Onthulling en verhulling – mijn landschappen

Over de kunst van het schilderen en de betekenissen die wij hieraan geven met extra aandacht voor de inzet in mijn werk als landschapschilder

De werkelijkheid hult zich in stilzwijgen. Onze taal vat de indrukken die wij opdoen in woorden en verklaart zo de beelden. Maar het blijven verhulde stukjes werkelijkheid die door onze ervaring zijn heengegaan en zo vorm hebben gekregen in ons gesprek. Spreken over stukjes, spreken over een begrip als werkelijkheid maakt meteen duidelijk hoe verhullend onze taal kan werken. We denken te weten waar we over spreken maar het zijn slechts benaderingen, pogingen om te duiden, om iets van de werkelijkheid in woorden te vangen. Taal is als het vangnet van de vogelvanger. Maar je hebt geen Mozart of bijbelse psalm hiervoor nodig om te begrijpen, dat de werkelijkheid geen vogel is die aan het lijmstokje blijft kleven. Taal verhult terwijl ze eigenlijk wil onthullen. Zo is het ook met kunst. Ook het begrip kunst is zo breed en zo veelzijdig dat het eigenlijk al verhullend werkt maar in dit stukje tekst zullen we het ermee moeten doen.

Kunst verhult en onthult. Een schilderij, een foto, een beeld geven een impressie weer, ze leggen getuigenis af van de maker, van zijn perspectief, van zijn standpunt en van zijn artistieke begaafdheid. Daarover valt veel te zeggen maar ik beperk me tot het mechanisme van onthullen en verhullen. Marlene Dumas onthult met haar portretten van mannen en vrouwen een wereld van emotie. In de schilderijen waar zij zich verhoudt tot het verdriet, de tranen, de smart spreken ogen en mond en drukken zij groot lijden uit. Met wat streepjes verf, zo lijkt het, slaagt zij erin emotie uit te drukken en op te roepen. Toch werken deze beelden ook verhullend. We kennen niet de ware aard van de afgebeelde persoon, we weten weinig of niets en enkel de titel of het kleine beetje achtergrondinformatie laat eerder onze fantasie op hol slaan dan dat het ons aanzet tot onderzoek naar de realiteit achter of onder het afgebeelde. En dan nog, al zouden wij die ook kunnen ervaren, dan is de verbeelde werkelijkheid in het schilderij een persoonlijk project van de kunstenaar en in die zin onnavolgbaar. Door te onthullen wordt net verhuld. Door te verhullen wordt net onthuld. Beiden hebben elkaar nodig en versterken elkaar. Geen openbaring zonder verhulling, geen verhulling zonder de naaktheid van de openbaring. Als de taal een raster is, is netwerk zoals Ronald Barthes zegt, dan is de betekenis onder, achter de woorden, niet achterhaalbaar en moeten we het doen met de verwijzingen die telkens verder verwijzen en die nooit definitief aan een einde komen. De horizon opent telkens een nieuwe horizon.Hoe ver je ook loopt, leest, schrijft, praat, je bent er nooit, de laatste betekenis zal zich niet onthullen. Ze blijft verhuld omdat ze in het proces voortdurend voorlopig onthuld wordt. Een illusie wordt zo geboren als degene die de taal probeert te ontleden tot op haar wortels, tot in haar kern, denkt te moeten geloven dat dit uiteindelijk mogelijk is. De digitale werkelijkheid van de nullen en eentjes maakt hier korte metten mee. Er zijn alleen combinaties van nullen en eentjes, het is het een of het ander in een oneindige volgorde en variëteit. Dat is de werkelijkheid. Elke verwijzing is uiteindelijk samen te vatten als een conglomeraat van nullen en eentjes in een bepaalde volgorde. Verander je die, dan verandert ook het teken, de verwijzing, kortom het houvast dat je dacht te hebben in de echte wereld. Zo leert ons de digitale wereld dat wij geen houvast hebben en dat wij ook geen houvast zullen krijgen als het op onthullen en verhullen aankomt.

