4.1 Vooraf aan God
Die leere Unendlichkeit
Ohne Entstehen, ohne Vergehen,
Ohne Vergangenheit, ohne Zukunft.
Ein Lichtschein umgibt die Welt des Geistes.
Man vergißt einander, still und rein, ganz mächtig und leer.
Die Leere wird durchleuchtet vom Schein des Herzens des Himmels.
Das Meerwasser ist glatt und spiegelt auf seiner Fläche den Mond.
Die Wolken schwinden im blauen Raum.
Die Berge leuchten klar.
Bewußtsein löst sich in Schauen auf.
Die Mondscheibe einsam ruht.(1)
Lichtglanz und Nichtsein
Lichtglanz fragte das Nichtsein: »Meister, seid Ihr, oder seid Ihr nicht?«
Lichtglanz bekam keine Antwort und blickte angestrengt auf die Gestalt des Nichtseins. Aber da war alles tiefe Leere. Den ganzen Tag schaute er nach ihm, ohne es zu sehen; er horchte nach ihm, ohne es zu hören; er griff nach ihm, ohne es zu fassen.
Da sprach Lichtglanz: »Das ist das Höchste. Wer vermag das zu erreichen? Ich vermag ohne Sein zu sein, aber nicht ohne Nicht-Sein zu sein. Wenn es nun darüber hinaus noch ein Nicht-Sein gibt, wie kann man das erreichen?«(2)

Reeds in mijn jaren als puber werd ik al gegrepen door het geheimzinnige karakter van de woorden uit het boek van Laozi. Van Daoisme had ik toen nog nooit gehoord, maar de wijze waarop de tekst werd geformuleerd had een grote aantrekkingskracht. Sindsdien heeft me dat nooit verlaten en heb ik gedurende de jaren vaker vertalingen gekocht.
In het Daoisme staat het begrip Dao (Tao) centraal. Dat is een veelomvattend begrip met veel nuances en veel betekenissen. Een ervan is ‘weg’, (ook overdrachtelijk), nevenbetekenissen kunnen zijn: ‘methode’, ‘procedé’, ‘techniek’, ‘systeem’ en zelfs ‘iets uitleggen’. Kristofer Schipper die Lao Zi. Het boek van de Tao en de innerlijke kracht uit het chinees heeft vertaald stelt in zijn inleiding:
“Voor het taoïsme is Tao niet een bewuste manier van doen, en nog minder een rituele procedure. Ook is het helemaal niet een ‘weg’, dat wil zeggen: een concept dat het idee van een zekere, al dan niet religieuze richtlijn voor het leven of voor de politiek inhoudt. Zoals het in hoofdstuk 25 heet: ‘Tao’ is alleen maar een bijnaam die, bij gebrek aan beter, een zekere natuurlijke hoedanigheid moet aanduiden. Die inherente eigenschap van de kosmos bestond al ‘stil, leeg en naamloos’ in de oerchaos, nog voordat hemel en aarde geboren waren. Aan de ene kant, zegt dezelfde tekst, kun je het zien als de moeder van al wat is, aan de andere kant als het tegendeel, dat wil zeggen: het ‘niets’.
