Nieuwe woorden (1)

“Jede Stunde, die hingeht, wird jünger.”

Deze uitspraak stamt uit de Sonetten an Orpheus van Rainer Maria Rilke. Elk uur dat vergaat wordt jonger…elk uur dat voorbij gaat, elk uur dat weggaat, elk uur dat als water uit onze handen glipt…wordt jonger. De tijd kunnen we niet vasthouden, ze vergaat, waar we dachten houvast te hebben raken we het kwijt. Maar wordt het uur daarmee jonger? Het uur kan niet oud worden, het is zo voorbij en in deze tijd lijkt het wel of de uren sneller vlieden, en dus werkelijk jonger worden.

Giovanni Rizzuto heeft een essay gewijd aan deze toegenomen en steeds meer toenemende snelheid in en van onze maatschappij en wat hiervan de gevolgen zijn voor ons leven en ons denken. Ons welbevinden wordt gekleurd door die snelheid en de druk die dat oplevert. Omdat we denken alles aan te kunnen is er opeens een rem: de geest en het lichaam doen niet meer mee, ze zijn vastgelopen, de energie is op. Rainer Maria Rilke had een goed “Gespür” – instinkt voor deze nieuwe tijd en de nieuwe ontwikkelingen. Eigen aan de dichter die soms hiervoor is toegerust met de juiste organen. In de Sonetten an Orpheus doet hij een poging om niet alleen de tijd te vangen in woorden maar ook de menselijke conditie waarin geboorte, creatie, afscheid en dood centraal staan ondanks het harde werken en de vele energie en lust die wij in ons leven kunnen ervaren. Zo Sonett 24 en 25 b:

O diese Lust, immer neu, aus gelockertem Lehm!
Niemand beinah hat den frühesten Wagern geholfen.
Städte entstanden trotzdem an beseligten Golfen,
Wasser und Öl füllten die Krüge trotzdem.
Götter, wir planen sie erst in erkühnten Entwürfen,
die uns das mürrische Schicksal wieder zerstört.
Aber sie sind die Unsterblichen. Sehet, wir dürfen
jenen erhorchen, der uns am Ende erhört.
Wir, ein Geschlecht durch Jahrtausende: Mütter und Väter,
immer erfüllter von dem künftigen Kind,
daß es uns einst, übersteigend, erschüttere, später.
Wir, wir unendlich Gewagten, was haben wir Zeit!
Und nur der schweigsame Tod, der weiß, was wir sind
und was er immer gewinnt, wenn er uns leiht.

Schon, horch, hörst du der ersten Harken
Arbeit; wieder den menschlichen Takt
in der verhaltenen Stille der starken
Vorfrühlingserde. Unabgeschmackt
scheint dir das Kommende. Jenes so oft
dir schon Gekommene scheint dir zu kommen
wieder wie Neues. Immer erhofft
nahmst du es niemals. Es hat dich genommen.
Selbst die Blätter durchwinterter Eichen
scheinen im Abend ein künftiges Braun
Manchmal geben sich Lüfte ein Zeichen.
Schwarz sind die Sträucher. Doch Haufen von Dünger
lagern als satteres Schwarz in den Aun.
Jede Stunde, die hingeht, wird jünger.

Rainer Maria Rilke Sonetten an Orpheus 24 en 25 B


Op veel manieren wordt de tijd beschreven. Orpheus die een poging deed om zijn geliefde uit de dood en de onderwereld te redden mislukte in zijn streven. Probeert Rilke deze Orpheus te troosten? Dat elke poging de dood te overwinnen tot mislukken gedoemd is? Rilke biedt een vorm van troost in Sonett 29 b maar is het genoeg?

Stiller Freund der vielen Fernen, fühle,
wie dein Atem noch den Raum vermehrt.
Im Gebälk der finsteren Glockenstühle
laß dich läuten. Das, was an dir zehrt,
wird ein Starkes über dieser Nahrung.
Geh in der Verwandlung aus und ein.
Was ist deine leidendste Erfahrung?
Ist dir Trinken bitter, werde Wein.
Sei in dieser Nacht aus Übermaß
Zauberkraft am Kreuzweg Deiner Sinne,
ihrer seltsamen Begegnung Sinn.
Und wenn dich das Irdische vergaß,
zu der stillen Erde sag: Ich rinne.
Zu dem raschen Wasser sprich: Ich bin.

