Tijdperk van het Niets (3)

Die Moderne ist zwar nicht mehr von einer theologischen Narration getragen. Aber die Säkularisierung führt zu keiner Denarrativisierung der Welt. Die Moderne bleibt narrativ. Sie ist eine Epoche der Geschichte, die eine Fortschritts- und Entwicklungsgeschichte ist. Erwartet wird, ins Innerweltliche gewendet, ein Heil in der Zukunft. Die Narration des Fortschrittes oder der Freiheit verleiht der Zeit selbst Sinn und Bedeutsamkeit. Angesichts des in der Zukunft erwarteten Ziels ist die Beschleunigung sinnvoll und wünschenswert. Sie lässt sich ohne weiteres in die Narration einbinden. So werden technische Fortschritte mit einer quasi-religiösen Narration unterlegt. Sie haben das Eintreffen des zukünftigen Heils zu beschleunigen.

Byung-Chul Han, Duft der Zeit, pag 36

We leven in een postmoderne tijd. Dat wil zeggen dat de heilsverwachting die de moderne tijd kenmerkte en die door middel van de techniek verwezenlijkt zou moeten worden aan zeggingskracht heeft ingeboet. Het optimisme van de moderne tijd is door de wereldoorlogen en de humanitaire rampen in de vorige en in deze eeuw gesmolten. Het verhaal van de vooruitgang heeft een andere wending gekregen, een andere kleur. Niet meer gericht op verlossing in een toekomst maar bevrediging van lust en van behoeftes in het hier en nu, en wel meteen. Het is vervangen door het geloof in de economische ontwikkeling, de accumulatie van kapitaal en goederen en de gedachte dat consumeren (direct) gelukkig maakt. Dit denken heeft gevolgen voor alle aspecten van ons leven. Op alle terreinen is de invloed hiervan merkbaar. De wereld waarin we leven wordt steeds drukker en jachtiger. Er is geen knop om deze beweging uit te zetten, om een pauze in te lassen, om een time-out aan te vragen.
Het lijkt alsof bijna iedereen gevangen zit in een draaimolen waaraan geen einde komt. De kermis houdt nooit op. Pas als het niet meer lukt om mee te doen in deze ‘gekte’, deze voortdurende jacht op succes, invloed, geld, aanzien, status, en wat al niet meer, waarvan men verwacht dat ze gelukkig maakt, komt er een einde aan dit handelen en raakt het individu in een depressie of krijgt het een burn-out. De energie is op. Er is geen bron meer om aan te boren om de jacht op geluk vol te houden. Het streven om met alle eigen kracht het (eigen) geluk te verwezenlijken via de ‘ratrace’ en de daarbij horende zelfexploitatie en zelfpresentatie slaat terug in het eigen gezicht. Het werkt niet, het heeft nooit zo gewerkt en het zal nooit werken om op deze wijze gelukkig te worden. De idealen en de mooie dromen die de consumentenindustrie ons voorspiegelt zijn bedrog. Zij zijn het echte ‘nepnieuws’. Zij verhullen de afgrond waarin je kunt vallen als je maar door blijft hollen.
Hoe kan het zover komen? Hoe kan het gebeuren dat je met open ogen in deze afgrond tuimelt die depressie, die burn-out heet? Byung-chul Han, een Koreaanse filosoof die op dit moment populair is, is daar heel duidelijk over. Hij schetst een tijdsbeeld dat hiervoor een verklaring biedt. Hij schrijft dat onze tijd in een crisis verkeert. De tijd zelf is een vorm van crisis geworden omdat ‘duur’ ontbreekt. Er zijn nauwelijks nog intervallen in de ervaren en beleefde tijd. ‘Het’ raast maar door…En als er al onderbrekingen zijn in de vorm van vakantie, dan dient deze ervoor om op te laden, om weer zo snel en effectief mogelijk aan het werk te gaan. Ook de vakantie is opgenomen in deze dynamiek van consumeren en presteren. Vakantie is geen afstand nemen van, geen rustmoment, een tijd voor contemplatie, maar een tijd voor actie want er moet iets worden beleefd want anders kun je niet thuiskomen met verhalen, kun je niet op sociale media laten zien hoe mooi het allemaal is wat je meemaakt. Han wijst op het feit dat niet de versnelling van en in de tijd het probleem is. De tijd en de ervaring van tijd ontbreekt het aan een rythme dat de tijd ordent en indeelt. Hij schrijft:

