Hoopvol
Te vaak hief ik vol hoop
mijn hoofd op,
in de hoop
dat het kwaad verdwenen zou zijn,
en dat gebeurde ook,
maar er kwamen nieuwe voor in de plaats,
de oude waren er nog steeds,
de nieuwe waren naamloos.
Johannes Kühn(15)

Mijn hulp komt van God, van over de bergen, zo spreekt de psalmist. Psalm 121,1-2 zegt: “Ik hef mijn ogen op naar de bergen: vanwaar zal komen mijn hulp? Mijn hulp is van bij de Ene, de Maker van hemel en aarde.” (Naardense bijbel) Voeden de bergen de hoop op redding? Waarom niet over zee? Waarom over de bergen? Ligt er achter de bergen een andere, een nieuwe horizon? En wat is hoop precies? Karl Jaspers probeert daar antwoord op te geven in: Die Kraft der Hoffnung. Hij grijpt terug naar het aloude verhaal over de kist van Pandora:
“Toen Zeus de mensheid wilde verleiden door middel van dubbelzinnigheid, stuurde hij de verleidelijke Pandora. Hij gaf haar een doos vol geschenken. Pandora, nieuwsgierig, tilde het deksel op en alle schatten vlogen de lucht in. Toen ze het deksel dichtsloeg, bleef alleen de hoop over als bezit van de mensheid. Is het goed of slecht? Ook dat is dubbelzinnig. Een Griekse interpretatie luidt: Alleen de hoop woont nog onder de mensen als een welwillende godin, terwijl alle anderen naar de Olympus zijn gevlogen. De andere interpretatie: Hoop is een kwaadaardige godin, verleidelijk misleidend zoals Pandora zelf.
We horen de dubbelzinnigheid van hoop terug in de gezegden van alle tijden. Hoop is kracht en inspiratie, zeggen sommigen – hoop is een bedrieglijke illusie, zeggen anderen. Mensen leven wankelend tussen hoop en angst, merkt Ovidius op. Hoop is sterke moed en hernieuwde wil, zegt Luther. La Rochefoucauld denkt ironisch: Hoop, hoe bedrieglijk ze ook mag zijn, dient ons tenminste om ons langs een aangenaam pad naar het einde van ons leven te leiden.
Onze vragen zijn: Is hoop bedrieglijk? In welke vorm kan hoop oprecht zijn en kracht geven?”(16)
Is de hoop zelf wel ‘hoopvol’ of is het eerder een vorm van (zelf)bedrog, zeker als deze nergens op is gestoeld of als de voorwaarden voor vervulling van bijvoorbeeld een overwinning of een redding niet zijn gegeven. Hoop hangt samen met tijd, met toekomst, met dat wat nog kan komen, hier in de wereld, of misschien na de dood.(17) Jaspers stelt:
“Maar de tijd zelf is hoop. Leven zonder hoop is als helemaal niet leven. Hoop, die opbeurend is, is het geluk van het bestaan, zelfs in grote nood. Hopeloosheid is als de dood van de nog levende. Boven de poort naar de hel, de wereld van volkomen kwelling in de belichaming van de eindeloze tijd, plaatst Dante de woorden: Laat alle hoop varen, gij die hier binnentreedt. Door de millennia heen is de lofzang op hoop dan ook blijven bestaan. “In ellende blijft alleen hoop een remedie,” lezen we bij Shakespeare, en ook: “Hoop is snel en vliegt op zwaluwvleugels.” “Wie altijd hoopt, sterft zingend,” luidt een spreekwoord. “Zelfs in het graf plant hij hoop,” zegt Schiller. Een Indiaas gezegde van Barthripari luidt: “Rimpels bedekken de wangen en zilver haar de kruin. Oud en zwak zijn de ledematen, maar de hoop is jong.” Hoop en angst horen evenzeer bij het bestaan, omdat in het bestaan de toekomst onzeker is. Wanneer twijfel verdwijnt, leidt zekerheid ofwel tot hoogmoed bij hoop, ofwel tot wanhoop bij angst. In beide gevallen wordt de openheid voor het mogelijke gedoofd, en raakt het werkelijk menselijke leven, hetzij door arrogantie of wanhoop, verlamd.”(18)
Jaspers vraag zich af of er ook een vorm van hopen is , een derde vorm die zowel “de waarheid bevat van het heldhaftige zonder enige verzachting, van de gelovige zonder de illusie van eeuwigheid in de tijd? Het zou de weg van de hoop zijn; die past bij de mensheid als mens en bij de waardigheid die haar is geschonken. Het is niet gericht op een permanent aards bestaan, noch op een toekomstig permanent koninkrijk in het hiernamaals, maar op wat ons in ons leven hier en nu geschonken zou kunnen worden: de ervaring van eeuwige aanwezigheid, tijdloos, zonder verleden of toekomst; de ervaring niet verloren te gaan in falen, omdat, om in Bijbelse termen te spreken, God er is.”(19)
Al misluk je hier in het leven, je bent niet verloren. Het is een vorm van hoop die paradoxaal kan zijn zoals in het bijbelse geloven vaak wordt gezegd: ‘door God verlaten, op God vertrouwend.’ Jaspers schrijft over die gelovige die in het spoor van de profeten uit Israel ondanks alle ellende en vervolgingen durft te zeggen: “Zij kunnen met Jeremia geloven: God plant en God ontwortelt; wat voor grote dingen begeert u? Begeer ze niet! Dat wil zeggen: dat God bestaat, is genoeg.”(20) Ook Theresia van Avila heeft daarop haar hoop gevestigd: “Nada te turbe…Sólo Dios basta.”
