Grensland

Aan de grens. De grens van en aan het leven, dat is de dood. Maar wat is de dood als grens? Hoe begrenst de dood het leven? Wat haalt hij weg en is er iets weg te halen? Een levend iets, plant, dier, mens, is na contact met de dood, leven-loos. Het leven is loos geworden, het leven is eruit. Voorgoed vertrokken. Al is het eigenlijk geen vertrek want ‘niets’ vertrekt. Er is geen treinstation met sporen zoals in een roman van Simon Vestdijk waar de doden worden opgewacht en weggebracht. Of een stad achter de rivier (Die Stad hinter dem Strom) zoals in de roman van Hermann Kasack.

Is de dood wel een grenservaring, is de dood op die wijze een grens als er eigenlijk niets meer te ervaren is, want er is geen (levend) iets dat nog iets zou kunnen ervaren. De dood kun je als grens beschouwen vanuit het perspectief van de andere levende, de niet gedode, niet gestorvene, die dan de ander bekijkt die sterft en die het gebeuren van de dood dus bekijkt vanaf een afstandje. Maar ook dat blijft wezensvreemd, want de dood onttrekt zich aan elke vorm van begrip, van de mogelijkheid om er in mensentaal iets zinnigs over te zeggen. Is de dood dan een ‘niets’, een soort leegte die de volheid van het levende, het bestaande omgeeft en zo op die wijze begrenst? Omgeven door de dood staan we in het leven…

Misschien moeten we bij de dichters te rade gaan, die intuïtief met hun taal de wereld verkennen en zo soms in de buurt komen van de dood en van de betekenis die de dood wordt toegedicht. Rutger Kopland doet een poging en blijft daarbij in de buurt van zijn religieuze achtergrond die hij als kind heeft meegemaakt en die zijn opvattingen daarmee kleurt. Hij dicht:


AAN HET GRENSLAND

I

Je kijkt over het land de ontelbaarste keer
in je leven naar waar het ophoudt
 
je zegt tegen ons dit is het grensland
het laatst van de aarde hier om ons heen
 
je zou willen weten wat voorbij daar is
voorbij het steeds maar weer zichtbare zelfde
 
je zoekt in de schimmige einder naar iets als
een gezicht maar van wat of van waar
 
je denkt aan je jeugd aan 1 Korintiërs 13
nu kijken we nog in een wazige spiegel
 
maar straks staan we oog in oog

II

Je kijkt in je hoofd en daar ligt het land
waar je vandaan komt en nooit meer naar terugkeert
  
je ziet de psalm uit je jeugd met de weiden
de waatren het vee – ja dit is het grensland
 
daarachter moet zijn wat er was voor je er zelf was
het onzichtbaarste het vroeger dan vroegste
 
je verlangt naar een wat naar een waar
iets misschiens iets dat je nooit hebt begrepen
 
je leest bij Pessoa: het is vreemder dan alles
wat vreemd is dat de dingen werkelijk zijn
 
wat ze lijken te zijn en dat er niets
valt te begrijpen

III

Je kijkt over het land en je noemt het
het grensland maar dit land heeft geen naam
 
je denkt dat het land daar voor jou bedoeld is
maar je weet het is voor niemand bedoeld
 
je wilt dat dit land er altijd al was
er altijd zal zijn maar er is geen altijd
 
je weet het toeval heeft je gemaakt en breekt je
ergens weer af waar en wanneer in dit land
 
je leest: dit uitzicht is het geval
en: het geheim van de wereld is het zichtbare
 
niet het onzichtbare


  1. Citaat 1 Korintiërs 13: nieuwe bijbelvertaling 2004.
  2. Citaat Pessoa: Alberto Caeiro, De hoeder van Kudden, gedicht XXXIX. In Fernando Pessoa, Gedichten, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1978.
  3. ‘dit uitzicht is het geval’: Tonnus Oosterhoff. Uit: ‘Ook de schapen dachten na’, De Bezige Bij, Amsterdam, 2000.
  4. ‘het geheim van de wereld is het zichtbare, niet het onzichtbare’: mijn vertaling van The mystery of the world is the visible, not the invisible. Oscar Wilde.
  5. Deze gedichten zijn opgedragen aan Gwij en Agnes Mandelinck