Die Zeitkrise von Heute heisst nicht Beschleunigung. Das Zeitalter der Beschleunigung ist bereits vorbei. Was wir derzeit als Besleunigung empfinden, ist nur eines der Symptome der temporalen Zerstreunung. Die heutige Zeitkrise geht auf eine Dyschronie zurück, die zu unterschiedlichen temporalen Störungen und Missempfindungen führt. Der Zeit fehlt ein ordnender Rhytmus. Dadurch gerät sie ausser Takt. Die Dyschronie lässt die Zeit gleichsam schwirren. Das Gefühl, das Leben beschleunige sich, ist in Wirklichkeit eine Empfindung der Zeit, die richtunglos schwirrt.
Die Dyschronie ist nicht das Resultat forcierter Beschleunigung. Verantwortlich für die Dyschronie ist vor allem die Atomisierung der Zeit. Auf diese geht auch das Gefühl zurück, die Zeit vergehe viel rascher als früher. Aufgrund der temporalen Zerstreuung ist keine Erfahrung der Dauer mehr möglich. Nichts verhält die Zeit. Das leben wird nicht mehr eingebettet in die Ordnungsgebilde oder Koordinaten, die Dauer stiften. Flüchtig und ephemer sind auch Dinge, mit denen man sich identifiziert. so wird man selbst radikal vergänglich. Die Atomisierung des Lebens geht mit einer atomistischen Identität einher. Man hat nur sich selbst, das kleine Ich. Man nimmt gleichsam radikal ab an Raum und Zeit, ja an Welt, an Mitsein. Die Weltarmut ist eine dyschronische Erscheinung. Sie lässt den Menschen auf seinen kleinen Körper zusammenschrumpfen, den er mit allen mitteln gesund zu erhalten sucht. Sonst hat man ja gar nichts. Die Gesundheit seines fragilen Körpers ersetzt Welt und Gott. Nichts überdauert den Tod. So fällt es heute einem besonders schwer, zu sterben. Und man altert ohne alt zu werden. (Byung-Chul Han, Duft der Zeit, pag. 7)

Het is de tragiek van onze tijd dat er een verlangen blijft naar houvast, naar een vorm van zekerheid, een gedragen worden door anderen, naar ‘vroeger’ waar men ‘nog iets voor elkaar over had’ en waar het gemeenschapsleven kleur gaf aan het leven. Een verlangen dat niet is uitgeblust maar waarvoor men niet meer geneigd is te betalen: om dit verlangen te bevredigen moet er tijd in mensen en in dingen worden geïnvesteerd. In samenwerkingsverbanden, clubs, ideële organisaties en niet alleen maar in de eigen zelfontplooiing, de eigen carrièrekansen, de eigen ambitie om te slagen in het leven door steeds maar weer hogerop te komen. Als er al tijd overblijft wordt die gereserveerd voor zichzelf: bijkomen van al dat gejakker. Anders houd je het helemaal niet (meer) vol.
Han stelt in navolging van Nietzsche, dat het eigen lichaam en de eigen gezondheid de vervanging vormt voor God en wereld. De mens leeft alleen nog maar voor zichzelf. De dood is voor velen daarom een gruwel want die maakt een einde aan al deze (zinloze) zelfbevestiging. De mens is een atoompje in een atomair tijdperk, een minuscuul klein eilandje in het wereldwijde web, een knooppuntje. Een web van knooppunten dat informatie doorgeeft en een web dat jou beschouwt als bron van informatie en als potentiële klant om te bepalen en te sturen en om dingen aan je te slijten. Transparantie is voorwaarde voor de snelheid van uitwisseling van informatie, van data. Alles wat oponthoud geeft in deze uitwisseling is uit den boze. Donkere en niet transparante delen worden verafschuwd en zo snel mogelijk zichtbaar en doordringbaar gemaakt. Al je voorkeuren liggen op straat, je levensloop is bekend en te traceren. En dat allemaal op vrijwillige basis: we geven het web wat het vraagt en profileren onszelf op sociale media. We verinnerlijken, beter dan een dwangsysteem dit ooit zou kunnen, de verwachtingen die aan ons worden gesteld: een productieve consumerende en ondernemende burger zijn die voortdurend zichzelf presenteert en laat zien aan zijn medeburgers. Alles draait om ‘mij’ want de wereld dat ben ik zelf. Han noemt dit narcistisch: een narcisme dat losraakt van de wereld en dat de wereld hoogstens nog beleeft als applausmachine of like-potentieel. Politieke leiders hebben zich aangepast omdat zij product zijn van dit maatschappelijk proces: ze regeren via Twitter. Een en al emotie, geen grijntje verstand, om maar te zwijgen van wijsheid en lange termijnvisie.