Een glimp van de wildernis
Ik ervoer de onmetelijkheid van de wereld
tijdens mijn reizen door de uitgestrekte gebieden,
prefecturen.
De wolkenbergen gaan over in de Vijf Bergen.
De gebruiken hier spreken nog steeds
van de stammen van de Drie Miao.
De bomen in het veld verdwijnen steeds dieper
in de steeds breder wordende beek.
Lenteriet ontspruit
uit de smeltende sneeuw.
In de smalle boot drijf ik nutteloos
verder de ouderdom in,
zonder een steun te zijn voor de verlichte dynastie.
Du Fu(21)
De schrijver en dichter Durs Grünbein schrijft in zijn Aus der Traum(Kartei) als hij over het vak van de dichter schrijft en het metier ‘dichten’ met betrekking tot de hoop, het volgende:
“Hoop is een achterwaarts werkende kracht. Ze is gebaseerd op het feit dat we hebben gezien hoe alles is ontstaan, en dat vervalprocessen tijd kosten. De verheven tempels, de magnifieke paleizen zijn niet van de ene op de andere dag ruïnes geworden. In deze traagheid van verval, afgemeten aan iemands eigen levensduur, ligt alle hoop verankerd. Of beter gezegd, begraven. Zodra het verval versnelt, om welke historische redenen dan ook (en versnelling is de essentie van onze tijd), zijn zelfs de laatste reserves aan hoop uitgeput. De centrifugale krachten zijn simpelweg te groot geworden. Wat nu? Utopieën sterven, zelfs de eeuwigheid veroudert (Celan).”(22)

Grünbein ziet het nuchter. Alles vergaat, alles vervalt, hoe mooi ook de idealen, hoe stijlvol de vormgeving van gebouwen, paleizen, wolkenkrabbers. Alle grote rijken uit het verleden zijn een keer in verval geraakt.
Hoe lang is het geleden dat onze voorouders nog jagers en verzamelaars waren? 150 generaties geleden? 150 generaties van vrouwen (en mannen) die leefden en die een kind baarden dat ook weer nakomelingen kreeg? 50 generaties geleden leefden wij in het Romeinse rijk. 20 generaties geleden in de middeleeuwen. Als je uitzoomt op onze geschiedenis zien we dat we miniem zijn, zeker in de tijd die eindeloos lijkt. Als je inzoomt op onze wereld kan alles groot en belangrijk lijken, maar wie houden we hier voor de gek? Het is ook een kwestie van perspectief waarmee we naar ons leven (leren) kijken en dat onze waardeoordelen, onze angsten en zorgen, onze verlangens en ons hopen bepaalt. En welke horizon gaat dan open, wat is de einder en wat valt daar te zien? Zoals de wandelaar op het schilderij van Casper David Friedrich die hoog in de bergen over de nevel en de wolken kijkt, en wij kijken met hem mee.(23)
Goethe heeft in 1780 de berg Kickelhahn beklommen en met potlood toen een gedicht op het kozijn geschreven van een jachthut. 51 jaar jaar komt hij daar weer op de dag voor zijn eenentachtigste verjaardag en barst in tranen uit als hij zijn eigen woorden leest, volgens het getuigenis van zijn begeleider Johann Henrich Christian Mahr. Hij schijnt toen ook zachtjes gezegd te hebben: “Ja: warte nur, balde ruhest du auch!”(24) Deze laatste woorden komen uit dit gedicht dat door Schubert op muziek is gezet en dat wereldberoemd werd:
“Ueber allen Gipfeln
Ist Ruh’,
In allen Wipfeln
Spürest Du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur! Balde
Ruhest du auch.”
