Koran en bijbel

Koran en bijbel: over Hagar, Ismaël, Abraham, de Ka’aba, de bron Zam Zam en de bedevaart

‘Labbayk, allahumma, labbayk’ – hier sta ik, O God, hier sta ik

Lotfi El Hamidi gaat samen met zijn moeder op bedevaart naar Mekka. Het eerste deel van de rituelen bestaat uit het lopen rond de Ka’aba:

‘Labbayk, allahumma, labbayk’ – hier sta ik, O God, hier sta ik. Ontelbare keren worden deze woorden uitgesproken door pelgrims onderweg richting de Grote Moskee. Hoe dichterbij je komt, hoe nietiger je je voelt, vooral als je langzaam maar zeker in de massa verdwijnt.

(…)

Voorbij een van de vele hoofdingangen, onderweg naar het centrale gebedsplein, kon ik al een glimp opvangen van de Ka’aba. Zo vaak hoorde ik van geloofsgenoten die mij waren voorgegaan hoe machtig de eerste aanblik is. Ik nam het allemaal aan en ik kon het me dacht ik wel voorstellen. Maar het cliché is waar, pas als je er bent voel je de kracht van het heiligdom, alsof je niet dichter bij God kunt komen. Het gevoel is onbeschrijfelijk.

Eenmaal op het binnenplein, de plek waar de zeven omgangen om de Ka’aba gelopen worden (de zogeheten tawaf), werden we als het ware meegezogen in een menselijke draaikolk. Vanaf het moment van invoegen liepen we in kleine stappen, blootsvoets, tegen de klok in. Mijn zintuigen maakten overuren. Terwijl mijn ogen bijna steevast gericht waren op het zwarte kleed van de Ka’aba, hoorde ik om me heen een kakofonie van stemmen en geluiden. Gelovigen die gebeden prevelden in het Arabisch, Turks en Urdu (talen die ik meende te kunnen opvangen), die snikkend smeekten om vergiffenis, de een geëmotioneerder dan de ander. Omdat iedereen zo dicht op elkaar bewoog kon ik zo meelezen in de gebedenboekjes, vaak versleten versies die intensief gebruik verraden. Hier hebben veel mensen jarenlang naartoe geleefd.

Het laatste deel van de rituelen in Mekka is:

…het zevenmaal heen en weer lopen tussen de heuvels Safa en Marwa, een wandelroute die inmiddels onderdeel is van het moskeecomplex. Dit ritueel slaat op de handelingen van Hajar (de bijbelse Hagar), de verstoten vrouw van Abraham en moeder van diens oudste zoon Ismael. Wanhopig op zoek naar water voor haar jonge kind zou ze volgens de overlevering tussen de heuvels op en neer hebben gerend. Op het moment dat ze uitgeput raakte en de hoop had opgegeven sloeg de kleine Ismael met een stok op de grond van waaruit water omhoog spoot – de plek van de heilige, oneindige waterbronzam zam (de woorden die Hajar geroepen zou hebben, wat zoveel betekent als stop of genoeg).

(Uit: https://www.groene.nl/artikel/balsem-voor-de-ziel)


Op internet is deze tekst te vinden over Hagar in de Islam

Abraham was childless. He was a prophet of God and, having left his native land, he was concerned about who would take the prophetic office after him, and whether he would be a father one day. His wife’s servant Haajara, who was gifted to her, was given to Abraham as a wife to bear a child. According to modern scholars, Haajara was not a concubine, but rather a princess, the daughter of the king of Egypt. Haajara subsequently bore a child who would grow to be righteous and ready to suffer and endure. Hagar named him Ismail, meaning “God has heard”.

Islamic scholar Muhammad Saed Abdul-Rahman states the following using the Arabic name Haajar for Haajara; Allah revealed to Ibrahim that he should take Haajar and the infant Ismaa’eel and take them to Makkah. So he took them and left Haajar and her child Ismaa’eel in a bleak, isolated place in which there was no water, then he left them and went back to Canaan. Haajar said to him, ‘For whom are you leaving us in this forsaken valley?’ But Ibrahim went and left her, and she said, ‘Has Allah commanded you to do this?” He said, ‘Yes.’ She said, ‘Then Allah will not cause us to be lost.’

