De ziel en geluk

De ziel en geluk

Die Worte am Feuer

sparsam gesetzt

und wenn nachts mit dem

Regen das Pflaster aufsingt

einem Winterpsalm der Gassen

klingt am Tag noch

entferntes Echo

aus Wind und aus Worten und

Licht

Uit: Thomas Krämer, Formloser Antrag auf Schnee. Gedichte, 2005 Berlin

Wat is beter? Leven en je leven en zingeving gestalte proberen te geven met behulp van metaforen, erdoor gevoed worden, zin vinden in beelden en symbolen, in een metaforisch geduide werkelijkheid met het gevaar te leven in illusies of een leven zonder illusies, in een (kale) werkelijkheid waarin het besef overheerst dat er niets is dat ons overstijgt, dat er géén God en géén transcendente werkelijkheid bestaat omdat dit loze begrippen zijn? Staan deze twee wel tegenover elkaar zoals ik het hier heb geformuleerd? Misschien is het nog veel complexer en gedifferentieerder. Een atheïst die niet in God gelooft en niets moet hebben van transcendentie kan toch opgaan in metaforen, in een overkoepelend zingeheel dat hem omgeeft omdat hij zin vindt in zijn bezigheden. Wetenschap bijvoorbeeld die niet vraagt om God, die er niet om maalt en die al het religieuze liever buiten boord houdt. Zingeving en zinvinding hoeven geen religieus uitgangspunt te hebben, noch religieuze wortels. Het menselijk verlangen naar vervulling kan op veel manieren tot uiting komen. De religieuze weg is er slechts een van. Maar het feit dat wij mensen verlangen betekent ook nog iets anders. Zoals wij honger hebben naar voedsel kunnen wij ook verlangen naar overstijgende ervaringen, naar geborgenheid, naar je gekoesterd weten, je welkom weten, je bemind weten. Dit verlangen bestaat. Ook al wordt het niet altijd bevredigd. Het ontbreken van de bevrediging of de vervulling is geen argument ertegen. Het verlangen is de boodschapper van de ziel. De ziel is en wordt manifest in dit verlangen. Niet meer en niet minder. Wat er ook allemaal over de ziel beweerd kan worden en is beweerd in de loop van de  menselijke geschiedenis, of ze wel of niet bestaat, of ze wel of niet aanwijsbaar is, doet er niets aan af en valt in het niet bij het feit dat wij mensen wezens zijn gekenmerkt door verlangens. Dat is voor mij, ik herhaal, voor mij persoonlijk, genoeg bewijs voor het bestaan van de ziel. Als wij de laatste levensadem uitblazen dooft onze ziel in ons lichaam, is het verlangen ten einde, en vervalt ons lichaam langzaam tot de materie waaruit het is opgebouwd. Het wordt weer bouwsteen voor iets anders. En de ziel? Is zij vertrokken als een schip aan de horizon, als een vleugje wind, als een zuchtje? Wie zal het zeggen. Over de materiële gestalte van de ziel, als er al sprake van is, valt niet veel over te zeggen. Maar we zien wel heel duidelijk het verschil tussen bezield (en levend), verlangend én dood, morsdood.