“Overal op de heuveltoppen heerst vrede,
in alle boomtoppen
voel je
nauwelijks een ademhaling;
de kleine vogels zwijgen in het bos.
Wacht maar! Straks
zul je ook rusten.”
Kitaro Nishida, die onder de indruk was van Goethe, heeft dit gedicht in het Japans op de grafsteen van graaf Shūzō Kuki gezet na diens overlijden. Kuki heeft met Heidegger veel gesprekken gevoerd over de verschillende culturen. Ryōsuke Ohashi die een soort van pelgrimage maakt langs oude graven en tempels in Kyoto, een route die later de filosofenweg is gaan heten (net als in Heidelberg waar Nietzsche en vele anderen plachten te wandelen) analyseert het verschil in benadering van dit vers van Goethe door de vertaling van Nishida en het gebruik van dit vers door Heidegger in ‘Einführung in die Metaphysik’.(25) Nishida schrijft (met vertaling uit het Japans van Ohasi):
Miharukasu yama no itakadi
Auf den weit entfernten Gipfeln, die ich überblicke.
Op de verre bergtoppen die ik overzie.
kozue ni wa
kaze mo ugokazu
tori mo nakazu
An den Wipfeln weht kein Wind, auch die Vögelein schweigen
Er staat geen wind in de boomtoppen, en zelfs de vogels zwijgen.
mate shibashi
yagate nanji mo yasurawan
Warte nur! Balde ruhest du auch.
Wacht maar af! Binnenkort rust je ook.
Nishida vertaalt niet ‘Ist Ruh’. Voor hem wordt de rust uitgedrukt in het niet waaien van de wind, het zwijgen van de vogeltjes. Je ziet Nishida staan op de berg, uitkijkend, zoals de wandelaar op het schilderij van Friedrich. Hij drukt zijn lichamelijke ervaring uit, de rust is lichamelijk ervaarbaar en aanwezig.(26) Hij staat als het ware zelf op de berg zoals Goethe op de berg stond en over de heuvels uitkeek. In de beschrijving van Nishida gaat het niet om de objectieve beschrijving van een derde persoon. Het is voor hem een ‘pure ervaring’ zoals hij die eerder heeft beschreven. Een ervaring die buiten de onderscheiding van subject en object valt.(27)
Voor Heidegger ligt het accent op het ‘Ist Ruh’ dat voor hem de verwijzing is naar het zijn als Zijn.(28) Het grote verschil met Nishida is dat deze laatste door het weglaten van het ‘Ist Ruh’ wil uitdrukken dat het ‘Niets’ deze rust is – de ervaring van het ‘Niets’, de leegte, in het kijken over de bergtoppen in de ‘ijlte’ van de stilte. Ohasi wijst ook op het begrip ‘Wind’ bij Nishida als vertaling van ‘Hauch’. ‘Hauch’ kan ook adem en pneuma betekenen. Ohasi stelt dat dit voor Goethe waarschijnlijk ook op een voorgevoel van de eigen dood sloeg. Goethe zal een half jaar later overlijden. Ook Nishida deelt dat voorgevoel.(29) Zo is de persoonlijke dood reeds aangekondigd en raken deze woorden vooral hen, die hiermee in het reine proberen te komen, na een leven vol ervaringen, vol hoogte en dieptepunten. Nishida kan hierover meepraten. Hij verloor voor zijn eigen dood vijf van de acht kinderen.
Negenennegentig namen
Ik verzin
negenennegentig namen voor hoop,
ik noem ze
stoel, tafel, bed,
brood, koffie, wijn,
regen, zon, onweer,
pijn, gezondheid,
liefde, slaap, vogel, boom, kind.
Ik verzin ook negenennegentig namen
voor menselijkheid erbij
en schrijf ze op
in mijn zakagenda.
