het algemeen zeer pessimistisch van aard over de bestaande wereld en maakt een levensgrote scheiding tussen het huidige en de toekomst: het huidige tijdperk is slecht en ligt in de greep van het of de boze; het toekomstige tijdperk wordt verheerlijkt als de overwinning van het goede en het definitieve geluk. Alle apocalyptiek is dualistisch. Er zijn twee machten, twee tijden en twee werelden. Er is nu een oeverloos kwaad, maar deze tijd en deze wereld zullen teniet worden gedaan en overwonnen door God. De apocalyptiek worstelt met het eeuwige probleem: hoe kan het kwaad worden opgelost? Het antwoord is steeds: dat het kwaad alleen kan worden bestreden door gerechtigheid te doen, niet ethisch als een soort tegenhanger ervan, maar door volledige loyaliteit aan God en aan Diens gebod. De bestaande verdrukking en desillusie kunnen alleen worden overwonnen door de verwachting van een nieuw rijk en een nieuwe toekomst. Die toekomst kan en zal alleen aanbreken door een ultieme strijd tussen de macht van Satan en de macht van God, die uitloopt op een eindgericht waarin de machten van de duisternis definitief en afdoende door God worden verslagen. Het is dus geen vrede of rimpelloosheid waar de boeken van de apocalyptiek over handelen, maar altijd weer strijd en oorlog, zo herculisch mogelijk. De boeken zijn dreigend, haast bloeddorstig, en verwijzen uitermate beeldrijk naar ondergang, chaos en ineenstorting. Er deugt niets van de huidige wereld, en daar zal dus zeer gewelddadig een einde aan komen. 

In dit opzicht is er een levens.groot verschil tussen de denkwereld van de apocalyptische schrijvers en die van de grote profeten van Israël. Van de ene kant behoort de apocalyptiek tot het erfgoed van die profeten. Zoals dezen onophoudelijk de bestaande situatie van het jodenvolk hekelden en afwezen, doch telkens weer getuigden van een hergeboorte van het volk uit de bestaande weeën, dankzij het ingrijpen van God en het stichten van een nieuwe wereld, zo gaan deze apocalyptische visioenen steeds weer uit van de barre en boze werkelijkheid, die uiteindelijk zal worden overwonnen door de stichting van een nieuw koninkrijk Gods, – dat wel. Maar in de gedachtegang van de apocalyptiek ligt het schema van die historische gebeurtenissen vast en is het gedetermineerd. Zo is de toekomst en niet anders. De profeten van Israël dachten niet zozeer in dit schema van een onafwendbaar lot voor Israël en voor de wereld, maar in de vaste trits van schuld, straf en bevrijding. De profeten roepen onophoudelijk op tot boete en ommekeer. Zij zijn hoopvol en optimistisch ten aanzien van de toekomst: Israël zal zich bekeren en dientengevolge zal God tussenbeide komen en aan Hem is de overwinning. Dankzij de ommekeer van het volk en het mededogen van JHWH zal de huidige ellende resulteren in een betere wereld. De apocalyptiek is pessimistischer van aard: de huidige geschiedenis is er een van verval en teloorgang; er komt wel een nieuwe era, maar deze is voornamelijk te danken aan een plotseling ingrijpen Gods en in een breuk met het verleden. Het gaat nu wel slecht, maar … wacht maar!, _ dat hebben apocalyptiek en profetie gemeen. Maar de profeet roept op tot ommekeer als voorwaarde tot bevrijding; de apocalyptiek is zwartgalliger, is weliswaar ook zeker van een nieuwe, onvernietigbare toekomst, doch deze is voor haar uitsluitend te verwachten uit den hoge, door een onverwachte operatieve ingreep van God. De profeten, zeker vóór en tijdens de ballingschap, waren boetepredikers, 

De apocalyptische zieners, die na de babylonische gevangenschap in de plaats treden van de stem der profeten, zijn visionairs: zij zien gebeuren, onafhankelijk van inkeer of boetedoening door de mensen. Beiden zijn bezig met een utopie en met een restauratie. Maar, zou men mogen zeggen: de profeten zijn humanistischer en wedden op de beterschap en de wedergeboorte van de mens; de apocalyptiek is anti-, of althans boven-humanistisch, wil de gegeven historische werkelijkheid tenietdoen en verwacht deze omverwerping uitsluitend van een apocalyps van God, een majesteitelijk, dramatisch en kosmisch openbaarworden van Zijn heerlijkheid. De apocalyptiek is geboren uit de profetie, maar heeft die profetie ook ontmenselijkt en gespiritualiseerd. De god van de apocalyptiek is transcendenteel, die van de profeten is familiaar met de mens. Die mens zal opstaan. Centraal in die opstanding staat voor de profeten de figuur van de Messias oftewel Gezalfde. Hij zal in opdracht en uit naam van God komen om het definitieve koninkrijk van God te stichten en te leiden. Om hem draait letterlijk de ganse geschiedenis. 