Nou wordt onze samenleving in vooral het rijkere Westen door een aantal auteurs beschreven als de vleesgeworden manifestatie van het streven, het verlangen naar geluk. We streven het geluk na, we willen het meemaken, het beleven en vooral die ervaring blijven herhalen. Het streven zit als het ware in onze genen als we sommige auteurs mogen geloven. Het is niet alleen een realiseren van wat er in potentie in zit (Aristoteles), het gaat veel verder dan dat. Velen willen obsessief gelukkig zijn alsof de doel van het leven gelukkig zijn is. Het paradijs na onze dood is afgeschaft, dus alle nadruk komt nu op het hier en nu te liggen, daar moet het gebeuren en o wee als je dan de dingen misloopt. Maar leven we echt om gelukkig te zijn of te worden, is dat ons levensdoel? Martin Heidegger, de Duitse filosoof was zich erg bewust van het feit dat wij stervelingen zijn. Ons leven is relatief. Eerst zijn we boreling, worden we als het ware op deze aarde, in dit leven geworpen, geboren. Dan moeten we ons leren verhouden tot de wereld en de mensen om ons heen. Die mensen helpen ons daarbij een handje want anders zouden we het niet overleven. Die ervaringen slaan neer in ons bewustzijn ook al houden we er niet elke dag rekening mee. De liefde die wij van onze ouders ontvangen en andere zorgenden maken het pas mogelijk dat wij kunnen existeren als mensen. Deze ervaringen vormen volgens mij ook de bron en de grondslag van het verlangen in ons leven. Liefde roept nieuwe liefde op, liefde die is ontvangen kan worden gedeeld, maar heeft ook bevestiging nodig. Telkens opnieuw. Als boreling worden we zo ‘gelukkeling’ om een term van “Loesje” te gebruiken. Maar de ‘gelukkeling’ is niet alleen boreling, hij is ook sterveling. In dit licht, het sterven en het levenseinde, krijgt de tijd voor de dood een zekere urgentie. Die tijd is kostbaar. Als je nu die tijd alleen besteedt aan het najagen van geluk zou je wel eens het gevaar kunnen lopen het geluk te missen dat al lang voor je klaar lag, net als de deur van de wet die voor de romanfiguur van Kafka (“Hier konnte niemand sonst Einlaß erhalten, denn dieser Eingang war nur für dich bestimmt. Ich gehe jetzt und schließe ihn.“ Der Prozess, hfst 9) open stond en alleen voor hem, om binnen te treden, maar waarvoor hij niet de moed had om deze stap te zetten. „Als najager van geluk wil de moderne mens alle negativiteit uit zijn leven bannen en dat probeert hij door greep te houden om alles wat hem overkomt. Dat is een onmogelijke en hopeloze opgave. Veel ontwikkelingen in de wetenschap houden de illusie vast dat het welslagen van dit experiment toch eens moet lukken want we kunnen al zoveel leed en mislukkingen uitbannen. Ook ziektes worden langzaam teruggedrongen. Nu nog een middeltje vinden tegen al die agressie, dan zou de wereld een stuk vreedzamer worden. Misschien heeft deze houding ook te maken met het ontbreken van samenhang, van grotere verbanden waarin je opgenomen bent, zoals tradities, gebruiken, gewoontes. Herman de Dijn, een Belgische filosoof noemt dat de wereld van de vloeibare waarden. Hij vraagt zich dan ook af hoe wij de vrijheid kunnen overleven. Tegenwoordig moet je het allemaal zelf maar uitzoeken. Je bent zelf verantwoordelijk, ook voor je falen, ook als je het geluk niet hebt gevonden, niet hebt kunnen bewerkstelligen. Als je gelooft in beheersing van de werkelijkheid ligt het geloof in de maakbaarheid van je eigen geluk voor de hand. Misschien is een van de grote veroorzakers van hedendaagse ziektes dan ook de ervaring geen greep (meer) te hebben op de dingen die in je leven gebeuren. Mensen haken dan af, geven de moed op, zien het niet meer zitten. De werkelijkheid en de tegenkrachten zijn hen boven het hoofd gegroeid. Filosofen die hierover hebben nagedacht kiezen duidelijk een andere weg. Niet het in de greep willen houden, niet de manipulatie, niet de techniek om te beheersen wordt bepleit maar “Gelassenheit” je op een andere wijze verhouden tot het onvermijdelijke. Dat is een vorm van loslaten, van leren leven met het ongeluk in je leven. Er het beste van maken zonder er aan onder door te gaan. Geluk is in die zin dan ook een soort van volheid waarin positieve en negatieve ervaringen een plaats krijgen. Mee zwemmen in de stroom van het leven, een stroom die langs vele kusten stroomt. Zin in het leven en zin van het leven vallen niet samen met een doel of met een bedoeling. Gerard Visser, een Nederlandse filosoof heeft hier boeiende dingen over geschreven. Hij pleit ervoor dat het verstaan van de zin van het leven, het leren ervaren is van die zin als een dimensie in ons leven – die zo onuitputtelijk is als het water  – die ons laat leven. Zin van het leven omgeeft ons, wij zijn de actieve/passieve ontvangers. Wij kunnen opschuiven in onszelf, zo zegt hij, naar een open houding, een open dimensie in ons zelf voor de omringende werkelijkheid. Open staan, open gaan, open stellen, open ontvangen. Dat geeft lucht, ademruimte. We worden aangeraakt, wij ondergaan iets, wij ontvangen en worden omvangen. Deze ervaring kan ook religieus worden geduid. In de mystiek komt ze ter sprake. De Duitse mysticus Meister Eckhart beschrijft haar met zoveel woorden als een innerlijke bewogenheid van het omvangen worden. Je kunt het vergelijken met de wijdte van een landschap dat een verpletterende indruk op je kan maken. Die wijdte omgeeft je, omhelst je, neemt je op in een groter gevoeld en ervaren geheel. Voor Eckhart, zo Visser, is deze wijdte ook de ondoorgrondelijke manifestatie van de godheid. Een effect dat doorwerkt tot in onze ziel en dat er de kern van is, de grond. Innerlijke vreugde komt daarbij aan het licht. Met denken, met je ratio kun je dit nauwelijks omschrijven of benaderen, zeker als denken slechts het formuleren van voorwoorden is, zoals Heidegger stelt. Het definitieve woord, als dat er al kan zijn, wordt nooit gezegd. En dat hoeft misschien ook niet omdat we passanten zijn, passanten in dit leven, reizigers op de stroom van het leven.