Is er geen medicijn voor deze ontwikkeling? Zijn we gedoemd om dingen te worden zoals machines dingen zijn in dit proces van informatie ontvangen en doorgeven? Maken wij onszelf tot machines die geprogrammeerd zijn om te beleven, om telkens maar nieuwe dingen te beleven en te ondergaan? Tot in oneindigheid, tot de dood er een einde aan maakt? Han maakt een onderscheid tussen beleving en ervaring, tussen emotie en denken. Ervaringen bieden een houvast, ze zijn een anker in de tijd. Ervaringen leren je nieuwe inzichten, nieuwe gedragswijzen. Mensen ervaren levert iets op aan kennis en inzicht. Ervaringen zijn knooppunten in de tijd die niet samenvallen met een verzameling data. Ervaringen hebben meerdere lagen, zijn gelaagd, kleuren een verhaal en maken een verhaal pas mogelijk. Ervaringen kosten tijd, ze vragen om een investering.
Beleving is meer iets van het moment, het achter elkaar doornemen van beelden op je smartphone, zonder dat iets blijft hangen. Het is de tourist die de ene attractie zonder pause na de andere meemaakt. Van stad naar stad, van land naar land en nooit ben je klaar want er valt nog zoveel te zien en zoveel mee te maken. Sociale media waarop we onze belevenissen presenteren zijn emotie-spuwers. De emotie spat er vanaf, maar niets heeft bestand. We worden overspoeld en laten ons overspoelen. Elk piepje roept ons naar het scherm om beloond te worden.
Han verwijst naar de impopulariteit van rituelen: alles moet orgineel, eenmalig, bijzonder zijn. Anders telt het niet mee, anders tel jij niet mee. Maar als we de rituelen afdoen als saai en eentonig, als achterhaald en als overbodig, dan ontnemen wij onszelf een houvast in de tijd. Han schrijft:

Rituale lassen sich als symbolische Techniken der Einhausung definieren. Sie verwandeln das In der Welt-Sein in ein Zu-Hause-Sein. Sie machen aus der Welt einen verlässlichen Ort. Sie sind in der Zeit das, was im Raum eine Wohnung ist. Sie machen die Zeit bewohnbar. Ja, sie machen sie begehbar wie ein Haus. Sie ordnen die Zeit, richten sie ein. In seinem Roman Citadelle beschreibt Antoine de Saint-Exupéry die Rituale als Zeittechniken der Einhausung: »Und die Riten sind
in der Zeit, was das Heim im Raume ist. Denn es ist gut, wenn uns die verrinnende Zeit nicht als etwas erscheint, das uns verbraucht und zerstört wie die Handvoll Sand, sondern als etwas, das uns vollendet. Es ist gut wenn die Zeit ein Bauwerk ist. So schreite ich von Fest zu Fest, von Jahrestag zu Jahrestag, von Weinlese zu weinslese, so wie ich als Kind vom Saal des Rates in den Saal der Ruhe ging, im festgefügten Palast meines Vaters, wo alle Schritte einen Sinn hatten.” Der Zeit fehlt heute das feste Gefüge. Sie ist kein Haus, sondern ein unbeständiger fluss. Sie zerfällt zur blosser Abfolge punktueller Gegenwart. Sie stürzt fort. Nichts gibt ihr einen Halt. die fortstürzende Zeit ist nicht bewohnbar. (Byung-Chul Han, Vom verschwinden der Rituale, pag. 10-11)