In het eerste testament is het vooral het boek met de visioenen van de profeet Daniël, dat in deze gedachtevlucht denkt en schrijft. Het boek ontstond in de tijd der verdrukking van de Syrische koning Antiochus IV Epifanes (167-164 v.Chr.). Het boek Openbaring van Johannes rijmt daar herhaaldelijk mee, alsook met de geschriften van Zacharja, Ezechiël, Jesaja en anderen. Al deze boeken geven niet alleen maar poëzie, maar hebben verband met een maatschappelijke actuele werkelijkheid. God heeft alles geordend volgens een vast plan. Het leven is thans bedreigd en bedreigend. Eigenlijk niet te harden. Maar vreest niet, er zal iets nieuws beginnen. God heeft het laatste woord. Het boek Openbaring is, geheel in de lijn van een toenmaals geliefd en bekend genre, een troostboek. ‘Nu doe Ik iets nieuws nu ontluikt het, – zien jullie het niet?-. Ik leg een weg aan in de steppe een pad in de woestijn. Ik les de dorst van Mijn uitverkoren volk’ (Jes 43, 19-20)

(Pag. 24-27)


******

GETALLEN in Openbaring

1

In het boek Openbaring spelen getallen een leidende rol. Het zijn vooral: 

-Zeven. Er zijn zeven brieven aan zeven kerken (1,4) zeven sterren en zeven gouden luchters (1,16.20; 2,1), zeven geesten Gods (3 1.5) zeven vurige fakkels (4,5), een boekrol met zeven zegels (5,1), zeven lofprijzingen (5,12), zeven profetieën over de spoedige komst van Jezus (2,16; 3,11; 16,15; 22,7.12.17.20), zeven horens en zeven ogen aan het Lam (5,6), zeven engelen met zeven trompetten (8,2), zeven donderslagen (10,4), zeven koppen van de Draak (12,3; 13,1), zeven schalen met zeven plagen (15,1), zeven koppen van het Beest (17,3.9.10), zeven zaligsprekingen (1,3; 14,13; 16,15; 19,9; 20,6; 22,7.14), en veertien – tweemaal zeven – wee-roepen (8,13; 9,12; 11,14; 12,12; 18,10.16.19: zeven verzen!). Zeven was vanouds het getal van volmaaktheid: het ganse heelal, alles, het geheel, het totaal. Wellicht speelde in het getal ook de oude symboliek uit Leviticus mee: ‘als jullie Mij ondanks dat alles nog niet gehoorzaamt, zal Ik jullie zevenvoudig tuchtigen om jullie zonden … En blijven jullie je dan nog tegen Mij verzetten en weigeren Mij te · gehoorzamen, dan zal Ik jullie opnieuw zevenvoudig slaan om jullie zonden … Gehoorzamen jullie ondanks alles nog niet en blijven jullie je tegen Mij verzetten, dan blijf Ik in Mijn toorn ook hard tegen jullie: zevenvoudig tuchtig Ik jullie om jullie zonden’ (Lev .26, 18 .21.28). 

-Vier. Rondom de troon staan vier dieren met elk zes vleugels (4,6). Vier engelen houden de stormen vast (7,1). De aarde heeft vier hoeken (7,1; 20,8): de vier windstreken Noord, Zuid, Oost en West (7, 1). Er worden vier ruiters losgelaten (9, 15). 

-Drie. Het heelal bestaat uit drie gedeelten: hemel, aarde en onderwereld (5,3.13). De adelaar roept driemaal ‘wee’ (8,13). Er zijn drie onreine geesten die uit de bekken van het driemanschap de Draak, het Beest en de valse profeet komen (16,13).

-Men kan vier en drie bij elkaar optellen en komt dan tot zeven. Men kan ze ook met elkaar vermenigvuldigen, en dan komt men op het getal twaalf. Op haar hoofd heeft de Vrouw een kroon met twaalf sterren (12,1). En de nieuwe hemelse stad heeft een muur met twaalf poorten en aan de poorten stonden twaalf engelen, en op de poorten waren gegrift de namen van de twaalf stammen der kinderen Israëls (21,12-13); de stadsmuur heeft twaalf grondstenen en daarop de nam.en van de twaalf apostelen van het Lam (21,14). De stad is twaalfduizend stadiën lang, breed en hoog (21,16). 

