Verdriet, tranen, depressieve gevoelens

Innerlijk verlamd zijn door het geleden verlies

Daniel Hell constateerde dat een depressie vaak in de plaats komt van verdriet. Wanneer het geleden verlies te sterk is, dan kunnen we ons verdriet soms helemaal niet onder ogen zien. Het zou te pijnlijk zijn. Het zou de grond onder onze voeten wegtrekken. Wij denken dat een depressie een uiting is van een diep verdriet. Beide fenomenen hebben weliswaar uiterlijk bepaalde overeenkomsten.
Maar ten diepste zijn verdriet en depressies twee geheel verschillende verschijnselen. Mensen die de rouwverwerking in zekere zin op de lange baan hebben geschoven, worden dikwijls apathisch en gevoelloos. In een tijd waarin we denken dat alles maakbaar is, ligt de veronderstelling voor de hand dat we slechts positief hoeven te denken, dan kunnen we ook de sterfgevallen in onze familie goed verwerken. Bij deze veronderstelling is er voor echt verdriet geen plaats. Maar dat kan ertoe leiden dat de verlate reactie van verdriet uitgroeit tot een depressie. Fairchild vertelt iets uit zijn eigen leven: zijn vader stierf toen hij negen jaar was. Omdat hij thuis de oudste zoon was, werd hij gedwongen om zichzelf onder controle houden. Hij moest de verantwoordelijkheid op zich nemen voor zijn jongere broers en zussen. Bovendien was het lang aanhoudende verdriet van zijn moeder voor hem zo afschrikwekkend dat hij zijn eigen gevoelens van pijn en verdriet verdrong. Maar dat leidde later tot steeds terugkerende depressies en gevoelens van leegte en verveling. Pas toen zijn hond stierf, kon het verdrongen verdriet zich eindelijk uiten in onbeperkt huilen en langzamerhand traden er bij hem minder depressies op (Fairchild 94).

De vroege monniken zagen al in dat droefgeestigheid vaak een uiting is van verdrongen verdriet. Ze maken onderscheid tussen verdriet (‘penthos’) en ‘droefgeestigheid’ (‘lype’). Evagrius is van mening dat verdriet in tranen uitbarst, terwijl droefgeestigheid slechts sentimenteel is.
Droefgeestigheid is zelfmedelijden. We zijn uitsluitend bezig met onszelf en met onze onvervulde verlangens. We zeggen constant tegen onszelf: ‘Niemand mag mij. Niemand bekommert zich om mij. Ik ben zo alleen.’ Iemand die droefgeestig is, blijft in zijn droefgeestigheid steken. De droefgeestigheid droogt zijn hart uit en berooft hem van zijn veerkracht. Droefgeestigheid verlamt ons en doet ons verstarren, maar verdriet inspireert ons en maakt ons vitaal. Een teken van een depressie is volgens Evagrius: een verhard hart dat geen traan wil laten. Iemand die verdriet heeft, gaat echter door de tranen heen en wordt daardoor innerlijk gereinigd. In het vroege monnikendom zong men het loflied op de tranen. Tranen reinigen de ziel en inspireren haar. Tranen zijn een uiting van een ware godservaring. Maar in onze tranen ontmoeten we ook onszelf en onze werkelijkheid. De monniken hebben het over verdriet wanneer we niet beantwoorden aan onze eigen idealen en aan het beeld dat God Zich van ons heeft gemaakt. Bij hen gaat het niet zozeer om verdriet dat wij ervaren na het verlies van dierbaren die sterven, als wel om het verdriet om onszelf. Ze hebben het over het verdriet om onze zonden. Daarmee hebben wij vandaag de dag grote moeite.
Maar we kunnen het ook opvatten als verdriet om gemiste kansen of om ons niet-geleefde leven of als verdriet om het verlies van een dierbare bij een scheiding of bij een overplaatsing op het werk.