Je hoeft de Tao niet te volgen, want je hebt hem al. De Tao van de Laozi is de alom aanwezige (‘immanente’) hoedanigheid van het ‘niets’ zowel als van het ‘iets’. Hij is het principe van de eeuwige kringloop zoals je die kunt waarnemen in het ‘grote uiterste’ (de taiji), waar yin en yang elkaar afwisselen en completeren. Zoals het in het Boek der veranderingen (Yijing) heet: ‘eenmaal yin -eenmaal yang, dat noemt men de Tao.’ Maar diezelfde Tao komt tegelijker-tijd ook overeen met het tegendeel, met dat wat ‘zonder uiterste’ (wuji) is. Hiermee wordt bedoeld: de ongedifferentieerde oerchaos zoals die in hoofdstuk 25 en op vele andere plaatsen in de Laozi voorkomt. De oerchaos, de entropie van de kosmos, is een grondbegrip van het taoïsme. Enerzijds is er de tegenstelling, anderzijds de voortdurende wisselwerking tussen chaos en schepping. (…)”(3)
In veel vertalingen wordt het boek van Laozi met verschillende schrijfwijzen DAO DEH JING genoemd. Jing betekent boek (verzameling). Dao (of Tao) wordt gekoppeld aan Deh (of De). Schipper zegt hierover:
“In het taoïsme is de ook een kracht, maar niet een verworvenheid. Het is een door de natuur gegeven levenskracht, de bezieling van de kosmische materie (qi). Het is iets wat het volledigst is op het moment dat we net geboren zijn, als we alles nog spontaan doen, zonder ons af te vragen waarom en hoe. Het komt van binnen uit en is in zekere zin de werking van de Tao in ons. Daarom spreken we hier van ‘innerlijke kracht’.”(4)
De Dao is dus eigenlijk een soort mysterie dat onbenoembaar blijft maar dat wel de hele werkelijkheid draagt. Het is een soort scheppingsprincipe dat doorgaat en dat zich voortdurend vernieuwt. Tegelijk is het een en ondeelbaar, en ligt het aan de basis van alles. Maar wat zeggen we dan als we dit zo uitspreken? Schipper haalt Zhuangzi aan, een latere volgeling of navolger van Laozi die bekend staat om zijn eigen uitwerking van de gedachten van Laozi:
“De Tao, zegt ons de Zhuangzi, ‘heeft zijn hoedanigheid en betrouwbaarheid’. Hij baart de kosmische energie die alles vormt volgens een natuurlijke wetmatigheid. Ieder wezen is één in de Tao. Alles houdt met elkaar verband in een constante stroming van kosmische energieën (qi) die het leven in stand houden. Wat wij tegenwoordig het autoregulerende principe van de kosmos noemen, heet in de Laozi ‘het spontane’, of nog letterlijker vertaald: ‘wat vanzelf is zoals het is’ (ziran). Dat is de Tao.”(5)
‘Niets doen’ (wuwei) en ‘zichzelf zijn’ (ziran) zijn volgens Schipper onverbrekelijk verbonden met de eeuwige Dao.(6) Het basisidee van wuwei is dat wij ons bewustzijn moeten afstemmen op Dao opdat we in balans blijven en onze levensenergie niet verstoord raakt. Afgestemd en handelend in de geest van de Dao zijn we verbonden met de kosmische energie die overal stroomt. Zo blijven we bij onszelf, onze diepste kern.(7) Wuwei is geen passiviteit in de zin van nergens bij betrokken zijn. Het is ook niet alleen maar stilzitten. Het is in de meditatie een vorm van loslaten, niet in je gedachten met van alles bezig zijn. Afgestemd op de Dao gebeurt het zoals het gebeurt en is het goed zo. Schipper stelt:
“Als er een formule is die het wuwei zou kunnen samenvatten dan zou dat kunnen zijn: uit liefde en respect voor het leven in jezelf zoeken naar de bron van de innerlijke kracht.”
De overlevering van de teksten van Laozi en de vele handschriften en vertalingen laten zien dat deze samenballing van Chinese lettertekens velen hoofdbrekens hebben bezorgd. Zie bijvoorbeeld het eerste hoofdstuk in de vertaling van Schipper(8) en de vertaling van Jan Philipp Reemtsma in het Duits:
1.
De eeuwige Tao
kan niet in woorden worden uitgedrukt.
De eeuwige naam
kan niet worden genoemd.
Het niets: een naam voor de herkomst van de tienduizend dingen.
Het iets: een naam voor de moeder van de tienduizend dingen.
Waarlijk: voor immer bevrijd van begeerte,
mag je het mysterie aanschouwen.
Blijf je altijd vol verlangens,
dan zie je slechts wat je beoogt.
Deze tegenstelling is het gevolg
van het door namen te scheiden
van wat oorspronkelijk één was.
Dit eenzijn heet: het duistere.
In het duistere van dat duistere schuilt
de poort tot de massa mysteriën.(9)
1.
Der Weg, kannst du ihn weisen,
ist nicht der ewige Weg.
Die Weisheit, kannst du sie benennen,
ist nicht die immerwährende Weisheit.
Namen haben alle Dinge.
Aller Anfang ist namenlos.
Also:
Wer den Weg der Weisheit nicht begehrt,
kann ihn gehen,
wer ihn begehrt, erkennt die Welt.
Der Weg und die Welt kommen aus dem Dunklen.