De ervaring van geluk is dus eerder een ervaring van acceptatie, van loslaten van ijle en verkeerde verwachtingen, van kortzichtig ingevulde wensen, eerder een ontdekken wie in wezen bent, wat je kern is, wat je vandaar uit uitstraalt en wat je ten diepste nodig hebt. Visser stelt dan ook dat “trouw aan jezelf kan niets anders betekenen dan trouw zijn aan datgene wat jou van binnenuit verruimt.” Alles wat jouw inklemt, ook al zijn het je eigen verwachtingen, je voorstellingen, alles wat je beklemt, ook van buiten door de eisen aan jou gesteld, is het bewijs voor het feit dat je in een gevangenis leeft waarin geen ruimte is voor jou. Je ziel is en raakt bekneld en moet worstelen om lucht, om adem. Ze komt in ademnood. Er is geen wijdte om je heen, maar verstikkende lucht van bedorven verlangens. Schelling, een andere Duitse filosoof drukt het mooi uit: “Die Seele ist nicht, wo sie ist, sondern wo sie liebt.“ De ziel komt pas tot bloei als zij zichzelf geeft, wegschenkt, als ze liefheeft. Dat kan niet vanuit een gevangenis, niet vanuit een kooi waar je aan de begeerten en verlangens van anderen moet voldoen. Liefde laat zich niet afdwingen, zij is gratuit. Gerard Visser pleit in drie stappen voor het besef dat elk individu deze grond van de ziel, deze wijdte, dit vergezicht, deze trouw aan de innerlijke ruimte met koesteren. Hij zegt dat ik de eenheid niet buiten mezelf moet zoeken, dat ik mijn uniciteit niet moet prijsgeven aan enige algemeenheid en dat ik mij met de unieke eenheid die ik ben moet durven afzonderen, en wel alle drie deze stappen zo radicaal mogelijk. Volgens Eckhart is de ziel aan het lichaam gegeven om gelouterd te worden. We hebben dus eigenlijk niets te verliezen. Het geluk ligt binnen handbereik want het woont al in onze ziel, die wijd als het landschap open staat voor de kus van God. Wij hoeven alleen maar de zelf opgeworpen muren af te breken die tussen ons en onze ziel instaan.

John Hacking

10 februari 2015