Woorden ten leven of ten dode…

Macht van het woord

De dood, een allemansvriend. Je laatste vriend, uit zijn omhelzing kun je jezelf niet meer losmaken. Hoe ijdel dan ook al dat trachten, dat grijpen en al dat smachten. Wat is de winst, wat valt er te behalen als de laatste vriend je lippen kust? Je roem, je behaalde overwinningen, al je resultaten, zuchtjes in de wind. Het glijdt van je af als je lichaam daar star en levenloos koud tussen de planken ligt. En al je onderscheidingen op je borst gespeld, een fictief reservoir dat nergens naar verwijst, want voorbij, voorbij, voorbij.

Johannes, de doper, die optreedt bij de Jordaan, schreeuwde de mensen woorden toe: keer om, keer om op je schreden, doe goed en laat gaan al dat willen hebben en willen zijn. Een doopsel tot bekering. Maar sinds de kinderdoop, bij een kind, van geen kwaad zich bewust, is deze metanoia, deze omkeer uit beeld geraakt en is de doop nu een zegel dat garanties zou moeten bieden. Maar waarop? Welk houvast, ook ná de dood? Als een leven uitblinkt in haat en geweld, in hebzucht en wrok, in eindeloos graaien en stelen? Een verloren jeugd, een tekortschieten van ouders, is absoluut geen excuus. Daar koopt het slachtoffer helemaal niets voor. En ook de laatste rechter zal zich hierdoor niet van de wijs laten brengen.


HET TWEEDE DOOPSEL

De sneeuwstorm heeft mijn deur geopend,
zodat de kou het huis beving,
en ik in een nieuw sneeuwen doopvont
het tweede doopsel onderging.

En in een nieuwe wereld leerde.
ik mensen, dingen te verstaan,
en dat gemeenlijk de verkeerden
de brede weg ten hemel gaan.

De liefde moe leef ik verbitterd
in dit steeds kouder. wordend land.
Op mijn bevroren voorhoofd schittert
een sneeuwvlok als een diamant.

De trots van een opnieuw gèdoopte
veranderde mijn hart in ijs.
Waar wou je nog dat ik op hoopte?
Wat maak je mij voor lente wijs?

Kijk toch hoe blij ik ben van binnen,
sinds sneeuw de hemel voor mij sloot!
Geen lente hoeft meer te beginnen:
het derde doopsel is de dood.

Aleksander Blok

Vertaling J.P. Rawie


Zal er na dit derde doopsel nog een vierde komen? De vuurdoop, een doop in vuur, met vuur, doorheen het vuur , vlammend vuur dat niet zal doven, zoals de profeet Jesaja voorspelt:“Jullie zijn zwanger van dor gras, en wat jullie baren is kaf; jullie geest is een vuur dat jullie zelf verteren zal.”(Jes 33.11).
En leiden zal dit leven van dor gras, van dood en verderf, tot dit oordeel: “Bij het verlaten van de stad zien ze de lijken van hen die tegen Mij in opstand kwamen: de worm die aan hen knaagt zal niet sterven, en het vuur waarin ze branden zal niet doven; ze worden verafschuwd door alles wat leeft.” (Jes 66,24) Of in de oorspronkelijke taal, het Hebreeuws, uitgedrukt:
וְיָצְא֣וּ וְרָא֔וּ בְּפִגְרֵי֙ הָאֲנָשִׁ֔ים הַפֹּשְׁעִ֖ים בִּ֑י כִּ֣י תוֹלַעְתָּ֞ם לֹ֣א תָמ֗וּת וְאִשָּׁם֙ לֹ֣א תִכְבֶּ֔ה וְהָי֥וּ דֵרָא֖וֹן לְכָל־בָּשָֽׂר׃. Vuur en worm staan vetgedrukt in de tekst.
De evangelist Markus grijpt op deze woorden terug als hij schrijft: “En als je oog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit: je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de Gehenna geworpen worden, waar de wormen blijven knagen en het vuur niet dooft.” (Mark 9,47-48). Zoals in het Grieks staat: καὶ ἐὰν ὁ ὀφθαλμός σου σκανδαλίζῃ σε, ἔκβαλε αὐτόν· καλόν σοι ἐστὶ μονόφθαλμον εἰσελθεῖν εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ Θεοῦ, ἢ δύο ὀφθαλμοὺς ἔχοντα βληθῆναι εἰς τὴν γέενναν τοῦ πυρός, ὅπου ὁ σκώληξ αὐτῶν οὐ τελευτᾷ, καὶ τὸ πῦρ οὐ σβέννυται.
De worm תוֹלַעְתָּ֞ם / תּוֹלָע (in Jesaja 66,24) (Hebr.) σκώληξ (Gr.) heeft nooit genoeg. Net als zijn slachtoffer dat tijdens zijn leven nooit genoeg kreeg, wordt nu de veroordeelde moordenaar, de tiran, dictator, de hebzuchtige en machtsgeile leider, de uitvoerder van zijn bevelen, tot voedsel voor de worm.
Het vuur וְאִשָּׁם֙(Hebr.) / πῦρ(Gr.) dooft niet. De worm zal niet stoppen..


