Gedolven ontmaskering

aarde

Gedolven ontmaskering

Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.
Wie mij ontmaskert, zal mij vinden.
Ik heb gezichten, meer dan twee,
ogen die tasten in den blinde,
harten aan angst voor angst ten prooi.
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.

Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.
Wie wordt ontmaskerd, wordt gevonden
en zal zichzelf opnieuw verstaan,
en leven, bloot en onomwonden,
aan niets en niemand meer ten prooi.
Delf mijn gezicht op, maak bij mooi.

Huub Oosterhuis.

Afgelopen zondag klonk dit lied in een viering van de Studentenkerk te Nijmegen waar gelezen werd uit Lucas 6,20-26 uit de Bijbel in gewone taal, een viering op carnavalszondag, opgeluisterd door het eigen koor en het Campuskoor veelstemmig. Geluk vinden in deze wereld zelfs als het niet mogelijk lijkt, zelfs als alles tegenstaat. Dat is de boodschap van de lezing: je zult geluk vinden, ondanks…Ook voor jou is er troost, een omgekeerde wereld zoals wij die kennen. Eva Martens die tijdelijk een van mijn collega’s vervangt hield een goed verhaal over maskers en ontmaskering, over rollen, rollenspel en jezelf zijn. En de tekst van het lied van Oosterhuis paste hier goed bij. Een lied over ontmaskering en zelfvinding. Maar ook met een masker vertolk je een waarheid, ben je iemand, stel je iets voor. Het masker heeft een buitenkant en een binnenkant: daar zit jouw gezicht. Met de buitenkant toon je jezelf aan de wereld. Maar straalt de binnenkant ook door naar buiten? Of is het masker enkel en alleen buitenkant, bescherming tegen verlies van de binnenkant, bescherming tegen een aanval van buiten op het wezen dat jij bent, dat jij diep van binnen bent? Misschien ben je wel zwak en wil je voorkomen dat men dat te weten komt. Misschien doe je jezelf wel groter en sterker voor dan je bent, om bepaalde doelen te halen, om te imponeren, om je ambities te verwezenlijken. Hoe het ook zij het masker geeft te denken. In het Japanese No-theater liggen de rollen vast en helpt het masker bij de verbeelding van de rol en de bijbehorende emoties. In deze vorm van drama structureert mede het masker het spel en vormt het een vast element. Niet de speler achter het masker maar de rol zelf is belangrijk. Dat is een andere manier van kijken waarmee wij in het westen misschien niet zo vertrouwd zijn en die hoogstens nog in het poppenspel met vaste figuren een rol speelt. De speler is zijn rol, en de rol bepaalt het spel van de speler. Hier is geen sprake van zelfverlies want er is geen zelf dat verloren is of dat het gevaar loopt om verloren te raken. De speler is zijn rol. Een goede speler is des te beter zijn rol. Zij vallen samen, er is niks tussen, geen voorbehoud, geen aarzeling of twijfel. De speler gaat op in het spel en wordt zijn rol en de toeschouwers genieten ervan en vragen zich niet af wat het werkelijke gezicht is van de speler. De speler zelf doet er als persoon niet toe in het spel. De speler is deel van het spel en daar moet hij het mee doen, zou je kunnen zeggen. Hoogste spelkunst is dan ook de rol spelen die je moet spelen.

De tekst uit het lied van Oosterhuis met de suggesties dat er achter het masker nog iets anders schuilt moet een Japanner vanuit dit perspectief dan ook vreemd in de oren klinken.”Wie mij ontmaskert, zal mij vinden” dicht Oosterhuis. Wat tref je dan aan? Wat wordt er dan mooi gemaakt? Oosterhuis geeft zelf antwoord als hij zegt: “Ik heb gezichten, meer dan twee, ogen die tasten in den blinde, harten aan angst voor angst ten prooi.” Meerdere gezichten bepalen mijn wezen, mijn ogen zien niet veel, het is donker, mijn hart, onze harten zijn bang voor de angst die dreigt, die misschien komt maar die misschien ook een hersenspinsel is. En dat allemaal achter het masker, allemaal achter het gezicht dat wij opzetten en waarmee wij ons aan de wereld tonen. Maar de ontmaskering is niet eenvoudig. Er is sprake van delven, een beeld dat stamt uit het milieu van de mijnwerker, de kolendelver, de gouddelver. Zwaar en ondankbaar werk. Gevaarlijk werk, dat je lichaam en je geest kleurt en niet alleen aan de buitenkant. Mijn vader is mijnwerker geweest. Hij behoorde gelukkig tot de generatie die verplicht werd met meer bescherming te werken zoals stofmaskers. Was hij tien jaar ouder geweest dan was hij nu al lang aan stoflongen overleden. Ondanks de kameraadschap en de romantiek van het solidaire arbeidersleven was het beroep een aanslag op je gezondheid. Datzelfde geldt voor (soms illegale) gouddelvers van dit edelmetaal die met kwik werken om de goudklompjes bloot te leggen. Dit werk, dit delven heeft een prijs. “Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.” zal dus als we binnen deze beeldspraak blijven niet eenvoudig zijn, niet zonder slag of stoot plaats kunnen vinden.

