Dauwdruppelbestaan


Wat maakt jouw leven de moeite waard? Een politieke overwinning, succes in je werk of de prestaties die moet leveren op het terrein van sport bijvoorbeeld, etc? Maar als je dan hebt gewonnen, bereikt wat je wilde bereiken, wat dan? Nieuwe doelen, nieuwe prestaties? En, hoe vaak, hoe lang, tot aan welke grens? Je lichaam zal je dicteren wanneer het is afgelopen met je streven. De dood maakt er definitief een einde aan.
In het Boeddhisme is net als in andere religies de dood niet het einde. Hij is hoogstens een grens, een doorgang, een poort naar een nieuwe situatie. In “De val van de Taira”, een epos uit de veertiende eeuw over twee machtige samoerai families die strijden om de heerschappij in de twaalfde eeuw in Japan wordt dit in vele vormen beeldend beschreven. Als een van de helden Koremori wil sterven door de verdrinkingsdood en het hem zwaar valt om de stap te zetten, omdat hij teveel gehechts is aan de wereld en zijn relaties, wordt hij bij wijze van troost toegesproken door een monnik.

Hij hield op met bidden, liet zijn handen zakken en zei tegen de vrome monnik die met hem was meegekomen: ‘Ach, een mens zou geen vrouw of kinderen mogen hebben! Op deze wereld baren ze je alleen maar zorgen, en tot overmaat van ramp vormen ze een belemmering voor je wedergeboorte in een staat van verlichting. Zelfs nu kan ik ze maar niet uit mijn hoofd zetten. Ik heb me laten vertellen dat dergelijke gedachten erg zondig zijn, en hierbij beken ik.’
De vrome monnik had met Koremori te doen maar vond dat hij zich niet van zijn zwakke kant mocht tonen. Hij wiste zijn tranen dus weg en zei op onbewogen toon:
‘Uw gevoelens verbazen me niets. We staan allemaal machteloos tegenover de liefde – hoog en laag. En de banden uit voorbije levens gaan diep: wanneer man en vrouw één nacht het hoofdkussen delen, zo zegt men, heeft het vijfhonderd levens geduurd om die band tot stand te brengen. Alwie geboren wordt zal sterven, en alwie elkaar ontmoet zal gescheiden worden, zo zit de vlietende wereld nu eenmaal in elkaar. “De ene dauwdruppel valt van de bladrand, de andere vlak bij de wortel” – met andere woorden: scheiden moeten we allemaal, vroeg of laat. (…) … en ook de meest verheven bodhisattva’s zijn onderworpen aan de wet van leven en dood. Zelfs indien u kon bogen op alle geneugten van een lang leven, ontkwam u niet aan dit ene verdriet. Al werd u honderd, u zou ten prooi vallen aan hetzelfde leed. De koning der duivels uit de zesde hemel – die vijand van de Leer die heerst over de zes hemels in het rijk der begeerten – kan niet verkroppen dat de inwoners van zijn rijk ontsnappen aan de kringloop van dood en leven. Nu eens neemt hij de gedaante aan van een vrouw, dan weer van een man, en zo zit hij hun bevrijding in de weg. De boeddha’s van de drie werelden, die alle levende wezens als hun kinderen beschouwen en hen aansporen om het Reine Land te bereiken, waaruit geen terugkeer mogelijk is, waarschuwen ons ten strengste voor vrouwen en kinderen, want die kluisteren ons al vanaf het begin der tijden aan het wiel der wedergeboorte.
Zorg dus dat u de moed niet verliest. Kijk naar Yoriyoshi, de voorvader van de Minamoto. Twaalf jaar had hij nodig om op keizerlijk bevel Sadatō en Munetō te verslaan – die barbaren uit het noorden – en binnen die periode onthoofdde hij zestienduizend man en doodde ontelbare dieren uit de velden en bergen, en ontelbare vissen uit de rivieren. Maar omdat hij aan het eind van zijn leven een vurig geloof koesterde, bereikte hij zijn doel en werd hij herboren in Amida’s paradijs.

