Change perspective: Universiteit als broedplaats?

“Broeien is een reactie op een samenleving die gekenmerkt wordt door overmatige regelgeving schaalvergrotingsprocessen, management dat niet deugt en waarbij alles in het teken van efficiency, monotonie en vlakheid staat. … Maar broeien ontstaat ook om een positieve reden. Dan komen mensen bij elkaar omdat ze een goed idee hebben, elkaar willen stimuleren en inspireren en samen iets nieuws willen opzetten. Om een bijdrage te leveren aan de maatschappelijke ontwikkelingen, vanuit behoefte aan zin- en betekenisgeving. Om samen met anderen op zoek te gaan naar oplossingen.” (Pag. 25)

 “In een broeinest zijn de emoties ongeordend, in een broedplaats zijn ze geordend. De wanhoop, het ongenoegen en het verlangen zijn in een broeinest niet gericht, in een broedplaats wel. Broeinesten zijn ongestructureerde ontmoetingen die tot een broedplaats kunnen uitgroeien. In een broedplaats ontstaan uit de onvrede een voornemen en een doel. Ideeën worden er volwassen. Is het broeinest in een organisatie ontstaan, in een ordenend geheel, dan zal het al snel een broedplaats worden die wordt ingepast en afgestemd op de belangen van anderen. Broedplaatsen hebben namelijk iets gevaarlijks voor het systeem en daarom worden ze al gauw ingekapseld, bijvoorbeeld in vergaderingen, werk- en projectgroepen en commissies. Waar geen tijd is om te broeden, te verdiepen en te reflecteren. Waar je je moet houden aan conventies, aan regels en agenda’s. In zulke gestructureerde  overlegsituaties wordt de emotie uitgesloten en is onderlinge bevruchting onmogelijk. Want een vergadering is pas geslaagd als iedereen de regels volgt, de bijeenkomst op een gestructureerde manier verloopt en de doelen zijn gehaald. Een vergadering is dan niet veel meer dan een steriele toestand voor neutrale wezens. In een broedplaats daarentegen willen mensen tot hun recht komen. Ze willen anderen wel eens iets laten zien. Ze hebben een sterk zelfgevoel, weten wat juist is en hoe het moet. Ze treden binnen in een leerhuis waarin iedereen schriftgeleerde is. Waar de stemming en de sfeer oprecht zijn, waar ze zich kunnen concentreren op iets nieuws. Waar ze samen proberen problemen op een ander niveau te duiden. Waar ze gebruikmaken van elkaars kracht en elkaar bevruchten. Zo zoeken ze naar nieuwe combinaties. Het resultaat is van iedereen.” Uit: P. Camp, De broedfactor. Betrokkenheid aanwakkeren in organisaties en samenleving, Amsterdam Antwerpen 2009 (Uitgeverij Business Contact) (Pag. 27)

Op de Radboud Universiteit van Nijmegen is verandering van perspectief al een tijdje het nieuwe motto in het strategisch plan. Medewerkers en studenten worden uitgedaagd om met nieuwe ideeën te komen om zo een bijdrage te leveren aan onderzoek en onderwijs, kerntaken van de universiteit, ook in de toekomst. De link http://www.ru.nl/overons/overradboud/change-perspective/ geeft hierover meer informatie.

Change perspective, verandering van perspectief is in deze opzet vooral ook een aanmoediging om tot verandering te komen. Maar een aanmoediging is nog geen verandering en een verandering is nog niet meteen een ander perspectief. Tenslotte wat is het object van die verandering? Verandering waartoe, voor wie en waarom? We zijn misschien geneigd om perspectief al heel snel gelijk te stellen aan kijkrichting, blikrichting, dus een daad waarin onze ogen en daaraan gekoppeld onze ideeën centraal staan. Kijken als een vorm van waarnemen waarin receptie, conceptie en deceptie op basis van wat we ervaren een rol spelen. Je kijkt met een bepaalde bril naar iets. Die bril kleurt je waarneming, die bril stuurt je als het ware. Maar de metafoor van kijken, de nadruk op beeld en op ogen kan ook verhinderen dat je andere mogelijkheden die samenhangen met perspectief en met waarnemen opmerkt en toepast. Waarnemen via het luisteren, het ruiken, het voelen bijvoorbeeld. Als alle nadruk op het kijken en op het beeld valt kun je spreken van een verenging, een vernauwing van je blikrichting, je waarnemen als zodanig. Een voorbeeld. In de poëtische verwoording van de ervaring van de werkelijkheid worden beelden, gevoelens en ervaringen opgeroepen die meer zijn dan een soort van foto, dia, reproductie of representatie van een situatie. Een goed gedicht, een mooie metafoor prikkelt alle zintuigen en je hele lichaam kan erin mee gaan doen. Gehaktballen van oma, kippensoep van moeder, nevelige ochtenden in de herfst: je ruikt, je proeft, je voelt, je maag doet mee, je smaak wordt geprikkeld, water loopt je in de mond of je voelt de koude al optrekken en de herinnering daaraan. Dit soort van ervaringen verwoord in onze taal noem ik bijzonder omdat ze meer zijn  dan een beeld, meer dan een concept, een gedachte of een theorie. Ze zijn vooral anders. Omdat ze zo anders zijn en eigenlijk niet in een conceptueel kader passen dat aansluit bij ons kijken, onze kijkervaring en onze waarneming van de werkelijkheid met de bril van de waarnemer, ervaren we ze, zo vermoed ik, als vanzelfsprekend en dan merken we er niets van. Ze zijn er wel, maar op de achtergrond, niet gethematiseerd. En niet gethematiseerde ervaringen zijn eigenlijk voor ons verstand geen ervaringen. Als de ratio er niet over gaat bestaat het voor de ratio niet. Kortom de ratio kleurt onze waarneming en alles wat daarbuiten valt doet niet mee. Maar dat wil niet zeggen dat het er dan ook niet is.