Das tiefste Dunkel aber liegt
allem zu Grunde
Dao. (10)

Laozi staat ook stil bij de leegte en de stilte. Zij vormen een soort sleutel om tot een dieper verstaan te komen, om de werkelijkheid in haar ontstaan en vergaan in zich op te nemen, om de allesdoordringende kracht van Dao te ervaren en zich daarop af te stemmen. Opgenomen in het grote geheel is er geen strijd of controverse. Zelfs de dood verliest zijn angel. Het zestiende hoofdstuk laat dit zien:
16.
zoek de hoogste leegte,
Bewaar de diepste stilte.
Dan verrijzen alle dingen tezamen.
Stil zittend aanschouw ik hun terugkeer.
Ja, alle dingen hebben hun bloeitijd,
en gaan dan terug tot waar ze vandaan kwamen.
Teruggaan tot de oorsprong heet: verstillen.
In stilte keer je terug tot je lotsbestemming.
Dat is het onveranderlijke.
Zij die het onveranderlijke kennen zijn verlicht.
Zij die dit negeren doen in het wilde weg rampzalige dingen.
Het onveranderlijke kennen maakt vergevingsgezind.
Wie vergevingsgezind is, is universeel.
Universeel zijn brengt soevereiniteit.
De soeverein vertegenwoordigt de hemel.
Van de hemel komen we bij de Tao.
De Tao maakt dat alles voortduurt.
Ook al vergaat het lichaam, er is niets te vrezen.(11)
16.
Ganz oben: die Leere,
bis zum Stillestand Stille,
dann tritt alles hervor,
und ich sehe alles wieder gehen,
woher es kam.
Der üppigen Fülle
Ziel ist der Ursprung.
Ursprung ist Stille,
Stille ist Wesen,
Wesen ist ewig,
ewig ist Leuchten.
Das Ewige nicht sehen macht Unsinn und Unheil,
das Ewige sehen ist: Alles sehen.
Alles sehen, ohne Unterschied,
Alles in allem, wie von hoch oben,
Alles im Dao
Alles so ewig.
Stirbst du, ist das ohne Bedeutung.(12)
Er zijn nog veel meer teksten die hier geciteerd zouden kunnen worden, niet in het minst de verhalen van Zhuang Zi, die ook door Schipper zijn vertaald.(13) Het zijn maar enkele fragmenten uit een lange en rijke traditie. Maar zoals Abel Herzberg al schreef “alles is fragment”(14) en ook wij zijn deel van het geheel. Een geheel dat in mijn ogen gerust ook Dao mag worden genoemd. De teksten uit het Daoisme vormen een getuigenis van een levenshouding en filosofie die zich niet in een vast omschreven religie heeft neergelegd, noch in een theologie die een relatie met God beschrijft, maar die wel vanuit de eigen dynamiek een betrokkenheid uitdrukt op de medemens en de wereld, op het heil van beiden in een kosmische verbondenheid met elkaar. Een spiritualiteit die ook in haar geloofsuitdrukking zorg draagt voor het heil van de aarde, waar we allemaal van afhankelijk zijn, zou hieruit kunnen putten.
In de volgende stap in deze verkenning is de verkenning van de vraag of God nu wel of geen deel uitmaakt van het Zijn. Diverse auteurs zullen voor het voetlicht verschijnen, telkens vanuit hun eigen preoccupaties.
