Watheid

De mens als “wat?”

L’homme est un “Quoi ?” schrijft Marc Alain Ouaknin in een hoofdstuk over hoe de mens te definiëren valt in een essay met de titel: “C’est pour cela qu’on aime les libellus” (1998). De mens is een “wat?” – de definitie van de mens is een vraag met een vraagteken. De mens is een vraag die niet zomaar beantwoord kan worden want elk antwoord schiet te kort, elk antwoord geeft maar een deel weer. En kenmerkend voor die mens is dat hij op zijn beurt ook weer vraagt, zoekt, speurt naar antwoorden. Niet alleen naar hemzelf maar ook naar de werkelijkheid waarin hij/zij zich bevindt. De mens als ontdekkingsreiziger, als vragen naar de zin van zijn bestaan en naar zijn eigen existentie. Is de essentie van de mens nou net niet dat hij geen essentie heeft, vraagt Ouaknin zich af. De essentie van de mens is dit “wat?” – dit vragen naar. Zijn essentie is een fundamentele openheid. Zijn essentie is een leegte die niet met antwoorden gevuld kan worden zonder dat er een ideologische vertekening optreedt. Ideologisch omdat een deel voor het geheel wordt gezien, ideologisch ook omdat één idee of een paar het geheel zouden kunnen verklaren. Bij doorvragen zal echter al snel blijken dat het hier gaat over halve waarheden, dat elk antwoord misschien een stukje van de puzzel vormt maar niet de complete puzzel zelf is.

Puzzelen is een mooie metafoor voor het menselijk handelen. De mens zoekt stukjes die passen in het grotere geheel. Soms geeft dat een klein of groot gevoel van voldoening, van overwinning misschien. Maar typisch aan deze vorm van puzzelen is dat het werk nooit klaar komt want de puzzelstukjes hebben geen rechte hoeken. Elk puzzelstukje ligt ergens midden in. Elk antwoord dat de mens geeft op zijn existeren bestaat niet uit een afgerond iets zonder raakvlakken – zoals een hoekstuk van een puzzel nergens meer aan raakt aan de buitenkant. Het hoekstuk en de rechte kanten van de zijstukken vormen zo een grens, ze grenzen af, ze vormen een tegenwicht tegenover het voortdurend groeien, aangroeien. Ze Schermen nieuwe betekenissen af, ze sluiten ze af door hen te negeren, door hen niet te verbinden met de rest van de stukken. Dat is de gesloten puzzel, de puzzel die klaar is, die met rechte randen, misschien wel een indrukwekkend schouwspel oplevert, in ieder geval bewondering oproept voor zoveel vlijt, maar het blijft zoals de echte puzzel een goedkope weergave van een stukje werkelijkheid. Je ziet dat het een puzzel is, je ziet aan alles dat het een construct is. En je ziet ook dat je telkens opnieuw kunt beginnen – de puzzel uiteen halen – maar het eindresultaat zal telkens hetzelfde zijn. Zo gaat het ook soms in de wetenschap of beter in de verleiding waaraan velen blootstaan om gesloten puzzels te ontwerpen met antwoord op de meest belangrijke vragen. Al ons streven is mensenwerk, al ons handelen berust op de mogelijkheden die wij vanuit ons lichaam ontvangen en ontwerpen. En daarmee kunnen we heel ver komen. Maar één ding staat vast: de contingentie van ons bestaan, onze eindigheid, onze sterfelijkheid zet ons op onze plaats. En maakt zo definitief een eind aan alle gepuzzel.

Maar zolang het nog niet zover is kunnen we er rustig op los puzzelen, kunnen we naarstig op zoek gaan naar nieuwe stukjes, en nieuwe verbindingen. Als we maar niet in de illusie geloven dat complete puzzels en mooie modellen definitieve antwoorden geven. Ik vermoed dat veel politieke systemen die wij in de afgelopen eeuwen hebben gekend ook zo een poging zijn (geweest) om antwoorden te geven: communisme, kapitalisme, fascisme – het zijn even zo vele pogingen om puzzels te leggen waaruit geen ontsnappen valt. Mooi opgetuigd met allerlei beloftes en waarzeggerij over een betere toekomst. Maar de kostprijs wordt verzwegen – de vele opofferingen – het vele bloedvergieten en het onrecht wat eruit is voortgekomen. Allemaal in naam van een betere toekomst – alleen niet een toekomst voor iedereen – voor elk mens. Al deze systemen kennen uitgeslotenen, mensen die niet mee mogen doen, mensen die niet in het plaatje passen. Omdat ze of afwijken, of tot een ander ras behoren, of te arm of te rijk zijn. De geschiedenis van de mensheid is vol met voorbeelden. Telkens als het “wat” wordt ingevuld met een antwoord, een invulling van het “hoe” en een antwoord op het “waarom” lopen we het gevaar om uit de bocht te vliegen en het antwoord als alleen zaligmakend te beschouwen. In het klein is dat al zo – in het dagelijkse leven, in de invulling van je dag – de verwachtingen die je koestert, de plannen die je maakt en die dan niet uitkomen. Eigenlijk zou dat dan betekenen: je plannen zijn te hoog gegrepen, je plannen sluiten niet aan op de realiteit, op dat wat haalbaar is. Maar vaak wordt dit over het hoofd gezien en zijn de plannen heilig en de realiteit moet zich maar aanpassen. En in het groot, in de wereldpolitiek zien we hetzelfde, op het gebied van milieubeheer, duurzame ontwikkeling, opwarming van de aarde enzovoort. Groei en economische vooruitgang zijn de heilige koeien en de rekening betalen we later wel of die schuiven we af op de minst bedeelden. Alles draait om het eigene, dat wat het dichtst bij je staat – jezelf, jouw leven, jouw welvaart, jouw welzijn. Dat is logisch maar niet realistisch want het is kortzichtig. Het is kortzichtig omdat je niet alleen op de wereld leeft. Omdat je deel uitmaakt van een wereld die groter is dan jezelf. Denken dat alles om jou draait is hetzelfde als puzzelen aan een keukentafel en denken dat de keukentafel de wereld is. Ouaknin pleit daarom voor openheid, een fundamentele openheid: de mens is en kan niet worden afgesloten door – opgesloten in een definitie. De mens en dat is het ware karakter van zijn vrijheid is vleesgeworden gestalte van dit zoeken, van dit telkens weer opnieuw beginnen, telkens weer opnieuw ontwerpen en verder kijken dan zijn neus lang is. Wat meer “watheid” in ons leven kan daarom geen kwaad.

John Hacking

26-11-2010