Wandeling in 1847

Zodra het de volgende dag dus licht was, wij een veldfles gevuld hadden en in een van onze rugzakken een stuk brood met een plak vlees gestopt hadden, trokken wij erop uit en begonnen wij zander gids of zonder welke informatie dan ook (dat is de enige goede manier) te lopen, vastbesloten om waar dan ook been te gaan, vooropgesteld dat het ver zou zijn, en wanneer dan ook terug te keren, vooropgesteld dat het laat zou zijn. We begonnen langs een pad tussen het onkruid, het volgde de bovenkant van de kliffen, klom naar de toppen, daalde af naar de dalen ervan en zette zich voort hoog boven de contouren van het eiland. Waar het onderbroken werd door een steenstort, klommen we hoger het binnenland in en, door ons te richten op de horizon van de zee, waarvan de blauwe streep samenviel met de hemel, bereikten we vervolgens weer, en vrij plotseling, het hoogste punt van de bergkam die aan beide zijden zijn afgrond voor ons opende. De loodrechte helling op de top waarvan wij liepen, toonde ons niets van de rotsflanken; alleen hoorden we onder ons het grote, kloppende geluid van de zee.

Af en toe brak de rots in haar volmaakte grootsheid open en liet dan onverwachts haar twee bijna loodrechte zijvlakken zien, die gestreept waren met lagen vuursteen en waarop kleine gele toefjes groeiden. Als we een steen naar beneden gooiden, leek die een tijdje in de lucht te blijven hangen, stootte dan op de wand, rolde opspringend verder, sprang in schilfers uiteen, veroorzaakte aardverschuivingen, sleepte kiezelstenen mee en beëindigde zijn loop in het kiezelbed; en daarbij hoorde je de opvliegende aalscholvers krijsen. Vaak hadden onweersregens en dooi de hoogste gronden op die rotsengten weggespoeld en omdat die geleidelijk weggevloeid waren hadden ze de helling ervan getemperd zodat je erlangs kon afdalen. Wij waagden ons op een ervan en door ons op ons achterste te laten glijden, remmend met de voeten en steunend op de handen, kwamen we ten slotte beneden op mooi vochtig zand.

Het was afnemend tij, maar om verder te gaan moesten we wachten tot de golven zich teruggetrokken hadden. We keken hoe ze aanstormden. Ze schuimden op de rotsen die gelijk met de waterspiegel lagen, kolkten in de holten, sprongen op als opwaaiende sjerpen, vielen in watervallen en paarlen neer en trokken dan in een lange deining hun groene laken weer naar zich terug. Wanneer een golf zich over het zand had verspreid, begonnen er onmiddellijk stroompjes door elkaar te lopen en weg te vluchten naar lagere niveaus. Het zeewier bewoog zijn kleverige linten, het water voerde tal van steentjes mee, vloeide uit de spleten tussen de stenen, veroorzaakte duizenden klateringen, duizenden straaltjes. Het doorweekte zand dronk de golven in en bleekte, drogend in de zon, zijn gele tint. Zo gauw er plaats was voor onze voeten vervolgden we, springend over de rotsblokken, onze weg. Al spoedig nam de ordeloze opeenstapeling van rotsen toe, omgevallen, dooreengesmeten, opgestapeld in alle richtingen, op elkaar geworpen. We klampten ons eraan vast met onze wegglijdende handen, met onze voeten die zich vergeefs krampachtig samentrokken op hun slijmerige hardheid.

