Rendement

1986 jap akker

Rendement

Alom rijst er verzet tegen het rendementsdenken dat onze samenleving in zijn greep schijnt te hebben: alles en iedereen schijnt te worden afgerekend op resultaten, op prestaties en op nuttigheid voor de organisatie of het bedrijf. Protestacties van studenten tegen dit denken op de universiteiten halen de krant, en velen sluiten zich aan bij het algemeen verwerpen van deze tendens in onze maatschappij.
Maar rendement is op zichzelf geen slechte zaak want niemand werkt graag voor niets. Je wilt toch op de een of andere wijze resultaten zien van je inzet. Zonder rendement houden zaken en acties al heel snel op. Het is echter de vraag welke criteria gehanteerd worden om rendement te meten en welk soort van rendement men op het oog heeft en welke waarden daaronder schuilen. Kritiek op een plat rendementsdenken in onze samenleving is dan ook waarden-kritiek omdat de onderliggende waarden of verworpen of te eenzijdig worden bevonden. Denken enkel in termen van kosten en baten op het terrein van bijvoorbeeld kennisverwerving door alleen de financiële dimensie in het oog te houden (zoals op sommige universiteiten wordt gedaan onder druk van de politiek volgens de critici – wat zeker niet waar is) is een vorm van eenzijdigheid die ook geen recht doet aan de complexiteit van de zaak.
Dus welke bril zet je op als je spreekt over rendement? De bril kleurt niet alleen de waarneming maar kan ook een vertekend beeld geven van de realiteit. Welke waarden heeft een universiteit hoog in het vaandel staan en wie en wat wordt er mee gediend als het gaat over onderwijs, vorming en onderzoek? Welzijn van studenten en medewerkers scoort in Nijmegen hoog aan de Radboud Universiteit. Maar hoe meet je welzijn? Wanneer wordt er geen recht aan gedaan? Wat gaat ten koste van het welzijn van medewerkers en studenten? Als je toch dingen wilt meten en beoordelen moet je ook criteria aanleggen om dat uit te kunnen voeren. Welke criteria liggen er onder welzijn? Welke doelen wil een universiteit halen met het aanbieden van een programma? En hoe relevant is dat voor de maatschappij, ook in de ogen van politici?
Kleine studies met weinig studenten verkeren in de gevarenzone omdat de kosten te hoog zijn om ze in stand te houden. Maar hoe universeel wil je zijn als universiteit en moeten alle aspecten van het wetenschapsbedrijf wel aan bod komen, moeten alle dimensies van cultuur en ontwikkeling een plek krijgen op de universiteit? Of is meer samenwerking tussen universiteiten ook niet een goede optie?
Als geneeskunde populair is of biologie gaat daar vanzelf veel aandacht naar uit. Maar wat te zeggen over semitische talen, Sanskriet of Japans? China zit in de lift, dus Chinees zal wel niet zo snel verdwijnen omdat er ook heel grote economische belangen op het spel staan. Maar vergeten Afrikaanse talen, onderzoek naar Inka’s en Maya handschriften, wie houdt zich daar mee bezig? Nou zullen er meteen een hoop politici en burgers roepen dat dit allemaal iets is voor een kleine elite waar het volk niet op zit te wachten. Die geluiden kennen we. Maar het is kletspraat, gezwets van subjecten die niet weten waar ze over praten en die nauwelijks enig benul hebben van geschiedenis en de wortels van onze cultuur.
Ook het schijnbaar onbeduidende, niet populaire, onbekende verdient aandacht, ook op de universiteiten. Dat is een waarde die ik graag zou willen verdedigen. Al is het rendement niet meteen in diploma’s en verzilvering van subsidie uit te drukken, al zijn dit soort thema’s en interessegebieden niet echt hip, niet echt spraakmakend bij de toekenners van geldstromen. Geld is niet de enige waarde, niet het enige criterium, nut ook niet. Welk nut heeft een gedicht, welk nut een schilderij? Welk nut heeft een berg in de verte?