Dit is een deel uit mijn essay: God in de leegte. Het hele essay is te lezen (eventueel te koop) (en te downloaden) op:

Noten:
1 Chinesische Philosophie: Liu Hua Yang: Hui Ming Ging – Das Buch von Bewusstsein und Leben. Asiatische Philosophie – Indien und China, S. 29362
2 Dshuang Dsi, Das wahre Buch vom südlichen Blütenland. Aus dem Chinesischen übersetzt und erläutert von Richard Wilhelm, Köln 2007, (Anaconda Verlag). p. 241
3 Lao Zi. Het boek van de Tao en de innerlijke kracht. Vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper, Amsterdam Antwerpen 2016, (Uitgeverij Augustus), pp. 9-10 “De filosofie van de Laozi staat haaks op de officiële ideologie van het koninkrijk. In het oude China werd een koning geacht de ‘vorstelijke weg’ ( wangdao) te bewandelen. Omdat de koning werd gezien als ‘de Zoon des Hemels’, was zijn weg ook een afspiegeling van ‘de Weg des Hemels’: het traject van de sterren en daarmee de lotsbestemming van al wat is. (noot: In de klassieke orthodoxie had ‘Hemel’ (tian) ongeveer dezelfde betekenis als ‘God’). Later in de klassieke oudheid van China werd dat idee verder uitgebreid door niet alleen de hemellichamen, maar bovendien de natuurfilosofie van de twee principes yin en yang en de daarmee samenhangende theorie van de vijf fasen (wuxing) en soortgelijke categorieën in de ‘Weg des Hemels’ te betrekken. Op die manier de Tao -het hemelse bestel -volgen was een ingewikkeld ritueel, waar de Klassieken vol van stonden. Maar deze koninklijke riten hebben niets te maken met de ‘eeuwige Tao’ waar het in de Laozi om gaat.” Ibid., p. 9
4 Ibid., pp.10-11; en ook: “Met het begrip de hebben we wederom te maken met een woord waarvoor verschillende vertalingen in omloop zijn. De meest voorkomende is ‘deugd’. Ook hier moeten we constateren dat deze manier van vertalen minder te maken heeft met de betekenis die het woord de in de Laozi heeft dan met de manier waarop de meest gangbare commentaren dit begrip verklaren. Deze commentaren zijn voor het merendeel door confucianisten geschreven en zo is het niet verwonderlijk dat hun opvatting in dit geval eens te meer overeenkomt met die van hun school, en geenszins met die van het taoïsme. In het confucianisme zijn Tao in de zin van ‘weg’ en de in de zin van 10 ‘deugd’ nauw met elkaar verbonden: het zijn allebei machtsprincipes. Volgens de leer van Kong Zi (Confucius) zal de Hemel (‘God’) als men over een grote deugd beschikt zegen brengen in de vorm van een belangrijk bestuursmandaat. Dat mandaat moet dat worden uitgeoefend volgens de Weg van de Hemel, die bestaat uit de morele principes van menslievendheid, gerechtigheid en wat dies meer zij. De weg is de toepassing van die morele principes. Het is duidelijk dat de Laozi over iets heel anders gaat. Een andere gangbare vertaling van het woord de is ‘kracht’. Dit is minder aanvechtbaar in de zin dat de -hetzelfde woord maar soms anders geschreven -nog de verdere en diepere betekenis heeft van ‘verworvenheid’. Hiermee is bedoeld een soort kapitaal van levenskracht, dat niet alleen macht geeft in dit leven, maar bovendien nog door de voorouders kan worden overgebracht op hun nazaten.”
5 Ibid., p.10
6 Vgl. Ibid., p.12: “Met het ‘zichzelf zijn’ (ziran) en het ‘niets doen’ (wuwei) raken de wezenlijke kern van het taoïsme, en eigenlijk gaat de hele Laozi ( en ook de hele Zhuangzi) over weinig anders.”
7 Ibid., p. 12; ook: “Wu betekent ‘niets’ of ‘er is niets’, en ik vertaal deze sleutel term, die meer dan honderdmaal in de Laozi voorkomt, met ‘niets doen’. Veel termen en uitdrukkingen beginnen met wu, zoals wuming (‘zonder naam’), wubian (‘grenzeloos’), wufa (‘geen mogelijkheid’, ‘hopeloos’). In al deze en nog veel meer gevallen wordt wu gevolgd door een zelfstandig naamwoord, niet door een werkwoord; om een werkwoord negatief te maken gebruikt het klassiek Chinees een andere negatie: bu. Nu wei: dit is in de eerste plaats het werkwoord ‘doen’. In het modem Chinees wordt wei in deze betekenis met de tweede toon uitgesproken. Maar als wei met hetzelfde karakter geschreven in de vierde toon wordt uitgesproken, dan betekent het ‘iets voor iemand of om een bepaalde reden doen’. Het gaat hier in wezen om hetzelfde woord, en het verschil in uitspraak is pas later ontstaan. Vandaar dat we wuwei ook kunnen begrijpen als ‘zonder [speciale] reden’, met andere woorden ‘spontaan’ iets doen. Vandaag de dag wordt wuwei in China begrepen als zijnde ‘niets doen’, en dus krijgt wel de tweede toon. Maar de bijbetekenis van ‘iets ergens om doen’ moet niet vergeten worden, want het gaat er hier wel degelijk om dat we niet onze eigen kennis en begeerten zo gaan verwezenlijken dat het ten koste gaat van het evenwicht. Vandaar dat men soms wuwei als ‘niet handelen’ of ‘niet ingrijpen’ vertaalt. Dat is op zichzelf niet fout, maar er is veel meer.”
