Vragen*

Vragen, snelle vragen die meteen een antwoord willen

Vragen die je kwellen

Vragen die smachten om een antwoord

Vragen die je nog niet kende

Vragen die je niet kon stellen

Vragen die je liever niet wilde stellen

Vragen waarvan je niet wist dat ze bestonden

Vragen, langzame vragen, die een leven nodig hebben voor een antwoord

Die vragen kun je hier stellen, verkennen, langzaam ontwikkelen, je erdoor laten leiden, ze nemen je bij de hand en blijven bij je, metgezel soms voor een leven.

Een vraag is samengebalde betekenis, een focuspunt. Een vraag is jouw verlangen, gevoel, intuïtie, jouw diepste wens, aan het licht gebracht. Maar verwacht niet dat de vragen die er toe doen makkelijke oplossingen hebben. Zoals je honger stilt met een broodje. En ook dan, geen enkele maaltijd is de laatste! Zolang je leeft blijf je hongerig. Heb je geen honger meer, eet je niet meer, dan is het tijd om te sterven. Zo is het ook met vragen. Als je geen vragen meer hebt is dat voor je denken “de dood in de pot” en voor je leven “einde oefening”. Met antwoorden alleen wordt geen mens gelukkig. Met antwoorden alleen word je al snel bitter, verbitterd, radicaal omdat anderen jouw antwoorden niet accepteren. Ze gelden niet voor hen. Waarom zouden ze ook moeten gelden?

Dat zie je in religieuze betekenissystemen: aanhangers van een religie of een stroming die overtuigd zijn van hun eigen gelijk roepen vooral weerstand op bij niet-aanhangers, bij hen die de vragen en zeker de antwoorden niet delen. Ze geven antwoorden op vragen die anderen zich misschien helemaal niet stellen of die in hun context niet relevant zijn omdat ze de vooronderstellingen niet delen. Wie heeft er dan gelijk als de uitgangspunten niet hetzelfde zijn? En delen zij wel dezelfde uitgangspunten, dan is de weg naar het doel, de route om af te leggen, toch steeds een route waarin jij in je eigen schoenen staat. Niemand kan dat van je overnemen. Je kunt wel samen opgaan, samen lopen, maar uiteindelijk is het jouw weg, jouw leven, zijn het jouw vragen en jouw (tijdelijke) antwoorden.

Durf jij in je leven je bij de hand laten nemen door je vragen? Durf jij je toe te vertrouwen aan je vragen zonder dat je de garantie hebt op een antwoord? En als je al antwoorden krijgt, als deze geen nieuwe vragen oproepen, laat ze dan maar zitten, die antwoorden, stil in een hoekje. Dan vallen ze niet zo op in hun gedrevenheid en radicaliteit. In elk antwoord verbergt zich de dood als er geen ruimte, geen openheid is voor een nieuwe vraag. Dat is een existentiële ervaring, waar je helaas door schade en schande pas achter komt. Vaak is het dan te laat, is er geen weg meer terug. Dat is ook de kracht van berouw en van vergeving: je antwoord is niet het laatste, jouw route, hoeft niet te leiden tot jouw ondergang. Daarom zijn er bekeringsrituelen bedacht en zijn zoals een Joodse gezegde luidt: “de (hemelse) poorten van berouw (en vergeving) nooit gesloten”.

Durf je te leven met een vraag als vlag, een vraag als banier, vragen als een serie wimpels in de wind, op de berg waar je vertoeft, op de weg die je gaat? Vlaggen lijken misschien statements, waarheden, antwoorden, maar vlaggen zijn eerder speelbal in de wind, duiding, richtingwijzer, maar geen definitieve antwoorden. Zie de prachtige banieren in de films van Kurosawa zoals in Kagemusha: woud, wind, berg en vuur. De banieren in het boek van de profeet Jesaja, wijzen een richting aan, geven een focuspunt, maar de weg leg je zelf af, met of zonder vlag, met of zonder wapenschild. Gertrud Kolmar, schreef een aantal gedichten over wapenschilden. Ook dat zijn samengebalde betekenissen, ze geven net als een vlag richting aan, herkomst en toekomst, afstamming en ambitie. Wapenschilden en vlaggen zijn beeld-geworden semiotische tekens die een vorm van houvast bieden en die een programma verbeelden, een soort van antwoord op eerder gestelde vragen, een route om te gaan zonder dat de antwoorden absoluut of eenduidig zouden zijn.

Durf je het aan te leven met zulk een vlag – een voortdurende herinnering dat de wind de vlag tot leven brengt, veranderlijk als de vlag in de wind…

John Hacking

4 juni 2018

Wappen van Sonnewalde

Im Blau eine große goldene Strahlensonne mit menschlichem Antlitz

Sonne steht am Fensterhang und spricht:

»Warum leiht ihr mir ein Angesicht?

Wärme bin ich, bin das Liebeslicht,

Eure schwachen Züge hab ich nicht.

Schütt ich in den Frühling meinen Brand,

Lodert euer kärglicher Verstand;

Weisheit schreib ich auf die Spittelwand,

Und mich irret keine Menschenhand.

Straßen tun dem Erdenleib Gewalt,

Staudamm gibt dem Wasser Ungestalt,

Feldluft wird in euren Kerkern alt;

Schaut mich an: ich werde doch nicht kalt.

Ohne Lippen hab ich Laut genug,

Ohne Fittich kenn ich höchsten Flug;

Schließt mich nicht in euren Maskenzug

Mit der Larve, die ich niemals trug!«

Die da zögerten, als Sonne sprach,

Die sie hörten, denken lange nach.

Wie sie zürnend aufblinkt ob der Schmach!

Wird sie ahnden, was ein Kind verbrach?

»Wenig hab ich, aber alles hier,

Kreisel und ein hölzern kleines Tier.

Meiner Mutter Antlitz schenk ich dir,

Liebe Sonne, willst du mehr von mir? «

Eine Mutter redet in den Wind:

»Wissen wollt ich dich und wurde blind,

Und so mal ich, was ich niemals Eind,

Warm und gut und lieblich. Wie mein Kind.«

Gertrud Kolmar

Schwarzwald