Zingeving en religie bij jongeren

 

 

Waar sta je voor? Welke zin geef je aan je bestaan? Met het verdwijnen van religie als zingevend kader zijn deze levensvragen naar de privésfeer verbannen. Het maatschappelijke leven werd op wetenschappelijke leest geschoeid. Maar de wetenschappelijke rationaliteit heeft veel aan geloofwaardigheid verloren. In een wereld van postmoderne meerduidigheid kun je veel kanten op zonder zeker te weten of dat ook de goede kant is. Kan religie opnieuw richting geven aan het leven van volwassenen en kinderen? Of wijst de huidige zoektocht naar religieuze beleving op een nostalgisch verlangen naar oude zekerheden? In een artikelenserie over zingeving en religie bij jongeren wil Pedagogiek in Praktijk Magazine ruimte geven aan discussie over deze vragen. [einde kader]

Zingeving door zelfconfrontatie

De meeste studenten die bij ons binnenlopen zijn nieuwsgierig en staan open voor religieuze denkbeelden maar willen zich er niet mee identificeren. Vaak uit schaamte voor medestudenten, maar vooral omdat zij zich niet willen binden.

Velen geven aan dat ze ‘vooral in hun hoofd zitten’. Soms hebben ze geen idee hoe ervaringen voelen omdat ze aan het piekeren slaan.

Als nieuwe deelnemers aan de markt van welzijn en geluk verkennen studenten ook het religieuze leven, maar er zijn weinigen die zich aan een geloof verbinden. In deze bijdrage aan de artikelenserie over zingeving en religie biedt studentenpastor John Hacking een blik in de keuken van de Studentenkerk van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij laat zien hoe hun activiteiten bijdragen aan de manier waarop studenten met zingeving, religie en spiritualiteit omgaan. Door de zelfconfrontatiemethode leren studenten wie zij zijn en waar ze voor staan.

John Hacking

Studenten lopen bij ons binnen om deel te nemen aan een activiteit die hen aanspreekt of omdat zij een luisterend oor verwachten in een persoonlijk gesprek. Ze hopen dat dit gesprek duidelijkheid kan bieden omtrent keuzes die ze moeten gaan maken of vragen waar ze mee zitten. Dat kunnen vragen zijn op het gebied van studie, relaties, persoonlijke interesses en geloven. Velen waarderen het dat wij als pastores belangeloos kunnen luisteren zonder dat er een beoordeling van afhangt. We zijn niet in dienst van de universiteit en we hebben er ook geen belang bij dat studenten sneller hun diploma halen. Daarvoor zitten wij niet op de campus.

Onze taak is het om een bijdrage te leveren aan het welzijn van studenten en medewerkers. Wij werken vanuit de kerken die ons hebben aangesteld, maar we beperken ons niet tot gelovige studenten. Iedereen is welkom. Wij zijn er ook niet om jongeren de kerk in te praten. Maar we zijn wel levende getuigen van een gelovige traditie.

Hoewel wij veel last hebben van oordelen in de trant van ‘een kerk is niets voor mij’ of ‘een kerk is alleen voor gelovige studenten’ slagen wij er steeds beter in deze hindernis te slechten. Uit ervaring blijkt dat meer studenten gaan deelnemen als we studenten betrekken bij de opzet en uitvoering van ons programma en hen zelf initiatieven te laten ontwikkelen. In veel nieuwe kerkelijke bewegingen trekken jongeren al de kar, maar zij beperken hun werkterrein daar tot de eigen goegemeente. Ze zijn vooral gericht op verdieping en beleving van hun geloof. Een nieuwe dynamiek en enthousiasme zijn duidelijk aanwezig. Het elan van de jongeren die naar Keulen trokken tijdens de katholieke jongerendagen in 2005 om daar de Paus te ontmoeten maakt dit zichtbaar.