Zonder houvast in de tijd, zonder ordening van de tijd, onze levenstijd, dreigen we te verdrinken in een stortvloed van belevenissen en informatie. Waarvoor leef je eigenlijk, wat maakt je leven de moeite waard? Dat je jouw ambitie kunt verwezenlijken, kunt bereiken waar je naar streeft omdat dit haalbaar voor je is? Als alles alleen maar draait om jezelf, als je kind van de rekening bent in deze narcistische maatschappij, dan is het een illusie te denken dat geluk binnen handbereik ligt als je maar je best doet. Echt geluk is met een theologische term een vorm van genade, een cadeau waar jezelf niet zoveel aan hebt hoeven doen. Het valt je toe, het is een ‘Beigabe’, zoals spelplezier het resultaat is van samenwerken en samen gaan voor het gestelde doel. Geluk vraagt investeren in de ander, de anderen, de wereld als zodanig. Zonder relatie met de wereld waarin je wilt geven is er ook geen ontvangen. Zonder ontvangen houd je het niet vol, raakt je tank heel snel leeg. Voor veel hoef je niets te doen, hoef je niet te presteren. Contemplatie, een pas op de plaats, dat wil zeggen, echt stil staan, echt niets doen, echt helemaal niets doen, kan je de weg wijzen. In zijn boekje Lob der Erde schrijft Han over het geluk dat hem ten deel valt als hij in zijn nieuwe tuin aan het werk is. Genieten van de planten, de lucht, het licht, de ochtend en de avond. Genieten van de jaargetijden, de warmte, de koude, de zon en de sneeuw. Allemaal gratis, als je er voor open staat. Als je afstand durft te nemen van het voortdurend actief zijn in werk en vrije tijd. Iets van de hemel valt te bespeuren in de zogenaamde ‘Vor-Zeit’. Han schrijft daarover:

Jene frühe des Morgens ist eine Vor-Zeit, die der gewönlichen Zeit Vorgelagert ist und in der die vergängliche Zeit, die Zeit von Leben und Tod, aufgehoben ist. (Byung-chul Han, Lob der Erde, pag. 18)

Zelfs in het tijdperk van het niets, in ledigheid, in nietsdoen, in ondergaan en ervaren, is een ervaring van het transcendente mogelijk. In de overgang van nacht naar dag, in het terugwijken van de nacht die langzaam ruimte geeft aan de ontluikende dag. Een heilig moment. En zo makkelijk ervaarbaar.

John Hacking
7 augustus 2019

bronnen

Han, Byung-Chul, Lob der Erde. Eine Reise in de Garten, Berlin 2018 (Ullstein)
Han, Byung-Chul, Duft der Zeit. ein philosophischer Essay zur Kunst des Verweilens, Bielefeld 2009, (Transcript Verlag)
Han, Byung-Chul, Müdigkeitsgesellschaft. Um die Essays Burnoutgesellschaft und Hoch-Zeit, Berlin 2018, (Matthes & Seitz)
Han, Byung-Chul, Vom verschwinden der Rituale. Eine Topologie der Gegenwart, Berlin 2019, (Ullstein)
Han, Byung-Chul, Tranzparenzgesellschaft, Berlin 2017, (Matthes & Seitz)