De Russische dichter Aleksander Blok heeft het meegemaakt: de verloren illusies, de teleurstellingen, de idealen die niet waar werden, een voorgespiegelde toekomst die een leugen bleek: de rijken die alleen maar rijker werden en hebzuchtiger, de armen alleen maar armer en hongeriger, de corruptie die het leven bepaalt en de hebzucht en machtswellust die uiteindelijk tot oorlog leidt. Oorlogen die eigenlijk nooit gewonnen kunnen worden want de verliezen worden nooit meer gecompenseerd. En, ze brengen de hel op aarde, een wereld van zwavel en vuur.

De weg staat niemand meer voor ogen
geboren in een doffe tijd.
Wij – Ruslands wreedste eeuw onttogen
wij kennen geen vergetelheid.·

De jaren die tot as vergaan zijn!
In waanzin soms, in hoop verdaan?
Een bloedrood schijnsel kleeft ons aanschijn
sinds oorlog en bevrijding aan.

Wij zijn verstomd- een noodsirene
snoert allen met geloei de mond.
Waar elke geestdrift is verdwenen
ligt leegte slechts op ’s harten grond.

En gaan ook·krijsend zwermen kauwen
boven ons doods bed straks tekeer, –
Uw Rijk, Heer, mogen zij aanschouwen
die waardiger dan wij zijn, Heer.

Aleksander Blok

Vertaling J.P. Rawie


Daarom! Daarom verdoemd zijn ze, de oorlogshitsers, de opdrachtgevers in hun paleizen en regeringsgebouwen, de moordenaars, de velen met bloed aan hun handen, die onschuldige kinderen afslachten met bombardementen en soms met doelgericht vuur. Op 29 januari 2024 wordt Hind Rami Iyad Rajab ( هند رامي إياد رجب;) moedwillig samen met haar familie door Israelische soldaten in een tank vermoord. De auto waarmee ze op de vlucht zijn uit Gaza, doorzeefd met kogels. Het meisje, vijf jaar oud, overleeft het eerst salvo. De geluidsopnames zijn vastgelegd. Maar hulpdiensten kunnen haar niet redden en als ze eindelijk wordt gevonden is ook zij doorzeefd. (https://en.wikipedia.org/wiki/Killing_of_Hind_Rajab).


VERDRIET

In één enkele nacht is uit mijn borst
ontkiemd, omhooggeschoten, groot
gegroeid de boom verdriet.
Mijn botten heeft hij opzij geduwd,
mijn vlees verscheurd, tot mijn hoofd toe
is zijn hoogste loot gestegen.

Over mijn schouders, over mijn rug
heeft hij lover en takken geschoten.
Binnen drie dagen was ik bedolven,
vervulde hij mij als mijn bloed.
Waar voelen ze nu aan mij om?
Waar heb ik een arm om te reiken
die niet een arm van verdriet is?