Aan het einde van het jaar verplaats ik ze:
11 januari,
de stijgende kosten van basisvoedsel
wissen de herinnering
aan het breken van het brood niet uit;
12 april,
de militaire dictatuur
verhindert niet het onweer
dat de lucht boven de stad
opklaart;
13 oktober,
marteling
wist de smaak
van een kus niet van de lippen.
Hoop, menselijkheid:
Honger en angst en geweld
zullen
thuishoren in het museum
van uitgestorven woorden.
Fritz Deppert(30)

Peter Strasser die met dezelfde vragen worstelt over zin en zingeving in het leven, over een houvast en een perspectief, ook in het licht van de dood, in zijn ‘Kritik der Spiritualität’, spreekt over de troost van het geloof voor de gelovigen maar ook over de realiteit van het kwaad en de uitdaging om als mens hiermee om te gaan. Hij verwijst naar een schrijver die stelde: God is kwaad(aardig) (böse). Hij schrijft:
“Maar: God is kwaad. Dit is een apodictisch oordeel in het licht van de toestand waarin alle aardse rijken gevangen zitten. Hoewel er geluk, liefde en allerlei vreugde op aarde zijn, is de hoeveelheid ellende zo overweldigend dat het tegenovergestelde nauwelijks de moeite waard lijkt om te noemen.
God is kwaad, de wereld is kwaad. Wie, binnen het domein van religieus inzicht, zou dit verband niet al lang hebben ontdekt? En toch deinst het religieuze gevoel terug voor een dergelijk oordeel. In het algemeen zijn oordelen over God ongepast.
Het is niet aan de mens om het Allerhoogste, het Absolute, het scheppende principe te beoordelen. Het enige wat we weten is dat alles wat we weten geconditioneerd is op een manier die ons bevattingsvermogen te boven gaat. We zijn eindige wezens, begiftigd met een brein waarvan de capaciteit eindig is. We zijn sterfelijk.(31)
Strasser pleit voor een wijze van bestaan die accepteert dat deze wereld onvolmaakt is en dat de mens in die onvolmaaktheid verder moet kijken dan de pure immanentie, alsof alles alleen maar materieel, ondoorzichtig (opaak), alleen maar op feiten is gebouwd zonder scheuren, die het ‘licht van de transcendentie’ kunnen doorlaten. Hij spreekt over een Geborgenheit im Schlechten. Ook in het beperkte, het negatieve, het onvolmaakte, zonder dit te veroordelen, zonder totalitair ingrijpen om alles naar je hand te zetten (bijvoorbeeld facisme), kan de mens zich thuis voelen, ‘beheimatet’ omdat er ook het ‘schone, het goede en het ware’ bestaat, het genieten van het leven, de levensvreugde en de liefde. Hij drukt zich zo uit:
“De uitdrukking “Het is zoals het is, en het is goed” wijst op een maatstaf voor beoordeling die toelaat dat dingen meer zijn dan alleen van deze wereld. Want het geheel als “goed” beoordelen in de metafysische zin verbrijzelt de hel van de eindigheid: … zo komt het licht binnen. We weten – omdat dit een zekerheid is van ons bestaan in de wereld – dat dingen “niet alleen van deze wereld” zijn, maar we hebben geen directe ervaring van hun grondslag in het transcendente. Wat we echter wel hebben (en wat we kunnen verklaren), zijn de ontologische overschotten die in al onze ervaringen besloten liggen en die we tot aan de uiterste grenzen van het absolute kunnen onthullen. Tenminste, sommigen van ons, de grote kunstenaars en mystici, kunnen dat. Maar bij nader inzien zijn alle mensen in staat iets te zien voorbij het lelijke en het kwade: een belofte van veiligheid, die natuurlijk pas vervuld zou worden wanneer de dingen “verlost” zouden zijn.”(32)

Het geluid van de spiegels
verbrijzelt
op de aarde
Scherven
tussen dag en nacht
dag en nacht
Wat zien we
tussen de schaduwen
Wat zullen we weten
Amir Eshel(33)