Religieus niet godsdienstig

‘Ik ben door en door religieus, maar ik moet niets hebben van instituties’. Deze uitspraak is nog steeds typerend voor een groot deel van de jongeren in Nederland, ook op de universiteit. Zij associëren kerkgenootschappen met onvrijheid, hypocrisie, kortzichtigheid en starheid. Onderzoekers voorspellen dat het kerkbezoek in de nabije toekomst in Nederland verder zal dalen. Deze houding typeert vooral de Nederlandse situatie, die gekenmerkt wordt door het zelf bij elkaar zoeken van een religieus pakket dat niet teveel eisen stelt aan het dagelijks leven. Vooral gelovige studenten uit andere landen staan hier soms raar van te kijken. In discussiegroepen krijgen we dan ook wel eens het verwijt dat wij als Nederlanders missionarissen naar Afrika hebben gezonden, maar zelf te veel hebben losgelaten van wat door katholieke Afrikanen bijvoorbeeld als heilig wordt beschouwd: de zondagsrust, de biecht, het (elke dag) vieren van de eucharistie, vasten, geen seks voor het huwelijk.

Volgens recent onderzoek bestaat de topvijf van levensdoelen voor jongeren uit: (1) vrijheid voor iedereen, (2) het transcendente, (3) het goede in, van en tussen mensen, (4) geloof in jezelf en (5) steun hebben aan elkaar.[1] Allemaal doelen die niet echt helder zijn omschreven en daarom door iedereen kunnen worden aangehangen. Het is dan ook typisch dat een vage term als ‘ietsisme’ in Nederland wordt uitgevonden. Veel studenten geven aan dat ze wel ergens in geloven: ze noemen dan een hogere macht, een leven na de dood, de overwinning van het goede, wedergeboorte of lotsbestemming. Velen geven ook aan af en toe te bidden, hoewel ze zeggen niet te geloven in een persoonlijke god.

Binnen dit levensbeschouwelijke klimaat is het niet vanzelfsprekend dat jongeren bij ons binnenlopen om te kijken of er iets van hun gading is. Sommigen doen dat wel en staan dan versteld van de breedte van ons aanbod. Zo bieden wij een oriëntatie in de verschillende godsdiensten, een bijbelcursus, een gespreksgroep rond geloof en leven, maar ook een verkenning van het leven na de studie en onderlinge ontmoetingen in de vorm van eetgroepen, gesprekken met docenten over motivatie en inspiratie, wandeltochten en meditatiecursussen. Activiteiten die niet persé door een religieuze thematiek gekleurd zijn. Zouden we alleen vieringen en bijbelcursussen aanbieden, dan zouden we nooit zoveel geïnteresseerde studenten bereiken als nu.

Religieus betrokken zonder ‘commitment’

Een aantal jongeren zoekt in de religie houvast. Het sterkst is dit bij jongeren die zich aansluiten bij een streng christelijke vereniging of andere gelovige organisatie. Buiten- en binnenkant van geloven worden expliciet op elkaar afgestemd door het volgen van de regels die het gebedsleven, de studie, de omgangsvormen en het dagelijks leven bepalen. De islam oefent op sommige studenten een aantrekkingskracht uit (mede) omdat de regels helder en navolgbaar zijn. Een aantal studenten heeft zich in de loop der jaren bekeerd tot de islam. Binnen ons gebouw hebben we een islamitische gebedsruimte en daar maken veel moslimstudenten gebruik van. Een van de voordelen van deze ruimte is het nauwe contact dat wij zo met moslimstudenten en hun vereniging onderhouden. Dit heeft geleid tot bijeenkomsten waar de dialoog centraal staat, maar ook tot ontmoetingen met maaltijden waar allerlei vooroordelen besproken kunnen worden. Toch is de groep die zich gelovig noemt klein in verhouding tot de rest van de universiteit.