Abraham submitted to the command of his Lord and patiently bore the separation from his wife and child. Then he turned towards where they were at the Sacred House and prayed for them in the following words (interpretation of the meaning): ‘O our Lord! I have made some of my offspring to dwell in an uncultivatable valley by Your Sacred House (the Kaaba (‘Cube’) at Mecca) in order, O our Lord, that they may perform As-Ṣalāt. So fill some hearts among men with love towards them, and (O Allah) provide them with fruits so that they may give thanks’ Qur’an, Ibraaheem 14:37

Because of the scarcity of water in the desert, it was not long before both mother and son suffered immense thirst. Thus, Haajara ran between the Safa and Marwa hills in search of water for her son. After the seventh run between the two hills, the angel Jibril (Gabriel)appeared before her. He told her that God had heard Ishmael’s crying and would provide them with water. At that moment, God caused a spring to burst forth from the ground under Ishmael’s heel, and thereafter Mecca became known for its excellence and abundance of water. The well was subsequently named Zamzam, and became a holy source of water.

https://en.wikipedia.org/wiki/Hagar_in_Islam en zie ook: https://en.wikipedia.org/wiki/Hagar


De bijbel vertelt het verhaal van Abraham, Hagar en Ismaël als volgt:

Genesis 16, 1-14:

Sarai en Abram kregen geen kinderen. Ze woonden intussen al tien jaar in Kanaän. Toen zei Sarai tegen Abram: ‘Je ziet dat de Heer mij geen kinderen gegeven heeft. Je moet maar met mijn slavin slapen. Misschien kan zij dan een kind voor mij krijgen.’ De slavin van Sarai heette Hagar. Ze kwam uit Egypte.

Abram was het eens met het voorstel van Sarai. Toen stuurde Sarai Hagar naar Abram, en Hagar werd Abrams vrouw. 4Hij sliep met haar en ze werd zwanger.

Toen Hagar wist dat ze zwanger was, had ze geen respect meer voor Sarai.

Sarai zei tegen Abram: ‘Jij bent hier verantwoordelijk voor! Ik heb je mijn slavin gegeven. Maar nu ze weet dat ze zwanger is, heeft ze helemaal geen respect meer voor mij. Laat de Heer beslissen of dat jouw schuld is of mijn schuld.’ Abram zei: ‘Het is jouw slavin. Je moet zelf weten wat je met haar doet.’

Toen behandelde Sarai Hagar zo slecht, dat Hagar wegliep.

Hagar vluchtte naar de woestijn. Ze ging zitten bij een waterput langs de weg naar Sur. Een engel van de Heer zag haar daar zitten.

De engel vroeg: ‘Waar kom je vandaan, Hagar? En waar ga je naartoe?’ Hagar zei: ‘Ik ben gevlucht, ik ben weggelopen bij Sarai.’ 9Toen zei de engel: ‘Je bent de slavin van Sarai. Ga naar haar terug en doe wat zij zegt.’

De engel van de Heer zei ook: ‘Ik heb gehoord hoe ongelukkig je bent. Ik zal je heel veel nakomelingen geven, zo veel dat niemand ze kan tellen. 11Je bent nu zwanger en je zult een zoon krijgen. Die moet je Ismaël noemen. Je zoon zal zo wild zijn als een wilde ezel. Hij zal altijd doen wat hij zelf wil. En hij zal met iedereen ruziemaken, ook met zijn eigen familie.’

Toen zei Hagar tegen de Heer: ‘U bent een God die mensen ziet. Ik heb gezien dat u mij ook ziet.’

De put waar Hagar zat, wordt Lachai-Roï genoemd. Die put ligt tussen Kades en Bered.

Hagar kreeg een zoon. Abram noemde hem Ismaël. Abram was 86 jaar toen Ismaël geboren werd.

*******

Genesis 21,8-21:

Isaak werd groter. Zijn moeder hoefde hem niet meer de borst te geven. Daarom gaf Abraham een groot feest. Op dat feest werd Isaak uitgelachen door Ismaël. Ismaël was de zoon van Abraham en Hagar, de Egyptische slavin van Sara.

Sara zag wat er gebeurde. Ze zei tegen Abraham: ‘Jaag die slavin weg met haar zoon. Ik wil niet dat mijn zoon Isaak later de erfenis moet delen met het kind van die slavin.’