Maar het voornaamste is wel de enorme verdienste die een mens verwerft door monnik te worden. U mag ervan uitgaan dat al uw zonden uit vorige levens zijn uitgewist. Zelfs wie een pagode bouwt uit de zeven edele gesteenten, die reikt tot aan de hemel van de drieëndertig goden, verkrijgt minder verdienste dan een monnik op één dag. Ook staat er geschreven dat één dag kloosterleven meer waard is dan honderd of zelfs duizend jaar offerandes aan de Honderd Arhats (= verlichte gezellen van Boeddha). Hoe groot Yoriyoshi’s zonden ook waren, hij dankte zijn wedergeboorte in het paradijs aan zijn krachtige geloof. Waarom zou u niet hetzelfde bereiken? U hebt toch geen noemenswaardige zonden begaan!

Bovendien is de godheid van het Kumano-gebergte een openbaring van niemand minder dan Amida, wiens geloften stuk voor stuk gericht zijn op de redding van al wat leeft – van de eerste gelofte (“De Drie Slechte Paden worden afgeschaft”) tot de laatste (“De bodhisattvàs zullen een drievoudige verlichting ondergaan”). Amida’s achttiende gelofte zegt: “Wanneer ik een boeddha word, wijs ik de staat van verlichting af, tenzij alle levende wezens die zich vol vreugde op mijn gelofte verlaten, die verlangen naar wedergeboorte in het Reine Land en mijn naam tienmaal aanroepen, hun wedergeboorte bereiken.” Tien aanroepingen zijn voldoende; zelfs één enkele volstaat. Al wat u nodig hebt is een diep geloof, zonder ook maar een greintje twijfel. Indien u in oprecht vertrouwen de Heilige Naam aanroept – één keer of tien – zal Amida zijn onvoorstelbare grootsheid reduceren tot een gestalte van zestien voet, en uit de oostpoort van zijn paradijs zal hij tevoorschijn komen om u te verwelkomen, omringd door de bodhisattva’s Kannon en Seishi, door een oneindig grote hemelse schare, en door vele honderden of zelfs duizenden boeddha’s en bodhisattva’s in tijdelijke gedaante, volop zingend en musicerend. U zult de indruk hebben dat uw lichaam naar de blauwe zeebodem zinkt, maar in feite zult u plaatsnemen op een purperen wolk. Zodra u een boeddha bent geworden, in een staat van verlichting verkeert en vrij bent van alle wereldse beslommeringen, kunt u naar uw aardse thuis terugkeren om uw vrouw en kinderen de weg te wijzen; u hoeft er niet aan te twijfelen dat ook u “deze bezoedelde wereld zult aandoen om mensen en bovennatuurlijke wezens te redden”.’

Zo moedigde hij Koremori aan en hij liet zijn belletje rinkelen. Koremori twijfelde er niet aan dat de monnik het bij het rechte eind had. Hij liet alle dwaalgedachten aanstonds varen, keerde zich naar het westen, vouwde zijn handen en riep Amida met luide stem honderdmaal aan. Na de laatste ‘Wees gegroet!’ verdween hij in de golven. Shigekage en Ishidōmaru lieten hun gebed al even vurig weerklinken en sprongen hem achterna.


De vrome monnik kan het natuurlijk niet nalaten de verdienste van het monnik-zijn, al is het maar één dag, de hemel in te prijzen. Zijn woorden halen de held over de streep en hij plus zijn dienaren verkiezen de dood in het water buiten het leven op aarde, een leven dat, omdat de tegenstander gewonnen heeft, niet veel goeds meer voorspelt.
Veel gevallen helden komen van een bestaan in weelde terecht in het dauwdruppelbestaan; ze moeten zich in leven proberen te houden in de wildernis en op het platteland. Alle luxe, alle paleizen, alle bezit in weelde, is voorgoed voorbij. Wat eeuwig leek is opeens voorbij zoals een ander citaat van een monnik stelt:

Zelfs de geneugten van de volmaakte contemplatie in Brahma’s paleis blijven niet duren, als je er even bij stilstaat en dat geldt des te meer voor dit ondermaanse. Dat nog het meest wegheeft van een bliksemflits, of van de ochtenddauw. In de Hemel van de Drieëndertig Goden duurt het leven miljarden jaren maar toch vervliegt het als een droom; uw drieëndertig levensjaren duurden slechts een uur. Wie heeft ooit geproefd van een elixer dat onsterfelijkheid schenkt, of eeuwige jeugd? Wie is er zo oud geworden als Dongfang Shuo of de Koningin-moeder van het Westen? De eerste keizer van de Qin was trots als geen ander maar eindigde zijn dagen in een graftombe in het Li-gebergte; keizer Wu van de Han snakte naar het eeuwige leven, maar na zijn dood rotte hij weg en voedde zo het mos in Duling. “Al wat leeft gaat ten onder,” staat er geschreven, “zelfs de boeddha Sakyamuni ontkwam niet aan de rook van sandelhout die van zijn brandstapel opsteeg. Op geneugte volgt verdriet; vroeg of laat ontwaren zelfs hemelbewoners de vijf tekenen van verval.” Vandaar dat de Boeddha ons leert dat de menselijke geest ledig is, en dat zonde en voorspoed niets om het lijf hebben. “Kijk in je eigen geest, en je zult vaststellen dat die niet bestaat. Voor leerstellingen is er in de Leer geen plaats.” Wie inziet dat goed en kwaad allebei ledig zijn, denkt helemaal in de geest van de Boeddha. Hoe is het dan mogelijk dat de boeddha Amida vijf eonen in diepe gedachten verzonken heeft gezeten, waarna hij zijn niet te evenaren gelofte heeft gedaan, terwijl wij in onze dwaasheid ontelbare keren met het wiel der wedergeboorte meedraaien?


In het epos worden de gedachten van de spelers ook genoteerd in de vorm van gedichten – woorden uit eigen naam – of verwijzend naar veel oudere gedichten uit die tijd. Ook wonderbaarlijke gebeurtenissen worden vermeld en fictie en werkelijkheid lopen soms door elkaar heen – als je met moderne westerse ogen naar deze tekst kijkt.
Belangrijk en troostrijk kan de gedachte zijn dat er redding mogelijk is: een groot geloof verzet bergen. Idem als het mosterdzaadje in de bijbel…

In ons aardse bestaan, getekend door hoogte en dieptepunten, door grote liefde en grote gewelddadigheden, door opoffering en door grenzeloos egoïsme, machtswellust en hebzucht, wachten velen op verlossing: een messias, een redder uit de nood. In het epos wordt deze verlosser de Maitreya (Miroku bosatu) genoemd, de ‘Boeddha van de toekomst’. Hij zal op aarde verschijnen als de leer van de historische Boeddha volkomen vergeten is, zo de voetnoot. De tekst zegt over deze komst, vooral interessant voor de ongeduldigen en hen voor wie de verlossing niet snel genoeg kan komen:

Op de eenentwintigste van de derde maand van het tweede jaar van Shōwa,[835] tijdens het eerste kwartier van het uur van de Tijger, verzonk Kōbō Daishi (=volgens de overlevering de stichter van de Shingon-sekte) in diepe meditatie. Sindsdien is er meer dan driehonderd jaar verstreken, en de ochtend van Maitreya’s komst ligt nog vijf miljard zeshonderdzeventig miljoen jaar van ons af – het wachten zal lang duren.


Een zekere ironie spreekt hieruit met betrekking tot het wachten. Frappant vind ik ook het noemen van het getal vijf miljard zeshonderdzeventig miljoen jaar… (Dat hebben ze snel uitgerekend.) Maar ik zou hier de volgende boodschap uit willen halen: de messias, de verlosser, de Maitreya komt niet in onze dagen en de komende tijd ook niet. We zijn dus helemaal op onszelf gesteld. Politici die graag de rol van reddende messias willen spelen zijn zonder meer oplichters. Ze verkopen knollen voor citroenen en erger. Hun boodschap is er een van onheil want ze meten zich een rol aan die ze nooit kunnen vervullen en de ‘gelovigen’ die hun woorden voor zoete koek aannemen komen van een koude kermis thuis. Verdiend, kun je zeggen want zij zijn wel heel erg dom. Hun karma en hun denken en handelen zal hen niet verder brengen en de helleweg in het Bardol na hun dood ligt wijd voor hen open, samen met hun leiders.



