Zending en oogsten

zending

Gelezen: Jesaja 66,10-14 Lucas 10,1-20

Het is niet de eerste keer dat Jezus zijn leerlingen uitzendt. Een poos daarvoor roept hij de twaalf bijeen en geeft hun macht én gezag over alle demonen, en macht om ziekten te genezen. Hij zendt hen uit om het koningschap van God te prediken. En om te helen. En zij mogen niets meenemen, zelfs geen twee hemden. Dat zal wel lekker gestonken hebben, denk ik dan, als je bedenkt hoe warm het kan zijn en als je weet hoe wij zelf op vakantie gaan, soms met koffers vol kleren en een toilettas met lekkere geurtjes.  Maar dit terzijde. Ik ben geneigd om me letterlijk voor te stellen  hoe het moet zijn geweest en hoe het moet hebben gevoeld.

De uitzending van de 12 en nu van de 72 leerlingen is géén vakantiereisje, géén pleziertochtje. Ze krijgen een specifieke opdracht mee: twee aan twee gaan ze naar steden en plaatsen waar Jezus naar toe wil gaan. Ze zijn dus als het ware een soort van verspieders, vooruittrekkende bodes, aankondigers van heil dat staat te gebeuren. Maar de reis is niet zonder gevaar. Jezus zegt: Ga op weg, en bedenk wel: ik zend jullie als lammeren onder de wolven. Neem geen geldbuidel, geen reistas en geen sandalen mee, en groet onderweg niemand. Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!” Als er een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal die vrede bij je erugkeren. Christendom is dus niks voor watjes!

“A mission from God” zou je kunnen zeggen, maar dan wel een heel typische. Geen colporteren langs deuren met de Wachttoren zoals de Jehova’s doen. Eten wat je wordt voorgezet want je bent je loon  waard als apostel van God. En tegen de mensen die hiervan getuige zijn, die je hartelijk ontvangen, wiens zieken je geneest of wiens demonen je uitdrijft wordt gezegd: Het koningschap van God is u genaderd. Dat laatste is ook de motivatie voor deze actie: Het Rijk Gods is in aantocht. De urgentie, de beslistheid waarmee Jezus zelf optreedt, rondtrekt, als een rusteloze zwerver het land doorkruist, dient de leerlingen tot voorbeeld.

Jezus als rondtrekkend genezer, demonen uitdrijver roept weerstand op. Veel weerstand – vooral van de schriftgeleerden en Farizeeërs. Als je het evangelie van Lucas helemaal leest is het een verzameling van genezingen en van strijdgesprekken, van demonen uitdrijvingen en ruzies met de heersende klasse op religieus gebied. Het volk vindt het prachtig. Zij zijn enthousiast. Kijk maar wat er gebeurt zegt Jezus als leerlingen van Johannes navraag doen wie hij is: Gaat heen en verkondigt aan Johannes wat ge ziet en hoort: Blinden gaan weer zien, lammen wandelen rond, en melaatsen worden rein, doven horen, doden ontwaken en aan de armen wordt goede tijding aangekondigd; zalig is hij die niet struikelt over mij!

Zalig is hij die niet struikelt over mij, en tegen zijn moeder en zussen en broers laat Jezus zeggen: Mijn moeder en mijn zusters en broeders, dat zijn zij die het woord van God horen én doen!Niet struikelen, en horen en doen van het woord Gods! Dat is in het kort waar het op neer komt in relatie tot Jezus – Jezus als volbrenger, uitvoerder van het woord Gods. Al zijn daden staan in het teken hiervan – zij zijn het vleesgeworden bewijs voor het krachtige werken van het woord Gods in de gestalte van Jezus. En ook voor de uitgezonden leerlingen geldt vanaf nu: Wie naar jullie luistert, luistert naar mij, en wie jullie afwijst, wijst mij af. En wie mij afwijst, wijst hem af die mij gezonden heeft.’Zie hier het hele conflict dat zal volgen tussen christen en Joden in een notendop. Tot in onze dagen is dit conflict niet opgelost. De kwalijke gevolgen hiervan hebben we in de loop der eeuwen leren kennen.