Abraham wilde Hagar en Ismaël niet wegsturen, want hij was Ismaëls vader. Maar God zei tegen Abraham: ‘Maak je geen zorgen over Ismaël of over Hagar. Je moet doen wat Sara zegt. Alleen de kinderen van Isaak gelden later als jouw echte nakomelingen. Maar ook Ismaël is een kind van jou. Daarom zal ik zorgen dat er later ook een volk van Ismaël afstamt.’

De dag na het feest pakte Abraham wat brood en water. Hij gaf dat aan Hagar. Daarna stuurde hij haar met Ismaël de woestijn van Berseba in.

In de woestijn verdwaalden Hagar en Ismaël. Na een tijdje hadden ze geen water meer. Toen legde Hagar Ismaël onder een struik in de schaduw. Zelf ging ze een eindje verderop zitten. Want ze kon er niet tegen dat ze Ismaël zou zien sterven. Ze begon te huilen.

Maar God hoorde Ismaël roepen. De engel van God riep uit de hemel tegen Hagar: ‘Wat is er, Hagar? Wees niet bang! God heeft Ismaël horen roepen. Ga naar Ismaël toe. Help hem overeind en houd hem goed vast. Ik zal hem kinderen geven, en er zal later een groot volk van hem afstammen.’

Toen zorgde God ervoor dat Hagar een waterput zag. Ze liep naar de put, haalde water en gaf Ismaël te drinken.

Ismaël groeide op. Het ging goed met hem, want God zorgde voor hem. Hij werd jager. Hij ging in de woestijn van Paran wonen. En Hagar liet hem met een Egyptische vrouw trouwen.

******

Genesis 25, 12-18:

Ismaël was de zoon van Abraham en Hagar, de Egyptische slavin van Sara. Nu volgen de namen van de zonen van Ismaël. De oudste zoon was Nebajot. De andere zonen waren: Kedar, Adbeël, Mibsam, Misma, Duma, Massa, Chadad, Tema, Jetur, Nafis en Kedema. Zo heetten de zonen van Ismaël. Het waren er twaalf. Ze waren allemaal leiders van een stam. Ze hadden allemaal hun eigen dorp en hun eigen tentenkamp.

Ismaël werd 137 jaar oud. Toen stierf hij. De nakomelingen van Ismaël woonden in het gebied tussen Chawila en Sur. Dat is ten oosten van Egypte, in de richting van Assur. Ze woonden in de buurt van de andere nakomelingen van Abraham. Maar ze waren niet met hen bevriend.

https://www.debijbel.nl


Verwijzingen in de Koran

In de Koran staan deze teksten met betrekking op Abraham, Ismaël en de Ka’aba, en de heuvels Safa en Marwa. Hajar/Hagar wordt nergens genoemd

2,125. En toen Wij het Huis tot een plaats van verzameling voor de mensheid en een toevluchtsoord maakten, zeggende: “Neemt de plaats van Abraham als een plaats voor gebed”. En Wij geboden Abraham en Ismaël, zeggende: “Reinigt Mijn Huis voor degenen, die de ommegang verrichten en voor degenen, die er toegewijd in verblijven en voor degenen, die zich neder buigen en zich ter aarde werpen.

126. En toen Abraham bad: “Mijn Heer, maak deze plaats toch tot een oord van vrede en geef vruchten aan haar bewoners, die aan Allah en de laatste dag geloven”, zeide Hij: “Ik zal voor een korte tijd ook aan hem, die niet gelooft weldaden schenken, daarna zal Ik hem in het Vuur drijven: het is een slechte verblijfplaats”.

127. En toen Abraham en Ismaël de muren van het Huis optrokken, biddende: “Heer, aanvaard dit van ons, want Gij zijt de Alhorende, de Alwetende,

128. Heer, maak ons beiden aan U onderdanig en maak van ons nageslacht een volk, dat U onderdanig zij. En toon ons onze wijzen van aanbidding en wend U met barmhartigheid tot ons, zeker, Gij zijt Berouwaanvaardend en Genadevol.

129. Heer, doe onder hen een boodschapper opstaan, die hun Uw tekenen zal verkondigen en hun het Boek en de Wijsheid zal verklaren en hen zal louteren. Voorzeker, Gij zijt de Almachtige, de Alwijze.

130. En wie zal zich van het geloof van Abraham afwenden, behalve hij, die dwaas tegen zichzelf handelt? Voorzeker, Wij hebben hem in deze wereld uitverkoren en in de volgende zal hij gewis onder de rechtvaardigen zijn.