Maar ook Strasser is nuchter genoeg om te beseffen dat wij in een wereld leven waarin niet iedereen zo idealistisch is om in deze onvolmaakte wereld tegen het kwaad te vechten, zich sterk te maken voor de toekomst van de nakomelingen, het ‘goede, schone en ware’ in het eigen leven concreet gestalte te geven in het eigen gedrag. Velen zijn verslaafd aan de goederen die in de consumptiemaatschappij worden aangeboden. De criminaliteit gekoppeld aan het drugsgebruik blijft alleen maar in stand zolang er gebruikers zijn. En dat geldt voor alle verslavingen.(34) Belangrijk is, zo Strasser dat we geen valse hoop hebben, niet vervallen in cynisme en dat we de wereld en de mensen niet vervloeken:
“De voorwaarde om de wereld niet te vervloeken, maar ons – vanuit een menselijk perspectief – te onderwerpen aan haar ‘hogere wijsheid’, is een zekere mate van zelfbeheersing, zowel intellectueel als emotioneel. Als we deze zelfbeheersing verliezen omdat alles wat we zien wordt gedreven door krachten die geen transparantie bieden ten aanzien van een horizon van de schepping, dan vervallen we in excessen. We proberen ons dan als supermensen tegen de dingen te verzetten – en daarbij nemen we de duistere impulsen van het leven over – of, in wanhoop over de zinloosheid van dit alles, maken we een einde aan ons eigen leven (als we niet meteen iedereen die we kunnen bereiken met ons mee de dood in slepen).”(35)
Een blik op onze horizon, een nieuwe horizon, namelijk de realistische inschatting van wie we zijn, wat we zijn en met wie we zijn, is nodig. Een ongedeelde wereld, een ongedeelde mensheid, een klimaat, een route om samen te gaan. Maar zijn we er dan? Is er niet meer nodig?

De menigte voor God
Om oprecht te kiezen,
Om met angst te volgen
Het verdere pad
Door dwaling voor Hem.
Het gestamp van de massa
Ontkracht het pad.
Wat overblijft, ligt voorbij.
Wat vlucht, verspreidt zich.
In stof en grijs
Spelen kinderen misschien
Voor een verborgen poort
Naar het hart van de Heer.
Maar de adem
Van de mist voedt
Onze duisternis met nevel.
Smeedt stenen
Angst op onze hielen.
Honger holt uit
De droom van de ziel.
Hoe zouden we anders de hemel hebben
Zo beschermd tegen vuur
Van de hel tegen de duivel,
Zo geheiligd door lijden
En gekroond door verschrikking?
Verplaatst in de menigte
Ieder van allen
Verspreid als kaf,
Veel eenzamer is de een
Dan hij alleen
Op een smal pad
Nadert de heldere hoogte
in toewijding.
Brede Weg
Om te bewandelen,
die zich uitstrekt zonder troost
Naar de verdoemenis,
Heeft Macht ons in staat gesteld.
Brede weg om te stappen,
Die kronkelt door de verdoemenis,
Kromt door kerkers,
Kloven door de hel,
Totdat voor God,
Een vonk in het bloed
Ons dof heeft geroepen,
Die niet zullen vergaan.
Sterren rijzen geruisloos op,
Geleid door vleugels,
Naar een gezegend pad.
Een zoetere kus
verlicht de geur van de bloemen,
Bloemen van geliefden
verspreiden zich in het universum.
Stralender baant het lied zich een weg,
In het blauw, en meer blootgesteld,
leggen engelen hun harten,
Op de weegschaal van de waarheid.
Wij, gehuld in wolken,
Wij, in ketenen gesleept,
Diep de nacht in,
Bloedend en met brandende monden,
Als ontsnapte schurken,
Als de getekende Kaïn,
kloppen we aan de poort,
Niet teder, maar aarzelend.
Want het verbod doet ons huiveren.
Verblind door de schittering van pracht en praal,
duwt armoede ons naar de aarde,
en dragen we de last van schuld op onze schouders.
Achter de bewaakte poort,
Heer, hoor ons!
Afschuwelijke naaktheid,
wij sparen uw oog,
goddelijk oog van gerechtigheid.
Maar nog steeds verlangend,
snikt ons bloed,
geluk beproefd door gif,
kind van de hemel, verloren in ons.
Ingesloten in modder,
gemaakt van vuil,
gedreven door het juk,
dragen we uitdagend
de last van ons lot,
en verwerpen we het geklaag.
Maar uw kind, dat wij
met onze ziel hebben gezoogd,
gevoed met ons bloed,
zodat het in doodsangst opwelde uit onze gekwelde harten,
neem het terug om het te redden!
Onze bescherming verzwakte.
Onze dag werd moe.
Onze vurigheid is opgedroogd
door de dorst van uw kind.