Rainer Maria Rilke Sonetten an Orpheus Sonett 29 b


Op Paaszondag waren we in de viering in de Basilika in Kevelaer, een pelgrimsoord in Duitsland. De overweging ging natuurlijk over de opstanding uit de dood van Jezus, de gekruisigde en gestorven man uit Nazareth. Hij die zoveel mensen op de been had gebracht met een nieuwe boodschap, met nieuwe woorden, met nieuwe hoop. En nu leek het alsof alles voor niets was geweest, alsof de dood aan het kruis het definitieve einde betekende van deze ontvlamde hoop en verwachting.

De predikant begon met een verwijzing naar AI – kunstmatige intelligentie. ChatGPT die antwoord geeft op vragen door het combineren van ‘oude’ woorden – woorden en teksten die als data en masse verzameld zijn en die nu op een nieuwe wijze worden gecomponeerd en teruggegeven als vorm van antwoord. Zo vroeg de predikant naar een mogelijke opvolger van de bisschop van Münster en het antwoord was niet slecht want de argumenten die werden aangevoerd mbt de voorgestelde personen klonken redelijk. Echt verbazingwekkend vond hij de nieuwe mogelijkheid om met je overleden dierbaren te spreken wat natuurlijk helemaal niet kan. Zie als illustratie ook dit artikel op Aeon: https://aeon.co/essays/are-chatbots-of-the-dead-a-brilliant-idea-or-a-terrible-one

De predikant verwees naar een evangeliepassage waarin de mensen zeiden dat ze de woorden van Jezus nog nooit hadden gehoord en zijn daden nog nooit gezien. De hele passage luidt zo en duidelijk wordt dat er voorstanders en tegenstanders zijn van Jezus en dat zijn dood niet uit de lucht kwam vallen. Ik citeer het hele hoofdstuk om zo de context te schetsen waarin deze gebeurtenis plaatsvond in Johannes hoofdstuk 7:

Daarna trok Jezus door Galilea; in Judea wilde hij niet komen, omdat de Joden daar hem wilden doden. Nu naderde het Joodse Loofhuttenfeest, en daarom spoorden Jezus’ broers hem aan: ‘Blijf toch niet hier, ga naar Judea; dan zien ook je leerlingen het werk dat je doet. Niemand doet toch iets in het geheim als hij bekend wil worden. Als je dit soort dingen doet, laat je dan zien aan de wereld.’ Ook zijn broers geloofden namelijk niet in hem. Maar Jezus zei: ‘Mijn tijd is nog niet gekomen, voor jullie is elke tijd goed. De wereld kan jullie niet haten, maar mij haat ze wel, omdat ik verklaar dat wat ze doet slecht is. Gaan jullie maar naar het feest; ik ga niet, omdat de tijd voor mij nog niet rijp is.’ Dat zei hij, en hij bleef in Galilea.
Maar toen zijn broers naar het feest vertrokken waren, ging hij zelf ook, niet openlijk, maar in het geheim. Intussen keken de Joden op het feest al naar hem uit en ze vroegen zich af waar hij was. Overal werd over hem gesproken: sommigen vonden dat hij een goed mens was, anderen meenden dat hij het volk misleidde. Maar niemand durfde openlijk over hem te spreken uit angst voor de Joden.
Toen het feest al halverwege was, ging Jezus naar de tempel en hij gaf er onderricht. De Joden waren verbaasd: ‘Hoe weet hij dat allemaal, terwijl hij geen opleiding heeft gehad?’ Jezus zei: ‘Wat ik onderwijs heb ik niet van mijzelf, maar van hem die mij gezonden heeft. Wie ernaar streeft te doen wat God wil, zal weten of mijn leer van God komt of dat ik namens mezelf spreek. Wie namens zichzelf spreekt, is uit op zijn eigen eer, maar wie uit is op de eer van wie hem gezonden heeft is betrouwbaar; hij bedriegt niemand. U hebt van Mozes toch de wet gekregen? Maar niemand houdt zich aan de wet. Waarom probeert u mij te doden?’ ‘U bent bezeten!’ riepen de mensen. ‘Wie probeert u dan te doden?’ Jezus antwoordde: ‘Eén ding heb ik gedaan, en u staat allemaal versteld. Nu heeft Mozes u de besnijdenis gegeven – niet dat die van Mozes komt, ze komt van de aartsvaders – en u besnijdt ook op sabbat. Als er op sabbat besneden wordt omdat anders de wet van Mozes wordt overtreden, waarom bent u dan kwaad wanneer ik op sabbat iemand helemaal gezond maak? Ga in uw oordeel niet op de schijn af, maar laat uw oordeel rechtvaardig zijn.’
Sommige Jeruzalemmers zeiden: ‘Is dat niet die man die ze willen doden? Moet je zien, hij spreekt vrijuit en ze zeggen niets tegen hem. Zouden onze leiders werkelijk tot de overtuiging zijn gekomen dat hij de messias is? Wanneer de messias komt, zal niemand weten waar hij vandaan komt, maar van hem weten we wel waar hij vandaan komt.’ Bij zijn onderricht in de tempel zei Jezus luid en duidelijk: ‘U kent mij en u weet waar ik vandaan kom. Maar ik ben niet namens mezelf gekomen; ik ben gezonden door iemand die betrouwbaar is, en hem kent u niet. Ik ken hem, omdat ik bij hem vandaan kom en hij mij heeft gezonden.’ Toen wilden ze hem grijpen, maar niemand deed hem iets, omdat zijn tijd nog niet gekomen was. Onder het volk waren er velen in hem gaan geloven, ‘want,’ zeiden ze, ‘wanneer de messias komt, zal die niet meer wondertekenen verrichten dan hij heeft gedaan.’ Toen de farizeeën hoorden hoe er door de mensen over hem gesproken werd, stuurden zij en de hogepriesters dienaren om hem te arresteren.
Jezus zei: ‘Ik zal nog een korte tijd bij u zijn, dan ga ik naar hem die mij gezonden heeft. U zult me zoeken maar me niet vinden; u zult niet kunnen komen waar ik ben.’ Toen zeiden de Joden tegen elkaar: ‘Waar gaat hij dan naartoe, dat wij hem niet kunnen vinden? Hij zal toch niet naar de Griekse diaspora gaan om de Grieken onderricht te geven? Wat bedoelde hij dan toen hij zei: “U zult me zoeken maar me niet vinden; u zult niet kunnen komen waar ik ben”?’
Op de laatste dag, het hoogtepunt van het feest, stond Jezus in de tempel, en hij riep: ‘Laat wie dorst heeft bij mij komen en drinken! “Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in mij gelooft,” zo zegt de Schrift.’ Hiermee doelde hij op de Geest die zij die in hem geloofden zouden ontvangen; de Geest was er namelijk nog niet, want Jezus was nog niet tot Gods majesteit verheven.
Toen de mensen in de menigte dit hoorden zeiden ze: ‘Dit moet wel de profeet zijn.’ Anderen beweerden: ‘Het is de messias,’ maar er werd ook gezegd: ‘De messias komt toch niet uit Galilea? De Schrift zegt toch dat de messias uit het nageslacht van David komt en uit Betlehem, waar David woonde?’ Zo ontstond er verdeeldheid in de menigte, en sommigen wilden hem grijpen, maar niemand deed hem iets.
De dienaren van de hogepriesters en de farizeeën gingen terug. Toen hun werd gevraagd: ‘Waarom hebben jullie hem niet meegebracht?’ antwoordden ze: ‘Nog nooit heeft een mens zo gesproken!’ Maar de farizeeën zeiden: ‘Hebben jullie je ook al laten misleiden? Er is toch geen enkele leider of farizeeër tot geloof in hem gekomen? Alleen de massa die de wet niet kent – vervloekt zijn ze!’ Maar Nikodemus, die destijds bij Jezus was geweest, iemand uit hun eigen kring, zei: ‘Onze wet veroordeelt iemand toch pas als hij gehoord is en als bekend is wat hij heeft gedaan?’ Ze zeiden tegen hem: ‘Kom jij soms ook uit Galilea? Zoek het maar na, dan zul je zien dat er uit Galilea geen profeet kan komen.’ Daarop ging iedereen terug naar huis.

Een paar passages heb ik vet gedrukt: de broers van Jezus die niet in hem geloofden (van je familie moet je het hebben); velen waren in hem gaan geloven, rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie gelooft in hem en nog nooit heeft een mens zo gesproken. Voor de predikant was de uitspraak “dat hebben we nog nooit gehoord” het ‘houvast’ waar hij de andere voorbeelden aan op kon hangen. Geen echt houvast in de zin van zekerheid maar een beslissend moment voor de toehoorders van Jezus om wel of om niet te geloven. Zelf vond hij het met het oog op de toepassing van AI al heel wat dat hij durfde te vertrouwen op de autonavigatie, zeker toen die pas nieuw was. Maar hoe zit het met de opstanding van Jezus en het geloof in zijn boodschap? Hoe zit het met ons? Durven wij te vertrouwen op deze ‘nieuwe’ woorden van Jezus dat de dood niet het einde is en dat ook wij zullen opstaan uit de dood?

In het evangelie zijn er twee partijen: zij die tot geloof komen door het horen van de woorden en zij die tot vijand worden en Jezus zullen kruisigen. En dat is tot op de dag van vandaag niet veranderd. Kijk maar hoe de ‘wereld’ reageert als je echt in de voetsporen van Jezus treedt en vluchtelingen menselijk opvangt, je bezit weggeeft, je wijdt aan de zorg voor armen, zieken, gevangenen…mensen die vaak door de maatschappij worden uitgekotst omdat ze niet aan de normen voldoen, niet meetellen, te zwak worden bevonden etc.