Maar hoe gaat dit delven in zijn werk, hoe wordt het gezicht bloot gelegd waardoor het mooi wordt gemaakt? Is het een kwestie van schuren? Afboenen van de buitenkant? De valse schijn doen verbleken, de ware aard naar boven halen zoals de aarde de goudaders flonkerend laat zien als de mijnwerker er met zijn hak op slaat? Is het zo een zwaar werk, vol geweld, vol brute kracht? Of vindt het subtiel plaats, door een woord, een gebaar, een blik? Ik vermoed het laatste, want de woorden hebben een zekere verleidingskracht, een plasticiteit die met geweld nooit te bereiken valt en die als dit geweld wordt ingezet alleen het tegendeel bereikt. Want geweld roept tegengeweld op, actie reactie, haat roept haat op, wreedheid vergelding. Hoe kun je ooit denken dat jouw strategie van niets ontziend geweld tegen een vijand vruchtbaar kan zijn? Je terreur, je wreedheid, je inzet van al je brute krachten zal zich met tienvoudige kracht tegen je keren want wat je zaait zul je oogsten, honderdvoud. “Delf mijn gezicht op, maak mij mooi” wil zeggen het gaat om schoonheid, om mooi gemaakt worden, mooi willen worden, want het verlangen is hier in het spel, het verlangen om ontdekt, ontmaskerd te worden. En als dat plaatsvindt, als er iemand is die jou de moeite waard vindt om achter je masker te kijken gebeurt er iets bijzonders: ”Wie wordt ontmaskerd, wordt gevonden en zal zichzelf opnieuw verstaan, en leven, bloot en onomwonden,aan niets en niemand meer ten prooi!” Het uitroepteken heb ik erachter gezet. Een aansporing om geen prooi meer te zijn, geen prooi meer voor niets en niemand. Want gemaskerd ben je of je wilt of niet prooi van je eigen verlangen om je op deze wijze te presenteren en maak je deel uit het van het spel dat in de wereld met de maskers wordt gespeeld. Pas ontmaskerd komt dit aan het licht: dit spel van verleiding, van weerbarstigheid, van valse verwachtingen, illusies, zinloze hoop, zelfverlies. Ontmaskerd leer je jezelf opnieuw verstaan, mag en kun je leven bloot en onomwonden, hoef je geen blad voor je mond en niet voor je ogen te nemen. Ook geen tekst waar je jezelf achter denkt te moeten verschuilen, geen geloofsbelijdenissen meer, geen getuigenissen om je goede gezindheid te tonen. Geen daden om in een goed blaadje te komen bij je beoordeelaars. Ontmaskerd ben je open en bloot en mag je jezelf open en bloot presenteren: ben je wat je laat zien en zien we wat je bent. Binnen en buiten vallen samen zoals het masker met de speler in het No-theater. Geen voorbehoud, geen maar, geen korte gedachtenflits van twijfel of aarzeling, geen intuïtieve gevoelens vooraf van hier klopt iets niet.

Dit is de taal van de verlossing, het eindspel in de woorden van Samuel Becket zonder de wrangheid en de desillusie, zonder de zwartgalligheid die het zelfbedrog ontmaskert, de cynische terugblik die het leven als leugen bestempelt. Want als het masker eenmaal valt is er niets meer dan het gezicht dat achterblijft, het naakte lichaam, het naakte gezicht met ogen die kijken, die open staan voor het licht. Ogen die de ziel weerspiegelen en die de ziel tot uitdrukking brengen. Dat is het echte goud, goudkleurig of zwart, warmtegevend of zekerheid: stralende ogen, een open blik, een en al ervaring van er mogen zijn en er willen zijn: bloot en onomwonden, aan niets en niemand meer ten prooi. Een wereld omgekeerd, geluk niet als mogelijkheid maar als werkelijkheid. Geluk dat de hoogte en dieptepunten heeft meegemaakt, de stormen doorstaan, de hoge golven overleefd. Bereiken wij dat in ons leven? Of ligt deze gelukzaligheid buiten ons bereik? Moeten we wachten op onze definitieve verlossing, misschien wel na onze dood? Een hemels paradijs? Oosterhuis de dichter formuleert in het heden: zijn tegenwoordige tijd is een aansporing, geen verwijzing naar wat moet gebeuren, maar eerder een bevel, een vraag met dwingend karakter, vandaar het woord delven. Ga aan de slag, begin, doe je werk, doe moeite, zet je in, maak er energie voor, doe je best. Want eenmaal begonnen zul je merken dat er een grote schat op je ligt te wachten, succes verzekerd. Alleen je moet het wel doen, wel eraan beginnen. Dit woordspel met het verlangen kan alleen maar lukken als er achter of onder dit verlangen een wereld schuilt die waarheid bevat: een gezicht zonder angst, dat zichzelf verstaat, een mens die er al is maar die nog moet worden blootgelegd. Toch het proberen waard lijkt met zo! En wie weet wordt in dit delven ook jouw ware zelf gedolven.

John Hacking

17 februari 2015