Toch deelt het diep in ons,
omdat het uit de diepte heeft gedronken,
omdat het vanuit de diepste afgrond nog steeds naar zijn licht verlangde.
Moge het daarom boven ons schijnen,
niet ontsierd door eelt,
noch aangevreten door zwakte,
noch verrot door ellende.
Moge het daarom boven ons
de majesteit van de nood prijzen,
en de edelheid van de ellende,
en zelfs de schoonheid in de schande!
Moge het boven ons
en voor ons voor ons bidden,
beter dan wij, omdat het meer gezegend is.
Ora pro nobis (Bid voor ons).
Albert Drach(36)
Dit is een deel uit mijn essay: God in de leegte. De Duitse citaten heb ik in het Nederlands vertaald met Google translate.Het hele essay is te lezen (eventueel te koop) (en te downloaden) op:
https://levenshorizonten.com/4-essays-over-god

noten:
16 Karl Jaspers, Das Wagnis der Freiheit. Gesammelte Aufsätze zur Philosophie. Herausgegeben von Hans Saner, München Zürich 1996, (Piper), p. 212
17 Vgl. Jaspers, Ibid., p. 218: “Hoffnung geht auf Zukünftiges, ist gebunden an Zeit, erwartet Verwirklichung in der Welt. Zielt Hoffnung dagegen auf ein Jenseits der zeitlichen Welt, auf die Ewigkeit als Zukunft, so zieht sie die Ewigkeit selber in die Zeit. Vorstellungen übersinnlicher Zukunft können Chiffren sein, um das Unanschauliche der ewigen Gegenwart, die nicht Zukunft oder Vergangenheit oder zeitliche Gegenwärtigkeit ist, aussprechbar zu machen. Werden solche Chiffren leibhaftig, so ist die Ewigkeit verkehrt zur zeitlichen Dauer. Weil Hoffnung an Zeit gebunden ist, die Zeit nicht überschreiten kann, muss sie in der Zeit sich bewähren. Vertraut sie auf Verheissung von Glück in der Welt, so kann sie enttäuscht werden, wenn sie sich als falsch erweist. Vertraut sie auf ein zeitlich zukünftiges Jenseits, so ist in der Zeit zwar eine Enttäuschung nicht möglich, aber auch nicht die Bewahrheitung dieser Hoffnung. “
18 Ibid., p. 218
19 Ibid., p. 220
20 Ibid., p. 215
21 Du Fu, Gedichte. Aus dem Chinesischen übersetzt und kommentiert von Raffael Keller, Mainz 2009 (Dieterich’sche Verlagsbuchhandlung), p. 125
22 Durs Grünbein, Aus der Traum (Kartei). Aufsätze und Notate, Berlin 2019 (Suhrkamp), p. 91
23 Der Wanderer über dem Nebelmeer, (bron: Internet geraadpleegd 12 februari 2022: https://nl.wikipedia.org/wiki/Der_Wanderer_über_dem_Nebelmeer)
24 Ryōsuke Ohashi, Ibid., p. 98; zie ook: “Nicht nur die Deutschen, sondern auch alle Goethe-Liebhaber in der ganzen Welt kennen dieses Gedicht. Goethe (1749-1831) hat es wahrscheinlich am 6. September 1780 auf das Fensterbrett in einer Jagdhütte auf dem 861 m hohen Berg Kickelhahn mit Bleistift geschrieben. Da er damals Minister im Herzogtum Sachsen-Weimar-Eisenach war und der Berg nicht allzu weit von seinem Wohnort entfernt lag, ist er einige Male auf diesen Berg gestiegen. Mit dem Abstand von ein paar Jahrzehnten stieg er am 27. August 1831 wieder auf den Berg. Das war am Tag vor seinem einundachtzigsten Geburtstag. Er fand das von ihm selbst auf das Fensterbrett geschriebene Gedicht wieder. Der Berginspektor Johann Heinrich Christian Mahr, der ihn begleitete, schrieb, dass Tränen über die Wangen Goethes flossen. Nachdem Goethe sich die Tränen mit dem Taschentuch getrocknet hatte, sprach er in sanftem, wehmütigem Ton: >Ja: warte nur, balde ruhest du auch!< Dann schwieg er eine Weile. Der Text von Johann Heinrich Christian Mahr trägt den Titel Goethes letzter Aufenthalt in Ilmenau und erschien ursprünglich im Weimarer Sonntagsblatt Nr. 29 vom 15. Juli 1855.”