Nieuwe woorden zijn gevraagd om de ‘oude’ boodschap die in principe nog net zo nieuw is als toen te vertolken. Bij de wetenschap zullen we waarschijnlijk geen antwoorden vinden, geen begaanbare weg om de opstanding uit de dood, het lege graf, te verklaren. Hier is geen zekerheid te vinden. Ook niet in de media, in de warboel van meningen en opinie’s, de talkshows waar ‘deskundigen’ hun licht laten schijnen op de zaak. Misschien bij de getuigen, de gelovigen, zij die overtuigd zijn geraakt omdat de woorden van Jezus in hun hart binnenkwamen? Zij die hebben mogen proeven van rivieren van levend water omdat ze gingen geloven? Rivieren van levend water uit het hart … dat is de taal van de dichter, de poet, de profeet. Hij die spreekt vanuit ‘gene zijde’ – de transcendente werkelijkheid die onder, achter, doorheen deze werkelijkheid spreekt…Maar daar moet je dan wel voor open staan en de oren niet door oordelen en vooroordelen laten sluiten…Zoals Zbigniew Herbert schrijft in zijn gedicht over woorden:

Wir schlafen auf Wörtern ein
wir wachen in Wörtern auf

manchmal sind es sanfte
einfache Substantive
Wald oder Schiff

sie reißen sich von uns los
der Wald geht schnell
hinter die Linie des Horizonts

das Schiff fährt weg
spurlos grundlos

gefährlich sind Wörter
die aus dem Ganzen gefallen sind
Fetzen von Sätzen Sentenzen
der Anfang des Refrains
einer vergessenen Hymne

»erlöst werden die…«

»denk daran dass du …«
oder »wie«
eine feine stechende Nadel
die die schönste
verlorene Metapher
der Welt verbunden hat

man muss geduldig träumen
in der Hoffnung dass der Inhalt sich erfüllt
dass die fehlenden Wörter
in die verstümmelten Sätze einziehen
und die Gewissheit auf die wir warten
den Anker wirft

Zbigniew Herbert


Geduldig dromen leren, tijd nemen, wachten, niet opgegeven, het onverwachte blijven verwachten…dat beveelt de dichter ons aan. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor de teksten uit het evangelie. De Messias die zou komen riep in het evangelie van Johannes al veel controverses op, net zoals dat nog steeds plaatsvindt. Want de wereld is vol oorlog en geweld, de ziektes zijn niet uitgebannen en voor velen zijn empathie en liefde, medemenselijkheid en rechtvaardigheid walgelijke woorden, af te wijzen daden, want het beeld van de sterke man wordt erdoor ondergraven. Maar ook die sterke man (of vrouw) is onherroepelijk kind van de rekening als de dood, de “Malach vom Toidt” aan de deur zal kloppen. Een zekerheid die zo zeker is als het universum waarin deze aarde rondjes draait om de zon. Niet bang zijn, niet versagen, dat is de boodschap van Pasen ook in onze dagen.

Unsere Angst

unsere Angst
trägt kein Nachthemd
hat keine Eulenaugen
hebt keinen Deckel
löscht keine Kerze

sie hat auch kein Totengesicht

unsere Angst
ist ein in der Tasche gefundener
Zettel
»Wöjcik warnen
Lokum in der Langen Straße aufgeflogen«

unsere Angst
fliegt nicht auf Flügeln des Sturms
setzt sich auf keinen Kirchturm
sie ist konkret

sie hat die Form eines eilig
geschnürten Bündels
mit warmer Kleidung
kalter Verpflegung
und einer Waffe

unsere Angst
hat kein Totengesicht
die Toten sind milde zu uns

wir tragen sie huckepack
schlafen unter einer Decke

schließen ihnen die Augen
rücken den Mund zurecht
tasten nach trockenen Stellen
und vergraben sie

nicht zu tief
nicht zu flach

Zbigniew Herbert


John Hacking
25 april 2025


Bronnen:

Herbert, Zbigniew, Gesammelte Gedichte, Berlin 2016 (Suhrkamp)

https://aeon.co/essays/are-chatbots-of-the-dead-a-brilliant-idea-or-a-terrible-one

https://aeon.co/science/computing-artificial-intelligence

Giovanni Rizzuto, Filosofisch tegenspel. Traag denken in tijden van versnelling, Antwerpen Apeldoorn 2025, (Garant)