8 Schipper legt zijn keuzes uit in een commentaar: “DE POORT De eerste zin bevat een woordspeling op ‘Tao’ (dao). De oorspronkelijke betekenis ‘weg’ kreeg later de bijbetekenis van ‘spreken’ in de zin van ‘onthullen’. Letterlijk vertaald luidt de zin dus: ‘De Tao die gezegd [ge-Tao-ed] kan worden is niet de eeuwige Tao.’ Het gaat hier om een fundamentele stelling: ‘De Tao kun je niet in woorden uitdrukken, want als je hem in woorden uitdrukt is het de Tao niet meer.’ (Zhuangzi, 22:VIII) De tweede zin, over het geven van namen, is een directe kritiek op de confucianistische leerstelling dat alles de ‘juiste naam’ moet krijgen, want de naam behelst niet alleen de identiteit van ieder mens en ding, maar bepaalt daarmee ook de rol die hij moeten vervullen: ‘Een heer moet een heer zijn en een dienaar een dienaar; een vader moet een vader zijn en een zoon een zoon.’ (Analecta, 12:11) ‘Het niets’ en ‘het iets’: veel vertalingen hebben ‘zijn’ en ‘niet-zijn’, maar de termen you en wu betekenen eigenlijk ‘hebben’ en ‘niet-hebben’ en ‘er is iets’ versus ‘er is niets’. Of de vroege Chinese filosofie het abstracte concept ‘zijn’ (esse) kende wordt betwijfeld. Het fundamentele wezen van de Tao komt overeen met de chaos (hundun), en deze eenheid gaat verloren door de differentiatie van de ‘tienduizend dingen’ in de schepping van ‘de moeder’. Het is dus alleen mogelijk om deze oorspronkelijke eenheid terug te vinden door onszelf totaal leeg te maken van begeerte, want door begeerte bestaan onderscheiden tussen wat we wel willen en wat niet (zie het volgende hoofdstuk). Ook het onderscheid tussen de verschillende modaliteiten van ‘iets’ en ‘niets’, de chaotische entropie van de kosmische uterus en de verscheidenheid van de fenomenen bij de geboorte van het heelal moet uiteindelijk worden teruggebracht tot het fundamentele Ene (taiyi). Toch blijft ook deze ondoorgrondelijke eenheid nog altijd een concept: iets wat gedacht, gezegd en bediscussieerd kan worden. Om deze laatste hindernis te nemen zegt de tekst: niet alleen ‘het duistere’, maar ook het ondoorgrondelijke dat aan deze duisternis ten grondslag ligt geeft ons uiteindelijk toegang, niet tot ‘het mysterie (opnieuw een concept!), maar tot de dichte massa van alle mysteriën.” Ibid., p. 22
9 Ibid., p. 23
10 Laozi, Daodejing. Der Weg der Weisheit und er Tugend. Eine Übertragung von Jan Philipp Reemtsma, München 2017, (C.H. Beck), p. 9
11 Ibid., p.53
12 Ibid., p.26
13 Zhuang Zi. De volledige schriften. Het grote klassieke boek van het taoïsme. Vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper, Amsterdam Antwerpen 2014 (Uitgeverij Augustus)
14 Een Gedicht van Salomon Zeitscheck, die alles en iedereen in de oorlog verloor. Een verhaal van Abel Herzberg, Drie rode rozen z.j.,z.p.
Want alles is fragment
Al door het zeggen van het woord
Deelt men, scheidt men en schendt
Het al omvattende, dat men niet kent,
Dat ik aanwezig weet, of alleen maar vermoed, Dat ik niet uitspreken kan en toch uitspreken moet, Dat mij beheerst, dat mij te luisteren gebiedt,
En als ik zoek en luister, dan vind ik het niet. Een troost blijft:
Er is in ieder woord een woord,
Dat tot het onuitspreekbare behoort; Er is in ieder deel een deel
Van het ondeelbare geheel,
Gelijk in elke kus, hoe kort,
Het hele leven meegegeven wordt