Als verandering van perspectief alleen een rationele constructie is, een oproep om de werkelijkheid vanuit onze ratio constructief te beschouwen en te veranderen schieten we tekort. Heel simpel omdat de ratio gewoon niet in staat is de contingentie en volatiliteit (wisselvalligheid en onbestendigheid)  van onze realiteit waarin we dagelijks verblijven te vatten. De ratio ontbeert daartoe de middelen. De ratio is onontbeerlijk in de wijze waarop we ons bestaan vorm geven en zin vinden maar de ratio is niet de enige kracht. Als we terecht komen in een situatie waarin we ons niet wel bevinden kan het gaan broeien: we komen in opstand, het gaat met ons op de loop en al heel snel overheersen emoties het debat. Waarom zijn mensen zo opgewonden tijdens demonstraties? Opdat zich hier de kans aanbiedt om zich te uiten, om alle ervaren onvrede, alle ongenoegen zichtbaar te maken. De ratio doet nauwelijks mee, die is thuisgelaten. Rationeel zou je kunnen stellen: een demonstratie heeft weinig effect en levert niet zoveel op qua verandering van doelen en van werkwijze. Een demonstratie, het tonen waar je voor staat, roept anderen op hun positie te tonen: geweld roept tegengeweld op, verzet tegen-verzet. Een ene positie lokt de andere uit. Voor en tegen de opname van vluchtelingen, voor of tegen het vestigen van centra om mensen op te vangen. De voorbeelden zijn eindeloos.

In het proces van creativiteit om nieuwe wegen te ontdekken waarop wij in onze samenleving met problemen omgaan is rationaliteit noodzakelijk maar ook hier heeft ze niet het alleenrecht. Broedplaatsen gedijen ook bij vrijheid, bij toevallige ontdekkingen, bij gratuitheid, bij vrijwillige inzet zonder vooropgezette bedoeling. Broedplaatsen zijn speelplaatsen, het mogen en kunnen uitproberen van ook op het eerste gezicht onmogelijke dingen. Buiten de kaders denken, buiten de hokjes. Dat is ook van de verandering van perspectief inhoudt en waartoe wordt opgeroepen. Maar in hoeverre kan een universiteit een broedplaats zijn, een broedfactor worden in de maatschappij als ze voortdurend wordt ingeperkt door regels, door financieringsconstructies en door afrekenmodellen die korte metten maken met wilde ideeën in onderzoek en onderwijs? Hoe wild kan en wil een universiteit zijn, zich presenteren en vooral vrije, creatieve ruimte scheppen voor totaal, maar dan ook totaal nieuwe invalshoeken? Hier schuilt het gevaar voor de gevestigde orde die inzet op stabiliteit en zekerheid, die inzet op de voortgang van het oude omdat dit oude bekend is en veiligheid biedt. Nieuwe ontwikkelingen ontnemen oude situaties hun bestaansrecht: kijk maar naar de techniek die wordt ingezet om voertuigen te besturen. De elektrische auto gaat aantonen dat benzinemotoren overbodig worden met alle gevolgen van dien voor de aardolie-industrie. Hoewel die laatste daar niet echt onder zal leiden omdat aardolie vooral en nog steeds aan de basis ligt van talloze andere producten en daarvoor is nog geen alternatief. Plastic bijvoorbeeld zie ik nog niet zo snel verdwijnen. Maar nu zoek ik vooral voorbeelden in de pragmatische hoek, de toepassing van ideeën. Hoe zit het met de conceptuele functie op de universiteit, ook met het oog op wat ik boven beweerde naar aanleiding van het lichaam en de lichamelijke waarneming van de realiteit vanuit het hele lichaam? Zou en kan en wil de universiteit ideeën ontwikkelen die allereerst niet op de ratio maar bijvoorbeeld op het gevoel, de emotie zijn gebaseerd, of op de reuk, het smaken of het voelen? Durft de universiteit in te zetten op intuïtie als waarnemingsorgaan? Op spiritualiteit als bron naast de wetenschappelijke codex van eisen als objectiveerbaarheid, voorspelbaarheid, controleerbaarheid, empirie, toetsbaarheid etc. Ik vermoed dat zolang de hogepriesters van de rationele wetenschapstempel het voor het zeggen hebben andere factoren dan de ratio nauwelijks speelruimte krijgen in het creatieve proces, het broeden op verandering van perspectief. En hoe ontluisterend moet het zijn om dan te moeten constateren dat niet alles ratio is wat de klok slaat in de wetenschap. Hoe hard de wetenschappers ook hun best doen om dit ideaal te presenteren en voor te houden aan de mensheid.