25 Vgl. Ibid., pp. 99-103
26 Vgl. Ibid. pp. 101-102: “Der hier zitierte Vers »Über allen Gipfeln / Ist Ruh’« wird von Nishida so übersetzt, dass eine Rückübersetzung ins Deutsch lauten kann: »Auf den weit entfernten Gipfeln, die ich überblicke.« (Miharukasu yama no itadaki) Man sieht gleich, dass der für Heidegger entscheidende Ausdruck »ist Ruh« einfach ausgelassen wird. Allerdings liess Nishida nicht einfach das genannte Wort weg. Die von ihm übersetzten weiteren Verse lauten, um diese wiederum in einer Rückübersetzung wiederzugeben: »An den Wipfeln weht kein Wind, auch die Vögelein schweigen« (kozue ni wa / kaze mo ugokazu / tori mo nakazu). In dieser Übersetzung spürt man, dass die » Ruhe« konkret und real vorhanden ist. Wenn vorher eine erklärende Beschreibung wie »Die Ruhe ist« kommt, verliert das übersetzte Gedicht an innerer Spannung. “Der entscheidende Unterschied zwischen dem originalen und dem übersetzten Gedicht beginnt eigentlich schon mit dem ersten Vers in der Übersetzung Nishidas. Der Vers lautet, um ihn wiederum in der Rückübersetzung wiederzugeben: »Auf den weit entfernten Gipfeln, die ich überblicke.« Der Dichter steht auf dem Gipfel von Kickelhahn und überblickt die Gipfel der Berge in weiter Ferne, so wie es sicherlich auch Goethe selbst getan hat. Das Gefühl der wirklichen Anwesenheit des Dichters auf dem Berg Kickelhahn wird dann mit dem Ausdruck Nishidas »ich überblicke« unmittelbar gegeben. Der Dichter spurt dort rein körperlich, dass “kein Wind weht und die Vögelein schweigen”.
27 Vgl. Ibid., p. 102: “In der Übersetzung Nishidas handelt es sich nicht um die objektive Beschreibung eines Dritten, sondern um die Äusserung des wirklich dort in der Ruhe auf dem Berggipfel Stehenden, um den Ausdruck seines Körpergefühls. Man könnte sagen, es handele sich um die »reine Erfahrung« im Sinne Nishidas, die diesseits jeglicher Spaltung in Subjekt und Objekt liegt.”
28 Vgl. p. 101: “So veröffentlichte Heidegger 1927 »Sein und Zeit«, die Schrift die als das grösste Ereignis in der Philosophiegeschichte des 20. Jahrhunderts angesehen werden kann. Aber die Seinsfrage wurde in dieser Schrift nicht »beantwortet«. Sie blieb für Heidegger als die Frage bestehen, die ihn im Denken weiter bewegte. Ein Wegweiser auf diesen Denkweg ist die Vorlesung von 1935 »Einführung in die Metaphysik«. Heidegger spricht in dieser Vorlesung sinngemäss wie folgt: Das »ist« lässt sich in verschiedenen Wendungen gebrauchen und ersetzen bzw. umschreiben. Wir sagen: »Gott ist«, d. h., Gott ist wirklich gegenwärtig; »die Erde ist«, d. h., die Erde ist ständig vorhanden; »der Vortrag ist im Hörsaal«, d.h., der Vortrag findet dort statt; »der Bauer ist auf dem Feld«, d. h., der Bauer hält sich dort auf; »der Becher ist aus Silber«, d.h., er besteht aus Silber; »der Hund ist im Garten«, d.h., er treibt sich dort herum. Wie steht es nun um den Ausdruck »Über allen Gipfeln / Ist Ruh’«? Heidegger bemerkt, dass dieses »ist« im letzten Beispiel sich gar nicht umschreiben lässt. Wenn man versuchsweise eine Umschreibung wagt: »Über allen Gipfeln / herrscht Ruh«, so wird man gestehen müssen, dass die Ruhe, die »herrscht«, keine Ruhe mehr ist, die über allen Gipfeln »ist«. Er sagt: » In diesem >ist< eröffnet sich uns das Sein in einer vielfältigen Weise«.”