In de wereld van de verf, het doek of papier en de kwast, de wereld van de schilder is er enkel verf. Met deze verf, inkt of sumi wordt een beeld geschetst, geverfd, tot stand gebracht dat een eigen leven gaat leiden. Net als taal die met woorden werkt, werkt de schilder met verf en vertrouwt hij erop dat de beelden voor de ogen van de toeschouwer in die zin herkenbaar zijn dat ze worden herkend als schilderstuk. In mijn landschappen staat daarom de horizon centraal omdat deze de hoop geeft op een perspectief. Maar dat verandert bij verandering van horizon. De horizon die hemel en aarde verbindt als een denkbeeldige lijn drukt exact uit wat er in het schilderij aan de hand is: de aarde draagt de hemel en de hemel draagt de aarde. In taal gevat: de betekenissen die wij toekennen aan de wereld, aan ons handelen, aan ons bestaan, zijn stukjes hemel. De aarde is onze materiële werkelijkheid, al datgene wat we zijn, wat we doen en wat we kennen. De betekenissen zichtbaar gemaakt via de verhullende onthullende taal geven de aarde pas zin. Zij plaatsen haar in een perspectief, een telos. Maar niet in de zin van ergens op weg naar zijn, naar een doel, een plan. Het telos is hier de aarde zelf. Het doel van de hemel, de betekenissen is het bij zichzelf komen van de aarde. De hemel buigt de aarde terug naar zichzelf. De aarde grijpt naar de hemel, de aarde wil iets en de hemel buigt haar terug. Dit beeld, deze metafoor vind ik een prachtige omschrijving van de werking van betekenissen, van het tekenen van de werkelijkheid. In het kunstwerk gebeurt hetzelfde, misschien abstracter, minder helder, met meer omwegen maar het effect is hetzelfde. Het kunstwerk brengt de maker en de beschouwer terug bij zichzelf. Via de omweg van het kunstwerk word je teruggebogen op je jezelf. Het kunstwerk als samenballing van betekenissen is dus eigenlijk een representant het het hemelse. Vandaar dat je kunt begrijpen dat kunst kan reiken aan heiligheid. Heiligheid is apart gezet zijn, los van het alledaagse, bijzonder, er boven uit stekend, de mogelijkheid biedend tot transcendentie.

Vandaar dat in de Japanse zen – kunst, het schilderen van het landschap, gekeken wordt met de ogen van de hemel. Het landschap brengt je terug bij jezelf, bij jouw verbondenheid met deze aarde en met de hemel die haar draagt en duidt en verder brengt. Daarom spreken Japanse en Chinese landschappen mij aan omdat iets van die heiligheid aanwezig blijft en inspirerend werkt voor het zelfverstaan. Het kunstwerk zet via het werk ook mij apart en doet mij beseffen dat ik als aarde door de hemel gedragen wordt en dat ik op de hemel kan bouwen. De betekenissen die ik geef aan mijn leven, de hemel die werkt in mij, gaan mij dragen en brengen mij verder. Zij buigen mij terug op mezelf en ik kom terecht, terug in mijzelf. Ik hoef mij zelf niet te gaan zoeken in de wereld want daar ben ik niet. Via het kunstwerk, het landschap kom ik binnen bij me zelf en kom ik thuis. Dat streven, zo werken in het schilderen van landschappen is mijn drijfveer om landschappen te blijven schilderen. De keuze voor andere thema’s zoals het lijden, het ondergaan van ervaringen, het zichtbaar maken van de emotie, van de druk die het leven op een mens legt, de overwinningen en vooral de nederlagen, staat in dezelfde lijn van betekenissen. Ook deze werken buigen mij terug op mijzelf. Zij voeren me niet weg van mezelf de wereld in op zoek naar mezelf maar zij brengen mij terug, dichter bij mijn eigen ziel, mijn eigen aard, mijn eigen aarde en zelfverstaan. Zij onthullen dat wat me beweegt en ze verhullen omdat die emotie altijd al bemiddeld en in dit geval via verf zichtbaar wordt gemaakt. Schilder en toeschouwer hebben niet hetzelfde uitgangspunt van ervaren en beleven en al zouden ze dat wel hebben dan nog zou de onthulling een verhulling blijven en de verhulling een onthulling. Misschien is onze existentie wel samen te vatten als het voortdurende spel van verhulling en onthulling en geeft dat exact weer hoe het met ons gesteld is als mens. Ik kan daar heel goed meeleven want hoe goed ken ik nou mezelf?

John Hacking

7 oktober 2014