In ons verdriet ontmoeten wij onszelf op een onbarmhartige manier, hebben we geen distantie meer ten opzichte van onszelf. We hebben niets meer in de hand wat wij tussen onszelf en onze diepste waarheid kunnen houden. Alle pogingen om onszelf te rechtvaardigen worden ons uit handen geslagen en alle maskers vallen. Voor de vroege monniken is verdriet een voorwaarde om de nieuwe mens in ons te laten ontstaan, de mens die helemaal geschapen is naar Gods beeld. Tijdens een depressie is de ziel van de mens dood. Door de tranen van het verdriet wordt de ziel die dood was, tot leven gewekt. André Louf, de abt van een Frans trappistenklooster, beschrijft deze ervaring als volgt: iemand die verdriet heeft, ‘heeft geleerd om bij God ineen te zinken, zijn masker at te leggen en zijn wapens neer te leggen. Uiteindelijk staat hij weerloos voor Hem, hij beschikt over niets meer om zich te verdedigen tegen Zijn liefde. Hij is bloot en naakt. Zijn deugden, zijn eigen plannen om heilig te worden zijn hem uit handen geslagen. Moeizaam houdt hij alleen nog maar zijn ellende vast, om die aan de barmhartigheid van God te tonen. God is waarachtig God voor hem geworden’ (geciteerd volgens Grün 29). Het verdriet dat in tranen uitbarst, was in het monnikendom een belangrijke methode om inzicht te verwerven in jezelf en in God. Zonder tranen kun je volgens Evagrius niet werkelijk beseffen wie God is. Droefgeestigheid – of in onze taal: een depressie – sluit ons daarentegen af van God en uiteindelijk ook van onszelf. Tijdens een depressie staan we als het ware naast onszelf.

De weg van genezing voor droefgeestigheid is dus: verdriet hebben. Maar wij mogen hier geen oordeel vellen. De monniken hebben het weliswaar over de demon van droefgeestigheid. Maar dat is voor hen geen oordeel. Ze zijn slechts van mening dat wij de neiging hebben om depressief te worden, dat we soms worden overvallen door een depressie zoals een dief van buitenaf in ons huis inbreekt. Wanneer het verdriet om de dood van een dierbare te veel zou vergen van de ziel, dan reageert zij met een depressie. Ik heb een vrouw ontmoet die niet kon huilen, hoewel haar hele lijf om tranen schreeuwde. Ze was bang om in haar tranen weg te zinken, wanneer zij haar verdriet werkelijk zou toelaten. Het had weinig zin om de vrouw aan te sporen om te gaan huilen. Ze wilde immers huilen maar ze kon het niet. Tijdens een eucharistieviering, waarin een intense sfeer van geborgenheid was ontstaan, lukte dit haar ten slotte. Er is een schuilplaats nodig, die de geremdheid om te huilen opheft. Maar we moeten er steeds op vertrouwen dat de ziel van iedere mens afzonderlijk zal huilen wanneer het voor haar mogelijk is. Wanneer dit gebeurt, dan is dit vaak een teken dat de depressie langzaam verdwijnt. Dan kan het verdriet beginnen, dan kan het verdriet de ziel helen en haar vitaal maken.

Dikwijls reageren mensen in onze tijd met een depressie op verdriet, omdat hun  omgeving verdriet afwijst. Ze voelen zich als het ware melaats in een wereld waarin je altijd op je best moet zijn. Ze moeten zich in zekere zin door middel van een depressie beschermen tegen mensen om hen heen die het verdriet afwijzen. Ik mag een depressieve vrouw dan niet aansporen om het onderdrukte verdriet alsnog te uiten. Ik moet haar depressie eerst op een liefdevolle manier begrijpen. Ik kan haar vragen waar ze zoveel moeite mee heeft. Dan zullen de gebeurtenissen ter sprake komen die in haar een diep verdriet hebben gewekt: haar vader stierf toen ze erg jong was, haar moeder werd ziek, haar echtgenoot verliet haar. Wanneer ik de vrouw een ambiance bied waarin ze over zulke ervaringen kan praten zonder zich beoordeeld te voelen, dan zal ze ook m contact komen met haar verdriet. Ze heeft iemand nodig die haar verdriet verdraagt, die dit niet met vrome woorden toedekt, maar het peilloos diepe verdriet begrijpt en toch naast haar blijft staan. Het woord ‘troost’ komt van de woordstam ‘trouw’ en betekent eigenlijk ‘innerlijke standvastigheid’. We kunnen troost bieden wanneer we simpelweg blijven staan bij iemand die verdriet heeft, en hem op die manier steun en stabiliteit bieden. Wanneer iemand het uithoudt bij ons en bij onze tranen, dan zal onze depressie overgaan in verdriet en ons in contact brengen met het potentieel dat in onze ziel zit, ons in contact brengen met nieuwe kracht en met nieuwe fantasie.

Bron: Anselm Grün, ALS HET LEVEN EEN LAST IS, 2009, (Lannoo, Ten Have), pag. 154-159

Roy W. Fairchild, Seelsorge mit depressiven Menschen, Mainz 1991.

 

depressie
neerslachtig