Jezus geeft zijn tijdgenoten flink van katoen. Naast erkenning, aanhangers en enthousiasme gaat het er hard aan toe en haalt hij de profeet Jesaja aan als hij zegt: En jij, Kafarnaüm, je denkt toch niet dat je tot in de hemel zult worden verheven? In het diepst van het dodenrijk zul je afdalen! (tussen haakjes: Jesaja spreekt hier over de koning van Babel niet over en plaats) En verderop als de leerlingen blij zijn teruggekeerd zegt Jezus dat hij de Satan als een lichtflits uit de hemel heeft zien vallen! Het kwaad heeft definitief zijn plek in de hemel verloren. Er is géén terugkeer bij God meer mogelijk. De leerlingen hoeven echter niet bang te zijn, ook al breekt een soort van eindtijd aan. Niets, helemaal niets kan hun deren. Maar zij moeten zich ook niet beroepen op hun daden, op hun macht om geesten en demonen te onderwerpen. Dat is slechts buitenkant. Hun namen worden opgetekend in de hemel, daar moeten ze zich over verheugen.

Wat we niet hebben gelezen, maar wat wel licht werpt op de tekst over het afwijzen of aannemen van Jezus – het niet over hem struikelen is volgende passage waarin staat dat Jezus het nu uitjubelt als de 72 leerlingen zijn terug gekeerd. Gegrepen door de H. Geest. Hij zegt dan:  IK BELIJD VAN U, VADER, HEER VAN DE HEMEL EN DE AARDE,  DAT GIJ DIT HEBT VERBORGEN VOOR WIJZEN EN  VERSTANDIGEN EN HEBT ONTHULD AAN ONMONDIGEN;  JA, VADER DAT ZÓ WELBEHAGEN IS GESCHIEDT TEN OVERSTAAN VAN U! – ALLES WORDT MIJ IN HANDEN GEGEVEN DOOR MIJN VADER EN NIEMAND HERKENT WIE DE ZOON IS DAN DE VADER EN WIE DE VADER IS DAN DE ZOON!

Het lijkt wel of Jezus daar nu zelf pas in gaat geloven. Je zou dit ook een soort van geloofsbelijdenis kunnen noemen, of een mystiek inzicht. Een formulering ingegeven door de H.Geest, Jezus die door het succes van zijn leerlingen, even uit zijn dak gaat, om het oneerbiedig te zeggen. Ik vermoed dat wij de tekst uit Lucas niet zomaar een op een kunnen overplaatsen naar onze tijd en onze generatie. Vandaar dat ik wat accenten heb gezet om haar te laten spreken. Maar ik blijf nog steeds met een groot vraagteken zitten, namelijk hoe wij hierin als leerlingen kunnen functioneren als Jezus zegt: ‘De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen. Of in een andere vertaling: WERKERS UITDRIJFT NAAR ZIJN OOGST

Wie is de eigenaar van de oogst? Is dat God, is dat de Vader? Wie zijn de arbeiders die de oogst binnen moeten halen? Zijn wij dat? En is het binnenhalen van de oogst het genezen van ziekten, het uitdrijven van demonen, het brengen van het goede nieuws? Persoonlijk vind ik dat wij niet met vanzelfsprekendheden, met platitudes moeten antwoorden, met platgetreden paden, zoals heb je naaste lief als jezelf etc. Natuurlijk dat is en blijft ook waar. Maar een van de grootste verwijten die de Joden aan de christenen maken is dat de wereld niet is veranderd sinds de komst van Jezus als Messias.  Er is nog steeds ziekte, geweld, oorlog, honger, onderdrukking. Dus de Messias kan hij niet zijn. Dus zijn woord is niet krachtig genoeg. Misschien gaat het er wel om dat wij in ons eigen leven op onze eigen wijze getuigenis afleggen van het horen en het doen van het woord van God – zonder al die vanzelfsprekendheden, zonder ons op de borst te kloppen, zonder grootspraak en te hoog gespannen verwachtingen. Niet de hele wereld willen redden, niks willen redden, maar doen wat voor je voeten komt en wat gedaan moet worden. Daarom lijkt het me deze vraag een goede oefening in bezinning te zijn op ons leerling zijn, misschien tijdens de verloren uurtjes in de vakantie, de vraag namelijk: WIE BEN IK ALS ARBEIDER IN DE WIJNGAARD DES HEREN? Wat is de oogst en hoe kan ik mijn aandeel leveren in het binnenhalen ervan? Alvast een heel fijne vakantie en vooral veel inspiratie met deze vragen.

John Hacking 4 juli 2016