131. Toen zijn Heer tot hem zeide: “Onderwerp U”, zeide hij: “Ik heb mij aan de Heer der Werelden onderworpen”.

132. En hetzelfde legde Abraham aan zijn zonen op en Jacob deed desgelijks, zeggende: “O mijn zonen, Allah heeft waarlijk dit geloof voor u verkozen, sterft daarom niet, tenzij gij Moslims zijt.”

133. Of waart gij aanwezig, toen de dood tot Jacob kwam en hij tot zijn zonen zeide: “Wat zult gij na mij aanbidden?” Zij antwoordden: “Wij zullen uw God aanbidden, de God uwer vaderen, Abraham, Ismaël en Izaäk, de enige God, aan Hem zijn wij onderworpen”.

134. Dit is een volk, dat is heengegaan: voor hen is, hetgeen zij verdienden en voor u is, hetgeen gij verdient en gij zult niet worden ondervraagd over hetgeen zij plachten te doen.

135. En zij zeggen: “Weest Joden of Christenen, dan zult gij worden geleid”. Zeg (hun): “Neen, maar (volg) de godsdienst van Abraham, de oprechte: hij behoorde niet tot de afgodendienaren”.

136. Zegt: “Wij geloven in Allah en in hetgeen ons is geopenbaard en in hetgeen tot Abraham, Ismaël, Izaäk, Jacob en de stammen werd nedergezonden en in hetgeen aan Mozes en Jezus werd gegeven en in hetgeen aan alle andere profeten werd gegeven door hun Heer. Wij maken geen onderscheid tussen hen en aan Hem onderwerpen wij ons.

137. En indien zij geloven, zoals gij hebt geloofd, dan zijn zij juist geleid, maar indien zij zich afwenden, dan zijn zij in verzet; Allah zal u zeker voldoende zijn tegen hen, want Hij is de Alhorende, de Alwetende.

138. Maakt Allah’s kleur tot de uwe en wie is beter in kleur, dan Allah? Hem alleen aanbidden wij.

139. Zeg: “Twist gij met ons omtrent Allah, terwijl Hij uw Heer en onze Heer is? En voor ons zijn onze werken en voor u uw werken. En Hem alleen zijn wij oprecht toegewijd.

140. Zegt gij, dat Abraham en Ismaël en Izaäk en Jacob en de stammen Joden of Christenen waren? Zeg: “Weet gij het beter of Allah?” En wie is onrechtvaardiger, dan hij, die een getuigenis verbergt, die hij van Allah heeft? En Allah is niet onbekend met hetgeen gij doet.

141. Dit is een volk, dat is heengegaan: voor hen is, hetgeen zij verdienden en voor u is, hetgeen gij verdient; en gij zult niet worden ondervraagd over hetgeen zij deden.


3,84. Zeg: “Wij geloven in Allah en in hetgeen ons werd geopenbaard en hetgeen werd geopenbaard aan Abraham, Ismaël, Izaäk, Jacob, en de stammen en hetgeen aan Mozes en Jezus en de profeten door hun Heer werd gegeven. Wij maken geen onderscheid tussen wie dan ook van hen. Aan Hem alleen onderwerpen wij ons.

85. En wie een andere godsdienst zoekt dan de Islam, het zal van hem niet worden aanvaard en hij zal in het Hiernamaals onder de verliezers zijn.


4,163. Waarlijk, Wij hebben u de openbaring gezonden, zoals Wij Noach en de profeten na hem openbaring zonden en Wij gaven een openbaring aan Abraham en Ismaël en Izaäk en Jacob en de stammen; en aan Jezus, Job, Jonas, Aäron en Salomo en Wij gaven David een psalmen.


6,84. En Wij gaven hem Izaäk en Jacob; Wij leidden elk hunner en voordien leidden Wij Noach en van zijn afstammelingen: David, Salomo, Job, Jozef, Mozes en Aäron. Zo belonen Wij de goeden.