-Ook twaalf plus twaalf en twaalf maal twaalf leveren veelbetekenende getallen op. Er zijn vierentwintig oudsten op vierentwintig tronen (4,4). De muur van de stad is honderdvierenveertig el hoog (21,17). Het aantal van degenen die op hun voorhoofd getekend worden met het zegel van de levende God bedraagt twaalf maal twaalfduizend: honderdvierenveertigduizend (7,4; 14,1). 

-Vol geladenheid is ook de helft van zeven. Na drieëneenhalve dag vaart de levensgeest uit God in de getuigen (11,9.11). De Vrouw in de woestijn wordt gespijzigd één tijd, twee tijden en een halve tijd (12,14). Eén tijd plus twee tijden plus een halve tijd is drieëneenhalf jaar oftewel tweeënveertig maanden (11,2) oftewel twaalfhonderdenzestig dagen (11,3; 12,6). 

-Daarnaast zijn er nog enkele getallen die gaandeweg ter sprake zullen komen. 

Wie dit alles overziet, kan niet om het vermoeden heen, dat het boek Openbaring strikt aritmetisch is opgebouwd. Het spreekt onophoudelijk in kosmische grondgetallen. Vier en drie worden zeven of twaalf. De afmeting van de scheppingsweek en van al wat vergankelijk is, blijkt telkens aanwezig. De hemelse stad is gebouwd op het getal twaalf, teken van het volmaakte: zoveel waren de stammen, de apostelen, de oudsten, de levenspoorten. Twaalf, – ook het getal van de dierenriem, de maanden, de windroos en de hemelstreken. Het is alles symfonie wat er klinkt. Want alles wordt geschematiseerd op de kosmische getallen: vier, zeven, twaalf, en de veelvouden daarvan. De auteur telt niet, maar weet. Het is volslagen onmogelijk, dat er vijf brieven zouden zijn aan vijf kerken of achttien oudsten rond de troon. Vijf, achttien en zo voort zijn geen getallen, maar hoogstens telwoorden. De schrijver goochelt niet met getallen, maar hij gelooft erin. Alle cijfers die hij gebruikt, hebben dan ook een dubbele of zelfs driedubbele bodem. Er wordt niet iets geteld, maar iets onthuld oftewel ge-open-baard. Het ganse heelal is erin betrokken. Openbaring is een telraam: het ligt aan de bodem van alles. En het heeft met alles te maken. 

(Pag. 32-34)

*****


Mogelijke INDELING van Openbaring

2

Wie het boek wil indelen, kan velerlei kanten op. 

a) Na de inleiding handelen de eerste elf hoofdstukken over het land Israël met name over de situatie daarvan in de joodse oorlog (66-70); in hoofdstuk 11 wordt dan de verwoesting van Jeruzalem verbeeld. Hoofdstuk 12 vormt een overgang naar het tweede deel (hfd.13-22), dat gewijd is aan de volkerenwereld. De auteur schrijft als een waarachtige kosmopoliet: zijn visie gaat over de grenzen van de lokale geschiedenis naar het lot. en de toekomst van de gehele wereld. 

b) Een andere indeling gaat uit van de inleiding van het boek: ‘schrijf op wat je gezien hebt, én wat nu is én wat geschieden zal na deze’ (1,19). Het eerste gedeelte handelt dan over de dingen die zijn (1,9-3,22), het tweede en grootste over de dingen die hierna komen (4,1-22,5). 

c) Een derde indeling gaat uit van een chiastische rangschikking van het boek. Toentertijd was het chiasme oftewel de kruisstelling een gewilde literaire figuur om een tekst of een geschrift op te zetten. Zo’n tekst of geschrift wordt dan gekenmerkt door de conische kegelvormige spiraal: het begin rijmt met het einde, de tweede strofe of het tweede hoofdstuk met het voorlaatste enz., en in het midden staat het couplet of de tekst die het middelpunt vormt van het geheel en waarom dus alles draait. Wie daarvan wil uitgaan kan komen tot de volgende indeling: 

           A: 1,1-8 (opschrift en inleiding) . 

           B: 1,9-3,22 (het inleidend visioen en de brieven aan de zeven kerken) ·           

           C: 4,1-9,21 · en 11,15-19 (de zeven zegels en de zeven trompetten ) .