Rutger Kopland


“Dit uitzicht is het geval” – verder dan dit uitzicht kunnen we niet zien – niet kijken – niet weten. Deze verwijzing ook naar de uitspraak van de filosoof Ludwig Wittgenstein, in Tractatus logico-philosophicus, “Die Welt ist alles, was der Fall ist”, gekoppeld aan een grensland in het gedicht dat niet waarneembaar noch ervaar is, (hoogstens is het een ‘vrome wens’ of een stil verlangen), maakt duidelijk dat het transcendente onzichtbaar blijft en dat de dood absoluut geen garantie biedt dat we dit transcendente ooit zullen betreden. Als aardse stervelingen moeten we halthouden aan de grens van het zichtbare en het onzichtbare kunnen we hoogstens vermoeden of fantaseren. Achter de horizon, geen pot met goud, geen regenboog, geen luilekkerland, geen eeuwige vrede…

De wereld en ons leven hier en nu bepalen daarmee meteen de grenzen van het ervaarbare voor ons. Het onzichtbare valt buiten het ervaarbare, buiten het geheim dat we misschien vermoeden, maar als geheim is het niet waarneembaar of ervaarbaar. We kunnen er hoogstens over fantaseren en met menselijke categorieën er een invulling aan geven zoals we dat ook doen met het abstractum God. We vergeten misschien te vaak dat we mensen blijven en dat wij meestal niet de sleutel in handen hebben om de werkelijkheid te openen als een schatkamer vol betekenissen. Dat geldt extra voor ons als mens, met onze menselijke beperkingen en ons beperkt waarnemingsvermogen. Insekten bijvoorbeeld, walvissen, bomen, grassen ervaren de werkelijkheid vanuit hun eigen perspectief, hoewel het woord perspectief (dat met (goed) kijken te maken heeft) eigenlijk niet op zijn plaats is als het over bomen en grassen gaat, zo vermoed ik. Als we zeggen dat wij de werkelijkheid vanuit ons eigen perspectief bekijken en ervaren wil dat eigenlijk ook al zeggen dat we gevormd zijn in ons kijken en dat datgene wat we zien en benoemen misschien wel ook resultaat is van eerdere benoemingen en betekenisgeving (semiose). We kijken dus vanuit onze taal, dat wil zeggen, met de hulp van de begrippen die wij al hebben leren kennen en die vaak maatgevend zijn in hoe we de werkelijkheid waarnemen. De taal effent het kijken, de taal verkent voor ons de weg naar datgene wat we waarnemen.

Als we in onze ontwikkeling taal ontvangen die al door anderen is vormgegeven, beelden die wij leren in onze jeugd, betekenissen die we van huis uit mee krijgen, die we opdoen in boeken, via kunst en wetenschap en ga zo maar door, dan zijn we geen onbeschreven blad. Dan is er veel preoccupatie in wat we waarnemen en wat we duiden. Ook een begrip als ziel heeft zo z’n geschiedenis en zijn oorsprong. De ziel die blijft na de dood is een vooronderstelling die we door anderen krijgen aangereikt. Maar wat is de ziel? Staat ze aan de kant van de dood, (als ze door de dood heen kan gaan) of staat ze aan de kant van het leven? Kortom is de ziel begrensd of kan ze over grenzen heengaan? Zelfs de dood overwinnen die dan zijn angel is verloren…

De filosoof Ludwig Wittgenstein schrijft in zijn “Philosophische Untersuchungen II, iv,”: “Der menschliche Körper ist das beste Bild der menschlichen Seele.” Dat zou betekenen dat het lichaam grotendeels bepalend is voor de ziel – ook al is dit lichaam in dit denken een beeld, een manier van betekenisverlening aan een werkelijkheid waarvan we het fijne niet weten.
Daaraan vooraf schrijft Wittgenstein als hij nadenkt over wat dan beelden zijn en hoe deze beelden in gedachten kunnen binnendringen; daarbij vraagt hij ook: “Die Religion lehrt, die Seele könne bestehen, wenn der Leib zerfallen ist. Verstehe ich denn, was sie lehrt? — Freilich verstehe ich’s — ich kann mir dabei manches vorstellen. Man hat ja auch Bilder von diesen Dingen gemalt. Und warum sollte so ein Bild nur die unvollkommene Wiedergabe des ausgesprochenen Gedankens sein? Warum soll es nicht den gleichen Dienst tun wie die gesprochene Lehre? Und auf den Dienst kommt es an.

Wenn sich uns das Bild vom Gedanken im Kopf aufdrängen kann, warum dann nicht noch viel mehr das vom Gedanken in der Seele?”

