Verborgen

Verborgen

Veel is verborgen. In onze open samenleving lijkt het alsof alles en iedereen meer en meer bekend wordt. We spreken van een open samenleving, de roep om transparantie is groot en hoe verder we voortschrijden in het proces van digitalisering, hoe meer er aan het licht komt en hoe meer er voor heel lang bewaard zal worden. Elke “scheet” die je figuurlijk gesproken openbaar maakt op sociale media, zal je een leven lang blijven achtervolgen. Dat lijkt op een horrorscenario, wat het ook ten dele is, maar er blijft een soort van vrije ruimte die niet zo gauw beschikbaar zal zijn voor de nieuwsgierige ogen en oren van anderen. Dat is het innerlijk, de eigen fantasie, de eigen binnenwereld. Ik vermoed dat het nog een hele tijd zal duren voordat hersenwetenschappers je gedachten bloot kunnen leggen en vasthouden. De fantastische krochten van ons bewustzijn zijn pas nauwelijks verkend en de poëtische impulsen die hiervan uit kunnen gaan en die uitmonden kunnen in gedichten nauwelijks onderzocht. Met gedachten je arm bewegen lukt al aardig en de robotica is hard op weg om dit mogelijk te maken, maar je gedachten bijeen brengen die leiden tot een poëtisch eindresultaat of een kunstwerk, waarbij veel creativiteit en paradoxaal denken wordt gevraagd, is andere koffie. Die vrije ruimte is nauwelijks verkend en zal de komende tijd ook nauwelijks goed te verkennen zijn. Dat is mijn inschatting. Ik vermoed dat lineair denken, het trekken van logische conclusies, het inschakelen van algoritmes op basis van gewoontes niet zal leiden tot het begrijpen van het proces van dichten of filosoferen of creatief iets ontwikkelen. Want in een creatief schuilt een sprong, vaak is het geen logische voortzetting van een patroon maar komt er een nieuw gegeven in het spel dat niet vooraf voorspeld kon worden. Precies dit maakt het verborgen karakter van de toekomst uit. Je weet niet wat er morgen kan gebeuren. Wat uit het donker van de nacht tevoorschijn treedt.

Jan Wagner, een Duitse dichter die onlangs een prestigieuze prijs kreeg voor zijn werk schrijft in het voorwoord van een dichtbundel met de prachtige titel “Die Eulenhasser in den Hallenhäusern” een tekst die ik graag op het einde van dit stukje in zijn geheel weergeef. Het gaat over de verborgenheid, dat wil zeggen de onbekendheid van sommige gedichten en de dichters die ze hebben geschreven. Hoeveel dichters kennen we nog niet, hoeveel dichters en schrijvers zijn er waarvan nog nooit een woord is gepubliceerd maar die misschien nog wachten op ontdekking? Een boeiende vraag, zeker als je bedenkt dat sommigen door toeval, na hun dood, door een oplettende vriend of familielid pas bekend werden. Hetzelfde geldt voor kunstwerken van andere aard. En hoeveel kunstwerken zijn er wel geweest maar hebben de tand des tijds niet doorstaan. Opgevreten door de motten, onder gegaan door weersinvloeden, schimmel, aardbevingen, overstromingen, moedwillige vernietiging en noem de rampen allemaal maar op. Het meeste is er niet meer, zo is mijn inschatting. Misschien is nog 0,01% van alle kunst en alle teksten die ooit zijn geschreven nog aanwezig op aarde. Maar dat is mijn inschatting op geen enkel empirisch feit gebaseerd.