           D: 10,1-11,14 (het boek en de twee getuigen) 

                12,1-14,20 (het Beest en het Lam) 

                15,2-4 (de hemelse liturgie) 

           C’: 15,1 en 15,5-19,10 (de zeven plagen) 

           B’: 19,11-22,9 (de nieuwe aarde en de nieuwe hemel) 

           A’: 22,10-21 (epiloog en afsluiting). · 

d) Weer een andere indeling scharniert om de lofliederen en hymnen, die telkens als een soort antifonen het verhaal onderbreken en inlijsten: 4,9-11; 5,9-13; 7,10-12; 11,15-18; 12,10-12; 15,3v; 16,5-7; 19 1-8.40. Het boek krijgt dan een liturgische allure en kan gelezen worden als een grote cantiek of rhapsodie, die telkens door de gemeente beaamd wordt met een psalmodie. Zo beschouwd, wordt Openbaring een dramatisch oratorium, misschien wel gebruikt of vormgegeven als vroegkerkelijk psalter, een antifonarmm uit de eerste christenheid. Centraal in het ganse boek staat dan de hymne die klinkt na het steken van de zevende trompet, waarbij de vierentwintig oudsten zich terneerwerpen voor het aangezicht van Hem, die op de troon is gezeten (11,15-19). 3. 


******

3

Het is niet zo ongerijmd te vermoeden, dat het boek aritmetisch en rekenkundig is opgebouwd. In elk geval is het niet chronologisch geordend en vormen de verhaalde gebeurtenissen geen doorlopende geschiedenis in onze zin van het woord. De ordening is theologisch en thematisch. Maar het kan zijn, dat de auteur zozeer gegrepen was door de vertrouwde getallensymboliek, dat hij -wellicht zonder het uitdrukkelijk te bedoelen – telkens uitkwam op een bekend, verheven en voor hem heilig aantal, zodat deze factor voortdurend, misschien soms onbewust, door zijn hoofd speelde toen hij zijn visioenen groepeerde en daar een rode of een hemelse draad in poogde aan te brengen. 

Van de in aanmerking komende getallen is dan met name het getal zeven het eerst aangewezen, om als leidraad van het boek te kunnen dienen. Het wordt vele malen op beslissende momenten in het boek opgenomen. Het ziet ernaar uit, dat het boek zelf telkens weer uitgaat van of terugkomt op een zevental. · Zeven was dan ook het heiligste en verhevenste getal: zoveel zijn de scheppingsdagen en dus de weekdagen, de planeten, de kleuren van de regenboog, zeven de wereldwonderen, de heuvelen van de stad Rome, zeven zijn de vette en de ma?er: jaren (Gen.41), zeven de kleuren van het spectrum, zevenarmig is de kandelaar; allerlei feesten worden geteld en afgemeten door het getal zeven (Lev:12,5; Deut.16,9; Dan.9,25), volheid wordt altijd betekend door het getal zeven (Gen.4,15.24; 3; Ps. 12,7; 79,12; Spr. 6,31; Jes 30,26) Zeven Ius: het einde, de allesovertreffende trap,  het toppunt, de alfa en de omega, het volmaakte. Zo vol-maakt, zo vol-komen is immers het boek:niemand mag er iets aan toevoegen of iets van afnemen (22,18-19). Bestaat er een kinderliedje dat aftelt tot zeven en dan roept ik kom? Zoiets zou – wie weet – de gouden draad geweest kunnen zijn van het boek Openbaring. Misschien zo:

I Opschrift 1,1-3

II. Proloog 1,4-8

III De zeven brieven 1,9-3,22

A De roeping 1,9-20

B Brieven aan de zeven kerken: 2,1-3,22

  1. Aan de kerk te Efese 2,1-7
  2. Aan de kerk te Smyrna 2,8-11
  3. Aan de kerk te Pergamon 2,12-17
  4. Aan de kerk te Tyatira 2,18-29
  5. Aan de kerk te Sardes 3,1-6
  6. Aan· de kerk te Filadelfia 3,7-13
  7. Aan de kerk te Laodicea 3,14-22

IV Zevenmaal zeven 4,1-21,4

Inleiding: Het decor 4-5

A De zeven zegels 6,1-8,1

  1. Het eerste zegel: het witte paard 6,1-2
  2. Het tweede zegel: het rode paard 6,3-4
  3. Het derde zegel: het zwarte paard 6,5-6
  4. Het vierde zegel: het vale paard 6,7-8
  5. Het vijfde zegel: klaagzang van de gemartelden 6,9-11
  6. Het zesde zegel: kosmische weeën ·6,12-17 

      en de getekenden 7,1-17

  1. Het zevende zegel: de stilte 8,1

B. De zeven trompetten 8,2-11.19

  1. Eerste trompet: de aarde 8,2-7
  2. Tweede trompet: de zee 8.8-9
  3. Derde trompet: waterstromen en bronnen 8,10-11
  4. Vierde trompet: zon, maan en sterren 8,12-13
  5. Vijfde trompet: het eerste ‘wee’ 9,1-12
  6. Zesde trompet: het. tweede ‘wee’ 9,13-11,14
  7. Zevende trompet 11,15-19