De grootste groep studenten die bij ons binnenkomen om deel te nemen aan een activiteit zijn studenten die in religie zijn geïnteresseerd maar zichzelf niet als gelovige willen omschrijven. Ze zijn nieuwsgierig, ze staan open voor religieuze denkbeelden maar willen zich er niet mee identificeren. Vaak uit schaamte voor medestudenten, maar vooral, zo vermoeden wij, omdat zij zich niet willen binden. Er is geen ‘commitment’ aan een bepaalde religie. Religieuze bewegingen krijgen niet altijd een goede pers en daar willen ze niet mee worden vereenzelvigd. Dat alles brengt ons als christelijke organisatie in een lastig parket. Voor de behoudende christenen zijn we níet religieus genoeg, voor de massa van de studenten klinken we teveel naar kerk omdat we dit begrip in onze naam voeren. We staan dus voor een moeilijke uitdaging om onze positie te verhelderen en onze doelgroep uit te breiden.

Zoektocht naar zelfverheldering

Een aantal studenten, gelovig of niet gelovig, komt bij ons binnen voor een gesprek. Dit persoonlijke gesprek werkt vaak als een vorm van zelfverheldering. Vragen als ‘wie ben ik, wie wil ik zijn, waarvoor zet ik mezelf in, wat wil ik bereiken, met wie voel ik me verbonden’ komen dan aan de orde. Alleen al het stellen van deze vragen in een gesprek kan structurerend werken. Studenten worden uitgenodigd om naar zichzelf te kijken en te vertellen wat ze zien. Niet alleen de waarneming is daarbij belangrijk maar ook het gevoelsleven. Er is momenteel een grote behoefte bij jongeren aan structuur en oriëntatie. Wij merken dit bijvoorbeeld in de antwoorden die gegeven worden op het enquêteformulier na een meditatiecursus.

Velen geven aan dat ze ‘vooral in hun hoofd zitten’. Sommigen vertellen dat ze geen contact kunnen maken met hun gevoel. Soms hebben ze geen idee hoe ervaringen voelen omdat ze aan het piekeren slaan.

Zo zijn er nogal wat jongeren die voor zichzelf de lat heel hoog leggen. Ze vinden dat ze een prestatie moeten leveren. Als je navraagt van wie dat moet, blijkt vaak dat ze zichzelf in een situatie plaatsen waarin weinig ruimte is voor zelfrelativering, ontspanning en genieten. Ze moeten zoveel. Niet alleen tentamens goed maken, maar ook nadenken over hun toekomst, over keuzes, over vriendschappen, werk en carrière. Velen lopen dan ook rond met lichamelijke klachten die tegen een burn-out aanzitten. Ze veroordelen zichzelf als niet uitkomt wat ze hebben gepland. Maar als je vraagt ‘waarom zou je jezelf zo hard veroordelen?’ gaan ze daar over nadenken. Ze ontdekken dat ze een keuze hebben, dat ze niet vastzitten aan de eenmaal ingeslagen weg. Deze ontdekking werkt bevrijdend. Maar vaak is dat niet van lange duur en vallen ze weer terug in hun oude patroon. Sommigen durven het aan om onderzoek te doen naar zichzelf via de zelfconfrontatiemethode. We bieden deze diagnostische methode aan om belangrijke vragen en problemen uit te zoeken. De uitkomst van het zelfonderzoek legt altijd de vinger op de wonde, maar het is aan de student zelf om de opgedane zelfkennis om te zetten in werkbare praktijk.

Veel diagnoses komen erop neer dat de persoon in kwestie zichzelf gevoelsmatig tekort doet omdat hij de belangen van anderen laat prevaleren boven zijn eigen gevoelsmatige belang. Onplezierige gevoelens laten zich echter niet onderdrukken. Hoe meer druk wordt uitgeoefend om ze niet toe te laten, hoe sterker ze de kop opsteken. Zo zijn er de laatste jaren studenten die vertellen over de moeilijkheden die ze ondervinden omdat ze als het ware in twee culturen leven: van huis uit streng christelijk of moslim, en als student graag alles willen meemaken, genieten van uitgaan, seks en drank. Dat brengt velen in een moeilijke positie. Of studenten uit de Antillen of Indonesië die koste wat kost willen slagen in Nederland, ze willen zich bewijzen en carrière maken, maar ze zijn ziek van heimwee en het gebrek aan persoonlijke warmte en contacten zoals ze die thuis gewend waren.