En dan zegt hij dat het menselijk lichaam het beste beeld is van de menselijke ziel. Beelden en in taal gegoten beelden, betekenissen en verwoorde ervaringen helpen ons in de wereld opdat wij ons thuis gaan voelen. Dat kan troostrijk zijn, en velen vinden er troost in, maar is het ook waar? In het aangezicht met de dood valt veel weg. Wat blijft er nog over, wat heeft dan bestand?

In mijn essay “Wereldbeeld en zelfbeeld” probeer ik te begrijpen hoe wij met ons lichaam de werkelijkheid waarnemen en proberen te duiden. Daarbij komen ook zeer extreme situaties aan het licht waarin mensen gruwelijk worden gedood en waarin mensen zich niet thuis (kunnen) voelen in de wereld. De menselijke geschiedenis is naast de grandeur ook een voortdurend bloedbad.
Datzelfde speelt nu op de een of andere wijze ook in de Gazastrook die voortdurend onder beschietingen en bombardementen ligt. Een menselijk lichaam en ook de menselijke geest is niet bestand tegenover dergelijk immens geweld. Daar is ons lichaam niet voor gemaakt. Onze huid kan al dat geweld niet afweren – kogels gaan er dwars doorheen. Een mens van vlees en bloed is niet voor de oorlog gemaakt. Hoeveel staal er ook om hem heen wordt gebouwd. Bommen dringen dwars door muren heen. Niets is bestand tegen zoveel wapengeweld. En dan spreek ik nog niet over atoomgeweld, over de onvoorstelbare krachten die dan vrijkomen.

De huidige ervaringen van de bewoners van de Gazastrook zullen dan ook nog jaren een zeer negatieve invloed hebben op de ervaring van de werkelijkheid waarin zij moeten leven, ook in de toekomst. De spiraal van geweld en dood leidt letterlijk naar de afgrond. Er lijkt nauwelijks aan te ontkomen als je de persberichten mag geloven. De dood is hier volop aanwezig en houdt huis in de gevangenis die de Gazastrook al lang is. Een dood uit de wapens van militairen en uit de wapens van een organisatie die zegt op te komen voor de bewoners maar die het zaaien van dood en verderf door terreur belangrijker vindt dan het welzijn van de eigen bevolking. Die het ‘verzet’ tegen de vijand, door het plegen van aanslagen, verkoopt als bevrijdingsstrijd, wetende dat het einddoel, de vernietiging van die vijand (de staat Israel) nooit gehaald zal kunnen worden. Zeker niet als ze alleen blijven en niet worden gesteund. Ze gooien de lont in het kruidvat in de hoop dat dan de strijd voorgoed zal losbranden en dat de eindoverwinning in zicht komt omdat velen met hen de strijd en de marteldood verkiezen boven de huidige situatie. Het is een vorm van ‘messianisme’ – denken dat ze zelf de ‘messias’ zijn, die doormiddel van de wapens denkt de geschiedenis te kunnen bepalen. ‘Hemeltirannen’ noemde de Joodse filosoof Franz Rosenzweig dit soort mensen die de eindtijd met alle geweld willen bespoedigen. Het resultaat is, zoals bij elke oorlog, een opeenhoping van lijken, dode mensen, veelal onschuldig, zover het oog reikt…

De doden keren niet weer, zij hebben de grens van het levenseinde definitief overschreden en de nabestaanden blijven achter met hevige gevoelens van verdriet, haat, machteloosheid. Nabestaanden van de slachtoffers van de aanslagen tegen Joodse burgers en gegijzelden en nabestaanden van de Palestijnse slachtoffers die sterven in dit geweld. De Poolse dichteres Wyslawa Zsymborska schrijft in haar gedicht Utopia hoe verblinding werkt als er ideologische doelen worden gesteld die onhaalbaar zijn en die offers kosten die onbetaalbaar zijn:


UTOPIA

Het eiland waar alles wordt opgehelderd.

Hier kan men op vaste bewijsgrond staan.

Er zijn geen andere wegen dan de toegangsweg.

De struiken buigen door van alle antwoorden.

Hier groeit de boom van het Juiste Vermoeden
met eeuwig ontwarde takken.

De verblindend simpele boom van het Begrijpen
bij de bron die Ah Dus Zo Zit Het heet.

Hoe dieper het bos in, des te breder
het Dal der Vanzelfsprekendheden.

Rijzen er twijfels, dan verjaagt de wind ze.
De Echo neemt ongeroepen het woord
en verheldert graag de geheimen van de werelden.
Rechts de grot waar de Betekenis ligt.
Links het meer van de Diepe Overtuiging.
De Waarheid maakt zich los van de bodem en drijft zachtjes omhoog.