C. Zeven visioenen over de macht 12,1-13,18

  1. Eerste visioen: de draak tegen de vrouw 12,1-6
  2. Tweede visioen: Michaël tegen de draak 12,7-9
  3. Derde visioen: een stem in de hemel 12,10-12
  4. Vierde visioen: de draak tegen de kinderen van de vrouw 12,13-17
  5. Vijfde visioen: het beest uit de zee 13,1-4
  6. Zesde visioen: heerschappij van het beest 13,5-10
  7. Zevende visioen: het beest uit de aarde 13,11-18

D. Zeven visioenen over de onmacht 14,1-20

  1. Eerste visioen: het nieuwe lied 14,1-5
  2. Tweede visioen: de eerste engel 14,6-7
  3. Derde visioen: de tweede engel 14,8
  4. Vierde visioen: de · derde engel 14,9-12
  5. Vijfde visioen: een stem uit de hemel 14,13
  6. Zesde visioen: de vierde en de vijfde engel 14,14-16
  7. Zevende visioen: de zesde en de zevende engel 14,17-20

E. De zeven schalen 15,1-16,21

Prelude 15,1-16,1

De handeling 

  1. De eerste schaal: de aarde 16,2
  2. De tweede schaal: de zee 16,3
  3. De derde schaal: rivieren en waterbronnen 16,4-7
  4. De vierde schaal: de zon 16,8-9
  5. De vijfde schaal: verduistering 16,10-11
  6. De zesde schaal: duivelsgeesten als kikvorsen 16,12-16
  7. De zevende schaal: het einde 16,17-21

F. Zeven visioenen over het einde 17,1-19,10

  1. Eerste visioen: de hoer 17,1-6a
  2. Tweede visioen: wie (wat) is de hoer? 17,6b-18
  3. Derde visioen: de cantatedienst: 1. voorzang 18,1-3
  4. Vierde visioen: 2. de klaagzangen 18,4-20
  5. Vijfde visioen: 3. de paukenslag 18,20-24
  6. Zesde visioen: 4. een lofpsalm 19,1-5
  7. Zevende visioen: 5. Te Deum 19,6-10

G. Zeven visioenen over het begin 19,11-21,8

  1. Eerste visioen: de hoofdrolspeler 19,11-16
  2. Tweede visioen: het voorspel .19,17-18
  3. Derde visioen: het eerste bedrijf 19,19-21
  4. Vierde visioen: het tweede bedrijf 20,1-3
  5. Vijfde visioen: het derde bedrijf 20,4-10
  6. Zesde visioen: het vierde bedrijf 20,11-15
  7. Zevende visioen: de apotheose 21,1-8

V. Het nieuwe Jeruzalem 21,9-22,5

VI.Epiloog 22,6-17

VII. Slot 22,18-21

(Pag. 34-38)

*****


EXEGESE OPenbaring 19, 11-16

Dit witte paard is ook gans anders dan het rijdier waar op ooit Jezus de stad Jeruzalem binnenreed (Mark.11,1-11; Mat 21,1-9, Joh.12,12-16). Het rijdier dat hij toen ‘vond’ – staat er voorbedachtelijk-, was een ezel. De ezel was het riijdier van de armen en stond in tegenspraak met het paard, het vervoermiddel in tijden van Oorlog: soldaten en vooral legervorsten zaten te paard (vgl.Ex.15 1 · Ps 33,17, 1 Kon.5,6). Het paard was zinnebeeld van macht, vooral van krijgsmacht en koningsmacht. Daarom zitten in het ganse boek Openbaring legers te paard en is het paard het voertuig van de hegemonie (b.v. 6, 2~: 9,7.17; 14,20). 