Dus als ik zelf aan het schilderen ben maak ik me geen illusie over de houdbaarheid daarvan, of het werk er na 25 jaar nog zal zijn en of het ooit behouden zal blijven voor het nageslacht. Maar misschien is dat ook niet zo belangrijk in het creatieve proces. Als je voortdurend moet denken aan wat morgen gebeurt kan dat ook verlammend werken net als je nu elke kreet op internet moet controleren of iemand/iets je daarmee niet kan confronteren omdat het niet in het plaatje past. Je bent zoals je bent en in een wereld waar meer en meer vast komt te liggen zal het omgekeerde ook plaatsvinden: een reusachtige devaluatie van betekenis. Alles was betekenisvol lijkt is in het licht van de ontzettende hoeveelheid betekenisloos geworden. Net zoals seks die vroeger in het verborgen plaatsvond, die op ‘vieze’ plaatjes werd getoond aan belangstellenden toen de fotografie werd uitgevonden en die nu via de pornografie wereldwijd wordt verspreid op een digitale wijze, die seks is volslagen betekenisloos geworden en getuigt van de platheid van de actie en het medium dat ze verspreidt. Plat wil in deze zeggen, er niet uit springen, geen enkele extra (en waardevolle) betekenis meer oproepend want het is duizend keer hetzelfde. Omdat het seks is, hangt er nog altijd een waas van geheimzinnigheid rond dit fenomeen en ik vraag me af waardoor dat komt. De seksuele revolutie heeft hier nauwelijks verandering in gebracht. Radicale religieuze groeperingen die vooral de vrouwen weer terug willen plaatsen in hun middeleeuwse kooi van onaanraakbaarheid en ontoonbaarheid maken het alleen maar erger. Is seks bij uitstek het object dat de voornaamste rol speelt in het verborgene? Gaan de meeste fantasieën over seks? Heeft dat biologische wortels? Of is het een cultureel fenomeen en dus vooral op betekenis gebaseerd? Ik ben er niet uit, maar het blijft fascinerend waarom het lichaam in zijn naaktheid en in zijn seksuele uitingen zoveel gedachten oproept en mensen bezig houdt. Misschien is het toch ook een vorm van niet-acceptatie, niet voor de volle honderd procent vrede hebben met je lichamelijkheid. Wel het genot willen maar niet open en bloot ervoor uitkomen, wel het lichaam bezitten en laten opereren in deze wereld, maar niet er open en bloot over communiceren zodat verborgenheid niet aan de orde zou zijn. Waar komt die schaamte vandaan ten aanzien van het lichaam? Zijn de religies schuld met hun onderdrukkende principes? Is het een kwestie van gender omdat de mannen het voor het zeggen hebben omdat ze niet willen dat de concurrent met hun seksbuit ervan door gaat? Patriarchaat en lichaam, matriarchaat en lichaam, het zouden twee interessante onderzoeksgebieden zijn voor antropologen in deze tijd. Dan niet vanuit het verleden alleen maar vooral in de betekenisgeving die heden ten dage aan het licht komt. Volop werk voor semiotici en anderen die eens een keer het lichaam centraal willen stellen en die het thema verborgen en verborgenheid tot focus van hun onderzoek willen maken. Barthes zei het al, achter elk teken verschuilt zich een ander teken, achter het gelaat van het teken gaat een ander teken schuil. Dus waar verwijst het lichaam als teken naar, wat gaat er achter schuil? En als betekenis telkens nieuwe betekenis oproept, dan is die verwijzing eindeloos en kom je nooit tot het eindpunt, wordt de verborgenheid nooit opgeheven. Er is dus hoop voor elke digibeet en voor elke intensieve gebruiker van internet. Elke uiting, elk teken, elke betekenis is er slechts een in die lange keten van betekenissen. Semiose als proces van betekenisgeving is alles wat er is, om Wittgenstein te parafraseren. En dat geldt ook voor het verborgen.

John Hacking

25 juni 2015

Vorwort: Die Verborgenen

Vielleicht ist es nicht ganz falsch, alle Dichter als Verborgene zu bezeichnen. Denn selbst die wenigen unter ihnen, die ihr Tun einen Beruf  zu nennen wagen, weil sie ihre Zeilen in Zeitschriften oder gar In  Büchern gedruckt sehen dürfen, erreichen nur eine so lachhaft geringe Anzahl ihrer Mitmenschen, daß es fast richtiger wäre zu sagen, sie  erreichen überhaupt niemanden. Auch sie üben im Grunde so gut wie unbemerkt ihre zwar alte, aber karg besoldete Kunst aus, weit weg von den Aufregungen und den Schlagzeilen, den hektischen Tagesaktivitäten und dem Wirbel der Märkte, nie erfaßt vom  grellen Scheinwerferlicht. Nicht wenige von ihnen werden sich glücklich schätzen, so gänzlich unbeobachtet, so unbeachtet zu bleiben –  ist doch nichts schädlicher für ein Gedicht als die Hast und nichts seinem Gelingen abträglicher als das lakaienhafte Lauschen auf  Lob und Applaus. Und sie alle, die heute irgendwo ganz in unserer Nähe und in aller Stille ihrem Geschäft nachgehen, das keines ist, sie alle wissen, daß von den Hunderten und Aberhunderten von Dichtem, die ihnen vorangingen in der langen Geschichte der Poesie fast allen erst viele Jahrzehnte nach ihrem ‘rod Anerkennung und  eine bescheidene, wenn auch treue Leserschaft  zuteil wurden, wenn überhaupt.