Boven het dal torent de Onwankelbare Zekerheid op.
Vanaf haar top strekt zich het Wezen der Dingen uit.

Ondanks al deze verlokkingen is her eiland onbewoond
en de vage voetsporen die je op de kusten ziet
wijzen zonder uitzondering in de richting van de zee.

Alsof men hiervandaan alleen vertrekt
en onherroepelijk in het diepste onderzinkt.

In een leven dat niet te doorgronden is.


Ook hier geldt wat de dichter Kopland verwoordt met een verwijzing naar de dichter Oscar Wilde: “het geheim van de wereld is het zichtbare – niet het onzichtbare”. De wereld is complex en de mens is complex. De problemen huizenhoog en de antwoorden vaak ver te zoeken. Het zichtbare levert genoeg vragen en problemen op. Het onzichtbare verkiezen boven het zichtbare, het najagen van een utopie – een niet-plaats – heeft consequenties voor de houding ten aanzien van het zichtbare. Denken dat jouw geweld en dood een plaats in de hemel oplevert, dat je in het onzichtbare wordt beloond, is een fictie met een hoge prijs. Degenen die je achterlaat zijn de dupe en de wereld komt geen stap dichter bij een samenleving waarin mensen elkaar niet naar het leven staan.

De wereld is complex en de mensen zijn van elkaar afhankelijk want ze zijn allen met elkaar verbonden in onontwarbare kluwen. Onontwarbaar, dat wil zeggen, dat er geen antwoorden zijn die alles oplossen, dat elk antwoord op een probleem weer nieuwe vragen en nieuwe verwikkelingen oproept.
Een beroep doen op het ‘gezond verstand’ en dan denken dat het geconstateerde probleem hiermee is opgelost is ‘volksbedrog’ als dit in verkiezingscampagnes naar voren wordt gebracht. Populisme = volksbedrog – het is niet alleen het ‘volk’ (wat dit dan ook moge zijn) naar de mond praten, maar het is ook denken te kunnen weten wat er onder mensen leeft en waar men naar verlangt, ongeacht de prijs die moet worden betaald om dat verlangen te vervullen. Die prijs echter staat bijna nooit ter discussie om de doodeenvoudige reden dat de prijs niet wordt genoemd, hij wordt of moedwillig verzwegen, of is meestal onbekend omdat er geen makkelijke rekensommen zijn op dit terrein.

Met zogenaamd ‘gezond verstand’ hoef je niet meer na te denken en je te verdiepen in de complexiteit van de werkelijkheid en de onderlinge verstriktheid van de dingen, de gebeurtenissen en de mensen die proberen betekenis te geven aan hun leven. Misschien is dit beroep op het ‘gezond’ vertand wel heel ongezond voor de uiteindelijke resultaten die worden behaald want als de dingen niet lopen zoals ze worden voorgesteld is geweld vaak niet ver weg. De verzoeking is dan groot om andere middelen dan het ‘gezonde’ verstand in te zetten om de doelen te halen.

Ik heb nog geen populisten leren kennen die onbaatzuchtig handelen, die niet profiteren van hun machtspositie, die niet wetten met voeten treden, die niet elke ethische grens aan hun laars lappen als het hen goed uitkomt, die niet liegen om de volgelingen een worst voor te houden, die echter nooit genuttigd zal worden omdat de worst nep is. Ze beloven het paradijs en het eindresultaat is de hel (op aarde) in de vorm van oorlog en onderdrukking. Het zijn herauten van de dood…

De dood blijft een onbekende grens. Maar het is een grens. De levenden die iemand die dierbaar is hebben verloren weten er alles van. En de oorlog kent vaak geen grenzen, de dood gaat zich als het ware te buiten. Ralf Hochhut laat de dood in zijn ‘treurspelen’ vaak optreden als een volgevreten figuur die geniet van zoveel menselijke overmoed en domheid. Grenzen stellen kan de mens. Ook aan zijn eigen verlangen, zijn eigen begeertes, zijn eigen haat.
Zelfbegrenzing als optie, als weg naar een doel waarin het geweld niet het laatste woord heeft. Zelfbegrenzing ook in het complotdenken, het utopisch verlangen, het fabuleren dat jijzelf de weg bent naar een rijk van goden waarin jij op de toon mag zitten als ster, heerser, koning, president. Waarin alle andersdenkenden en alle anderen die anders uitzien en die het niet met je eens zijn voorgoed vernietigd zijn of onschadelijk gemaakt door hen te verbannen en op te sluiten.


