Het verhalende zelf

 

“Toch identificeren de meesten van ons zich met hun verhalende zelf. Als we ‘ik’ zeggen, bedoelen we het verhaal in ons hoofd, niet de stortvloed van ervaringen die we continu ondergaan. We identificeren ons met het innerlijke systeem dat de bizarre chaos van het leven omvormt tot logisch aandoende verhalen. Het maakt niet uit dat de plot vol leugens en gaten zit en dat die constant herschreven wordt, zodat het verhaal van vandaag totaal in tegenspraak kan zijn met dat van gisteren. Het belangrijkste is dat we altijd het gevoel houden dat we van de wieg tot het graf (en misschien zelfs daarna) een onveranderlijke identiteit hebben. Dat veroorzaakt het twijfelachtige liberale geloof dat ik een individu ben en dat ik een duidelijke, consistente innerlijke stem heb die het hele universum zijn betekenis geeft.”

Yuval Noah Harari; Homo Deus. Een kleine geschiedenis van de toekomst, Amsterdam 2017 (Thomas Rap)

Yuval Noah Harari onderscheidt in zijn spraakmakende boek Homo Deus tussen een zelf dat de werkelijkheid ondergaat en ervaart en een zelf dat er een verhaal van maakt en dat betekenissen toekent aan die ervaringen en situaties waarin het zelf zich bevindt. Martin Heidegger zou zeggen: een werkelijkheid waarin het zelf zichzelf aantreft, wat op een bijzondere wijze duidelijk maakt dat het zelf hiermee niet klaar is en dat er hoe dan ook een proces volgt om hiermee om te gaan. Maar strikt genomen is alles wat over dit zelf wordt gezegd al reeds verhaal en dus betekenisvol, dat wil zeggen gevuld met betekenissen, het is een product van het verhalende zelf van de schrijver/spreker. Of nog anders geformuleerd, het is nooit een op een samenvallend met de ervaring van het zelf zoals het zelf de wereld aan den lijve ervaart. Harari stelt dat er zelfs een fundamentele breuk bestaat tussen beide zelven. En ook dat is in mijn ogen een construct, een poging om het ‘mysterie’ van het zelf te duiden en te verklaren waarom ervaringen niet samenvallen met verhalen over die ervaring, waarom betekenissen altijd achteraf en pas later te berde worden gebracht. Harari stelt dat wetenschappelijk onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat gedrag correct voorspeld kan worden zelfs nog voor de bewustwording van een subject die met (of is het vanuit) dit gedrag handelt en er in tweede instantie over spreekt. Op de een of andere wijze kunnen in de hersenen handelingen die volgen worden geobserveerd voordat er bij de persoon een bewustzijn hiervan aanwezig is. Heeft dat met snelheid te maken, met het trager werken van bewustzijn? Heeft dat te maken met het feit dat betekenis altijd achteraf komt? Heeft het te maken met het feit dat het verhalende zelf een aantal facetten niet meekrijgt uit een ervaring? Harari stelt: “Telkens als het verhalende zelf onze ervaringen evalueert, laat het de duur ervan links liggen en hanteert het de ‘piek-eind-regel’. Het herinnert zich alleen het piekmoment en het eindmoment en beoordeelt de hele ervaring op het gemiddelde daarvan. Dit heeft een verstrekkende impact op al onze praktische beslissingen.” Daarom zijn ook negatieve ervaringen waarbij toch positieve ervaringen op het einde meespelen niet zo negatief als ze lijken in de ogen van de persoon die ze ondergaat. Het perspectief op deze negatieve ervaringen wordt fundamenteel beïnvloed door positieve ervaringen die als kleine beloningen een rol kunnen spelen. Een van de meest extreme voorbeelden die Harari noemt is de geboorte van een kind: het baren is voor veel vrouwen zwaar en pijnlijk en toch overheerst uiteindelijk vreugde. Het verhalende zelf valt hierin niet samen met het ervarende zelf dat vooral de pijn ondergaat en lijdt. Het verhalende zelf kent wel de pijn, heeft er weet van, maar de pijn overheerst niet in het verhaal dat wordt verteld. Harari verwijst naar onderzoek dat dit zichtbaar maakt.
Dat betekent in feite dat wij in een schijnwereld leven. We leven in een wereld die wij zelf creëren door onze verhalen en het ervarende zelf en verhalende zelf spelen daarin nauw samen en beïnvloeden elkaar. Uiteindelijk blijven de verhalen over, de betekenissen die wij aan gebeurtenissen toekennen en waaraan onze gevoelens worden opgehangen. Of omgekeerd, onze gevoelens kleuren de gebeurtenissen en sturen de betekenissen in een bepaalde richting. Herinnering aan gebeurtenissen is dus zo bijna onmogelijk want wat er precies is gebeurd is door de mal van het verhalende zelf heen gegaan, is dus selectief en gekleurd, het is perspectivistisch. Maar ook als we kijken naar het zelf als entiteit krijgen we geen duidelijkheid omdat we altijd als het ware ‘te laat komen’, we vallen niet samen met onszelf, we kunnen afstand nemen van onszelf. Dat is onze kracht maar ook in zeker opzicht onze zwakte. In onze relatie met ons lichaam wordt dit meer dan duidelijk: wij zijn ons lichaam en we hebben ons lichaam. Die afstand, wat op zichzelf al weer een vorm van verhaal is, kleurt ons zelf-verstaan, als verhaal. We zitten als het ware opgesloten in een soort van labyrint van betekenissen. Harari stelt het volgende: “Zo zien we dat het zelf ook een imaginair verhaal is, net als naties, goden en geld. We hebben allemaal een geraffineerd systeem dat het merendeel van onze ervaringen weggooit en er maar een paar mooie uit pikt, die het vermengt met stukjes uit films die we hebben gezien, boeken die we hebben gelezen, toespraken die we hebben gehoord en onze favoriete dagdromen. En uit die chaos weeft het een schijnbaar coherent verhaal dat verklaart wie ik ben, waar ik vandaan kom en waar ik naartoe ga. Dit verhaal vertelt me waar ik van moet houden, wie ik moet haten en wat ik met mezelf aan moet. Dit verhaal kan me er zelfs toe drijven om mijn leven op te offeren, als de plot dat vereist. We hebben allemaal ons eigen genre. Sommige mensen leven in een tragedie, andere in een eindeloos religieus drama, sommige bekijken het leven als een actiefilm en meer dan genoeg mensen gedragen zich alsof ze in een komedie spelen. Maar uiteindelijk zijn en blijven het maar verhalen.”
Als het zelf fictie is, een verhaal, een manier van bestaan, gekleurd en ingekleurd vanuit betekenissen die voortdurend kunnen veranderen, dan betekent dit dat alles wat het zelf gelooft, waar het zelf in gelooft, hierdoor als het ware ‘aangetast wordt’ als door een virus van de ‘onwaarheid’. Friedrich Nietzsche was zich hiervan goed bewust en zijn opmerkingen hierover houden de geesten tot op de dag van vandaag nog bezig. Objectieve waarheid is een fictie, een transcendente werkelijkheid valt helemaal buiten ons verstaan. Voor Harari zijn religies met hun verhalen imaginaties, vertellingen, waarin mensen houvast zoeken maar die niets met de werkelijkheid als zodanig te maken hebben waarin naar ‘echt houvast’ wordt gezocht. De vraag naar wat is waarheid hangt hier samen met de vraag wie ben ik. Wie ben ik? Kan ik daar ooit achter komen als er een verhalend zelf tussen zit? Maar nemen we nou eens aan dat er absoluut geen andere weg is dan via het verhalende zelf, (of we moeten zo gaan sleutelen aan de mens dat ervaringen op een meer directe wijze binnenkomen en een plek krijgen in het betekenissysteem), dan moeten we het er toch mee doen en blijven wij op afstand van de werkelijkheid, de feitelijkheid, de directe ervaring ervan door het ervarende zelf. Onze taal maakt dat duidelijk: het is altijd taal over, betekenissen die in tweede instantie een reactie vormen op onze ervaring van de werkelijkheid vanuit het ervarende zelf. Maar dat betekent ook dat het verhalende zelf niet de pretentie kan hebben om te oordelen over wat er buiten zijn perspectief kan bestaan. Het verhalende zelf is een beperkt zelf, de scoop van de waarneming en de duiding achteraf is daarom beperkt. Oordelen over ‘de werkelijkheid’ als zodanig kun je dus gerust met een korreltje zout nemen.
Dat kan ook relativerend werken naar geloofsuitspraken, zeker als mensen elkaar naar het leven staan omwille van formuleringen waaraan hun bestaanszekerheid en geloofszekerheid is gekoppeld. Als alles verhaal is, fictief kan zijn, achteraf, betekenisvol maar niet absolute waarheid, dan hoeft in principe niemand voor de waarheid daarvan te sterven of anderen het leven te nemen.

Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Velen zullen niet met de waarheid van de relativiteit van elk verhaal kunnen leven, deze vorm van twijfel zal velen een doorn in het oog zijn en kan aanleiding vormen om ‘andersdenkenden’ definitief het zwijgen op te leggen. Dat zien we gebeuren in sektes, in religieuze stromingen waar radicale ideeën de overhand hebben en waar de leer belangrijker is dan een mensenleven. Als verhalen ‘de waarheid’ worden voor de vertellers dan is elke tegenspraak ‘onwaarheid’. Je zou mogen hopen dat er zoveel inzicht mogelijk is dat ingezien wordt dat de claim op absoluutheid van oordelen en verhalen een brug te ver is, met name omdat je als mens slechts een radertje bent in een groter geheel. Dat het van hybris getuigt je een oordeel te kunnen aanmatigen over de werkelijkheid ‘an sich’, alsof je daar toegang toe zou hebben. Maar het zal waarschijnlijk een ijdele hoop blijven, Als een meerderheid van de mensen het relatieve van hun verhaal zal onderschrijven zijn we waarschijnlijk een heel eind op de goede weg. Daar kunnen we alleen aan werken lijkt me. Het verhalende zelf zal ondervinden waartoe zijn of haar verhalen zullen leiden. Elk verhaal een eigen plot, een eigen happy of minder happy einde.
JwH
30 augustus 2018

 

meer4