Horizonten tekenen, ruimte maken voor het leven

Horizonten tekenen, ruimte maken voor het leven

 

Horizonten openen ruimtes voor het leven. De fundamentele ervaring van de overgang van een binnenruimte naar een buitenruimte, die een kind bij de geboorte doormaakt, is hem ingeprent voor de rest van zijn leven: steeds weer wacht een ‘buiten’; nieuwe horizonten, in ruimte en tijd, horizonten van denken en voelen; steeds weer moet je opnieuw geboren worden en een hele wereld voor je ontsluiten. Horizonten maken het leven mogelijk, maar begrenzen het ook; daarin bestaat hun tweeledige karakter. Het Griekse woord horizon zelf betekent ‘grenslijn’; en het trekken van deze grenslijn, het aanbrengen van de horizon is de activiteit die met horizein wordt aangeduid: iets bepalen en vastleggen, een beslissing nemen, maar ook een begrip definiëren. Het gaat om een activiteit van grondvesten, waardoor een domein wordt afgebakend waarbinnen zich iets kan ontwikkelen, en waarbuiten zich iets anders, onbepaalds, bevindt. Boven grenzen uitstijgend verwijst de horizon naar de mogelijke ervaring van grenzeloosheid, maar het lijkt moeilijk daarin werkelijk te leven: begrenzingen zijn onmisbaar om het leven in te richten en vorm te geven: vandaar dat men probeert grenzen te ontdekken, in de moderniteit noodzakelijkerwijs aan de hand van experimenten, omdat bijna geen grens meer dwingend cultureel gegeven is. Voor de levenskunst is het tot stand brengen van een horizon een bewuste daad: net zoals bij de artistieke daad van het schilderen, wordt de horizon aangebracht of slechts aangeduid, en tegen die achtergrond kan het leven zich dan afspelen. Een enkele keuze kan de horizon van het leven openen of sluiten.

Horizonten kunnen van visuele.of imaginaire aard zijn. De horizon van de onmiddellijke omgeving van een plek wordt visueel ervaren, vooral die van een plein dat door gebouwen en bomen wordt omgeven en daarmee is gedefinieerd, zodat individuen zich in die begrensde ruimte prettig kunnen voelen, zonder daarvan de voorwaarden te kennen. Imaginair is de horizon als denkpatroon dat andere dingen ondenkbaar doet lijken, als een betekeniskader dat andere betekenissen uitsluit, maar omwille van de ‘verruiming’ van die horizon toch voor het andere blijft openstaan. Naargelang het ik duidelijkheid krijgt over deze samenhangen, kan de horizon worden gevormd om de ruimtes te vinden waarin het zich kan bewegen: zintuiglijke, structurele, en virtuele ruimtes. Onder zintuiglijke ruimtes vallen onder andere die van de natuur, de cultuur, of de architectuur; reeds aanwezige, of te vormen ruimtes, van biotopen tot biosferen, van de intieme vertrouwdheid met een plaats, een kamer of een huis, een straat of een stad, een streek of een land, tot aan de aantrekkingskracht van de grenzeloze vertes, met al hun vrijheid en verlorenheid. Structurele ruimtes zijn ruimtes die door een onzichtbare hand geopend en gesloten worden: meestal verborgen, bijna nooit openlijk gedefinieerde ruimtes van het mogelijke en onmogelijke, gecreëerd door de ecologische structuren van de natuur, de economische structuren van het geld, de sociale structuren van het samenleven, de hermeneutische structuren van betekenis, maar vooral door   machtsstructuren. Om structurele ruimtes te kennen heeft het ik kennis en intuïtie nodig; de verandering van deze structuren is mogelijk, maar dat kost tijd en kracht, en vereist misschien meer dan één ik. Virtueel zijn de ruimtes van het dromen en wensen, van het aanvoelen en de fantasie, maar ook de ruimtes van de technologie en media die geen reële uitbreiding hebben. Het is essentieel voor het leven om horizonten vol mogelijkheden te ontsluiten, en daarin die ene horizon te vinden, waarbinnen het ik zich kan ontplooien, zonder inbreuk te plegen op de horizon van anderen.

De wereldoriëntatie van het ik in een levenskunst bestaat erin dat het zich in de meest uiteenlopende door horizonten ontsloten ruimtes leert bewegen. De visuele en imaginaire, zintuiglijke, structurele en virtuele horizonten vormen het raamwerk waarbinnen het zijn leven kan inrichten: alles krijgt nabijheid, verte, en verhouding binnen dit raamwerk; zo ontstaat het landschap van het leven. De horizon kan vernauwd of verruimd worden: een vernauwing reduceert de complexiteit, en dat gebeurt door een individuele keuze, waarbij je voor ‘een ding’ kiest en veel andere laat; zo kun je het leven eenvoudig inrichten, waardoor het gevoel van geborgenheid ontstaat, dat echter steeds bedreigd wordt door ervaringen van het andere. De ruime horizon kan veel meer complexiteit omvatten en een buitengewone rijkdom aan leven in zich opnemen; in het leven van het individu kan dat gebeuren door reële of virtuele reizen, of door een overvloed aan ontmoetingen met andere mensen en culturen, wat echter gepaard kan gaan met een verlies aan oriëntering in het woud van de eisen die het leven van alledag stelt. Het leven behoeft zintuiglijk ervaarbare nauwe ruimtes, waarin het zich kan vinden, en een aantal uitgestrekte ruimtes, waarin het zich kan verliezen. Voor het alledaagse leven volstaan de nauwe horizonten, waarachter weer ruimere horizonten ontsloten kunnen worden. Zo draagt het ik zorg voor leefbaarheid, en zo zorgt het er ook voor, dat het zich niet binnen een enge horizon opsluit, die geen transcendentie zou toestaan.

Als het er voor het ik op aankomt zichzelf niet voortijdig te begrenzen, is het van belang dat elke horizon niet alleen een begrenzing, maar tegelijkertijd ook een opening naar het andere is. De verste horizon van zijn leven is hoe dan ook de grens van de dood, die in de loop van het leven steeds meer zichtbaar wordt. Wanneer de temporele horizon steeds smaller wordt en zelfs op het punt staat te verdwijnen, dan kijkt het ik steeds vaker om: als het opgroeiende ik het landschap van zijn leven ooit in onduidelijke contouren en door nevelen omhuld zag, waarin iedere weg zich in duisternis oploste –een beangstigend onzekere, en toch fascinerend open situatie -, dan ziet het ouder wordende ik het landschap van zijn leven duidelijk afgetekend achter zich, en herkent het de wegen die deels met, deels zonder zijn toedoen gebaand werden en die hij met vele duizenden schreden heeft afgelegd. Het ik verbaast zich erover hoe al die wegen, die het aanvankelijk slechts kon vermoeden, met alle veelvuldig vertakte om- en dwaalwegen, die pas in de loop van de tijd opdoemden, uiteindelijk toch een bepaalde richting kregen. Nu pas, vanaf de rand van het leven, is te zien waarheen ze voerden. En toch geldt ook voor deze horizon dat, hoewel hij naar binnen toe een begrenzing vormt, hij naar buiten toe een nieuwe opening wordt. Opnieuw wordt het onvoorstelbare ervaren: dat namelijk de weg aan de horizon verdergaat. De blik wordt daarom niet alleen naar achteren gericht, maar ook naar voren -en stijgt boven het leven uit: dit wordt de kenmerkende ervaring van het ouder worden. 

uit: W. Schmid, Handboek voor de levenskunst, p. 376-378