Tollenaars en Farizeeërs

 

Tollenaars en Farizeeërs

 

Een verhaal van uitersten waarin vervreemding en herkenning hand in hand gaan maar waarbij niemand zich echt thuis voelt. Net zoals het leven complex is zijn ook de persoonlijkheden bij nader toezien in dit verhaal ingewikkeld en roept hun handelen tal van vragen op zodat identificatie met een van hen een lastige zoniet onmogelijke zaak wordt. Want als buitenstaander, toehoorder, lezer valt het niet mee in de huid te stappen van een van beiden.

Wat we van deze tekst kunnen leren voor ons kerkelijk zelfverstaan vanuit de ogen van hedendaagse studenten is twijfelachtig omdat de kerk geen echt thema is voor veel studenten. Het verhaal van Jezus dat gericht is aan de toehoorders die overtuigd zijn van hun eigen gerechtigheid is daarom niet minder waardevol, maar te snel conclusies trekken blijft een gevaarlijke bezigheid.

 

Toen ik studenten deze tekst voorlegde met de vraag met wie zij zich zouden identificeren kreeg ik van een van hen dit antwoord: “ik vind het verhaal een beetje zwart – wit. Wat je in het verhaal ziet zijn twee extreme voorbeelden van hoe mensen zijn en hoe zij over zichzelf denken.” En een ander: “moeilijke vraag hoor! Zo op het eerste gezicht benadert de tollenaar het meest het (christelijke?) ideaal. Maar wat doet die man in zijn dagelijkse leven? Heeft hij reden om berouwvol te zijn? Begaat hij zoveel ‘zonden’ als hij zelf zegt? Als dat zo is zou ik menen dat hij daar beter wat aan kan doen. En wat de Farizeeër betreft, als het waar is wat hij over zichzelf zegt, dat hij niet hebzuchtig is en dat hij tien procent van zijn inkomen weggeeft, dan heeft hij niet veel om zich over te schamen. Ik ken niemand die tien procent van zijn inkomsten weggeeft. Het is dan wel niet zo netjes van hem om daarover op te scheppen, en om andere mensen naar beneden te halen, maar valse bescheidenheid vind ik ook niet nodig. Ik vind het dus niet gemakkelijk om te zeggen bij welke persoon ik me het meest thuis voel.”

 

Toch is er bij een ander ook een voorkeur: ” Ik vind het moeilijk om een van de twee personen aan te wijzen waar ik me het meeste bij thuis voel. Eigenlijk kan ik me met allebei niet écht identificeren, maar als ik dan toch moet kiezen, dan kies ik voor de farizeeër, omdat ik me wel kan inleven in zijn bevooroordeeldheid t.a.v. de tollenaar. Ik vind het herkenbaar dat hij snel een oordeel over iemand klaar heeft, terwijl hij de tollenaar waarschijnlijk niet goed kent”

Een andere student merkt op: “Ik heb een voorkeur voor de tollenaar. Ik vind het ‘verdacht’ en niet zo prettig als mensen zichzelf (moreel) beter vinden dan anderen en daar genoegen aan beleven. Bovendien lijkt de Farizeeër daarmee blind te zijn voor de fouten die hij heeft. Hij komt ook gemakzuchtig over: hij vindt dat hij zelf goed bezig is, omdat hij zich netjes aan regels houdt. De tollenaar heeft oog voor zijn fouten en is, in tegenstelling tot de Farizeeër, echt emotioneel betrokken. Ik denk dat zijn houding ook reëler is. Ieder mens maakt fouten. Ik denk dat ik zelf ook meer lijk op de tollenaar dan op de Farizeeër.”

Weer een ander echter zegt: “Ik vind het makkelijk en flauw om zonder meer met de tollenaar te sympathiseren, zijnde the ‘good guy’.  Als de Farizeeër berouw zou tonen voor zijn arrogantie en de tollenaar zijn leven zou beteren zijn ze voor mij gelijk. Doordat zij allebei eerst dus nog wat te verbeteren hebben, zijn ze ook nu gelijk en beiden zowel goed als fout.”
De hoogmoed van de farizeeër wordt door de studenten niet op prijs  gesteld maar een student vindt wel dat mensen die proberen een goed leven te leiden trots op zichzelf mogen zijn, maar dan zonder andere mensen te vernederen. Ook de nederigheid van de tollenaar wordt kritisch benaderd.  Een student merkt hierover op: “ik vind het gewoon te makkelijk om te zeggen dat je een zondig mens bent waar je niets aan kunt doen. Met die nederige houding heb ik moeite. Als je van jezelf houdt moet je een realistisch beeld van jezelf hebben en je moet de negatieve maar ook de positieve dingen kunnen zien. Je moet je niet te klein maken voor God. Dat heeft ook met mijn godsbeeld te maken, ik voel niet dat ‘zelfvernedering’ mijn relatie met God  laat groeien.”