85. En Zacharia, Johannes, Jezus en Elias. Elk hunner behoorde tot de deugdzamen.

86. En Ismaël, Elisa, Jonas en Lot; elk hunner verhieven Wij boven de volkeren.

87. En van hun vaderen en hun kinderen en hun broederen verkozen Wij enigen en leidden hen op het rechte pad.

88. Dit is de leiding van Allah, Hij leidt daarmede van Zijn dienaren, wie Hij wil. En, indien zij iets naast Hem hadden aanbeden, zou voorzeker al hetgeen zij plachten te doen, verloren zijn gegaan.


14,39. “Alle lof behoort aan Allah, Die mij in weerwil van ouderdom Ismaël en Izaak heeft gegeven Waarlijk mijn Heer is de Verhoorder van het gebed.”


19,54. En gedenk Ismaël in het Boek. Hij was getrouw aan zijn belofte En hij was (eveneens) een boodschapper – profeet.

55. Hij placht zijn volk gebeden en aalmoezen aan te bevelen en zijn Heer had welbehagen in hem.


21,85. En Ismaël en Idries en Zol-Kifl; allen behoorden tot de standvastigen.

86. En Wij namen hen op in Onze genade want zij behoorden tot de rechtvaardigen.


38,48. En gedenk Ismaël, Eliza en Zolkifl; zij behoren allen tot de besten.


2,158. Voorzeker, Safaa en Marwah zijn onder de tekenen van Allah. Er rust derhalve op hem, die de Hadj (pelgrimstocht) doet, of (of soms) de Omrah verricht, geen blaam, indien hij om beiden (heen) loopt. En wie vrijwillig goed doet, voorzeker, Allah is Waarderend, Alwetend.


2,196. En voleindigt de Hadj (pelgrimstocht) en Omrah, ter wille van Allah, maar als gij verhinderd zijt, brengt dan het offer, dat gemakkelijk verkrijgbaar is en scheert uw hoofd niet, voordat het offer zijn bestemming heeft bereikt. En wie onder u ziek is of een kwaal in het hoofd heeft, moet een losprijs geven, óf door te vasten, óf door aalmoezen te geven, óf door een offer te brengen. En wanneer gij veilig zijt, moet hij die gebruik maakt van Omrah, tegelijk met de Hadj een offer brengen, dat gemakkelijk verkrijgbaar is. Maar degenen, die geen (offer) kunnen vinden, moeten drie dagen gedurende de bedevaart vasten en zeven dagen, wanneer (men) terugkeert; dit is tien dagen in het geheel. Dit is voor hem, wiens familie niet dicht bij de Heilige Moskee woont. En vreest Allah en weet, dat Allah streng is in het straffen.

22,29. Laat hen dan hun vuilheid verwijderen en hun geloften vervullen en een omgang maken om het oude Huis (Kaäba).


5,95. O, gij die gelooft, doodt geen wild, terwijl gij ter bedevaart zijt. En wie onder u het opzettelijk doodt diens vergoeding is een huisdier gelijk aan hetgeen hij heeft gedood – twee rechtvaardige mannen onder u zullen dat beoordelen; – hetwelk als offer naar de Kaäba moet worden gebracht; of hij moet als boetedoening (een aantal) arme mensen voeden, of een gelijk aantal dagen vasten, opdat hij het gevolg van zijn daad zal ondergaan. Allah heeft vergeven wat voorbij is, maar wie er in terugvalt, hem zal Allah straffen. Allah is Machtig, de Meester der vergelding.

96. De vangst uit zee en het eten ervan is wettig voor u als voorziening voor u zelf en de reizigers, doch zolang gij ter bedevaart zijt is het wild van het land u verboden. En vreest Allah, tot Wie gij zult worden verzameld.

97. Allah heeft de Kaäba, het onschendbare Huis tot behoud van de mensheid gemaakt, alsook de heilige maand en het offer, en de kamelen met de halsbanden. Dit is, opdat gij zult begrijpen, dat Allah weet, wat in de hemelen en wat op aarde is en dat Allah kennis heeft van alle dingen.


8,31. En wanneer Onze verzen worden voorgelezen aan hen, zeggen zij: “Wij hebben het gehoord. Als wij willen kunnen wij gewis iets dergelijks uiten. Dit zijn niets dan fabelen der ouden.”

32. En toen zij zeiden: “O Allah, als dit inderdaad de waarheid van U is, doe dan stenen uit de hemel over ons regenen of geef ons een (andere) smartelijke straf.”

33. Maar Allah zal hen niet straffen zolang gij onder hen zijt noch zal Allah hen straffen indien zij om vergiffenis vragen.