DE LAATSTE BEVINDINGEN

Er waren zoals we dachten te weten
twee werelden – de echte en die andere
dit onderscheid is onlangs bij nader onderzoek
een overbodige illusie gebleken:
deskundigen hebben in menselijke hersenen gezocht
en geen verschillen gehoord of gezien
integendeel, wat zij vonden
was met geen pen te beschrijven,
zo ongelooflijk eenvoudig zo mooi
zij noteerden:
‘De nacht viel in de ramen van ons instituut,
maanlicht streek over de jonge borsten
van onze vrouwelijke proefpersoon
en ja, de door haar hersencellen aangedreven
apparaten
zuchtten en in onze microscopen zagen we
in haar moleculen melkwegen van verlangen.
Wij zoeken nog koortsachtig naar formules.’

Rutger Kopland


De inhoud op (a)sociale media is langzaam aan een totale onbegrensde chaotische verzameling van indrukken geworden waarin de beheerders totaal geen moeite doen om waar van onwaar, om vredelievend van haatdragend te scheiden. De eigenaar die nu X bezit, gebruikt het medium voor eigen gewin: als bliksemafleider waarmee hij eigen snode plannen kan verhullen (hoe meer chaos – hoe minder helderheid – hoe beter). Ik vermoed dat hij via de kinderen van de oplichter-(ex)president veel meer macht wil grijpen dan het Amerikaanse volk hem zal toestaan – bij volgende presidentsverkiezingen ver na 2024. Al zijn contacten wijzen in die richting. Hij is een ‘visionair’ die zegt te handelen voor het welzijn van de wereld maar ook dat is een masker dat zijn ongebreideld streven naar macht alleen maar moet verhullen. Waarom zou je anders humanide robots willen bouwen die ingezet kunnen worden in een oorlog tegen mensen?

De dood is een grens, de grens kan een plek zijn waar je nieuwe inzichten op kunt doen. Wat leren we van de dood? Dat het leven kostbaar en dat het leven onvervangbaar is. De mens is het wezen dat zijn daden en dat zijn driften kan begrenzen, de mens is in staat om grenzen te stellen opdat het leven voor de dood kwaliteit behoudt en menswaardig is. Maar halen we samen de avond als de dood zo alom aanwezig is in ons handelen?


Abend

Der Abend wechselt langsam
die Gewänder,
die ihm ein Rand von alten Bäumen hält;
du schaust: und von dir scheiden sich
die Länder,
ein himmelfahrendes und eins, das fällt.

Und lassen dich,
zu keinem ganz gehörend,
nicht ganz so dunkel wie das Haus,
das schweigt,
nicht ganz so sicher Ewiges beschwörend
wie das, was Stern wird jede Nacht
und steigt.

Und lassen dir
(unsäglich zu entwirrn)
dein Leben bang und riesenhaft
und reifend,
sodaß es, bald begrenzt
und bald begreifend,
abwechseln Stein in dir wird und Gestirn.

Rainer Maria Rilke

John Hacking
31 oktober 2023


bronnen:

Kopland, Rutger, Verzamelde gedichten, Amsterdam 2007 (Uitgeverij G.A. van Oorschot)

Wittgenstein, L., Philosophische Untersuchungen, Frankfurt am Main  1977 (Suhrkamp)

Hacking, John, Wereldbeeld en zelfbeeld. Het lichaam als auto-topie. een zoektocht naar God in het lichaam. Een onderzoek in stappen naar de betekenis van het feit dat wij de werkelijkheid lichamelijk waarnemen en duiden, Nijmegen 2011

ook op internet te lezen (en te downloaden):
https://levenshorizonten.com/4-essays-over-god/

Wyslawa Zsymborska, Einde en begin, Gedichten 1957-1997, Meulenhoff, Amsterdam, 1999. Vertaald uit het Pools door Gerard Rasch. p. 193-194

Hochhut, Rolf, Der Stellvertreter. Ein christliches Trauerspiel, Reinbeck bei Hamburg 1982, (Rowohlt)

Rilke, Rainer Maria, Gesammelte Werke, Stuttgart 2015 (Reclam)

Gedichten over Rouw, afscheid en verdriet – nieuwe series vanaf gedichten rond de dood 4 (t/m 7): https://levenshorizonten.com/het-nemen-van-afscheid-van-een-dierbare/rouw/gedichten-rond-de-dood-4/


Er is een fout opgetreden, wat waarschijnlijk betekent dat de feed uit de lucht is. Probeer later opnieuw.