 

Kortom voor studenten is het rolmodel van de Farizeeër of de tollenaar niet vanzelfsprekend. De houding van beiden roept vragen op en niemand voelt zich er echt bij thuis. Hoogstens worden eigenschappen herkend zoals trots zijn op je zelf als je iets presteert, het hebben van een vooroordeel, of het maken van fouten en inzien dat je verkeerd zit. Kenmerkend ook voor de hedendaagse bril waarmee studenten naar de tekst kijken.

Ik vermoed dat het niet zoveel zin heeft om vragen aan de tekst te stellen die vanuit een andere context komen zoals de bezorgdheid om de toekomst van de ‘kerk’ of de verhouding tussen oud en jong in de kerkelijke gemeenschappen. Want daarmee leg je de tekst een nieuw interpretatieraamwerk op waarmee de lezer niet gediend is en waardoor de tekst aan zeggingskracht inboet. Verkeerde vragen leiden tot foute antwoorden, voeren ons op een dwaalspoor en zeggen meer over de preoccupaties van de lezer dan over de tekst. In die zin lijken de vragenstellers op de Farizeeërs die weten hoe het zit.

 

Beter is, lijkt me bij de tekst zelf te starten, de bewegingen te volgen en dan te kijken wat wij ermee gemeen hebben en hoe herkenbaar ze zijn. Dan mag de tekst als eerste spreken en geven wij ons antwoord. En zo ontstaat stap voor stap betekenis.

De Farizeeër gaat op zijn plaats staan en kijkt omhoog naar de hemel en bidt in zichzelf sprekend. De tollenaar staat achteraf, durft (zelfs) niet omhoog te kijken, slaat zich op de borst en vraagt om medelijden en genade. Zie hier in een notendop de kernbewegingen van twee acteurs in ons verhaal. Omhoog kijken naar de hemel, hoogmoedige zelfverzekerdheid en tegelijk met verachting naar beneden kijken naar het “klootjesvolk”. Precies in dit dubbele van het kijken zit het probleem bij de Farizeeër. Daarom zal hij niet door de hemel worden verhoord. De tollenaar kijkt alleen maar naar beneden en zijn oprechtheid brengt hem de gunst van de hemel.

 

Onze studenten laten ons zien dat zij geen moeite hebben met het omhoog kijken. Zij hebben eerder moeite met het alleen maar omlaag kijken. Maar omhoogkijken en daarbij de ander als springplank gebruiken om er zelf beter uit te zien wordt zowel door de studenten als door de hemel afgewezen.

Het probleem zit hem niet in de richting van het kijken: soms mag je naar de hemel kijken en soms naar de aarde. Het probleem schuilt in het samengaan van twee bewegingen: het omhoog kijken terwijl je eigenlijk omlaag kijkt. Met andere woorden de Farizeeër kijkt niet echt omhoog naar de hemel, met honderd procent aandacht en overgave, nee hij kijkt eigenlijk alleen maar met verachting omlaag en denkt dat hij omhoog kijkt. De tollenaar is oprecht, hij kijkt alleen maar omlaag en doet dat met volle honderd procent.

Integriteit en oprechtheid in gedrag en houding dat zijn de kernwoorden die boven komen drijven als je dit verhaal ontleedt vanuit deze bewegingen. Ik vermoed dat onze studenten daar wel bij aan willen sluiten. Een student formuleert het zo: “ik heb niet het gevoel dat God van mij vraagt dat ik mezelf kleiner moet maken voor hem, hij wil juist dat ik groter word en meer zelfvertrouwen krijg.” Staat dat nou zo haaks op: “want ieder die zich verheft (ten koste van de ander) zal vernederd worden, maar wie zich vernedert (omdat hij oprecht zijn fouten inziet) zal verheven worden”?

 

John Hacking