34. Waarom zal Allah hen niet straffen, wanneer zij de mensen beletten de heilige moskee binnen te gaan en er geen bewakers van zijn? De bewakers er van zijn alleen de godvruchtigen, maar de meesten hunner beseffen het niet.

35. En hun gebed in het Huis (de Kaäba) is niet anders dan fluiten en klappen in de handen. “Ondergaat daarom de straf omdat gij placht te verwerpen.”

36. Voorzeker, de ongelovigen besteden hun rijkdommen om anderen van de weg van Allah af te leiden. Zij zullen doorgaan ze te verspillen maar daarna zullen zij spijt hebben en worden overwonnen. En zij die verwerpen zullen in de hel worden verzameld.

37. Zodat Allah de bozen van de goeden moge scheiden en de bozen bij elkander moge drijven en hen allen tezamen moge ophopen en hen dan in de hel moge werpen. Dit zijn de verliezers.


14,37. “Onze Heer, ik heb sommige van mijn kinderen in een onvruchtbaar dal dicht bij Uw heilig huis (de Kaäba) gevestigd, onze Heer, opdat zij het gebed mogen houden. Stem het hart der mensen gunstig voor hen en voorzie hen van vruchten opdat zij dankbaar mogen zijn.”


22,25. Voorzeker degenen die niet geloven en mensen afhouden van de weg van Allah en van de Heilige Moskee (te Mekka) – die Wij gelijk voor alle mensen hebben aangewezen, hetzij degene die er in (de stad) vertoeft of (de vreemdeling) die van buiten komt – en hij die in de Moskee onrechtvaardig naar goddeloosheid streeft – hem zullen Wij een pijnlijke straf doen ondergaan.

26. En toen Wij Abraham de plaats voor het Huis (de Kaäba) aanwezen zeggende: “Vereenzelvig niets met Mij, en houd Mijn Huis rein voor degenen die de rondgang verrichten en degenen die opstaan (voor gebed) en neerbuigen en zich ter aarde werpen.

27. En verkondig de bedevaart aan de mensen. Zij zullen te voet of op magere kamelen van verre tot u komen.

Bron: https://www.arsfloreat.nl/wp-content/uploads/2024/11/Koran.pdf


Koran en bijbelse bronnen

De schrijver Chaim Noll die een literatuurgeschiedenis over ‘de woestijn als landschap’ geschreven heeft en die onderzocht heeft hoe en op welke wijze de ‘woestijn’ voorkomt in poëzie, proza en religieuze geschriften schrijft het volgende over het ontstaan van de Islam en de Koran:

Die biblische Botschaft war nicht nur erzählter Mythos, sondern ein verlässlicher Text von dauerhafte Wirkung. Auch ein Mann namens Mohammed aus Mekka geriet in ihren Bann. 

Karl-Heinz Ohlig leitet den Namen Mohammed vom arabischen hamada her, salben, erwählen, Substantivierung muhamadun, der Gesalbte, Erwählte. Somit wäre Mohammed nichts anderes ein Synonym für das griechische chrestos. Ohlig vermutet eine arabisierte Form des Beinamens des christlichen Heilands. Nachträglich sei mit der Personifikation dieses Namens ein Prophet der Araber konstruiert worden.1009 

Sicher war schon vor seinem Auftreten in seinem Stamm, den Kuraish, zu einer Gottheit Allah, wortverwandt mit den alten biblischen Gottesnamen al, el oder eloha (aramäisch ela),1010 gebetet worden. Allah hätte allmählich, wie Julius Wellhausen plausibel herleitet, unter den alten Göttern zu dominieren begonnen und wäre ihnen »im sechsten und siebenten Jahrhundert unserer Ära [ … ] völlig über den Kopf gewachsen«.1011

(Pag. 343)

(…)

Allah wurde die erste allgemein gültige, einende Instanz auf der von alters her durch Stammeskriege zerrissenen arabischen Halbinsel und damit Symbol einer – zunächst gedachten – Einheit schlechthin. Sie erwies sich als Rettung für die ausgebluteten, am Rand des Untergangs stehenden Stämme, weshalb das Attribut des »Erbarmens«, das diesem Gott früh beigelegt wurde, aus ihrer Sicht vollkommen glaubwürdig war. Was Mohammed, als er – nach der Überlieferung um das Jahr 610 – öffentlich als Prediger für diesen Gott zu werben begann, neu hinzufügte, war die Ausschliesslichkeit und Bildlosigkeit von Allahs Anbetung, die er dem biblischen Konzept entnahm: 