Nicht zuletzt der Zufall aber hat über Schicksal und Nachruhm selbst der Größten entschieden. Eine Laune nur, ein falscher Entschluß hätten genügt, um auch ihre \\i’erke für immer ins Dunkel zu verbannen, und mit ihnen all die klangvollen Namen, die für uns Heutige gleichbedeutend sind mit der Schönheit, uns Nachgeboren soviel markanter und klarer scheinen als jene letztlich abstrakten Wörter wie Imagination und Poesie, daß ihre bloße Erwähnung im kleinen Kreis der begeisterungsfähigen Leser leuchtende Augen und zustimmendes Nicken erzeugt. Ohne ein paar zufällig erhaltene Zitate in alten Schriften, ohne einige durch pures Glück nichtzerstörte Papyrusstreifen – welchen Klang hätten für unsere Ohren heute die zwei Silben »Sappho«? Wäre die unverheiratete Miss Emily  Dickinson nicht mehr und nicht weniger gewesen als eine sonderbare junge Frau, die mit Vorliebe weiße Kleider trug, sich in ihre Kammer zurückzog und nur äußerst selten von den Nachbarn bei Amherst in Massachusetts gesehen wurde, wenn nicht die erfolgreiche   Schriftstellerin Helen Hunt Jackson auf ihre Verse aufmerksam geworden wäre, wenn nicht Lavinia Dickinson sich nach dem Tod der Schwester um die Publikation der Manuskripte bemüht hätte? Was für ein Verlust wäre es gewesen, wenn Nadeschda Mandelstam Mandelstam nicht das gesamte Werk ihres Mannes auswendig gelernt hätte, um es über die Zeit stalinistischer Verfolgung zu retten. Eine winzige Drehung, und alles verharrt im Schweigen. Ein Schritt, der unterbleibt, eine Tür, die sich nicht öffnet, vielleicht nur ein Regenschauer, ein Knöchelbruch, ein Zug, der ausfallt, eine Uhr, die nachgeht, und alles nimmt eine gänzlich andere Richtung. Und vielleicht wüssten wir ebensowenig von einem blinden Sänger im antiken Griechenland und damit nichts von Helena, Troja und dem hölzernen Pferd; vielleicht wäre das Wort Shakespeare nichts als ein zufälliger und nicht einmal die Lokalhistoriker interessierender Eintrag in irgendeinem schweinsledernen, seit Jahrhunderten nicht mehr aufgeschlagenen Register in der unbedeutenden Kleinstadt Stratford am ebenso unbedeutenden Fluß Avon. Umgekehrt ist es ein Leichtes, sich vorzustellen, was alles noch im Dunkel liegt und seiner Entdeckung harrt, was aus Bescheidenheit in einer Schreibtischschublade verschlossen ist und was über die Jahre vergessen wurde, bloß nicht vom Staub, in einem fleckigen Überseekoffer auf einem lange nicht mehr betretenen Dachboden.

Es müssen wahre Reichtümer sein, die nur auf den richtigen Augenblick warten, um sich uns, ihren möglichen Lesern, zu offenbaren – oder aber diesen Augenblick verpassen und auf ewig unberührt bleiben. Wer weiß schon, wem wir in Zukunft einen Moment wahrhafter Poesie zu verdanken haben werden, die jetzt schon in der Welt sein mag, aber noch nicht enthüllt ist? Einem Lastwagenfahrer aus den kolumbianischen Bergen um Medellin? Einem provenzalischen Winzer? Einer Dorflehrerin in Nigeria?

Uit: Jan Wagner Die Verborgenen

in: Die Eulenhasser in den Hallenhäusern. Drie Verborgene, Berlin 2012 (Hanser), p.11-13

13 jan 2015 utrecht (6)