29 Vgl. Ibid. pp. 101-102: “Das Nichts ist für Nishida die Wahrheit des Seins, die in der »reinen Erfahrung« der »Ruhe« bewahrheitet wird. Diese Ruhe wird darin als real gegenwärtig empfunden, so dass: »An den Wipfeln [ … ] kein Wind [weht], auch die Vögelein schweigen« (kozue ni wa / kaze mo ugokazu I tori mo nakazu). Der hier erwähnte »Wind« entspricht dem im Gedicht Goethes besagten »Hauch«, der auch Atem und Pneuma impliziert. Im Gedicht Goethes wird dieses Wort offensichtlich nicht nur wegen der Reimung, sondern auch wegen der Ahnung des »Todes« gebraucht und bereitet die letzten Verse »Warte nur, balde/ Ruhest du auch« vor. Nishida teilt diese Ahnung.
Die Verbindung der Nichts-Auffassung Nishidas mit seiner Auffassung der Dichtung Goethes lässt sich auch im Essay des späten Nishida »Der Hintergrund Goethes« feststellen. Dort bezeichnete Nishida den Hintergrund des Gedichtes von Goethe als »das Formlose«. Das van Nishida gemeinte Formlose ist z.B. die Höhe, die nicht als solche an sich zu finden ist, obwohl ein Berg faktisch hoch ist. Auch die Tiefe ist an sich nirgends, obwohl das Tal in der Tat tief ist. Auch die Ferne und Nähe sind je das Formlose, das nirgendwo an sich ist, aber dennoch redet man davon, dass das Ausland fern und die Heimat nah ist. Wenn dieses Formlose, das die Formen hervorbringt, als die Seinsform des eigenen Herzens verinnerlicht und zu eigen gemacht wird, so kann vom ichlosen Ich oder vom subjektlosen Subjekt die Rede sein. Fand Heidegger im Gedicht Goethes den Ausdruck für das von ihm gedachte »Sein«, so sah Nishida in demselben Gedicht einen Ausdruck für das »Nichts«, das als das Formlose die Formen hervorbringt. Am Gedicht Goethes, das in den Grabstein Kukis eingraviert wurde, überschneiden sich die Denkwege des deutschen und des japanischen Denkers.”
30 In Helmut Zwanger, Karl-Josef Kuschel, (Hrsg.), Gottesgedichte. Ibid., pp. 127-128
31 Ibid., pp. 78-79
32 Ibid., p. 80
33 Gerard Richter, Gerhard, Amir Eshel, Zeichnungen, Berlin 2018, (Jüdischer Verlag im Suhrkamp Verlag), p. 24
34 Ibid., pp. 80-81: Strasser schrijft: “Die meisten von uns werden vor solch hohen Anmutungen kapitulieren und sich lieber dem Schönen und Guten zuneigen, um im Jammertal des Lebens Trost zu finden. Und darin liegt auch jene Alltäglichkeit beschlossen, die den religiösen Sinn nicht überanstrengt. Doch in allem, was schön und gut ist, waltet, wie unerkannt auch immer, das Stimmungsmoment einer Geborgenheit im Schlechten. Dieses Moment lähmt nicht, sondern macht uns Mut, gegen das Böse zu kämpfen. Denn wir fühlen, dass wir dadurch einen Auftrag, eine Pflicht erfüllen, die damit zusammenhängt dass das Ganze nur deshalb gut ist, weil wir in ihm nicht reglos verharren, sondern es gut machen wollen. Wer das äusserlich Paradoxe eines solchen Kontextes bloss dazu benutzt, um sich darüber zu mokieren, der hat nie verstanden, was die Substanz religiösen allgemeiner: spirituellen —Gestimmtseins eigentlich ausmacht. Es ist das Moment der Geborgenheit im Schlechten, welches uns davor bewahrt, unseren ethischen Antrieb gegen eine Welt zu treiben, die sich grundsätzlich feindlich gegenüber allem verhält, was Menschen —mit Sinn und Sinnlichkeit, mit Empfindsamkeit ausgestattet —wünschen und erhoffen. Eine im strengen Sinne irreligiöse Welt ist ein Kosmos der Mechanik und des Zufalls, worin das Recht des Stärkeren absolut ist. Das wurde schon oft bemerkt. Und man mag dagegen fragen: Warum soll nicht gerade dies, Darwins Welt, die realistisch eingeschätzte Bühne unseres moralischen Handelns sein?”
35 Ibid., pp. 81-82
36 Albert Drach, Gedichte, Wien 2009 (Paul Zsolnay Verlag), pp. 157-160