Tijdens de laatste uitzending van zomergasten afgelopen zondag, met Pierre Bokma als gast, werd een fragment getoond waarin Godfried Bomans zijn broer in het trappistenklooster van Zundert ontmoet. In het gesprek zegt Bomans terloops dat het de verantwoordelijkheid van de mens is om het bewustzijn te vergroten. Maar wat is dit ‘bewustzijn’? En word je daar blij van als mens als je dit vergroot? Of anders uitgedrukt, is het zinnig om het ‘bewustzijn’ te vergroten? Ik vermoed dat we niet zoveel kunnen met een abstract begrip van ‘bewustzijn’ en dat we het altijd moeten koppelen aan een situatie, handeling, gedachte, toestand, opdat we deze concreet kunnen beschouwen, en er betekenis aan kunnen ontlenen. Want zo vermoed ik, in onze taal, is bewustzijn gekoppeld aan betekenis en aan betekenisverlening. En dat altijd achteraf. Eerst ervaren, dan een pas op de plaats, via reflectie en dan verwoorden van het gevondene, het ervarene. Plus een conclusie of een waardering ervan achteraf.
Ik moest daarbij later denken aan het Griekse begrippen aporie (ἀ-πορἰα: gebrek aan uitwegen, ongebaandheid, verlegenheid, moedeloosheid, hulpeloosheid, hulpeloze toestand, nood) en aan het begrip paradox (παρα-δοχα: tegen de verwachting). Beide begrippen maken iets zichtbaar van de onhandelbaarheid van de werkelijkheid, de onmogelijkheid om die naar je hand te zetten, hoe graag je ook zou willen. Aporie en paradox wijzen ons een uitweg in onze moeilijke zoektocht naar betekenis in een weerbarstige werkelijkheid: namelijk accepteren dat relativiteit, kortstondigheid, beperktheid en vergankelijkheid deel vormen van ons leven.



Als een voormalig Amerikaanse president met Project 2025 (geschreven o.a. door de conservatieve Heritage foundation) een nieuwe ‘wereldorde’ wil scheppen in de VS, (waarin hij wraak kan gaan nemen), nadat hij verkozen is als president in november ,(dat hoopt hij), dan heeft hij niet begrepen dat er geen terugkeer is naar het verleden waarin een witte meerderheid het voor het zeggen had en waarin conservatieve familie-idealen (de vrouw als huisslaaf en minder dan de man) de norm waren. Dat is geen terug naar de wortels van (een zogenaamd christelijke) beschaving, geen bezinning op humane algemeen menselijke waarden, maar een terugval in een autoritair onmenselijk regime waarin anders-denkenden veroordeeld zijn tot zwijgen. Republikeinse ayatollah’s in het Witte Huis en in de maatschappij waar ze alles naar hun hand willen zetten. Wat een hoogmoed, wat een blindheid en wat een domheid: bewustzijnsbeperking in optima forma.
Hoe oppervlakkig dit denken en handelen is laat ook de commotie zien rond een tableau bij de opening van de olympische spelen. Sinds wanneer heeft een verzonnen plaatje van Leonardo da Vinci (het zogenaamde laatste avondmaal) heiligen status? Het blijft een verzonnen beeld, niets meer en niets minder, hoe goed ook geschilderd. De verwijzing ernaar door de critici, zag (welbewust) over het hoofd dat niet de ‘Verlosser’ in het midden zat, maar Dionysius, god van de wijn. Als er maar ophef is, rumoer, gedoe, allemaal bewustzijnsvernauwing.


Ik geloof niet in politici die de hemel op aarde beloven. Ik geloof niet in politici die het armoede vraagstuk niet serieus nemen en aanpakken, ik geloof niet in politici die het land en de mensen beter willen maken zonder de realiteit onder ogen te zien: namelijk dat alles met alles samenhangt en iedereen met iedereen verbonden is. De wijziging in het ene segment heeft effect op de hele rest, een miskenning van een mens heeft gevolgen voor de relatie met anderen. Positieve inzet, goedheid, liefde, overstijgt elke grens en elke beperking…Zo groeit ook bewustzijn, licht in de duisternis van de haat en de egoïstische fictie op een ‘autonoom’ zelf dat zich van niets en niemands iets hoeft aan te trekken. De dood maakt geen onderscheid. Soms komt deze, vind ik, voor sommigen veel en veel te laat. Een aporie. Helaas. Ze hebben dan al al te veel onheil aangericht waarvan mens en natuur de rekening moeten betalen…Weer een miljoen of misschien wel miljard jaar langer wachten op verlossing…


John Hacking
30 augustus 2024

bron: De val van de Taira. Vertaald uit het Japans en toegelicht door Jos Vos, Amsterdam 2022, (Athenaeum, Polak & Van Gennep)



Een gedachte over “Dauwdruppelbestaan

  1. Pelgrimeren ervaar ik als ‘zijn’ in de schepping ten volle: ontdekken; ontmoeten en ont moeten, naast vrijheid en optimaal genieten als levensgenieter van het Elfde Gebod: Gij zult genieten!

    Like

Reacties zijn gesloten.