Ik pleit dus voor een heel brede aanpak, een echt buiten je kaders durven en leren kijken, je bril opzetten maar ook andere brillen uitproberen. Je ratio niet thuis laten maar ook niet verabsoluteren. Andere bronnen raadplegen en eruit putten om verder te kijken dan je neus lang is. Kunstenaars worden algemeen beschouwd als degenen die dat in onze samenleving zichtbaar maken maar dat vind ik een misvatting. Waarom zouden kunstenaars alleen die creativiteit in huis hebben om andere perspectieven in te nemen? Ieder mens is een kunstenaar, riep Joseph Beuys al, in ieder mens schuilen wonderen van ontdekking en van potentie. Peter Camps die ik boven citeer over broeinesten en broedplaatsen haalt de journalist Nico Haasbroek aan met 10 nieuwe geboden die ook voor de wetenschapper van belang kunnen zijn in de dagelijkse uitoefening van zijn praktijk. Het zijn geboden die getuigen van een bepaald soort realisme, die niet teveel invullen maar die vragen om een verdere uitwerking in de praktijk, waarbij ook de universiteit een steentje bij kan dragen. De uitdaging schuilt er vooral in om eens op een andere manier hier handen en voeten aan te geven; anders dan we gewend zijn via projecten, hulporganisaties en geldinzamelingen. Niet vanuit de politiek, niet vanuit de gevestigde belangen, maar bijvoorbeeld vanuit een denkbeeldige toekomst, een scenario in de toekomst dat dient als startpunt. Stel je voor dat er een aarde komt zonder geweld en zonder geweldsmonopolies. Een aarde zonder armoede, een aarde zonder bezit. Wat zou je nodig hebben, aan welke voorwaarden moet je voldoen om dat proces in gang te zetten, om dat einddoel te halen. Het wiel hoeft niet meer te worden uitgevonden. Op talloze plekken wordt al zo gedacht en gehandeld. Hier meer bekendheid aan geven, initiatieven bundelen en communiceren is al heel wat. Een stap in de goede richting. Natuurlijk geboden garanderen geen verandering. Geboden zijn richtingwijzers voor de wandelaars in de woestijn. Ze duiden, ze wijzen vooruit. Ze zijn als het ware intuïtieve  en op ervaring geformuleerde constructen die je kunnen helpen bij je oriëntatie in niemandsland. Want dat is ons leven: een soort van niemandsland tussen geboorte en dood. Alle claims op waarheid, alle machtsaanspraken, alle vormen van bezit, zijn in feite pogingen om dit niemandsland te bezitten, er een vaste status, een fort in te plaatsen: kijk, dit is van mij! Maar het zal je niets helpen want je leven is eindig, het loopt een keer af en dan is het voorgoed voorbij. Als wandelaar in dit leven heb je meer aan richtingwijzers dan aan kastelen en forten. Ook de toekomst heeft met perspectief, met richting te maken. De toekomst dicht timmeren omdat je denkt dat je dan veilig bent is een illusie. Een illusie die zichzelf ontmaskert als je leven ten einde loopt. En dat kan sneller zijn dan je misschien zou verwachten. Jouw leven, mijn leven, ons leven en deze wereld hangen onlosmakelijk samen. De universiteit an sich bestaat niet: wij zijn samen die universiteit en we hebben samen die verantwoordelijkheid om kennis, inzicht en daadkracht te bundelen en te verspreiden tot welzijn van allen. Niet mijn onderzoek maar mijn inzet voor de wereld via mijn onderzoek is wat er toe doet. Er is altijd meer dan jezelf, iets dat groter is dan jezelf. Als je dat al beseft ben je al een heel eind op weg – ook in het veranderen van je perspectief.

John Hacking

9 november 2015

De tien geboden van Nico Haasbroek luiden:

  1. Besef dat de mens tot alles in staat is.
  2. Respecteer ieders recht op vrijheid.
  3. Stop met zinloos geweld.
  4. Wees beter voor het milieu.
  5. Streef naar meer gelijkheid en minder hebzucht.
  6. Bestrijd de bureaucratie.
  7. Trek ten strijde tegen fanatici in deze wereld.
  8. Ontwikkel u tot wereldburger en toon uw internationale solidariteit.
  9. Verbeter de wereld en begin bij uzelf.
  10. Wees minder bang en twijfel vaker.

Uit: P. Camp, De broedfactor. Betrokkenheid aanwakkeren in organisaties en samenleving, Amsterdam Antwerpen 2009 (Uitgeverij Business Contact) (Pag. 21)