Ik ben, als de wolken rook,
geen vlam meer, geen gloeiende kolen.
Deze spiraal, dat ben ik, deze liane,
deze warreling dichte rook.

De mensen die bij mij komen,
zij noemen me nog bij mijn naam,
zij zien nog wel mijn gezicht,
maar ik, verdrinkend, ik zie mijzelf
als een boom verteerd en rokend,
nachtdonker, uitgebrande kolen,
dichte jeneverboom, leugencypres,
voor de ogen vast, aan de vingers vervlogen.

In één, één nacht heeft mijn verdriet
het labyrint van mijn lichaam vervuld,
ben ik in walm bedolven,
nacht en rook, verdriet genaamd,
die mij omwikkelt, die mij blind maakt.

Mijn laatste boom staat niet in de aarde,
geen boom uit zaad, van hout is hij.
niet geplant, niet besproeid met water.
Ikzelf ben mijn cipres,
mijn schaduw en mijn omtrek,
mijn lijkwa zonder naden,
mijn slaap, langs de wegen gaande,
boom van rook, en de ogen open.

In de tijd van één nacht
is mijn zon verzonken, verlopen mijn dag,
is mijn vlees een rookwolk geworden
waar een kind met de hand doorheensnijdt.

De kleur verschoot uit mijn kleren,
het wit, het blauw vluchtten heen,
ik vond mijzelf in de ochtend
als een pijnboom van smeulwalm weer.

Een pijnboom van rook zien de mensen lopen,
ze horen mij praten achter mijn rook
en zwaar zal het hun gaan worden
mij lief te hebben,
te eten, te wonen
beneden die duistere driehoek,
die een drogbeeld is, aan het kruis geslagen,
die geen hars meer geeft,
die wortels meer heeft noch knoppen.
Eén kleur door alle seizoenen,
één enkele flank van rook,
en nooit meer een pijnappeltros
om het vuur te stoken
om het maal te bereiden en het geluk.

Gabriela Mistral

Vertaling Gerard Wijdeveld


Klamp je vast aan de woorden, zoek verontschuldigingen in verdragen, in afspraken, in heilige teksten, ze zullen je niet helpen om te verdoezelen de daden die je begaat. Daden die je nalaat, mensen redden, mensen helpen, mensen laten verdrinken, die op de vlucht zijn naar een beter leven. Doe of je neus bloedt, je van niets weet, het is niet jouw pakkie an…
De doden spreken, hun bloed schreeuwt uit de aarde en Kaïn zal moeten vluchten, verdoemd, getekend, voor eeuwig een zwerver. ‘Nekome’, wraak, is wat de gedachten nu kleurt van hen die achterbleven, nog in leven. Zoals alle slachtoffers van hebzucht, oorlog en geweld. De doden, ze komen niet terug. Hun beenderen vergaan tot stof, as die verwaait, die nooit meer wederkeert. Nooit meer, nooit meer, nooit meer. En spoedig ben ook jij een nooit meer…nergens meer gezien, nooit meer gehoord, gevoeld, gekend.


A LA MUERTE

A Alfonsina Storni

                I

Muerte,
fatal término, ausencia por siempre.
Sólo el campo yermo que nos recibe,
de su tierra, nuevo abono.

Nunca más la fragancia de la brizna de hierba
ni el arder de encendidos leños;
tampoco la fina llovizna de la ola rompiente
en el rostro de frescura ávido.

                II

«Era nuestra madre», dirán después los hijos
con ternura en los ojos.
El dolor de la ausencia, olvidados objetos
mañana joyas auténticas.
«Ella decía…», repetirán las frases
antes molestas
a causa de desgano
o ansias de silencio
o sueños de libertad.
Sílabas musicales enhebrarán palabras en recuerdos imperiosos,
desesperación de volver a vivir en el tiempo…
Tarda respuesta a un canto de amor.
«¿Recuerdas aquel gesto?
»¿Y su sonrisa triste?
»¿Y su pensamiento fijo en nosotros?
»¿Sus manos, suavidad de alas rozando nuestros rostros?
»¿El paso quedo junto a nuestro lecho en la alta noche
y el murmullo de plegaria para encomendarnos a Dios?»