»Er verkündete, dass es nur einen allmächtigen Gott gäbe, der durch kein Bild darstellbar und der alleinige Schöpfer von Himmel und Erde sei. Er predigte gegen die Götzenkulte, die bis dahin von den meisten Wüstenstämmen praktiziert wurden, und gegen die aus ihnen erwachsende Unmoral, Gier und Rechtlosigkeit [ … ] Er betonte zugleich, dass all dies nichts Neues sei, sondern Glaubensinhalt einer antiken, aus Abrahams Zeiten stammenden Religion«.1015 

Neben der Preisung Allahs und der Vermittlung biblischer Stoffe wandte sich der Prediger, unterstützt von wachsender Anhängerschaft, zugleich gegen die alten Götzen der dshahilija (tijdperk van onwetendheid voor de Islam). Dies geschah mit der üblichen Gewalt. Auch eine friedensstiftende Botschaft liess sich auf der arabischen Halbinsel nur mit einer Methodik des Schreckens durchsetzen, zumal in der besonders blutigen Zeit während des halben Jahrhunderts vor der hidsha, dem Beginn der islamischen Zeitrechnung.

(Pag. 344-345)

(…)

Der Verfasser des Koran behauptet, der Text sei ihm offenbart worden. Das . Motiv der Offenbarung durch einen Engel ist alt und aus anderen Religionen, vor allem aus Juden- und Christentum bekannt. Die Besonderheit der Offenbarung des Koran bestand darin, dass sie nicht mit einem Mal, sondern sukzessive, sozusagen Sure für Sure erfolgt sein soll, was dem Prediger erlaubte, zu verschiedenen Zeiten einander widersprechende Botschaften vorzutragen, etwa den drastischen Wandel von einer »Religion des Friedens« zur späteren »Erlaubnis, sich zu vertheidigen, dann auch anzugreifen, ausgenommen die zwei ersten und zwei letzten Monate des Jahres. Bald nachher gibt es gar keine geheiligte Zeit mehr, und der Krieg muss geführt werden, welche Zeit es auch sey.«1028 Solche Sprünge sind möglich durch die sukzessive Übermittlung, die der Koran behauptet, und seine Struktur als Anthologie von Gedichten, die keinen Anspruch erheben auf logische, zeitliche oder inhaltliche Konsequenz. 

Der Koran ist eine Kompilation aus 114 Gesängen, deren Name sura oder sure auf den ersten Blick Nähe zum aramäisch-hebräischen Wort shira (Lied, Gesang, Gedicht) erkennen lässt. Angelika Neuwirths Rekurs auf das hebräische shura, Reihe oder Zeile,1029 wirkt, da eine Zeile etwas Geschriebenes ist, wie ein Versuch, den Koran ad originem schriftlich fixiert zu verstehen, wofür wenig spricht.1030 

Seine Textstruktur deutet auf oralen Vortrag, poetische Improvisation, erst später schriftlich fixiert. Dieser Eindruck geht von dem widerspruchsvollen inkonsistenten Text so zwingend aus, dass auch Neuwirth eingesteht: “[ … ] the arrangement of the quranic text grosso modo seems to go back to the oral use of the text in the earliest commumty”.1031

(Pag. 348-349)

(…)

Die Wirkung des arabischen Korantexts beruht, wie die aller frühen arabischen Dichtung, vornehmlich auf einer Sprachmusik (»language of music«1032 ), die keine Übersetzung wiederzugeben vermag. »Der Koran lässt sich nicht übersetzen«, fand Marmaduke Pickthall, ein britischer Orientalist, der 1917 zum Islam übertrat und eine eigene Übersetzung der Suren veröffentlichte, die bis heute zu den meist gelesenen in englischer Sprache gehört, ihn selbst jedoch nicht befriedigte: “Doch das Ergebnis ist nicht der Glorreiche Koran, diese unnachahmliche Symphonie, deren Klänge Männer bis zu Tränen, bis zur Ekstase ergreifen.«1033 