De kliffen waren hoog, zo hoog dat je er bijna bang van werd als je omhoog keek. Ze verpletterden ons met hun geweldige onverstoorbaarheid en ze fascineerden ons toch; want ondanks jezelf keek je ernaar en je ogen werden het kijken ernaar niet moe. Er kwam een zwaluw langs, we keken hoe ze vloog; ze kwam van zee, klom langzaam op en doorsneed met het scherp van haar veren de vloeibare, lichtende lucht waarin haar vleugels voluit baadden en ervan schenen te genieten zich zo volledig te kunnen ontplooien. Ze klom nog hoger, boven de klif uit, bleef klimmen en verdween. Inmiddels klommen wij over de rotsen waarbij elke bocht van de kust ons een nieuw uitzicht bood. Af en toe werden de rotsen onderbroken en dan liepen we over vierkante stenen, vlak als tegels waarin vrijwel symmetrisch voortlopende spleten de barre sporen leken van de een of andere antieke weg uit een andere wereld. Hier en daar strekten zich, roerloos als hun groene bodem, grote waterplassen uit die even klaar, even stil waren en ook niet meer bewogen dan diep in het bos, op zijn bed van waterkers, beschaduwd door wilgen, de zuiverste bron. Daarna lagen de rotsblokken weer dichter en hoger op elkaar gestapeld. Aan de ene zijde de zee, waarvan de golven de lage rotsen besprongen en aan de andere de kaarsrechte, steile, onneembare kusthelling. Vermoeid en duizelend zochten we naar een uitgang. Maar steeds rezen de kliffen weer voor ons op en de rotsen die hun donkere bossen zeewier tot in het oneindige uitstrekten, lieten hun ongelijke koppen die groter werden en zich vermenigvuldigden als zwarte, uit het onderaardse opgedoken spoken, opeenvolgen. We zwalkten zo op goed geluk door, toen we opeens, zigzag tegen de rots op kronkelend, een zwevend dalletje zagen dat ons in staat stelde om als langs een ladder weer het open terrein te bereiken.

Toen we die beklommen hadden bevonden we ons op de hoogvlakte die deze kant van het eiland beheerst en liepen we verder in dezelfde richting, door bouwlanden zander bomen die door geen sprankje groen werden opgevrolijkt. Niettemin was het erg plezierig dat we nu alleen nog maar de ene voet voor de andere behoefden te zetten. Er kwam een bosje van spichtige dennen in zicht, we liepen erin en nadat ik de zak die al vier uur lang op mijn rug gehotst had, had losgegespt, begonnen we met onze nagels en onze handen de plak koud kalfsvlees te ontleden, die erin had liggen hotsebotsen tegen het stuk brood. Op de grand liggend op de afgevallen naalden, dineerden we tussen ons beider benen in, terwijl we aan de toppen van boomtakken onze sokken en onze schoenen, die doorweekt waren van zeewater, lieten drogen. Toen het tafellaken weer was opgevouwen en een lekkere pijp ons hersteld had van onze vermoeienissen, pakten we de stok op en vertrokken we weer.

Omdat we het eiland in de breedte wilden doorkruisen, richtten we ons op de zon en gingen recht vooruit; maar al vlug raakten we verdwaald in het land en toen probeerden we alleen nog maar de zee terug te vinden waarvan de kust, als we die maar bleven volgen, ons ten slotte naar Le Palais moest terugvoeren, ofwel ’s avonds, ofwel s’ nachts, ofwel de volgende morgen, want we wisten niet meer waar het lag en al evenmin waar we onszelf bevonden. Het deed er niet toe, het is altijd een genoegen, zelfs als het land lelijk is, er met z’n tweeën doorheen te wandelen, lopend door het gras, je door hagen brekend, springend over greppels, distels neermaaiend met je stok, bladeren en halmen met je handen losrukkend, op goed geluk verdergaand zoals je gedachten je ingeven, naar waar je voeten je dragen, zingend, fluitend, kletsend, dromend, zander dat iemand je hoort, zonder het geluid van voetstappen achter je eigen voetstappen, vrij als in de woestijn!

O, lucht! Lucht! En ruimte! Geef, waar onze opgesloten zielen verstikken en sterven op de vensterbank, waar onze gevangen geesten net als de beer in zijn kuil voortdurend rond hun eigen as draaien en zich stoten aan hun wanden, mijn neusgaten dan tenminste de geur van alle winden op aarde, laat mijn ogen zich dan wenden naar alle horizonten! Geen enkele klokketoren toonde in de verte zijn glanzende leien dak, niet een gehucht verscheen vanachter een plooi in het terrein om binnen een tuiltje bomen zijn rieten daken en vierkante binnenplaatsen te schikken; we kwamen niemand tegen, geen langskomende boer, geen grazend schaap, geen zwervende hond. Al die bebouwde akkers maakten een onbewoonde indruk; er werd op gewerkt, niet op geleefd. Ze zeggen wel dat degenen die ze bezitten ervan profiteren, maar er niet van houden. We zagen een boerderij, we gingen er naar binnen; een vrouw in lompen schonk ons ijskoude melk in aardewerken kopjes. Er heerste een merkwaardige stilte. Ze bekeek ons gretig en wij gingen weer weg.