                III

Poco a poco el ausente
más lejos cada vez en el recuerdo
—que alguien siempre lo reemplaza—;
sus cosas van perdiendo la fragancia que de él se desprendía,
impregnándolas;
la manera de inclinarlas no es la misma
y en el tiempo
va cambiándoselas de sitio.
Cada día su nombre acude menos al labio.
Las lágrimas en manantial ya no brotan;
tan sólo de a una
que se enjuga furtiva.
Hasta que todas secan
agotada la fuente de dolor.
Un velo cubre entonces la imagen en la retina,
la maleza oculta la antes nítida figura en todo paisaje,
visten los ambientes colores de seres distintos
que distraen,
va el alma tras vivencias nuevas.
Y un día
se llora el olvido.

(Tú, Muerte tan temida,
sólo eres un pretexto:
el olvido es más cruel que tu guadaña).

Marilina Rébora


AAN DE DOOD

Aan Alfonsina Storni

I

Dood,
fataal einde, eeuwige afwezigheid.

Alleen het dorre veld dat ons ontvangt,
uit zijn aarde, nieuwe meststof.

Nooit meer de geur van een grassprietje
noch het branden van gloeiende houtblokken;

noch de fijne mist van de brekende golf
op het gezicht dat verlangt naar frisheid.

II

“Zij was onze moeder,” zullen de kinderen later zeggen
met tederheid in hun ogen.
De pijn van afwezigheid, vergeten voorwerpen,
morgen authentieke juwelen.
“Ze zei altijd…” zullen ze de zinnen herhalen
ooit hinderlijk
vanwege vermoeidheid
of verlangen naar stilte
of dromen van vrijheid.

Muzikale lettergrepen zullen woorden aaneenrijgen tot gebiedende herinneringen,
wanhoop aan het herbeleven van die tijd…
Een laat antwoord op een liefdeslied.

Herinner je je dat gebaar nog?
En zijn droevige glimlach?
En zijn gedachten die op ons gericht waren?
Zijn handen, zacht als vleugels, die onze gezichten streelden?
Zijn stille voetstappen naast ons bed in het holst van de nacht
en het gemompel van een gebed om ons aan God toe te vertrouwen?

III

Langzaam maar zeker vervaagt de afwezige
steeds verder in de herinnering
—want er komt altijd wel iemand in zijn plaats—;
zijn bezittingen verliezen de geur die ooit van hem uitging en
ze doordrong;
de manier waarop hij ze neerlegt is niet meer hetzelfde
en na verloop van tijd
verplaatst hij ze.

Elke dag komt zijn naam minder aan mijn lippen.
De tranen stromen niet meer als een bron;
slechts één enkele
wordt heimelijk weggeveegd.

Tot ze allemaal opdrogen, de bron van verdriet uitgeput.

Een sluier bedekt dan het beeld op het netvlies,
het struikgewas verbergt de ooit heldere figuur in elk landschap,
de omgeving is gekleed in de kleuren van verschillende wezens
die afleiden,
de ziel gaat op zoek naar nieuwe ervaringen.

En op een dag
huilt men om de vergetelheid.
(Jij, zo gevreesde Dood,
jij bent slechts een voorwendsel:
de vergetelheid is wreder dan je zeis).

Marilina Rébora


Nooit meer…..

John Hacking
21 januari 2026

Nieuwe gedichten rond dood, verdriet, afscheid en rouw op:
https://levenshorizonten.com/het-nemen-van-afscheid-van-een-dierbare/rouw/gedichten-rond-de-dood-9/ t/m 12


Dank je wel voor je reactie - Thanks a lot for reacting