Soweit der irrationale Aspekt der Wirkung dieses Textes. Vom Inhalt her bestehen die Suren zum überwiegenden Teil aus der Nacherzählung biblischer Stoffe, unterbrochen durch didaktische Hinweise, Aufrufe zur Andacht, Drohungen, eingestreute arabische Legenden und leitmotivische Anmahnungen der Existenz und lenkenden Allmacht des »Gnadenreichen«, »Mitleidigen«, »Alleinigen« – Gottesattribute, die gleichfalls den mosaischen Büchern entlehnt sind. Nacherzählt, paraphrasiert oder leitmotivisch erwähnt werden – in einer für Bibelkenner oft verblüffenden, willkürlichen Anordnung und Reihenfolge – die Lebenswege biblischer Figuren wie Adam, Jonah, Chanoch, Josef, Abraham, Isaak und Jakob, Noah, in einem summarischen Kapitel Moses und Aron, nochmals Abraham und Noah, David, Salomon, Hiob und Sachariah, in einer eigenen Sure nochmals David, in einer anderen nochmals ausführlich Moses, Lot, Elias und anderen. Auch aus christlichen Quellen übernahm Mohammed auf diese Weise Erzählstoff und Personen wie Jesus, Johannes und Maria. In der Maria gewidmeten Sure gibt es wiederum eine längere Passage über Abraham, Isaak und Jakob, drei Gestalten, die im biblischen Text mit Maria in keiner Verbindung stehen – ein Beispiel für die abrupte Assoziationstechnik des Koran. 

(Pag. 349)

Noten: 

1009 Vgl. Markus Gross/Karl-Heinz Ohlig (Hg.), Die Entstehung einer Weltreligion, Band 1. Von der koranischen Bewegung zum Frühislam, Berlin 2010. 

1010 »The word al, variously translated as >high god< or >yoke<, is the exact equivalent of the two cognate Arabic terms alu and ula [ … ) The same Hebrew word is found in verb form as alah, >to go up<, >to rise in rank or dignity<; it would mean the exact equivalent of the cognate Arabic.« Vgl. Morris S. Seale, Ouran and Bible, Studies in Interpretation and Dialogue, London 1978, p. 45. Auf p. 201 f. kommt der Autor nochmals auf die hebräisch-arabische Sprachäquivalenz zurück. 

1011 Wellhausen, Heidentum (s. Anm. 129) S. 216.

1015 Vgl. J. M. Myers, The Story of the Jewish People, London 1924, Vol. Il, P· 17

1028 Konrad Engelbert Oelsner, Mohamed. Darstellung des Einflusses seiner Glaubenslehre auf die Völker des Mittelalters, Frankfurt am Main 1810, s. 29f . .

1029 Angelika Neuwirth, Sura, in: Jane Dammen McAuliffe (ed.), Encyclopaedia of the Ouran, Leiden/Boston 2006, p. 167. Womöglich im Sinn der Ableitung shurat ha din, »Zeile oder Unie des Rechts«, im übertragenen Sinn: striktes Recht, vgl. Dalman, Aramäisch-Neuhebräisches Wörterbuch (s. Anm. 119), s. 399

1030 Als etymologische Berührung von shira (Gesang) und shura (Linie Zeile) erscheint die stammgleiche Vokabel shir für Saite und Saiteninstrument. Antike Poesie wurde zur Begleitung solcher Instrumente vorgetragen, zugleich wäre die aus langem Pferdehaar gefertigte Saite eine denkbare Metapher für alles schnurgerade sich Reihende, Hinziehende, also auch für Zeile oder Linie. Vgl.  Dalman, Aramäisch-Neuhebräisches Wörterbuch (s. Anm. 119) S. 398f.

1031 Neuwirth, Sura (wie Anm.1029), p. 167.

1032 Arberry, The Koran Interpreted (s. Anm. 170), p. 28. 

1033 The Meaning of the Glorious Koran. An Explanatory Translation, London 1930. Meine deutsche Wiedergabe aus Pickthalls Kommentar, zit. n. Hartmut Bobzin, Was heisst es, den Koran zu übersetzen?, in: Andreas Kablitz/Christoph Markschiess, Heilige Texte. Rellglon und Rationalität, Berlin/Boston 2013, S. 130.

Bron: Noll, Chaim, Die Wüste. Literaturgeschichte einer Urlandschaft des Menschen, Leipzig 2020, (Evangelische Verlagsanstalt)