We daalden af in een vallei waarvan de nauwe wanden zich leken uit te strekken tot aan zee. Lange planten met gele bloemen groeiden tot op buikhoogte. We liepen met grote passen verder. We hoorden vlak bij ons water stromen en we kwamen op drassig terrein. De twee heuvels begonnen uiteen te wijken en droegen op hun dorre flanken nog steeds borstelig gras dat hier en daar met grote gele plekken korstmos bevlekt was. Aan de voet van een ervan stroomde een beek tussen de lage takken van mismaakte struiken die op de oevers ervan opgeschoten waren, am zich verderop te storten in een roerloze poel, waar insekten met lange poten liepen over de bladeren van waterlelies.

De zon stak. De vliegjes gonsden met hun vleugels en deden de riethalmen doorbuigen onder het gewicht van hun lichte lijfjes. Wij waren getweeën alleen in de rust van deze eenzaamheid. Op deze plaats rondde de vallei zich, werd breder en maakte een haakse bocht. We klommen op een heuvel om verder te kunnen zien; maar de horizon werd al spoedig afgesloten, gevangen achter een andere heuvel, ofwel zich uitstrekkend. achter nieuwe vlakten. Toch schepten we moed en trokken we verder, denkend aan die op eilanden achtergelaten reizigers die op de kapen klimmen, om in de verte een zeiltje te zien dat naar hen toe stevent.

Het terrein werd droger, de planten minder hoog, en opeens vertoonde de zee zich voor ons, teruggeweken in een nauwe baai en al spoedig knerpte zijn strandje, opgebouwd uit de resten van kalkkoraaldiertjes en schelpen, onder onze voetzolen. We lieten ons op de grand vallen en vielen, uitgeput van vermoeidheid, in slaap. Een uur later werden we gewekt door de kilte en begonnen we weer te lopen, dit keer zeker dat we niet zouden verdwalen; we bevonden ons op de kust tegenover Frankrijk en Le Palais lag links van ons. Het was de oever waarop wij de vorige avond de grot gezien hadden die ons zo gefascineerd had. Het duurde niet lang of we vonden andere, die nog hoger en nog dieper waren. Ze deden zich steeds open in grote, recht opgaande of overhellende ogieven, hun uitdagende lijnen tekenend tegen geweldige, regelmatig gevormde rotswanden. Zwart en paars dooraderd, vuurrood, bruin met witte strepen, zo onthulden ze voor ons die ernaar kwamen kijken, alle afwisselingen van hun kleuren en vormen, hun sierlijkheden en hun grandioze grilligheden. Een was er zilverkleurig met bloedrode aderen; in een andere waren toefjes op primula’s lijkende bloemen ontloken op het glazuur van roodachtig graniet en vanuit de zoldering vielen trage, zich steeds hernemende druppel op het fijne zand. Achterin een ervan leek, onder een langwerpig booggewelf, een bed van wit en gepolijst kiezel dat ongetwijfeld elke dag door het getij werd afgehaald en weer opgemaakt, daar slechts te zijn om het lichaam van de Najade te ontvangen, wanneer dat uit de golven zou opduiken; maar haar sponde is leeg en is haar voor altijd kwijt! Er resten slechts de nog vochtige wieren waarop zij haar schone, naakte, door het zwemmen vermoeide leden ooit uitstrekte en waarop zij, tot aan de dageraad, sliep in de maneschijn.

De zon ging onder. Achter in de baai kwam de vloed op tegen de rotsen, die uitgewist werden door de blauwe avondnevel, die bij de zeespiegel werd opgebleekt door het schuim van de weer oplevende golven; aan de andere kant van de horizon zag de met lange oranje lijnen gestreepte hemel eruit als door harde windvlagen schoongeveegd. Zijn door de golven gereflecteerde licht verguldde deze met een weerschijnend moiré; daar waar het het zand belichtte, maakte het dat bruin en liet het er een strooisel als van staal op schitteren. Een halve mijl verder naar het zuiden lag een lange rij van rotsen langs de zee. Om daar overheen te komen wachtte ons een tocht als degene die we ’s morgens gemaakt hadden. We waren moe, het was ver; maar een verleiding dreef ons verder, naar achter die horizon. De zeewind waaide aan in de rotsholten; de waterplassen rimpelden; het zeegras op de flanken van de kliffen huiverde en aan de kant waar de maan moest opkomen, klom een bleke helderheid boven de wateren uit. Het was het tijdstip waarop de schaduwen lang zijn. De rotsen waren groter, de golven groener. Het leek wel alsof ook de hemel wijder werd en de gehele natuur een ander gezicht kreeg. Dus trokken we voort, verder, zonder ons te bekommeren om het opkomend tij of om de vraag of er later nog wel een doorgang zou komen om weer op het vasteland te geraken.

