Grote en kleine hemels

 

Grote en kleine hemels

De meesten van ons weten wat een kleine hemel is of beter een stukje hemel op aarde. Een goede maaltijd met een perfecte wijn, het geluk als je erin slaagt iets te kopen wat je al heel lang wilde hebben, een adembenemend panorama op vakantie, een gevoel van hevig opflakkerende liefde bij het zien van je toekomstige partner. Het is maar een kleine greep uit al die hemeltjes op aarde. Het zijn meestal (kortstondige) vormen van geluk die het leven aangenaam maken en die je de moed geven om optimistisch in het leven te staan. Veel studenten die bij ons binnenlopen voor een gesprek vertellen over een dip(je) in hun leven waardoor ze het (even) niet zien zitten. Ze ervaren te weinig ‘hemelse’ momenten om door de spreekwoordelijke ‘bomen van hun zorgen het bos van een leven in balans’ te kunnen zien.  Zij zijn (even) de richting kwijt, ze weten (even) helemaal niet meer waar ze het allemaal voor doen. Ze missen houvast, ze staan niet met beide voeten op de grond want hun hoofd wordt bevolkt door spoken. Angst voor mislukking, voor afwijzing, voor te kort schieten. Sommigen voelen zich afgewezen of minderwaardig. Ze spiegelen zich aan medestudenten die in hun ogen een perfect leven leiden. Maar eigenlijk kijken ze niet verder dan hun neus lang is. Ze denken dat hun wijze van beleven en ervaren de enige is, alsof er ook in hun hoofd, niet meer ruimte mogelijk is. Een gesprek levert  door het stellen van goede vragen vaak op, dat er meer ruimte komt, dat er veel meer mogelijk is dan de persoon in eerste instantie dacht en verwachtte. Het mooie van ons werk is dan ook dat wij als studentenpastores niet een kast vol mogelijke oplossingen hoeven te hebben voor studenten in nood. Wij gaan ervan uit dat elk mens zijn eigen vragen, maar ook zijn eigen antwoorden met zich meedraagt. Alleen zijn die antwoorden niet altijd zichtbaar. Soms liggen ze verstopt onder een hoop gedachten en (waan)ideeën, zoals angst om te falen of om niet gewaardeerd te worden. En als de antwoorden boven komen omdat er geestelijk ruimte ontstaat, komen er ook weer nieuwe vragen. Dat is een voortdurend proces. Maar het moment van opluchting is als een klein stukje hemel.

Maar hoe zit het dan met ‘de (grote) hemel’? We dragen de naam Studentenkerk. Dus sommigen verwachten ook een antwoord op deze vraag. We kunnen dan naar de katechismus van de katholieke kerk verwijzen, maar dan maken we er ons wel heel makkelijk van af. Die is daar trouwens ook heel summier over als de plaats door God geschapen en eigen aan God, woonplaats van de engelen en de gelukzaligen. De hemel als de hoogste en definitieve staat van geluk, een zijn bij Christus die voor ons door zijn dood de hemel heeft geopenbaard. Maar dan weten we eigenlijk nog niet wat de hemel precies inhoudt. Daar zit misschien dan ook het probleem: we kunnen ons de hemel niet anders voorstellen dan vanuit onze lichamelijke conditie.  Met ons lichaam nemen we ruimte in, bevolken wij de ruimte. Beelden van de hemel sluiten hier op de een of andere wijze op aan. Als dat lichaam er niet meer is wordt het een heel  stuk moeilijker om hierover gedachten te vormen. Zelfs onze gedachten stammen uit ons lichamelijk brein en zijn dus hierdoor gekleurd en aan de concrete levensruimte gebonden. Daarom concentreren veel beschrijvingen van de hemel zich op het aspect tijd zonder een uitspraak te doen over de concrete ruimte. De hemel is de tijd waarin je terecht komt hierna, na dit aardse leven, als je levenstijd hier is afgelopen. Hoe dit dan eruit ziet, dat weten we niet. In de geloofsbelijdenis wordt de opstanding van het lichaam beleden, maar ook dat is met raadselen omhuld. Welk lichaam? Ook het lichaam van iemand die invalide is geworden, of door een granaatinslag totaal uiteengerukt? Welk lichaam uit welke periode van je leven? Als je door gaat vragen kom je in de problemen en kom je er al gauw achter dat je niet te letterlijk moet zijn want dan val je van de ene tegenspraak in de andere.

Maar wat zeggen wij nou tegen studenten als die naar de (grote) hemel vragen? Ik weet het niet? Of we hebben alleen maar mooie metaforen?  Of dat zoeken we op? Wij doen een gok op Wikipedia? Toch is het een belangrijke vraag ook al kennen we het antwoord niet. De vraag ‘an sich’ naar een hemel zegt iets over het verlangen van degene die haar stelt. En dat verlangen is serieus te nemen. En als je daar bent aangeland in het gesprek en het gaat over het verlangen en de wortels van het verlangen dan heb je vaste grond onder je voeten. Want zoals Berthold Brecht al zei: (ik parafraseer) het feit dat je honger hebt is genoeg bewijs ervoor dat je leeft en als mens behandeld wilt worden. Zo is het ook met tastend geloven en verlangen naar een hemel.

John Hacking