Ook hier duidt het paard – geen ezel – op de strijd die komen gaat. Vanouds was God luidkeels en niet zonder nationalisme bezongen als een man van oorlog: ‘JHWH is een strijder, JHWH is Zijn naam’ (Ex.15,3); ‘reeds bevond hij – Heliodorus – zich met zijn lijfwacht bij de schatkamer, toen de Heer van alle geesten en machten op zo’n ontzagwekkende wijze verscheen, dat allen die het gewaagd hadden de tempel binnen te dringen, door Gods macht getroffen, alle kracht en moed verloren. Zij zagen een prachtig opgetuigd paard, bereden door een schrikwekkende ruiter … De ruiter schitterde in zijn gouden wapenrusting’ (2 Makk.3, 24-25). Wat nu te gebeuren staat, zal dus wederom goddelijke oorlog zijn; het lijkt wel een contradictio in terminis, maar … 

Goddelijk. Want. Op het witte paard zit een ruiter. Wie hij is, wordt niet onmiddellijk gezegd. Zoals zo vaak, gaat Johannes een langzame identificatie opvoeren, een ontraadseling in etappes: 

die op het paard gezeten is, heet: getrouw en waarachtig (vs.11). O ja: zo sprak de Heilige, de Waarachtige tot de engel van de kerk te Filadelfia (3,7), zo sprak de getrouwe en waarachtige getuige tot die van Laodicea (3,14). ‘De getrouwe getuige’, – dit was de handtekening van Jezus Messias geweest in het opschrift van het boek (1,5). De ruiter is dus verre van onbekend en roept uit de Tenach de Eeuwige zelf op (Ex.34,6-7; Num.14,18). Hij moet iets met die Eeuwige van doen hebben, op Hem gelijken, misschien wel Diens spiegelbeeld zijn; 

-hij, de ruiter, oordeelt en strijdt met gerechtigheid. Maar natuurlijk: ‘niet naar uiterlijke schijn spreekt hij recht, niet op grond van loze geruchten; … met gerechtigheid omgordt hij zijn heupen, de gordel om zijn lenden is trouw’ (Jes.11,3-5). Is hij dan de twijg uit de stronk van Isaï? In de Tenach is JHWH degene die in gerechtigheid de wereld richt (Ps.96,13; 98,9; vgl.Openb.16,7; 19,2). Is de ruiter dan JHWH zelve, of staat hij allerdichtst bij hem? 

de ogen van de ruiter zijn als vlammend vuur (vs.12). Vlammend vuur? Herinner je: ‘toornt Gij fan eeuwig, woedt als vuur Uw ongena voort? (Ps.79,5; vgl.89,47) ‘als een bosbrand, verterende het woud, als het vuur dat blakert de bergen (Ps. 83,15) ‘vuur gaat voor zijn naderen uit, verschroeit voor wie Hem willen weerstreven; (Ps. 97,3; vgl. 104,4; 105,32; 140,11), en vooral het visioen van Daniël: ‘zijn ogen waren als vurige fakkels (Dan.10,6). Het zijn dezelfde ogen als in he beginvisioen van de mensenzoon (114) en natuurlijjk van de as van de brieven: die aan Tyatira (2 18)  De ruiter moet het effigie van de Eeuwige hebben; ·

op het hoofd van de ruiter zijn vele diademen (vs.12). De draak droeg zeven diademen, op elke kop één (12 3) het beest uit de zee tien, op elke horen één

 (13,1). De ruiter gaat hen te boven: zijn diademen zijn vele en duiden op een eindeloze soevereiniteit; het zijn er veel meer dan destijds koning Ptolemeüs van Egypte die er slechts twee bezat: die van Egypte en die van Azië (1Makk.11,13). De ruiter is als koning superieur: geen draak, geen beest, geen vorst kan aan hem tippen; 

de ruiter heeft een naam geschreven die niemand kent behalve hij (vs.12). Klaarblijkelijk staat die naam tegenover die van het beest – zoals Johannes telkens weer in antinomieën denkt -, want deze laatste was bekend en zelfs berekenbaar: 666 (13,18). De naam van de ruiter is mysterie, althans nu nog wel, conform de Tenach waar de naam Jakob werd gemystificeerd tot Israël (Gen.32,29) en die van de engel van JHWH te wonderbaar om genoemd te kunnen worden (Recht.13,8). Johannes versluiert de naam dus nog even; beter gezegd: hij doet van de aanvang af weten dat de naam geheim is, onuitsprekelijk. Wat onuitsprekelijk? Is de ruiter dan toch de Onzegbare zelf (Ex.20,7; Deut.5,11)? Nog even geduld. Er komt nog meer; 

de ruiter is gehuld in een mantel, gedoopt in bloed (vs.13). Wie herkent dit niet? ‘Wie komt daar uit Edom, uit Bosra, in helrode kleren en schitterende gewaden, vol luister en macht? Dat ben Ik: Mijn woord brengt heil, Ik heb de macht om te redden. Waarom zijn Uw kleren zo rood als die van een druiventreder?  Ik moest alleen de wijnpers treden, geen enkel volk wilde Mij helpen; daarom heb Ik· hen in Mijn woede vertrapt en fijn gestampt in Mijn toorn. Hun bloed spatte op Mijn kleren en maakte ze helemaal rood’ (Je s63 1-3). Johannes spiegelt en spiegelt; wie hem al op de voet volgt bevestigd;