We moesten gewoon tot aan het bittere einde misbruik maken van ons genoegen en dat smaken zander er iets van te verspelen. Lichtvoetiger dan ’s morgens sprongen we, holden we onvermoeid, zander dat iets ons weerhield, terwijl een lichamelijk vuur ons ondanks onszelf meesleepte en wij in onze spieren een soort huivering voelden van een stevige en opmerkelijke wellust. We schudden onze hoofden in de wind en met genot beroerden we de planten met onze handen. Terwijl we de geur van de golven opzogen, snoven we, riepen we voor ons alles op wat er maar aan kleuren, stralen, gemurmel was: de tekening van de zeewieren, de zachtheid van zandkorrels, de hardheid van de rots die onder onze voeten weergalmde, de hoogte van de kliffen, de kuif van de golven, de inhammen van de kust, de stem van de horizon; en verder streek de zeewind langs ons als onzichtbare kussen op ons gezicht, was er de hemel die met voortjagende wolken goudpoeder uitstrooide, de opkomende maan, de sterren die zich vertoonden. We zwalkten verder, de geest vervuld van die overdaad aan luister, we deden onze ogen eraan tegoed; we sperden er onze neusgaten voor open, we openden er onze oren voor; iets van het leven van de elementen, iets wat ze, ongetwijfeld door de aantrekkingskracht van onze blikken, zelf uitstralen, bereikte ons en vermengde zich ermee, waardoor wij het minder afstandelijk begrepen, het van dichterbij aanvoelden, dankzij die complexer eenheid. Door erin door losten wij erin op, ze nam ons in bezit, we voelden hoe ze ons overwon en het bezorgde ons een buitengemene vreugde; we hadden ons erin willen verliezen, door haar overwonnen willen worden, of ons door haar mee willen laten voeren. Zoals je in de vervoeringen van de liefde meer handen wilt hebben om te kunnen betasten, meer lippen om te kunnen kussen, meer ogen om te kunnen zien, meer ziel om te kunnen beminnen, en we ons van nature willen presenteren in een liefdesspel vol vervoering en genot, zo betreuren we ook dat onze ogen niet kunnen doordringen tot in de schoot van de rotsen, tot in de diepste diepten van de zeeën, tot achter in de hemel, om te zien hoe de stenen groeien, de rivieren ontspringen, de sterren ontstoken worden; dat onze oren niet kunnen horen hoe, wentelend binnen de aarde, het graniet geformeerd wordt, hoe het sap opstijgt in de planten, hoe de koralen wentelen in de oceanische eenzaamheid. En door de uitstraling van deze beschouwelijke tederheid zouden we willen dat onze ziel met een alomtegenwoordig licht kon gaan leven te midden van al dat leven en zich kon bekleden met alle vormen daarvan, als deze zou kunnen blijven bestaan in voortdurende verandering, de eeuwigdurende zon steeds weer zijn metamorfosen tonend! Maar de mens is. slechts gemaakt om elke dag een beetje voedsel, kleuren, geluiden, gevoelens, gedachten, te smaken. Al wat die maat overschrijdt, vermoeit of bedwelmt hem; dat is de idiotie van de dronkaard, de dwaasheid van de vervoerde. Ach, mijn God, wat is ons glaasje toch klein! Wat is onze dorst toch groot! Wat is ons hoofd toch zwak!

Die avond droegen we het onze niet meer zo volmaakt zelfverzekerd op de schouders; we keerden er opgewekt, aangedaan, bijna woest van terug, met kloppend hart, de zenuwen trillend als de snaren van een te intens bespeelde harp; ons lichaam was vermoeid, ons hoofd duizelde, terwijl daarentegen onze knieën met hun hortende bewegingen ons voortduwden en ons bijna deden springen. Toen we terugkwamen in de stad waarvan men bezig was de poorten te sluiten, hadden we veertien uur gelopen, staken onze voeten door onze schoenen heen en kon je onze hemden, die twee dagen later nog niet droog waren, uitwringen. Pag. 84-93 (bij Quiberon – Bretagne)

Bron: Flaubert, Gustave, Langs de Loire, Amsterdam Antwerpen 1992, (Uitgeverij Contact)