De organisatoren van vakantiebestemmingen hebben al veel eerder begrepen dat de natuur in de vorm van zeeën, bergen, bossen kostbaar is, een eigen waarde vertegenwoordigt en dus te gelde te maken is door er talloze toeristenstromen naar toe te leiden. Zij hebben begrepen dat het landschap (dat eigenlijk an zich nergens toe doet, het ligt er maar te liggen) een waarde op zich vertegenwoordigt omdat wij mensen ervan kunnen genieten. Valt het in geld uit te drukken, de berg Fuji, of de Mount Everest? De Sahara of de wilde toendra?
Maar ook schoonheid is eigenlijk geen neutrale categorie, niet zomaar een waarde die door iedereen begrepen of onderschreven wordt. Alain de Botton bespreekt in het boek ‘De architectuur van het geluk’ het Japanse begrip wabi. Ik citeer:
“In weerwil van de romantische opvatting dat we allemaal spontaan een bij ons passend idee van schoonheid kiezen, lijkt het erop dat onze visuele en emotionele vermogens voortdurend externe begeleiding nodig hebben om te kunnen besluiten waar ze notitie van moeten nemen en bewondering voor moeten opbrengen. De kracht die ons helpt vaststellen welke van
onze vele gewaarwordingen belangstelling en waardering verdienen, hebben we benoemd met het woord ‘cultuur’.
In het middeleeuwse Japan lieten dichters en zenpriesters hun landgenoten kennismaken met aspecten van de wereld waaraan westerlingen in het openbaar zelden meer dan minieme of terloopse aandacht hebben besteed: kersenbloesem, misvormde aardewerken voorwerpen, aangeharkt grind, mos, regen die op bladeren valt, herfstluchten, dakpannen en ongelakt hout. Er
kwam een nieuw woord in zwang, wabi en het is veelzeggend dat geen enkele westerse taal daar een direct equivalent voor heeft. Het wordt gebruikt voor de schoonheid van pretentieloze, eenvoudige, onbewerkte, vergankelijke dingen. Je kon wabi ervaren wanneer je een avond alleen doorbracht in een hut in het bos en het geluid van de regen hoorde. Er was wabi te vinden in oud, ongeregeld serviesgoed, in doodgewone emmers, in muren met vlekken en in ruwe, verweerde stenen, overdekt met mos en korstmos. De meest uitgesproken wabi kleuren waren grijs, zwart en bruin.” Einde citaat (pag. 289)
Zit er ook wabi in onze universiteiten? Mag er wabi zitten in het lesprogramma, in de aandacht voor de dingen? Ook in de wetenschap? Of valt wabi hier helemaal buiten en spoort het met geen enkele vorm van rendement? Welke bril je ook opzet?
Ik vermoed dat er heel wat wabi zit in de kleine onoogelijke studies in kleine achterkamertjes waar een beetje excentrieke geleerde zijn passie nagaat. Als een docent erin slaagt zijn gedrevenheid over te brengen op zijn toehoorders, de leerlingen. Als studenten melden dat de motivatie voor een talenstudie vooral lag in de indruk die hun docent op de middelbare school heeft achtergelaten. Dat is wabi, overgeleverde passie in de vorm van een stukje inspiratie waar het platte rendementsdenken nooit vat op zal kunnen krijgen.
De vraag blijft dus staan: welke waarden willen we samen formuleren en voor welke waarden willen we ons hard maken ook al zit er een prijskaartje aan en is het nut niet meteen afleesbaar? Wabi kan ons leren dat wat schijnbaar nergens toe doet heel veel genoegen kan schenken. In het licht van onze eindigheid is dat misschien wel een veel groter geschenk als een muur vol diploma’s en een kast vol bekers. Zelfs een vette bankrekening kan hier niet tegenop, zo vermoed ik.

John Hacking
22 maart 2015

1986 jap berg groot

Een gedachte over “Rendement

Reacties zijn gesloten.