de naam van de ruiter – dus toch – luidt: Woord van God . (vs 13), hier verraadt de ziener Johannes zichzelf . De naam is allereerst verwijzing naar de Tenach: ‘want terwijl een diepe stilte alles omgaf en de nacht in zijn snelle loop halverwege was gekomen, kwam Uw alvermogend woord van zijn koningstroon in de hemel en sprong hij als een grimmig krijgsman midden in het onzalige land’ (Wijsh.18,14-15). Maar er is meer. Het is alsof Johannes onverhoeds en bij wijze van slip of his pen heel argeloos zijn paraaf neerzet en de proloog van zijn vierde  evangelie citeert: ‘in begin was het Woord, en het Woord was bij God, en God was het Woord … En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons verbleven, en wij hebben zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de eniggeliefde van de Vader, vol genade en waarheid’ (Joh.1,1.14). Het Woord Gods is Diens zelf-ontsluiting, in origine en in onophoudelijke openbaarmakingen daarna, en het duidelijkst en meest overrompelend geconcretiseerd in de Thora, de wet van het leven, en definitief belichaamd in de mens die Thora was. Voor Johannes en de zijnen is JHWH een sprekende – en niet een slaande of exploderende – God, die alles wat Hij gedaan heeft, gedaan heeft door, dat is: middels Zijn Woord. Dat Woord is Zijn stem, Zijn gezegde, Zijn uitroep. Zijn projectie. Zijn beeltenis. Als de ruiter op het witte paard de naam draagt ‘Woord van God’, dan plaatst hij zijn handtekening, zijn certificaat, zijn signatuur. Hij is … 

Er kan nu geen twijfel meer over bestaan: de ruiter op het witte paard is de Messias Jezus. Hij heeft dezelfde vlammende ogen als hij (1,14), hetzelfde zwaard van zijn mond (1,16; 2,12), dezelfde namen (3,14; vgl.1,5). Hij kan niemand anders zijn dan hij. De figuur van de Messias wordt getekend met allerlei overtuigende trekken uit de Tenach (Jes.11,3; Ps.2,9; Wijsh.18,14-15). En tenslotte die naam, dat herkenningsteken: het Woord van God. Wie anders zou de ruiter kunnen zijn? Zijn geheimvolle naam (vs.12) is: Jezus, de Gezalfde. Niemand kent die naam ten volle behalve hijzelf. Johannes die zijn boezemvriend beter heeft begrepen dan wie ook, zit desondanks en nog steeds met een mysterie. Het is immers de naam boven alle namen (Filipp.2,9). Als je de Openbaring bijna uitgelezen hebt, is hij nog geheim.

Of . neen. Het lijkt inderdaad of Johannes zich even een te vroege verschrijving vergund heeft en of hij de ontsluiering van de ruiter even niet kon inhouden. Want die ontsluiering gaat onverdroten voort. Johannes tilt steeds meer tippen van de sluier op en vervolgt de ont-hulling, alsof er niets gebeurd is. Hij is en blijft: de Openbaarder:

de ruiter wordt gevolgd door legers, ook op witte paarden en gehuld smetteloos wit lijnwaad, net als de bruid en de martelaren (vs.14; 19,8; 6,11; 7,14; 22,14). Dat zijn degenen die de Messias achterna zijn gegaan (vgl.2,10; 3,21), zoals door Jezus zelf was voorzegd·: ‘dan zal Hij zijn engelen uitzenden om zijn uitverkorenen te verzamelen uit de vier windstreken, van het einde der aarde tot het uiteinde des hemels’ (.Mark.13,27; vgl.8,38; Mat.25,31; 2 Tess.1,7-10). Het zijn degenen die hun leven gegeven hebben voor het getuigenis van het evangelie en daarom het kleed van de opstanding hebben ontvangen; 

uit de mond van de ruiter komt een scherp zwaard om daarmee de volkeren te slaan (vs.15, vgl.2,12-16). ‘Hij – de twijg uit Isaï – kastijdt de verdrukkers met de gesel van zijn lippen en de bozen doodt hij met de adem van zijn mond’ (Jes.11,4). ‘Dan zal de goddeloze zich openbaren; en de Heer Jezus zal hem doden met de adem van zijn mond en hem vernietigen door de luister van zijn aankomst’ (2 Tess.2,8). ‘Levend is het woord Gods en krachtig, het is snijdender dan elk tweesnijdend zwaard’ (Hebr.4,12). Dus, alweer, de Gezalfde zelf. Het is zonneklaar; 