Studenten geven aan dat het nú de tijd is om te genieten: zoveel en zo vaak mogelijk. Daarom stellen ze keuzes voor het maken van een afspraak soms uit omdat er nog een sms’je binnen kan komen met een leuker voorstel. Tegenslagen zoals het uitgaan van een verkering of het niet behalen van een diploma, de dood van een dierbare, vallen dan rauw op het dak. In een gesprek kun je de mogelijkheden belichten die deze nieuwe situatie met zich meebrengt, de kansen die er liggen en de winst als de beproeving wordt doorstaan.

Religie niet los verkrijgbaar

Persoonlijk beschouw ik religies als uitnodigingen om de werkelijkheid eens anders te bekijken. Religies bieden een soort zinperspectief dat houvast kan bieden in het leven. In principe heb ik geen oordeel over de betekenissen die een student geeft aan zijn leven en aan zijn religieus zelfverstaan. Ik kan er wel een mening over hebben maar die geef ik alleen als er naar wordt gevraagd.

Veel studenten hebben het gevoel dat ze zwemmen. Er is een overaanbod aan mogelijkheden en visies. De wereld is niet alleen gefragmenteerd, niet alleen pluralistisch, ze is groot en klein tegelijk. Elke bestemming ligt binnen handbereik en communicatie kan met iedereen ter wereld plaatsvinden. Maar de vloed aan informatie is zo groot dat studenten door de bomen het bos niet meer zien. Religies reiken verhalen en gedragsvormen aan om over na te denken, om na te volgen en om zelf uit te dragen als de zinvolheid ervan door de persoon wordt ervaren. Een religie wordt echter pas zinvol als een student ontdekt dat zijn persoonlijk leven zin krijgt door dit (nieuwe) perspectief. Zij worden dan niet alleen gegrepen door de idealen die in de religie worden uitgedragen, maar ze merken dat ze ook een levensdoel krijgen dat bevrediging schenkt.

Religies gaan in hoofdzaak over drie dingen: (1) ze brengen verbindingen tot stand tussen mensen onderling en tussen mensen en God, (2) ze vormen een bron van inspiratie waardoor je het ook vol kunt houden in moeilijke tijden, en (3) ze geven een motivatie voor het leven en een antwoord op de vraag waarom je leeft.

Ik vergelijk het verhaal dat door de student wordt verteld vaak met een landschap, een huis of een kamer. Wat tref je allemaal in dat landschap aan, of in dat huis? Hoe is het bevolkt, gestoffeerd, hoeveel ramen en deuren zitten erin, welke wegen zijn aangegeven, welke onhelder? Door vanuit deze beeldspraak te luisteren en de ander uit te nodigen om eens mee te kijken naar zijn eigen verhaal worden betekenissen helder. Elk verhaal, ook het religieuze is een verzameling van betekenissen. Winstpunt van de zelfconfrontatiemethode is dat betekenissen niet alleen helder worden maar ook kunnen verschuiven. Door de koppeling van betekenis en gevoel wordt een nieuwe wereld zichtbaar. Studenten ontdekken nieuwe samenhangen terwijl ze vertellen over hun leven. Of ze geven aan dat ze voor het eerst iets aan iemand durven te vertellen wat ze al jaren met zich mee dragen.

Ik ben ervan overtuigd dat ieder mens de existentiële antwoorden die voor hem belangrijk zijn met zich meedraagt. Ik werk met een groot vertrouwen in de mogelijkheden van mensen en wil dat werk toegewijd doen. Dat is mijn persoonlijke invulling van de navolging van Christus: geloven in mensen én hun capaciteiten. Een crisis moet je dan beschouwen als uitdaging en niet als oordeel. In die zin ben ik religieus gemotiveerd, omdat het doel verder ligt dan het hier en nu. En daar is volgens mij niets mis mee. 

John Hacking (1956) is werkzaam als studentenpastor bij de Studentenkerk Radboud Universiteit Nijmegen

Noot

1. Geloof? ff checke! Onderzoek naar jongeren en zingeving door Monique van Dijk-Groeneboer, Jacques Maas, Utrecht 2005: KTU