Ik heb U vaak vermoed wanneer ik aan mijn venster in late avond nog te dromen zat, ‘t was altijd of er ginder bij de mensen, een verre lieve ziel stil met me mede bad.
Ik heb U vaak verwacht, als in mijn ziele-tuinen, de loze woekerplant van doornentwijfel rees. ‘t was altijd of de hand van een die diep geloofde mij sprakeloos, ginder hoog de sterrenhemel wees.
Ik heb U vaak gezocht in radeloze nachten, toen iemand op mijn hoofd zijn trouwe handen lei. Toch kwam bij schemering een stem als uit de hemel, die me voor ‘t slapengaan “Goenacht m’n kindje” zei.
Ik heb u vaak gemist wanneer de bloemen stierven en zo de broosheid van mijn eigen leven ried. Toch is ‘t of één van ver met mij heeft meegezongen de bangste strofe van mijn stervenslied.
Waart gij die lieve stem, waart gij die trouwe handen, waart gij die verre hoop die glom daar onbewust; en voor mijn ziel in storm, die boot die niet kon landen - was goedheid van uw hart mijn lichtje langs de kust?
Ik heb U vaak gezocht en nu ‘k U heb gevonden is ‘t avond in mijn ziel en ‘k ben zo moe, zo moe - En is mijn moeë ziel aan harde strijd gebonden, toch kom ik als een kind naar ‘t kleine lichtje toe.
Ik heb geen kracht genoeg voor blije, lieve klanken, maar aan de Lieve Heer, die alle armoe sust, vraag ik een simpel hart, om u te mogen danken, gij die me brengen wilt ter lang gedroomde rust.