-de ruiter weidt de volken met een ijzeren staf (vs.15): ‘verbrijzelen moogt gij hen met ijzeren knots, hen als lemen kruiken vergruizelen’ (Ps.2,9); 

-hij treedt de perskuip van de toom van God (vs.15; vgl.14,10; 16,19): ‘waarom, zijn uw klederen zo rood als die van een druiventreder?’ (Jes.63,2). Voorzover er nog enige twijfel mocht bestaan, is deze nu wel vervluchtigd: de ruiter is ‘hij’; 

-of neen: er komt nog één, alleszeggende signatuur: de ruiter heeft op zijn mantel en op zijn dij zijn naam geschreven (vs.16). De dij was immers de plaats waar het zwaard hing (Ex.32,27; Recht.3,16.21; Ps.45,3; Hoogl.3,8). En het zwaard was symbool van zegepraal. Dus de naam die geschreven staat, is een triomfantelijke naam, de naam van een overwinnaar. 

Die naam luidt: Koning der koningen en heer der heren (vs.16). Zo was al het Lam betiteld (17,14). Het is de naam van de Eeuwige (Deut.10,17; Dan.2,47; 1 Tim.6,15) en dus ook de naam van, Diens beeld en gelijkenis, de Messias. In het Aramees komen de letters van die naam uit op het getal 777, dat wil zeggen: driemaal volmaakt, dus het summum van volmaaktheid, de godganselijke Tegenover – alweer een tegenover – het getal van het beest , 666 (13,18), het zinnebeeld, de ‘vertaling’ van het culminatiepunt van de schepping, de naam boven alle namen, de Gezalfde van God. 

Nu is alle twijfel overwonnen: de ruiter op het witte paard met achter hem het leger der uitverkorenen, ook op witte paarden, kan niemand anders zijn dan de Messias. Na de schildering van het decor verschijnt hij als hoofdrolspeler op het toneel. Wat volgen gaat, moet een messiaanse veldslag worden – want de ruiter is duidelijk uitgedost voor de strijd -, gedachtig de Tenach: ‘Uw alvermogend woord kwam van zijn koningstroon in de hemel en sprong als een grimmig krijgsman midden in het onzalige land’ (Wijsh.18,15). De komende messiaanse reuzenkrijg wordt een vervulling van de profeten, met name van Joël (4,1-3; 11-16), Zacharja (12,14; 14,3 en vv.) en Ezechiël (hfd. 38 en 39). De vroege gemeenten zagen die slag komen (2 Tess.1,7-8; 9-10; Mat.25,31). Welnu, het is zover. En ‘zij zagen een prachtig opgetuigd paard, bereden door een schrikwekkende ruiter’ (2 Makk.3 ,25). Wat de Tenach eeuwenlang had voorzien en gehoopt, gaat thans geschieden. Het einde van alles is geen abstractie, maar een persoon; zoals het begin geen principe is, maar een mens die ziet. Een ruiter betreedt het veld. Het doek is opgegaan, de protagonist is het toneel op gereden. Het kan beginnen. 

(Pag. 300-304)



  1. Christ as a Sword.

The texts of the New Testament, which we have discussed, are things said by Himself about Himself. Isaiah, however, He said160 that His mouth had been set by His Father as a sharp sword, and that He was hidden under the shadow of His hand, made like to a chosen shaft and kept close in the Father’s quiver, called His servant by the God of all things, and Israel, and Light of the Gentiles. The mouth of the Son of God is a sharp sword, for161 “The word of God is living, and active, and sharper than any two-edged sword, and piercing to the dividing of soul and spirit, of both joints and marrow, and quick to discern the thoughts and intents of the heart.” And indeed He came not to bring peace on the earth, that is, to corporeal and sensible things, but a sword, and to cut through, if I may say so, the disastrous friendship of soul and body, so that the soul, committing herself to the spirit which was against the flesh, may enter into friendship with God. Hence, according to the prophetic word, He made His mouth as a sword, as a sharp sword. Can any one behold so many wounded by the divine love, like her in the Song of Songs, who complained that she was wounded:162 “I am wounded with love,” and find the dart that wounded so many souls for the love of God, in any but Him who said, “He hath made Me as a chosen shaft.” (Origines: Book 1 commentaar op het evangelie van Johannes)

Klik om toegang te krijgen tot 0185-0254,_Origenes,_Commentarii_in_evangelium_Joannis_%5BSchaff%5D,_EN.pdf